Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2019:1808

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
08-03-2019
Datum publicatie
12-03-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 4472
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om door te werken na bereiken AOW-gerechtigde leeftijd. Niet gebleken van toezeggingen, vooringenomenheid of bijzonder geval waarin verweerder had moeten afwijken van het eerste lid van artikel 8:2, eerste lid van de CAR/UWO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 18/4472

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 maart 2019 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: A.A.J. Plateijn),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hollands Kroon, verweerder

(gemachtigde: mr. G.G.E.A. Frederix-Glanotten).

Procesverloop

Bij besluit van 16 oktober 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser afgewezen om door te mogen werken na het bereiken van zijn AOW-gerechtigde leeftijd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. Het bezwaar is met toepassing van artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) als rechtstreeks beroep doorgestuurd naar de rechtbank.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 januari 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, [naam 2] en [naam 1] .

Overwegingen

1.1.

Eiser is sinds augustus 2005 aangesteld bij (de rechtsvoorganger van) verweerder. Hij was werkzaam in de functie [functie] , bij de afdeling [afdeling 1] . Per 9 oktober 2017 is eiser als toezichthouder geplaatst bij de afdeling [afdeling 2] .

1.2.

Bij brief van 9 september 2018 heeft eiser verweerder verzocht om zijn werkzaamheden voort te mogen zetten na het bereiken van zijn pensioengerechtigde leeftijd op 29 oktober 2018.

1.3.

Bij brief van 21 september 2018 heeft verweerder eiser meegedeeld voornemens te zijn het verzoek af te wijzen.

1.4.

Bij brief van 11 oktober 2018 heeft eiser zijn zienswijze ingediend.

2. Verweerder heeft vervolgens het bestreden besluit genomen. Daarin heeft verweerder het standpunt ingenomen dat uit de toepasselijke regelgeving dwingend volgt dat de ambtenaar

eervol ontslag wordt verleend met ingang van de dag waarop hij de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt. Er bestaat volgens verweerder geen grond om van de dwingende regelgeving af te wijken omdat eisers vertrek binnen de bestaande formatie en door automatisering kan worden opgevangen.

3. Eiser stelt dat verweerder zijn verzoek ten onrechte heeft afgewezen. Verweerder kende eisers wens om na het bereiken van zijn AOW-gerechtigde leeftijd door te werken en eiser mocht erop vertrouwen dat dit zou worden toegestaan. Ten tijde van het voormalige bestuur is hiervoor ook aan tenminste drie collega’s toestemming verleend. Daarnaast wordt het langer doorwerken door de overheid gestimuleerd. Volgens eiser is de afwijzing van zijn verzoek vermoedelijk ingegeven door het directielid [naam 1] . [naam 1] was in 2017 de initiator van eisers gedwongen overplaatsing naar de afdeling [afdeling 2] . Eiser beschikt over unieke kennis die nodig is om de werkzaamheden bij die afdeling goed te kunnen uitvoeren. Het werk wordt nu gedaan door een re-integrerende medewerker die geen bouwkundig toezichthouder is. Er is volgens eiser dus geen goede vervanger voor hem.

4. Op gemeenteambtenaren is de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling en uitwerkingsovereenkomst (CAR/UWO) van toepassing.

In artikel 8:2, eerste lid, van de CAR/UWO is bepaald dat de ambtenaar eervol ontslag wordt verleend met ingang van de dag waarop hij de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt.

Op grond van het tweede lid van artikel 8:2 van de CAR/UWO kan het college in bijzondere gevallen, indien de ambtenaar hiermede instemt, van het bepaalde in het eerste lid afwijken.

5.1.

De rechtbank overweegt dat op grond van vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel vereist dat door of van de kant van het tot beslissen bevoegd orgaan uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezeggingen zijn gedaan, die bij de betrokkene gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt (zie zijn uitspraak van 9 augustus 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2470).

5.2.

Hiervan is in dit geval geen sprake. In het e-mailbericht van 12 oktober 2017 van [naam 1] staan de met eiser gemaakte afspraken waaronder die dat eiser in juni/juli 2018 het initiatief zal nemen om een afspraak te maken over de pensioendatum (1-11-2018) en dat de uitgangssituatie is dat eiser per 1 november 2018 met pensioen gaat. Uit dit e-mailbericht blijkt dat er gesproken is over de naderende pensioendatum. Mogelijk heeft eiser in dit gesprek aangegeven dat hij graag langer wil doorwerken maar uit het e-mailbericht blijkt in geen enkel opzicht dat [naam 1] uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezeggingen heeft gedaan waarop eiser zich nu met vrucht kan beroepen. Ook geven de overige stukken geen blijk van dergelijke toezeggingen door het oude dan wel huidige bestuur. Dat eiser daags na zijn verjaardag op 30 oktober 2018 niet meer kon inloggen op zijn werk en dus ook zijn e-mailberichten niet meer kon verifiëren, maakt een en ander niet anders nu eiser ter zitting desgevraagd heeft bevestigd dat hij geen toezegging zwart op wit heeft gekregen. Dat verweerder vooringenomen was waardoor de afwijzing van het verzoek onzorgvuldig is genomen, is evenmin gebleken.

5.3.

De rechtbank stelt vast dat de maatschappelijke ontwikkelingen waarop eiser zich beroept (nog) niet geresulteerd hebben in een wijziging van het bepaalde in artikel 8:2 van de CAR/UWO. Beoordeeld moet worden of sprake is van een bijzonder geval waarin verweerder had moeten afwijken van het eerste lid van artikel 8:2 van de CAR/UWO omdat eiser over unieke kennis beschikt waarvoor binnen de gemeente geen vervanging bestaat en of sprake is van willekeur. Verweerder heeft gesteld dat de drie door eiser genoemde collega’s die mochten doorwerken na het bereiken van hun AOW-gerechtigde leeftijd over unieke kennis beschikten waarvoor geen vervanger aanwezig was. Eiser heeft deze stelling ook niet bestreden. Ter onderbouwing van zijn unieke kennis heeft eiser ter zitting een stuk overgelegd waaruit blijkt dat volgens de schrijver van dat stuk eiser een zeer kundig en ervaren persoon is die de functie van toezichthouder bij [afdeling 2] bij uitstek goed zou kunnen vervullen en die de collega’s van [afdeling 2] dan ook graag verwelkomen in hun team. Niet blijkt hieruit dat eiser over unieke kennis beschikt die nodig is om de werkzaamheden uit te voeren, dat eiser niet vervangbaar is en dat de werkzaamheden alleen door een bouwkundige kunnen worden verricht. De rechtbank oordeelt dan ook dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten eisers verzoek af te wijzen.

5.4.

Aan de beoordeling van eisers stelling dat verweerder geen opzegtermijn heeft gehanteerd en hem geen transitievergoeding is toegekend, komt de rechtbank niet toe. Immers deze procedure ziet alleen op de afwijzing van eisers aanvraag om na het bereiken van zijn AOW-gerechtigde leeftijd door te mogen werken en niet op het ontslagbesluit.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P.E. Oomens, rechter, in aanwezigheid van

D.M.M. Luijckx, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 maart 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.