Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2019:1789

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
05-03-2019
Datum publicatie
06-03-2019
Zaaknummer
15/246297-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Art. 6 WVW. Verdachte reed met een snorfiets tegen de rijrichting in waardoor een bromfietser (slachtoffer) moest uitwijken en met zijn hoofd tegen een paal van een verkeersbord is aangekomen. Kort daarna zijn verdachte en slachtoffer tegen elkaar gebotst waardoor slachtoffer ten val is gekomen en aan hersenletsel is overleden. Veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 160 uur en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 12 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/246297-17

Uitspraakdatum: 5 maart 2019

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 19 februari 2019 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1997 te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres]

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. A.S. Heij en van hetgeen verdachte en zijn raadsman mr. J.T.H.M. Mühren, advocaat te Purmerend, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 25 juli 2017 te Wormerveer, gemeente Zaanstad als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (snorfiets, merk Kymco, kenteken [kenteken 1] ), daarmede rijdende over het fiets/bromfietspad van de weg, de Wandelweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, een voor zijn, verdachtes, rijrichting bedoelde geslotenverklaring (bord C2 (eenrichtingsweg) van bijlage I van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990), te negeren, althans niet op te merken en zijn weg verder te vervolgen over de (versmalde) rijbaan van dat fiets/bromfietspad van die Wandelweg, waardoor een vanuit tegengestelde richting op dat fiets/bromfietspad rijdende bestuurder van een bromfiets (merk Yamaha, kenteken [kenteken 2] ) is gaan uitwijken en met zijn hoofd tegen een verkeerspaal is geslagen en/of (daarna) in botsing of aanrijding is gekomen met verdachte en/of zijn snorfiets, ten gevolge waarvan de bestuurder van die bromfiets (genaamd [slachtoffer] ) werd gedood;

subsidiair:

hij op of omstreeks 25 juli 2017 te Wormerveer, gemeente Zaanstad als bestuurder van een voertuig (snorfiets, merk Kymco, kenteken [kenteken 1] ), daarmee rijdende over het fiets/bromfietspad van de Wandelweg, zonder gevolg te geven aan een verkeersteken dat een gebod of verbod inhoudt, immers dat fiets/bromfietspad van die Wandelweg heeft gebruikt in strijd met bord C2 (eenrichtingsweg) van bijlage I van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, door de geslotenverklaring voor zijn, verdachtes, rijrichting te negeren, althans niet op te merken en zijn weg verder te vervolgen over de (versmalde) rijbaan van dat fiets/bromfietspad van die Wandelweg, waardoor een vanuit tegengestelde richting op dat fiets/bromfietspad rijdende bestuurder van een bromfiets (merk Yamaha, kenteken [kenteken 2] ) is gaan uitwijken, waarbij letsel (met de dood tot gevolg) aan die bestuurder van de bromfiets is ontstaan of schade aan goederen is toegebracht en/of door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Inleiding

Op 25 juli 2017 omstreeks 6.39 uur heeft op Wandelweg te Wormerveer een verkeersongeval plaatsgevonden, waarbij een bromfiets en een snorfiets waren betrokken. Verdachte, de bestuurder van de snorfiets, kwam uit de richting van Zaandam en ging in de richting van Krommenie. Hij is daartoe, ter hoogte van de kruising van de Wandelweg met de Celebesstraat in strijd met het verkeersbord C2 (bijlage 1 RVV 1990) inhoudende een geslotenverklaring, op het voor hem smaller wordende pad, rechtdoor blijven rijden in plaats van rechts af te slaan, de Wandelweg over te steken en via het fietspad aan de overzijde zijn weg te vervolgen. Hij is derhalve een éénrichtingsweg ingereden. Vanaf de andere kant reed [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) op zijn bromfiets uit de richting van Krommenie in de richting van Zaandam. In de voor hem flauwe bocht naar rechts is hij, op het éénrichtingsdeel van het (brom)fietspad, iets naar rechts uitgeweken en met zijn (gehelmde) hoofd tegen de paal van een verkeersbord aangekomen. Kort daarna is hij tegen de hem tegemoetkomende snorfiets van verdachte gebotst. Hierdoor is in elk geval [slachtoffer] ten val gekomen. Als gevolg van deze gebeurtenissen is [slachtoffer] een dag later, op 26 juli 2017, aan hersenletsel overleden.

De rechtbank dient primair te beoordelen of dit verkeersongeval met als gevolg de dood van [slachtoffer] , aan de schuld – in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW) – van verdachte te wijten is.

4 Bewijs

4.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft – samengevat – als het standpunt naar voren gebracht dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte hetgeen hem primair wordt verweten heeft begaan.

Verdachte heeft in de visie van de officier van justitie aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend gehandeld. Zij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte een geslotenverklaring, aangegeven met een voor hem goed zichtbaar verkeersbord, heeft genegeerd en daarna, op de voor hem aanmerkelijk smaller wordende rijbaan, niet voldoende rechts heeft gehouden, terwijl het zicht van verdachte werd belemmerd. Het feit dat [slachtoffer] , in de voor hem naar rechts gaande flauwe bocht, voor verdachte minder goed zichtbaar was en mogelijk te hard heeft gereden is in de visie van de officier van justitie niet van belang, nu [slachtoffer] daar mocht rijden en geen rekening had hoeven houden met het feit dat hij zou moeten uitwijken voor een tegenligger.

De officier van justitie gaat ervan uit dat [slachtoffer] moest uitwijken voor verdachte en dat daarmee het causale verband tussen de gedragingen van verdachte en het ongeval gegeven is.

4.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman stelt zich primair op het standpunt dat verdachte zowel van het primair als subsidiair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Subsidiair stelt de raadsman zich op het standpunt dat sprake is van afwezigheid van alle schuld.

Hoewel de raadsman stelt dat het verkeersongeval niet zou hebben plaatsgevonden als verdachte niet in de tegengestelde richting was gereden, stelt de raadsman zich op het standpunt dat, naast het over het hoofd zien door verdachte van het verkeersbord inhoudende de geslotenverklaring, meerdere redenen zijn aan te wijzen waarom het ongeval heeft plaatsgevonden. Hij wijst daartoe op de omstandigheid dat het zicht van zowel [slachtoffer] als verdachte werd belemmerd en dat [slachtoffer] , kort voor het ongeval, harder reed dan 45 km per uur. Voorts wijst de raadsman op de omstandigheid dat [slachtoffer] , voordat hij op het fiets/bromfietspad reed, op het fietspad reed terwijl hij op de rijbaan had moeten rijden. Als [slachtoffer] wel op de rijbaan had gereden, was zijn snelheid lager geweest en was hij beter zichtbaar geweest en had het verkeersongeval hoogstwaarschijnlijk niet plaatsgevonden. Gelet hierop stelt de raadsman, zo begrijpt de rechtbank, zich op het standpunt dat het niet redelijk is om het overlijden van [slachtoffer] als gevolg van het ongeval aan verdachte toe te rekenen nu verdachte verder wel oplettend heeft gereden. Dit betekent in de visie van de raadsman dat niet tot het oordeel kan worden gekomen dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig of onoplettend heeft gereden, zodat geen sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW.

De raadsman meent voorts dat niet kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 5 WVW. Er is door het handelen van verdachte geen reële kans op een ongeval ontstaan en zijn handelen is niet concreet gevaarscheppend geweest.

4.3.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW komt het volgens vaste jurisprudentie aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de concrete ernst van de overtreding en de overige omstandigheden van het geval. Dat brengt mee dat niet in het algemeen valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van genoemde bepaling. Voorts kan niet reeds uit de aard van de gevolgen van het verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer gedragsregels in het verkeer, worden afgeleid dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW. Van schuld in de zin van dit artikel is pas sprake in het geval van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid.

Uit het dossier leidt de rechtbank af dat verdachte op 25 juli 2017 in de vroege ochtend als bestuurder van een snorfiets van het merk Kymco met kenteken [kenteken 1] op het fiets/bromfietspad van de Wandelweg te Wormerveer rijdt in de richting van Krommenie. Dit fiets/bromfietspad gaat ter hoogte van de kruising met de Celebesstraat over in een éénrichtingsweg, hetgeen wordt aangegeven met verkeersbord geslotenverklaring C2 RVV 1990 (éénrichtingsweg). In plaats van gevolg te geven aan dit bord en rechtsaf te slaan om aan de andere kant van de Wandelweg zijn weg te vervolgen, rijdt verdachte rechtdoor verder op het beduidend smaller wordende fiets/bromfietspad; een pad waar hij niet in had mogen rijden.

Blijkens de zogenoemde gecombineerde tekening was het fiets/bromfietspad vóór het verkeersbord dat de geslotenverklaring aangeeft ongeveer 3.50 meter breed en na dat bord ongeveer 1.60 meter. Blijkens het op het midden van het pad aangetroffen blokkeerspoor (onder 4 op genoemde tekening en de foto’s aangegeven) en de op de voorband van de snorfiets van verdachte aangetroffen verruwing/slijtplek (remplek), welke plek door de onderzoekers in verband wordt gebracht met dit blokkeerspoor, reed verdachte in het midden van het fiets/bromfietspad ten tijde van het remmen op het moment dat hij [slachtoffer] zag en niet, zoals hij zelf heeft verklaard, helemaal aan rechterkant van dat pad. Verdachte en [slachtoffer] hadden door de flauwe bocht in het fiets/bromfietspad en de voor de woningen aanwezige bomen en bosschages beperkt zicht naar elkaar. [slachtoffer] heeft, blijkens de door getuige [getuige] waargenomen schrikbeweging, moeten uitwijken voor de in het midden van het pad in de voor hem flauwe bocht naar rechts plotseling opdoemende snorfiets van verdachte. Dat dit plotseling was leidt de rechtbank ook af uit het ontbreken van rem-/blokkeersporen van de bromfiets van [slachtoffer] op het pad en uit het feit dat op de banden van de bromfiets van [slachtoffer] geen sporen aanwezig zijn die er op duiden dat er door hem geremd is (3.2.2.proces-verbaal VerkeersOngeval Analyse d.d. 18 oktober 2017). Als direct gevolg hiervan is [slachtoffer] met zijn (gehelmde) hoofd tegen de paal van een verkeersbord gebotst. Als gevolg van dit ongeval is [slachtoffer] op 26 juli 2017 overleden.

Bij elkaar genomen komt verdachte’s rijgedrag hier op neer dat hij reed in het midden van een fiets/bromfietspad van 1.60 meter breed in de verboden richting, dus tegen het verkeer in, waar hij dit verkeer niet ruim van tevoren kon zien aankomen en omgekeerd, waar tegenliggers hem ook pas op het laatst konden zien, en waar zij verdachte’s aanwezigheid ook niet hoefden te verwachten. De rechtbank is van oordeel dat dit rijgedrag van verdachte, onder de geschetste omstandigheden en in samenhang bezien, moet worden aangemerkt als aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend, zodat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW. Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is aan de zijde van verdachte van een momentane onoplettendheid, nu uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat verdachte niet slechts een enkel moment niet heeft opgelet. Hij heeft de geslotenverklaring, de beduidend smaller geworden rijbaan en het beperkte zicht genegeerd en voorts reed hij in het midden van dat smaller geworden fiets/bromfietspad. Met name het door verdachte negeren van de geslotenverklaring is een ernstige verkeersovertreding. In het verkeer moeten medeweggebruikers op elkaar kunnen vertrouwen als het gaat om het naleven van de verkeersregels die ten behoeve van de (verkeers)veiligheid zijn opgesteld.

Ook de rechtbank gaat er, gelet op de eerdergenoemde verklaring van getuige [getuige] , vanuit dat [slachtoffer] harder reed dan de voor hem ter plaatse geldende maximumsnelheid en ook dat hij niet via de voor hem verplichte rijrichting vanaf de rijbaan het fiets/bromfietspad is opgereden, maar dat hij dat via het daarvoor liggende fietspad heeft gedaan. Blijkens het dossier betekent dat, dat ook voor hem het zicht naar voren beperkt was. Anders dan de raadsman heeft betoogd, staan deze feiten echter niet in de weg aan de toerekening van het ongeval aan verdachte. Ook wanneer zou worden aangenomen dat het rijgedrag van [slachtoffer] heeft bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval, is sprake geweest van schuld van de kant van verdachte, terwijl dat rijgedrag behoudens zeer bijzondere omstandigheden – die de rechtbank niet zijn gebleken – niet in de weg staat aan het aannemen van een causaal verband tussen de gedragingen van verdachte en het ontstaan van het ongeval. Gelet op met name het beperkte zicht tot op het laatste moment en dat verdachte in het midden van het fiets/bromfietspad reed acht de rechtbank waarschijnlijk dat het dodelijke ongeval ook zou hebben plaatsgevonden als [slachtoffer] niet te hard had gereden. Maar ook wanneer zou worden aangenomen dat het te hard rijden door [slachtoffer] heeft bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval, maakt dat het oordeel van de rechtbank, gelet op de schuld van verdachte, niet anders. Wat betreft het - eerder - niet volgen van de rijbaan door [slachtoffer] is misschien juist dat het ongeval dan niet had plaatsgevonden maar daar zijn meer omstandigheden voor aan te wijzen (bijvoorbeeld als [slachtoffer] later was vertrokken). Bepalend is echter dat [slachtoffer] zich ten tijde van het ongeval bevond op de plek waar dat was toegestaan én dat verdachte daarmee rekening had moeten houden, terwijl dat omgekeerd niet zo was. De schrikreactie van en het uitwijken door [slachtoffer] en het overlijden van [slachtoffer] als gevolg van het ontstane ongeval zijn daarom toe te rekenen aan het gedrag van verdachte.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank, met de officier van justitie en anders dan de raadsman, van oordeel dan het aan de schuld van verdachte zoals bedoeld in artikel 6 WVW te wijten is dat het verkeersongeval heeft plaatsgevonden als gevolg waarvan [slachtoffer] is komen te overlijden. De rechtbank komt dan ook tot een bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit.

4.4.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat

hij op 25 juli 2017 te Wormerveer, gemeente Zaanstad als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (snorfiets, merk Kymco, kenteken [kenteken 1] ), daarmede rijdende over het fiets/bromfietspad van de weg, de Wandelweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend een voor zijn, verdachtes, rijrichting bedoelde geslotenverklaring (bord C2 (eenrichtingsweg) van bijlage I van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990), te negeren, althans niet op te merken en zijn weg verder te vervolgen over de versmalde rijbaan van dat fiets/bromfietspad van die Wandelweg, waardoor een vanuit tegengestelde richting op dat fiets/bromfietspad rijdende bestuurder van een bromfiets (merk Yamaha, kenteken [kenteken 2] ) is gaan uitwijken en met zijn hoofd tegen een verkeerspaal is geslagen en daarna in botsing is gekomen met verdachte zijn snorfiets, ten gevolge waarvan de bestuurder van die bromfiets (genaamd [slachtoffer] ) werd gedood.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. Verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5 Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

6 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

7 Motivering van de sancties

7.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 160 uren, bij niet verrichten te vervangen door 80 dagen hechtenis, en een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 12 maanden.

7.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft – in het geval van een bewezenverklaring – verzocht bij de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte een first offender is en dat verdachte voor de uitoefening van zijn beroep als elektricien zijn rijbewijs nodig heeft. Voorts heeft het tragische ongeval veel impact op het leven van verdachte.

De raadsman heeft de rechtbank dan ook verzocht een (deels) voorwaardelijke taakstraf en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid op te leggen.

7.3.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sancties die aan verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede door de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft een verkeersbord met geslotenverklaring genegeerd en is een voor hem beduidend smaller wordende éénrichtingsweg ingereden, alwaar [slachtoffer] zich op dat moment bevond. Verdachte heeft daarbij in ieder geval op enig moment in het midden van dit pad gereden. Door dit, gelet op de onoverzichtelijke plaatselijke situatie, risicovolle rijgedrag van verdachte is [slachtoffer] in een schrikreactie naar rechts uitgeweken, is hij met zijn (gehelmde) hoofd tegen een paal aangekomen en is hij tegen de snorfiets van verdachte gebotst. Ten gevolge hiervan heeft [slachtoffer] ernstig hersenletsel opgelopen waaraan hij een dag later is overleden. Het leed dat door verdachte is aangericht is voor de nabestaanden heel groot en onherstelbaar. De vader en zus van [slachtoffer] hebben ter terechtzitting op indringende wijze verteld welke impact zijn plotselinge overlijden op hen, verdere familie en de vrienden van [slachtoffer] heeft gehad en nog steeds heeft. Ter terechtzitting heeft verdachte er blijk van gegeven zich dit ten volle te realiseren. De rechtbank is zich ervan bewust dat geen enkele straf of maatregel het leed van de nabestaanden, familie en vrienden van [slachtoffer] zal kunnen wegnemen.

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank gelet op het op naam van verdachte staand Uittreksel uit de Justitiële Documentatie, gedateerd van 10 januari 2019, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder ter zake van strafbare feiten onherroepelijk is veroordeeld.

Voorts heeft de rechtbank bij het bepalen van de op te leggen straf acht geslagen op de LOVS-oriëntatiepunten. Volgens deze oriëntatiepunten geldt als uitgangspunt bij overtreding van artikel 6 WVW, indien sprake is van aanmerkelijke schuld, de dood tot gevolg als strafmodaliteit een taakstraf gecombineerd met een ontzegging van de rijbevoegdheid.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van het na te noemen aantal uren moet worden opgelegd.

De rechtbank acht het tevens passend en geboden dat verdachte de rijbevoegdheid wordt ontzegd voor na te noemen duur. De rechtbank vindt echter in de persoonlijke omstandigheden aanleiding de door de officier van justitie gevorderde ontzegging van de rijbevoegdheid geheel voorwaardelijk op te leggen. De rechtbank zal aan de voorwaardelijke rijontzegging een proeftijd van één jaar verbinden opdat verdachte er voor het einde van die proeftijd ervan wordt weerhouden strafbare feiten te begaan.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikelen 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en

artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

9 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 4.4. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 5. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot het verrichten van 160 (honderdzestig) uren taakstraf die bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 80 dagen hechtenis.

Veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Beveelt dat deze bijkomende straf niet zal worden ten uitvoer gelegd tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat verdachte voor het einde van de op één jaar bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. I.A.M. Tel, voorzitter,

mr. M.E. Francke en mr. B. de Wilde, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. L. Bähr,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 5 maart 2019.

mr. De Wilde en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bewijsmiddelenbijlage

De hierna vermelde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 19 februari 2019

Op 25 juli 2017 reed ik op mijn snorfiets richting Krommenie. Ik heb de hele weg over het fietspad van de Wandelweg te Wormerveer gereden. Ik zag dat de bromfiets die uit tegengestelde richting kwam tegen een paaltje en vervolgens tegen mij aan knalde.

Een proces-verbaal aanrijding misdrijf d.d. 26 juli 2017 (dossierpagina 3)

Dit proces-verbaal houdt in als relaas van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] :

Verkeersongeval met dodelijk afloop op 25 juli 2017 te Wormerveer.

Bestuurder [verdachte] reed op zijn snorfiets van het merk Kymco, voorzien van het kenteken [kenteken 1] .

Bestuurder [slachtoffer] reed op zijn bromfiets van het merk Yamaha, voorzien van het kenteken [kenteken 2] .

Een proces-verbaal ‘VerkeersOngeval Analyse’ d.d. 18 oktober 2017, waaronder overzichtsfoto’s, met als bijlage een gecombineerde tekening (ongenummerd) (dossierpagina’s 8 t/m 36)

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als relaas van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] :

Bij dit ongeval waren betrokken:

Een snorfiets van het merk: Kymco, kenteken: [kenteken 1] ;

Een bromfiets van het merk: Yamaha, kenteken: [kenteken 2] .

2.2.

Beschrijving plaats ongeval

Het ongeval had plaatsgevonden op het éénrichtingsgedeelte van het fiets/bromfietspad welke parallel aan de westelijke zijde van de Wandelweg liep. Parallel aan de Wandelweg liep langs weerszijden een vrij liggend verplicht fietspad. Dit verplichte fietspad ging ter plaatse van het ongeval over in een fiets/bromfietspad met daarnaast een voetpad.

Bestuurders van een bromfiets, die uit de richting Zaandam in de richting Krommenie reden, dienden ter hoogte van de kruising met de Celebesstraat rechts af te slaan en de Wandelweg over te steken om vervolgens via het fietspad aan de overzijde hun weg te vervolgen. Dat het fiets/bromfietspad in een geslotenverklaring (éénrichtingsweg) overging werd kenbaar gemaakt door een daar geplaatst bord C2, van bijlage 1 RVV 1990.

2.5.1

Sporen op het wegdek

Op de rode betontegels van het verplichte fiets/bromfietspad troffen wij een kort

banden/blokkeerspoor aan die nagenoeg in het midden van dit fiets/bromfietspad lag. Aan het einde van dit spoor gezien in de rijrichting van de snorfiets boog dit spoor iets naar links.

Dit spoor wordt aangegeven met labelnummer 4. Tijdens ons onderzoek zagen wij dat dit spoor was achtergelaten door de voorband van de snorfiets. De ter plaatse aangetroffen sporen zijn weergegeven op de bijgevoegde gecombineerde tekening.

Spoornummer 4:

Dit spoornummer markeert het banden/blokkeerspoor zoals door ons aangetroffen op het verplichte fiets/bromfietspad.

2.5.2.

Sporen aan wegmeubilair of andere obstakels

Op of aan het wegmeubilair werden door ons sporen waargenomen, die van belang waren voor het onderzoek. Wij zagen namelijk, dat op de paal van het verkeersbord Model G12a, welke in het voetpad ter rechterzijde van de het fiets/bromfietspad was geplaatst, een “vers” krasspoor en een lichte deuk aanwezig waren. Ook zagen wij op deze paal zwarte kunststof veegsporen. Met verse schade bedoelen wij schade waarbij de ondergrond van de beschadiging niet geoxideerd was.

2.6.2

Uitzichtbepalingen

Door ons werd onderzocht, of het zicht van de bestuurders naar elkaar werd belemmerd.

Op de plaats van het ongeval maakte de Wandelweg en daarmee ook het parallel lopende

fiets/bromfietspad een flauwe bocht. Door de voor de woningen aanwezige bomen en bosschages werd het zicht naar de elkaar tegemoet komende bestuurders wel degelijk gehinderd/belemmerd.

3.2.1

Voertuigonderzoek

Snorfiets:

Wij zagen op de voorband van de snorfiets een verruwing/slijtplek(remplek) op het loopvlak.

Wij konden dit spoor in verband brengen met het banden/blokkerspoor, nummer 4, welke wij hadden aangetroffen op de rode trottoirtegels van het verplichte fiets/bromfietspad.

Helm

De bestuurder van de bromfiets had een helm gedragen.

Wij zagen dat de helm was beschadigd en dat de grootste impact was gelegen aan de rechterzijde van de helm.

Het opklapbare kindeel was aan de rechterzijde afgebroken, tevens zagen wij duidelijke krassporen op de buitenschaal van de helm.

Het vizier troffen wij aan op het trottoir bij de plaats ongeval.

Foto 20: met rood omcirkeld geeft de krassporen weer op de schaal van de helm, vermoedelijk ontstaan door contact met de paal.

Een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige] d.d. 26 juli 2017 (dossierpagina’s 62 en 63)

Dit proces-verbaal, opgesteld door verbalisant [verbalisant 2] , houdt in als verklaring van getuige [getuige] :

Op 25 juli 2017 reed ik met mijn auto op de Wandelweg te Wormerveer. Ik reed komende uit de richting van Krommenie en gaande in de richting van Koog aan de Zaan. 100 meter voor de plek waar het ongeval gebeurd is, werd ik rechts ingehaald door iemand op een scooter. Ik zag dat deze scooter op de fietssuggestiestrook reed op de Wandelweg. Uit tegengestelde richting zag ik een andere scooter aan komen rijden. De scooter reed tegen de rijrichting in. Ik zag dat de jongen die mij inhaalde op de scooter een 'schrikbeweging' maakte ter hoogte van het verkeersbord. Ik zag namelijk dat hij een abrupte beweging maakte met zijn stuur. Toen ik dit zag had ik vrij zicht op de jongen met scooter. Ik hoorde vervolgens een harde klap. Ik zag de scooterbestuurder met scooter en al door de lucht vliegen.

Een schriftelijk bescheid, te weten een verslag betreffende een niet natuurlijke dood, opgemaakt door H. Hoitzing, lijkschouwer, op 26 juli 2017 (dossierpagina’s 64 tot en met 66)

Cliënt: [slachtoffer] .

Conclusie

Niet natuurlijk overlijden als gevolg van hersenletsel, welk letsel is opgelopen bij een verkeersongeval.