Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2019:1790

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
27-02-2019
Datum publicatie
07-03-2019
Zaaknummer
C/15/275769 / HA ZA 18-439
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Schuld staat verdeling gemeenschappelijk goed niet in de weg

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

Zittingsplaats Haarlem

zaaknummer / rolnummer: C/15/275769 / HA ZA 18-439

Vonnis van 27 februari 2019

in de zaak van

[eiser/verweerder] ,

wonende te [woonplaats],

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. P. van Lingen te Alkmaar,

tegen

[gedaagde/eiser] ,

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. R.J.J. Hilberts te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiser/verweerder] en [gedaagde/eiser] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 29 augustus 2018 en de daarin genoemde (proces)stukken;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 10 januari 2019.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op 1 juni 2005 hebben partijen, die broers zijn, tegen betaling van

€ 178.750,- samen in eigendom verkregen de woning gelegen aan de [adres] (hierna: de woning). Partijen hebben de woning gefinancierd met een door hen gezamenlijk bij Seyst Hypotheken B.V. afgesloten hypothecaire lening van € 203.000,- (hierna: de hypotheek). Aan de hypotheek is verbonden de door partijen bij DBV Verzekeringen afgesloten SpaarInvest Verzekering (hierna: de levensverzekering).

2.2.

Partijen hebben lange tijd samen in de woning gewoond. Nu woont alleen [gedaagde/eiser] in de woning.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[eiser/verweerder] vordert, na wijziging van eis, dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. [gedaagde/eiser] veroordeelt om binnen 5 dagen na betekening van dit vonnis zijn medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van zijn deel in de eigendom van de woning door:

a) een handtekening te plaatsen onder een door een makelaar, uit te kiezen door [eiser/verweerder], op te stellen verkoopopdracht voor de woning tegen de naar plaatselijke maatstaven hoogst haalbare prijs;

b) de helft van de door de makelaar in rekening te brengen kosten te voldoen;

c) een verkoopovereenkomst te sluiten met een koper of kopers terzake verkoop van de woning tegen de naar plaatselijke maatstaven hoogst haalbare prijs en daartoe de aanwijzingen van de makelaar op te volgen;

d) het (doen) leveren van de onroerende zaak aan de koper(s) één en ander onder al zodanige bedingen en voorwaarden als met de kopers overeengekomen, de koopsom te ontvangen en daarvoor kwijting te verlenen;

e) al het overige dat nuttig en nodig is om te komen tot een zo spoedig mogelijke verkoop van de onroerende zaak, waaronder in elk geval begrepen:

-de woning openstellen voor bezichtigingen door de makelaar, potentiële kopers en eventuele derden;

-het laten maken van foto’s van de woning ten behoeve van verkoop;

-het beschikbaar zijn voor overleg met de makelaar, op diens verzoek;

-het opruimen en opgeruimd houden van de woning ten behoeve van de te maken foto’s en ten behoeve van eventuele bezichtigingen;

en bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de toestemming van [gedaagde/eiser] wat betreft het geven van een verkoopopdracht, het plaatsen van een handtekening, het sluiten van een koopovereenkomst als ook met betrekking tot alle andere handelingen die noodzakelijk zijn om tot verkoop van de woning te komen, zoals bijvoorbeeld maar niet uitsluitend het vaststellen van de vraag- en verkoopprijs en het aangaan van onderhandeling met potentiële kopers;

2) [gedaagde/eiser] veroordeelt om binnen 5 dagen na betekening van dit vonnis aan [eiser/verweerder] af te

geven diens goederen waarover tussen partijen overeenstemming is bereikt, te weten:

-fietsen schuur [A.] en [eiser/verweerder]

-rieten stoel (kinder) jeugd [B.]

-eiken secretariaat [eiser/verweerder]

-slaapkamer inhoud [eiser/verweerder]

-spulletjes overloop (emotionele waarde) [eiser/verweerder]

-bordspellen [eiser/verweerder]

-Play Station spellen (ps3 en ps4) [eiser/verweerder]

-films [eiser/verweerder]

-gereedschap o.a. cirkelzaag [eiser/verweerder]

-stoomreiniger [eiser/verweerder]

-houten wachter (staat op schouw) [eiser/verweerder]

op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag dat [gedaagde/eiser] in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen, zulks met een maximum van

€ 10.000,-;

3) [gedaagde/eiser] veroordeelt om ter zake van schadevergoeding wegens waardevermindering van de woning door verkeerde en onafgemaakte verbouwingen aan [eiser/verweerder] te betalen € 10.000,-;

4) ( (voorwaardelijk: als in reconventie wordt beslist dat [eiser/verweerder] aan [gedaagde/eiser] ter zake van de woonlasten nog een vergoeding verschuldigd is) [gedaagde/eiser] veroordeelt om aan [eiser/verweerder] te betalen € 600,- per maand als vergoeding voor het alleen gebruik van de woning vanaf januari 2016 tot aan de datum van de verdeling;

5) [gedaagde/eiser] veroordeelt in de proceskosten.

3.2.

[gedaagde/eiser] voert verweer.

3.3.

Op verzoek van [gedaagde/eiser], en met instemming van [eiser/verweerder], zal de rechtbank de vordering sub 3 buiten beschouwing laten. Op de overige stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.4.

[gedaagde/eiser] vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [eiser/verweerder] veroordeelt om aan hem te betalen het bedrag van € 64.608,53, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de datum van het instellen van deze vordering tot de dag van volledige betaling, met veroordeling van [eiser/verweerder] in de proceskosten.

3.5.

[eiser/verweerder] voert verweer.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie en in reconventie

4.1.

Gelet op de nauwe verwevenheid van de vorderingen in conventie en in reconventie en de daaraan ten grondslag liggende stellingen, zullen deze vorderingen in het hierna volgende gezamenlijk worden behandeld.

woning

4.2.

[eiser/verweerder] legt aan zijn vordering met betrekking tot de woning ten grondslag dat hij uit de onverdeeldheid met [gedaagde/eiser], aangaande de woning, de hypotheek en de levensverzekering, wenst te komen. Omdat [gedaagde/eiser] niet in staat is de woning (met de hypotheek en de levensverzekering) over te nemen, zal de woning volgens [eiser/verweerder] moeten worden verkocht. [gedaagde/eiser] voert hiertegen primair aan dat de vordering moet worden afgewezen. Volgens [gedaagde/eiser] is verkoop van de woning niet nodig omdat hij wel in staat is de hypotheek op zijn naam te krijgen, mits [eiser/verweerder] eerst de schuld aan hem van € 20.000,- aflost. Die schuld is [gedaagde/eiser] aangegaan ten behoeve van [eiser/verweerder] om diens schulden af te betalen. Zonder die aflossing zal [gedaagde/eiser] niet in staat zijn om de woning over te nemen en dat kan in redelijkheid niet de bedoeling zijn. Subsidiair voert [gedaagde/eiser] aan dat de rechtbank eerst uitspraak doet over de eis in reconventie en de procedure in conventie aanhoudt totdat [eiser/verweerder] aan een veroordeling in reconventie heeft voldaan, in ieder geval voor wat betreft een bedrag van € 20.000,-.

4.3.

Omdat partijen elk voor de helft eigenaar zijn van de woning is sprake van een eenvoudige gemeenschap tussen partijen in de zin van artikel 3:166 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Op grond van artikel 3:178 lid 1 BW kan ieder der deelgenoten te allen tijde verdeling van een gemeenschappelijk goed vorderen. [eiser/verweerder] heeft onweersproken gesteld dat hij al sinds begin 2016 probeert om met [gedaagde/eiser] uit de onverdeeldheid van de woning te komen en daarbij [gedaagde/eiser] in de gelegenheid heeft gesteld om de woning over te nemen. Dat [gedaagde/eiser] in staat is om de woning over te nemen, zoals hij stelt, is niet gebleken. [gedaagde/eiser] heeft geen stukken overgelegd waaruit dat zou kunnen worden afgeleid, zoals bijvoorbeeld stukken over de waarde van de woning, de hoogte van de levensverzekering en/of voorwaarden voor (her)financiering bij een bank.

De rechtbank begrijpt het subsidiaire standpunt van [gedaagde/eiser] zo dat hij de rechtbank verzoekt, op de voet van lid 3 van artikel 3:178 BW, de verdeling uit te stellen totdat [eiser/verweerder] in verband met een schuld aan hem een bedrag van (in ieder geval) € 20.000,- heeft voldaan. De rechtbank ziet hiervoor onvoldoende aanknopingspunten. Ten eerste heeft [gedaagde/eiser] ook niet aangetoond dat hij, na ontvangst van het door hem gestelde bedrag van € 20.000,-, wel in staat zal zijn de woning over te nemen. De gestelde schuld, die door [eiser/verweerder] wordt erkend tot een bedrag van € 5.130,36, betreft bovendien een lening die [gedaagde/eiser] op zijn naam is aangegaan. Het is dus geen gemeenschapsschuld in de zin van lid 2 van artikel 3:178 BW. De verschuldigdheid van het bedrag van € 5.130,36 (of meer als dat komt vast te staan) door [eiser/verweerder] staat daarom los van zijn recht om verdeling van de woning te vorderen. Bij deze stand van zaken acht de rechtbank de door de verdeling getroffen belangen van [gedaagde/eiser] bij verdeling van de woning niet aanmerkelijk groter dan de belangen van [eiser/verweerder] die door de verdeling worden gediend. De vordering van [eiser/verweerder] met betrekking tot verkoop van de woning zal daarom worden toegewezen.

4.4.

[gedaagde/eiser] voert verweer tegen de gevorderde indeplaatsstelling van het vonnis omdat hij, indien hij daartoe wordt veroordeeld, zijn medewerking aan de verkoop van (zijn aandeel in) de woning zal verlenen. [eiser/verweerder] handhaaft zijn vordering. Ter zitting heeft de advocaat van [eiser/verweerder] verklaard dat hij pas indeplaatsstelling van het vonnis zal vragen als [gedaagde/eiser] niet meewerkt aan de verkoop van de woning nadat hij daartoe eerst schriftelijk is aangemaand. De rechtbank ziet in het voorgaande aanleiding om de vordering tot indeplaatsstelling toe te wijzen en gaat ervan uit dat de advocaat van [eiser/verweerder], indien [gedaagde/eiser] niet meewerkt aan verkoop van de woning, hem eerst schriftelijk zal aanmanen alvorens het vonnis in de plaats te stellen.

4.5.

Omdat de veroordeling ziet op de medewerking die [gedaagde/eiser] moet verlenen aan de verkoop en levering van (zijn aandeel in de eigendom van) de woning en hij gehouden is om daartoe al datgene te doen dat daarvoor nuttig en nodig is, ziet de rechtbank aanleiding om de vordering als volgt toe te wijzen.

spullen

4.6.

De rechtbank stelt vast dat partijen het erover eens zijn dat [eiser/verweerder] de elf door hem sub 2) gevorderde goederen kan komen ophalen en dat hij dan aan [gedaagde/eiser] de Playstation, een fles Smirnoff en de map met papieren zal afgeven. Nu [gedaagde/eiser] geen verweer heeft gevoerd tegen de vordering zal deze worden toegewezen. Ondanks de toezegging van [gedaagde/eiser] ter zitting dat hij de goederen zal afgeven, ziet de rechtbank in de ter zitting waargenomen terughoudendheid bij partijen aanleiding om de gevorderde dwangsom toe te wijzen met dien verstande dat de bedragen zullen worden verlaagd. Voor zover [eiser/verweerder] afgifte wenst van andere goederen, zoals de autoboxen en het koffiezetapparaat, zullen partijen hierover zelf tot afspraken moeten komen. In deze procedure heeft [eiser/verweerder] alleen een vordering ingesteld betreffende de elf hiervoor bedoelde goederen.

schulden

4.7.

[gedaagde/eiser] stelt dat [eiser/verweerder] aan hem nog een bedrag van € 64.608,53 verschuldigd is.

Volgens [gedaagde/eiser] zouden partijen de woonlasten delen en zou ieder daartoe € 500,- per maand op zijn bankrekening storten. Over de periode van september 2009 tot en met december 2010 heeft [eiser/verweerder] niet steeds € 500,- per maand gestort en wel diverse opnames van de rekening gedaan zodat hij per saldo nog € 8.465,17 aan [gedaagde/eiser] verschuldigd is. In de jaren 2011 tot en met 2016 heeft hij helemaal niets meer op de rekening gestort zodat hij over die periode nog € 36.000,- aan woonlasten verschuldigd is. [gedaagde/eiser] stelt voorts dat de belastingdienst € 2.333,- van zijn rekening heeft afgeschreven voor belastingschulden van [eiser/verweerder]. Daarnaast stelt [gedaagde/eiser] dat hij ten behoeve van [eiser/verweerder] een lening heeft afgesloten van € 20.000,- waarvan hij boetes van [eiser/verweerder] tot € 5.130,36 aan het CJIB heeft betaald en waarvan hij een bedrag van € 12.860,- in contanten aan [eiser/verweerder] heeft gegeven.

woonlasten

4.8.

[eiser/verweerder] betwist de (hoogte van de) vordering met betrekking tot de woonlasten. Volgens [eiser/verweerder] heeft hij niet de gestelde opnames gedaan en is hij nooit eerder door [gedaagde/eiser] aangesproken over een schuld van € 8.465,17. Als er al een vordering zou zijn, is deze volgens [eiser/verweerder] inmiddels verjaard. Ook ten aanzien van de woonlasten in periode vanaf 2011 stelt [eiser/verweerder] dat hij daarover door [gedaagde/eiser] nooit eerder is aangesproken. Tussen partijen was volgens [eiser/verweerder] duidelijk dat [gedaagde/eiser] de hypotheeklast betaalde omdat ook alleen hij het belastingvoordeel ter zake van de hypotheek ontving. Bovendien was [eiser/verweerder] in 2015 al niet (vaak) meer in de woning en is hij begin 2016 helemaal vertrokken. [eiser/verweerder] beroept zich in ieder geval op verjaring, voor zover de vordering ouder is dan vijf jaar.

4.9.

Ten aanzien van de woonlasten overweegt de rechtbank als volgt. Partijen verschillen van mening over de vraag wanneer [eiser/verweerder] de woning heeft verlaten, volgens [eiser/verweerder] in april 2015, althans begin 2016, en volgens [gedaagde/eiser] in mei 2017. Voor de aansprakelijkheid van [eiser/verweerder] voor de hypotheek maakt dit echter niet uit, nu deze op naam van beiden staat. In beginsel zijn partijen in hun onderlinge verhouding ieder voor de helft aansprakelijk voor de hypotheek, tenzij partijen daarover andere afspraken hebben gemaakt. Vast is komen te staan dat [gedaagde/eiser] de betaling van de hypotheekrente (en de overige woonlasten) verricht(te) en dat partijen hebben afgesproken dat [eiser/verweerder] als bijdrage in de woonlasten € 500,- per maand zou storten op de bankrekening van [gedaagde/eiser]. [eiser/verweerder] heeft niet aangetoond dat hij in de door [gedaagde/eiser] gevorderde periode die maandelijkse bijdrage heeft betaald, zodat hij gehouden is de gevorderde bedragen ter zake van de woonlast te betalen, voor zover de vorderingen niet op grond van artikel 3:307 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en dus na verloop van vijf jaar zijn verjaard. Anders dan [gedaagde/eiser] stelt, bevatten de ongedateerde brief (productie 1 bij conclusie van antwoord) en het emailbericht van 25 september 2017 (productie 4 bij dagvaarding) geen stuitingshandeling en is de verjaring voor het eerst bij brief van 17 november 2017 gestuit. Dit betekent dat de vorderingen toewijsbaar zijn met betrekking tot de periode vanaf 17 november 2012. [gedaagde/eiser] vordert de woonlasten tot en met december 2016, zodat het totaal van de vorderingen moet worden vastgesteld op € 24.750,- (49 ½ maand x € 500,-).

belastingschuld

4.10.

[eiser/verweerder] betwist dat de door de belastingdienst van de bankrekening van [gedaagde/eiser] geïnde bedragen van in totaal € 2.333,- zien op belastingschulden van hem alleen en stelt dat de inningen zien op de woning, zoals de OZB-aanslag, die voor rekening van beide partijen komen. Dit verweer faalt. Vast is komen te staan dat [gedaagde/eiser] een groot deel van de financiën van [eiser/verweerder] regelde. Ter onderbouwing van zijn vordering heeft [gedaagde/eiser] stukken overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat in de periode van maart 2012 tot oktober 2016 van de rekening van [gedaagde/eiser] diverse bedragen zijn afgeschreven door de belastingdienst onder vermelding van dossiernummer 191441211. Dit is het sofinummer van [eiser/verweerder], zodat geconcludeerd moet worden dat [gedaagde/eiser] deze schulden voor [eiser/verweerder] heeft betaald. [eiser/verweerder] is gehouden het gevorderde bedrag ter zake van de belastingschuld aan [gedaagde/eiser] te betalen, voor zover deze niet is verjaard. Nu de verjaring bij brief van 17 november 2017 is gestuit, is de vordering tot een bedrag van € 199,- verjaard en zal de vordering tot € 2.134,- worden toegewezen.

lening

4.11.

[eiser/verweerder] erkent dat [gedaagde/eiser] aan hem een lening heeft verstrekt om zijn schulden aan het CJIB van in totaal € 5.130,36 te betalen en dat hij gehouden is dit bedrag aan [gedaagde/eiser] te betalen. De vordering zal in zoverre dan ook worden toegewezen. [eiser/verweerder] betwist dat [gedaagde/eiser] andere bedragen aan hem heeft betaald, dan wel dat [gedaagde/eiser] voor hem schulden aan derden heeft betaald. Dat [gedaagde/eiser] een lening van € 20.000,- heeft afgesloten zou volgens [eiser/verweerder] best kunnen, maar daarvan heeft hij (behalve het bedrag van € 5.130,36) nooit iets ontvangen, ook niet in contanten. Tegenover de betwisting door [eiser/verweerder], heeft [gedaagde/eiser] zijn stelling, dat [eiser/verweerder] in contacten in totaal € 12.680,- heeft ontvangen, onvoldoende onderbouwd. Uit de door hem overgelegde stukken kan dat in ieder geval niet worden afgeleid, zodat deze vordering zal worden afgewezen.

gebruiksvergoeding

4.12.

Nu in reconventie wordt beslist dat [eiser/verweerder] ter zake van de woonlasten nog een vergoeding verschuldigd is, komt de rechtbank toe aan de beoordeling van de vordering in conventie ter zake van een gebruiksvergoeding. [eiser/verweerder] legt aan die vordering ten grondslag dat [gedaagde/eiser] gehouden is om vanaf januari 2016 tot aan de datum van verdeling een vergoeding van € 600,- per maand te betalen voor het gebruik van de woning omdat hij (in ieder geval) vanaf dat moment met uitsluiting van [eiser/verweerder] in de woning woont.

4.13.

De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 3:169 BW is iedere deelgenoot bevoegd tot het gebruik van een gemeenschappelijk goed, zoals in dit geval de woning. Dit betekent dat de deelgenoot die nog in de gezamenlijke woning verblijft mogelijk een vergoeding moet betalen aan de deelgenoot die geen gebruik meer kan maken van de woning. (HR 22 december 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA9143). Deze vergoeding wordt toegekend met toepassing van de beginselen van redelijkheid en billijkheid. De rechtbank vindt het redelijk om aan [eiser/verweerder] ten laste van [gedaagde/eiser] een gebruiksvergoeding toe te kennen en houdt rekening met de volgende omstandigheden. Vast is komen te staan dat [eiser/verweerder] in februari 2016 een huurwoning heeft betrokken en dat [gedaagde/eiser] in de woning is blijven wonen. [gedaagde/eiser] houdt [eiser/verweerder] aan zijn draagplicht van € 500,- per maand voor de lasten van de woning tot en met december 2016, waartoe [eiser/verweerder] in reconventie ook wordt veroordeeld. In de periode vanaf januari 2017 totdat de woning is verdeeld betaalt [eiser/verweerder] niet meer mee aan de woonlasten. De gebruiksvergoeding zal daarom worden toegewezen voor de periode van 1 februari 2016 tot 31 december 2016, dus voor 11 maanden. Voor de hoogte van de vergoeding acht de rechtbank het redelijk om aan te sluiten bij de eerder afgesproken draagplicht van [eiser/verweerder] en stelt die vast op € 500,- per maand. De vordering wordt overeenkomstig toegewezen.

proceskosten

4.14.

Gelet op de omstandigheid dat partijen broers zijn zullen de proceskosten worden gecompenseerd.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie:

5.1.

veroordeelt [gedaagde/eiser] om binnen 5 dagen na betekening van dit vonnis zijn medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van zijn deel in de eigendom van de woning en daartoe al datgene te doen dat daarvoor nuttig en nodig is, en bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de daarvoor benodigde toestemming van [gedaagde/eiser] indien hij zijn medewerking niet verleent;

5.2.

veroordeelt [gedaagde/eiser] om binnen 5 dagen na betekening van dit vonnis [eiser/verweerder] in of bij de woning te ontvangen en aan hem af te geven de volgende goederen:

-fietsen schuur [A.] en [eiser/verweerder]

-rieten stoel (kinder) jeugd [B.]

-eiken secretariaat [eiser/verweerder]

-slaapkamer inhoud [eiser/verweerder]

-spulletjes overloop (emotionele waarde) [eiser/verweerder]

-bordspellen [eiser/verweerder]

-Play Station spellen (ps3 en ps4) [eiser/verweerder]

-films [eiser/verweerder]

-gereedschap o.a. cirkelzaag [eiser/verweerder]

-stoomreiniger [eiser/verweerder]

-houten wachter (staat op schouw) [eiser/verweerder]

5.3.

veroordeelt [gedaagde/eiser] tot betaling van een dwangsom van € 200,- voor iedere dag dat [gedaagde/eiser] in gebreke blijft aan de veroordeling onder 5.2 te voldoen, zulks tot een maximum van

€ 5.000,-;

5.4.

veroordeelt [gedaagde/eiser] om aan [eiser/verweerder] te betalen € 5.500,- als vergoeding voor het alleen gebruik van de woning vanaf 1 februari 2016 tot en met 31 december 2016;

5.5.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

in reconventie

5.6.

veroordeelt [eiser/verweerder] om aan [gedaagde/eiser] te betalen het bedrag van € 32.014,36, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 15 augustus 2018 tot de dag van volledige betaling;

5.7.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

in conventie en in reconventie

5.8.

wijst af het meer of anders gevorderde;

5.9.

compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Wouters en in het openbaar uitgesproken op 27 februari 2019.1

1 type: 472