Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2019:1727

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
05-03-2019
Datum publicatie
09-03-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 2025
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2019:3854, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 april 2017 heeft verweerder het Nederlanderschap ingetrokken.

Op grond van artikel 14, eerste lid, van de RWN kan Onze Minister de verkrijging of verlening van het Nederlanderschap intrekken, indien zij berust op een door de betrokken persoon gegeven valse verklaring of bedrog, dan wel op het verzwijgen van enig voor de verkrijging of verlening relevant feit.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in de besluitvorming afdoende rekenschap heeft gegeven van de door eiser opgevoerde omstandigheden, en afdoende heeft gemotiveerd dat het algemeen belang – gelegen in het op juiste gronden verlenen van het Nederlanderschap door de Nederlandse Staat – heeft kunnen laten prevaleren boven het belang van eiser bij het behoud van het Nederlanderschap. Verweerder heeft aldus genoegzaam gemotiveerd gebruik te maken van zijn bevoegdheid het Nederlanderschap in te trekken.

Wetsverwijzingen
Rijkswet op het Nederlanderschap 7
Rijkswet op het Nederlanderschap 8
Rijkswet op het Nederlanderschap 14
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 18/2025

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 maart 2019 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. T.J.J.M. Wijngaard),

en

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. T. Nauta).

Procesverloop

Bij besluit van 6 april 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder het Nederlanderschap ingetrokken.

Bij uitspraak van 1 juni 2017 (HAA 17/2371) heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen.

Bij besluit van 18 maart 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 december 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) wordt, met inachtneming van de bepalingen van hoofdstuk 4 van de RWN, aan vreemdelingen die daarom verzoeken het Nederlanderschap verleend.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van de RWN komt voor verlening van het Nederlanderschap overeenkomstig artikel 7 slechts in aanmerking de verzoeker tegen wiens verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba geen bedenkingen bestaan.

Op grond van artikel 14, eerste lid, van de RWN kan Onze Minister de verkrijging of verlening van het Nederlanderschap intrekken, indien zij berust op een door de betrokken persoon gegeven valse verklaring of bedrog, dan wel op het verzwijgen van enig voor de verkrijging of verlening relevant feit.

Volgens de Handleiding voor de toepassing van de RWN 2003 (hierna: de Handleiding) kan de minister besluiten tot intrekking van het Nederlanderschap indien de naturalisandus in het kader van de naturalisatieprocedure een valse verklaring heeft afgelegd, bedrog heeft gepleegd of relevante feiten heeft verzwegen. Bij "het verzwijgen van enig voor de verkrijging of verlening relevant feit" moet worden gedacht aan het verzwijgen van feiten, waarvan de betrokkene weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat ze van belang kunnen zijn voor de beoordeling van het verzoek om naturalisatie. De intrekking van het Nederlanderschap is geen sanctie op de frauduleuze handelingen, maar heeft tot doel dat de gevolgen van het frauduleus handelen worden gecorrigeerd.

2.1

Eiser is geboren in 1970 in Egypte. Op 19 april 2002 heeft hij een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd aangevraagd onder de beperking “verblijf bij partner [naam 1] ”. Bij besluit van 18 juli 2002 is de gevraagde vergunning verleend met ingang van die datum, laatstelijk verlengd tot 19 augustus 2008.

2.2

Op 15 december 2006 heeft eiser een verzoek om naturalisatie tot Nederlander ingediend. Bij Koninklijk Besluit van 31 mei 2007 is hem het Nederlanderschap verleend.

2.3

Op 11 december 2014 heeft eiser een aanvraag ingediend voor het verkrijgen van een machtiging tot voorlopig verblijf ten behoeve van zijn echtgenote [naam 2] (hierna: [naam 2] ) en hun kinderen. In het kader van die procedure is door eiser een “Kopie van een Huwelijksakte” (hierna: huwelijksakte) van 10 november 2007 overgelegd waarin is opgenomen dat eiser op 8 november 2005 is gehuwd met [naam 2] , alsmede een gelegaliseerde geboorteakte waarin melding is gemaakt van de geboorte op [datum] 2016 van [naam zoon] , de zoon van eiser en [naam 2] .

3.1

Bij het primaire besluit heeft verweerder het Nederlanderschap ingetrokken omdat is gebleken dat eiser geen duurzame en exclusieve relatie had met zijn partner [naam 1] op grond waarvan eiser in het bezit was van een verblijfsvergunning. Gedurende zijn verblijf in Nederland bij zijn partner [naam 1] is eiser immers op 8 november 2005 in Egypte gehuwd met zijn huidige vrouw, uit welk huwelijk op [datum] 2006 een zoon is geboren. Eiser voldeed derhalve niet langer aan de beperking waarvoor hem vergunning was verleend. Indien een en ander bekend was geweest zou de vergunning zijn ingetrokken. Hij zou dan voorts niet hebben voldaan aan de voorwaarden voor het verkrijgen van het Nederlanderschap.
Eiser heeft bij het verzoek om naturalisatie niet naar waarheid verklaard nu hij zijn huwelijk in 2005 en de geboorte van zijn zoon heeft verzwegen. Aldus heeft eiser relevante feiten verzwegen gedurende zijn verblijf als vreemdeling en bij het naturalisatieverzoek waarvan hij wist of redelijkerwijs kon en had kunnen vermoeden dat deze van groot belang zouden kunnen zijn voor het verkrijgen van de Nederlandse nationaliteit.

3.2

In de bestuurlijke fase heeft eiser een “Bevestigingsdocument ter zake van een huwelijk” overgelegd waarin is opgetekend de inschrijving op 10 november 2007 van de bevestiging van 6 november 2007 tegenover een notaris van het op 8 november 2005 voltrokken huwelijk. Daarnaast heeft eiser een “Deskundigenbericht Egyptisch familierecht” overgelegd, opgesteld op 19 januari 2018 door prof. dr. M.S. Berger (hierna: Berger). Daarin is – kort samengevat– bericht dat een loze belofte naar Egyptisch recht niet is te kwalificeren als een formeel dan wel informeel huwelijk. Er is weliswaar sprake van aanvaarding, maar als geen getuigen aanwezig waren is geen sprake van het sluiten van een huwelijk. De Egyptische wetgeving voorziet voorts niet in het met terugwerkende kracht erkennen van een situatie als de onderhavige, te weten een loze belofte als huwelijk.

3.3

Verweerder heeft de intrekking bij het bestreden besluit gehandhaafd.

4.1

Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder het Nederlanderschap niet kon intrekken omdat geen sprake is van het niet melden van relevante feiten.

Ten aanzien van de geboorte van zijn zoon is daarvoor van belang dat eiser ten tijde van de procedure ter verkrijging van het Nederlanderschap nog niet (zeker) wist dat [naam zoon] zijn zoon was. Ten aanzien van het huwelijk heeft eiser aangevoerd dat er op 8 november 2005 geen huwelijk is gesloten. Hij heeft op dat moment enkel een loze (trouw)belofte gedaan aan [naam 2] . Die belofte heeft geen juridisch gevolg. Op 10 november 2007 is de loze huwelijksbelofte uit 2005 bekrachtigd en is - met terugwerkende kracht tot 8 november 2005 - een huwelijk gesloten. Eerst met de inschrijving in de registers van de Egyptische burgerlijke stand op 10 november 2007 werd aan de vereisten van een rechtsgeldig huwelijk naar Egyptisch recht voldaan. Pas op dat moment is dus sprake van een rechtsgeldig huwelijk. Ten tijde van de procedure ter verkrijging van het Nederlanderschap was van een huwelijk dus nog geen sprake. Ter onderbouwing van zijn standpunt verwijst eiser naar het overgelegde bevestigingsdocument en het deskundigenbericht van Berger. Omdat Nederland, anders dan Egypte, niet de mogelijkheid kent om een huwelijk met terugwerkende kracht te voltrekken, dient de bekrachtiging tot de datum 8 november 2005 als strijdig met de openbare orde te worden verworpen naar Nederlandse recht en dient de datum van de bekrachtiging en registratie als datum van het huwelijk te gelden.

4.2

Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank in de besluitvorming, nader toegelicht in het verweerschrift, onder verwijzing naar jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) (uitspraken van 27 februari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ2550 en 9 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2955) afdoende onderbouwd dat het verzwijgen van informatie over het verwekken van een kind een relevant feit is, omdat dit naar zijn aard twijfels oproept over de exclusiviteit van de relatie die ten grondslag lag aan de verblijfsvergunning van eiser. De stelling dat eiser voor zijn gevoel een exclusieve en duurzame relatie onderhield met de verblijfsgeefster, dat slechts sprake was van een eenmalige misstap en dat geen sprake was van een huwelijk in 2005 maar slechts van een loze belofte, doet er niet aan af dat alleen al vanwege de geboorte van het kind naar objectieve maatstaven gemeten, geen sprake meer is van een duurzame en exclusieve relatie met de verblijfgeefster. De enkele stelling dat eiser ten tijde van de procedure ter verkrijging van het Nederlanderschap wel wist dat [naam 2] een kind had gekregen, maar niet (zeker) wist of het zijn kind was doet aan het voorgaande niet af. Het had op zijn weg gelegen daaromtrent tijdig duidelijkheid te verkrijgen in verband met de lopende procedure. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank om die reden terecht geconcludeerd dat ten tijde van de aanvraag en verlening van het Nederlanderschap bedenkingen bestonden tegen het verblijf van eiser in Nederland als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder van de RWN.

4.3

Eisers betoog faalt derhalve. Daaruit volgt dat verweerder wordt gevolgd in de stelling dat eiser een relevant feit niet heeft gemeld en derhalve op grond van artikel 14, eerste lid, van de RWN bevoegd was het Nederlanderschap van eiser in te trekken. De rechtbank volgt verweerder daarbij in het standpunt dat het niet van belang is hoe eiser het seksueel contact en de verwekking van het kind bij de andere vrouw kwalificeert. Reeds het enkele feit dat eiser een kind heeft verwekt is immers in de aard een relevant feit waarvan hij wist, althans moest weten dat dit van belang kon zijn voor de beoordeling van het verzoek om naturalisatie.

4.4

Het voorgaande betekent dat de vraag of verweerder eiser ook kan tegenwerpen dat hij niet heeft gemeld dat hij op 8 november 2005 gehuwd is met [naam 2] in het midden kan blijven.

5.1

Eiser stelt dat verweerder geen gebruik heeft mogen maken van zijn bevoegdheid het Nederlanderschap van eiser in te trekken. Hij voert daartoe aan dat verweerder zich bij het besluit rekenschap had moeten geven van de omstandigheid dat eiser al lange tijd in het bezit was van de Nederlandse nationaliteit en dat verweerder al vanaf 2013 weet heeft van zijn huwelijk met [naam 2] en de geboorte van zijn zoon in 2006. Verweerder had voorts bij de vraag of van de bevoegdheid gebruik moet worden gemaakt moeten betrekken dat het besluit voor eiser en zijn gezin grote gevolgen heeft. Eiser is als gevolg van het besluit staatloos en door het verlies van het Nederlanderschap zal hij in de toekomst mogelijk de schulden die hij heeft moeten maken voor het starten van zijn bedrijf niet meer kunnen aflossen. Verder hebben de vrouw en kinderen van eiser door het bestreden besluit veel problemen.

5.2

Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij van zijn bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken nu eiser relevante feiten heeft verzwegen als gevolg waarvan hij op onjuiste gronden het Nederlanderschap heeft verkregen. Indien hij de hier relevante feiten, waaronder de geboorte van zijn zoon op [datum] 2006, had vermeld, zou het Nederlanderschap niet zijn verleend. De lange duur van eisers verblijf in Nederland weegt onder die omstandigheden niet op tegen het belang van de Nederlandse Staat om op juiste gronden het Nederlanderschap te verlenen. Het besluit is ruim binnen de wettelijke verjaringstermijn van twaalf jaren genomen. De omstandigheid dat eiser als gevolg van het besluit staatloos wordt en de (mogelijk) financiële gevolgen van het besluit komen voor rekening en risico van eiser nu de intrekking is te wijten aan zijn eigen gedragingen. Daarbij geldt dat de intrekking van het Nederlanderschap niet is bedoeld als sanctie, maar als middel om de gevolgen van frauduleus handelen te corrigeren. Voor zover eiser stelt dat het besluit grote gevolgen heeft voor zijn gezin, stelt verweerder dat drie van eisers kinderen de Nederlandse nationaliteit bezitten en zijn echtgenote en oudste zoon in het bezit zijn van een verblijfsvergunning en dat de intrekking van het Nederlanderschap van eiser daarin geen wijziging brengt. Verweerder betreurt verder dat de gezinsleden van eiser negatieve gevolgen ondervinden van het intrekkingsbesluit, maar stelt dat, omdat die gevolgen zijn te wijten aan de gedragingen en het handelen van eiser, ook deze gevolgen voor eigen rekening en risico moeten komen, ook indien deze gevolgen ten nadele van eisers gezinsleden komen.

5.3

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in de besluitvorming afdoende rekenschap heeft gegeven van de door eiser opgevoerde omstandigheden, en afdoende heeft gemotiveerd dat het algemeen belang – gelegen in het op juiste gronden verlenen van het Nederlanderschap door de Nederlandse Staat – heeft kunnen laten prevaleren boven het belang van eiser bij het behoud van het Nederlanderschap. Verweerder heeft aldus genoegzaam gemotiveerd gebruik te maken van zijn bevoegdheid het Nederlanderschap in te trekken.

6.1

Eiser stelt dat het besluit is genomen in strijd met het verbod van vooringenomenheid nu verweerder zowel materieel als formeel vooringenomen heeft gehandeld. Hij stelt in dat verband dat verweerder ondanks daartegen door eiser geuite bezwaren steevast onjuiste kwalificaties blijft gebruiken voor de relatie van eiser met [naam 2] (te weten een urfi-huwelijk) en de op 8 november 2005 door eiser aan [naam 2] gedane belofte (huwelijksbelofte), waarmee verweerder blijk geeft van vooringenomenheid. Eiser heeft immers meermaals gesteld en ook onderbouwd middels het deskundigenbericht van Berger dat hij op 8 november 2005 slechts een loze belofte heeft gedaan aan [naam 2] . Eiser wijst voorts op de betrokkenheid van de voorzitter van de hoorcommissie in bezwaar bij het primaire besluit.

6.2.1

De rechtbank volgt verweerder in het standpunt dat het dossier geen aanknopingspunten biedt voor de juistheid van het standpunt van eiser dat verweerder formeel en materieel vooringenomen heeft gehandeld. Dat verweerder vasthoudt aan door eiser gewraakte woorden die, zo blijkt uit de stukken, door eiser zelf zijn geïntroduceerd, leidt niet tot die conclusie.

6.2.2

Voor zover de vooringenomenheid ziet op de betrokkenheid van de voorzitter van de hoorcommissie in bezwaar bij het primaire besluit, overweegt de rechtbank als volgt. Verweerder is op de betrokkenheid van de voorzitter van de hoorcommissie uitvoerig ingegaan in het bestreden besluit en heeft aangegeven, onder verwijzing naar jurisprudentie, dat van een schending van 7:5 Awb geen sprake is. Het enkele herhalen van de stelling door eiser dat sprake is van vooringenomenheid, zonder in te gaan op verweerders gemotiveerde reactie, kan niet leiden tot de conclusie dat verweerder vooringenomen gehandeld heeft.

7. Eiser stelt verder dat verweerder de onderzoeksplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel en de motiveringsplicht heeft geschonden, en wijst er in dat verband op dat verweerder er steevast vanuit gaat dat eiser ten tijde van zijn relatie met de verblijfsgeefster een urfi-huwelijk zou hebben gesloten met [naam 2] , terwijl eiser steeds heeft aangegeven dat het geen urfi-huwelijk betrof maar een loze belofte van een huwelijk. De rechtbank overweegt dat - wat er ook zij van de stelling van eiser - de beroepsgrond betrekking heeft op het (al dan niet) verzwijgen van het huwelijk en reeds daarom niet kan leiden tot het daarmee beoogde doel. De rechtbank verwijst daartoe naar hetgeen hiervoor onder 4.2. is overwogen.

8. De stelling van eiser dat verweerders besluitvorming ter zake de intrekking in strijd is met het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel, omdat verweerder reeds ten tijde van de procedure ter verkrijging van machtigingen tot voorlopig verblijf ten behoeve van zijn familieleden in het bezit was van alle beschikbare documenten en op de hoogte was van alle hier relevante gegevens, leidt niet tot het daarmee beoogde doel. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 29 maart 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:802 – waarin wordt gewezen op de uitspraak van de Hoge Raad van 19 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL8544 –) overweegt de rechtbank dat het Nederlanderschap niet door middel van een beginsel van behoorlijk bestuur, zoals het vertrouwens- of rechtszekerheidsbeginsel, kan worden verkregen of behouden.

9.1

Eiser stelt verder dat de intrekking van het Nederlanderschap onevenredig is, gelet op de lange duur van het bezit van het Nederlanderschap en in dat verband ook de lange duur van het lange stilzitten van verweerder, gelet op de omstandigheid dat eiser door de intrekking van het Nederlanderschap staatloos zal zijn en gelet op de financiële gevolgen van verweerders besluitvorming voor het gezin van eiser. Verweerder heeft voorts ten onrechte niet bezien of eiser in aanmerking had kunnen komen voor een verblijfsvergunning regulier in het kader van voortgezet verblijf, in welk verband hij wijst op de uitspraak van de Afdeling van 18 april 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:1298).

9.2

Verweerder heeft in reactie op dit betoog ter zitting verwezen naar zijn motivering, hiervoor opgenomen in rechtsoverweging 5.2, om van zijn bevoegdheid tot intrekking gebruik te maken.

9.3

De rechtbank is, mede onder verwijzing naar hetgeen hiervoor onder 5.2 tot en met 5.3 is overwogen, van oordeel dat verweerder afdoende heeft gemotiveerd dat de door eiser opgevoerde omstandigheden niet leiden tot het oordeel dat sprake is van onevenredige besluitvorming. Met verweerder is de rechtbank voorts van oordeel dat eiser niet heeft onderbouwd dat en waarom hij aanspraken zou hebben (gehad) op voortgezet verblijf. De rechtbank is voorts met verweerder van oordeel dat de omstandigheid dat verweerder niet (ambtshalve) heeft onderzocht of eiser in aanmerking kan komen voor een verblijfsvergunning in het kader van voortgezet verblijf niet maakt dat de besluitvorming in dit geval in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. De rechtbank overweegt daartoe, gelijk verweerder, dat de vraag of, dan wel per welke datum de relatie tussen eiser en de verblijfsgeefster niet (langer) als exclusief en duurzaam kon worden beschouwd en aldus per welke datum er sprake zou zijn van bedenkingen tegen het verblijf van eiser hier te lande, anders dan in de aangehaalde uitspraak van de Afdeling, niet eenvoudig en zonder onderzoek is te maken.

10. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat verweerder in redelijkheid tot intrekking van het aan eiser verleende Nederlanderschap heeft kunnen overgaan. Gelet op al het voorgaande ziet de rechtbank ook geen aanleiding voor het stellen van (nadere) vragen aan een (door de rechtbank te benoemen) deskundige, waartoe door eiser was verzocht.

11. Het beroep is ongegrond.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.B. de Vries - van den Heuvel, rechter, in aanwezigheid van mr. P.C. van der Vlugt, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.