Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2019:1698

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
22-02-2019
Datum publicatie
04-03-2019
Zaaknummer
7262778 EJ VERZ 18-203
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Arbeidszaak. Partijen hebben de zaak op basis van artikel 96 Rv aan de kantonrechter voorgelegd. Werkgever mocht met toepassing van een eenzijdig wijzigingsbeding in de zin van artikel 7:613 BW de verstrekking van een leaseauto aan de werknemer beëindigen. Werkgever moet wel een ruime(re) afbouwregeling toepassen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2019-0242
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind

locatie Alkmaar

Zaaknr./rolnr.: 7262778 \ EJ VERZ 18-203

Uitspraakdatum: 22 februari 2019

Vonnis van de kantonrechter na een verzoek op grond van artikel 96 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in de zaak van:

de besloten vennootschap Univé Regio+ B.V.

gevestigd te Heerhugowaard

verder te noemen: Univé

gemachtigde: mr. B.M. Dijkstra

en

[gedaagde]

wonende te [woonplaats]

gedaagde

verder te noemen: [gedaagde]

gemachtigde: mr. M.L. Ensing

1 Het procesverloop

1.1.

Univé en [gedaagde] hebben zich met een brief van 5 oktober 2018 samen tot de kantonrechter gewend en hem gevraagd op grond van artikel 96 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering een beslissing te geven in een zaak. Partijen hebben hun standpunten over de zaak toegelicht in brieven van 12 oktober 2018.

1.2.

Op 25 januari 2019 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde] is op 18 november 2002 in dienst getreden bij Univé Stellingland, een rechtsvoorganger van Univé. Hij had toen de functie van ICT-medewerker en had als taak de eerstelijns gebruikersondersteuning voor alle locaties van Univé Stellingland, en het beheer

van computers, telefooncentrales en randapparatuur.

2.2.

Uit een gespreksverslag van 17 december 2003 blijkt dat met ingang van 1 januari 2004 door Univé Stellingland aan [gedaagde] een bedrijfsauto ter beschikking is gesteld. Deze auto mocht [gedaagde] ook privé gebruiken.

2.3.

Op 1 januari 2011 is Univé Stellingland gefuseerd met een andere onderneming, waaruit Univé is ontstaan.

2.4.

[gedaagde] heeft met ingang van 1 januari 2011 de functie medewerker ICT, in het

team ICT, met als standplaats Heerhugowaard.

2.5.

In een brief van 21 oktober 2013 is door Univé aan [gedaagde] bevestigd dat hij gebruik mag blijven maken van een bedrijfsauto, “zolang dat om bedrijfseconomische redenen wenselijk is voor Univé Regio+”. Daarbij is verwezen naar de regeling voor bedrijfsauto’s.

2.6.

Op of rond 23 september 2013 heeft [gedaagde] een berijdersovereenkomst getekend voor de aan hem ter beschikking gestelde bedrijfsauto, een leaseauto. In die overeenkomst staat dat “de autoregeling van toepassing” is.

2.7.

Op 21 oktober 2015 is aan [gedaagde] een nieuwe bedrijfsauto verstrekt, opnieuw een leaseauto, voor de duur van twee jaar en tot 6 november 2017. In de door [gedaagde] ondertekende berijdersovereenkomst van 21 oktober 2015 staat dat de autoregeling van toepassing is. Daarbij gaat het om de Autoregeling 2015. Deze regeling is bij ondertekening van de berijdersovereenkomst ook aan [gedaagde] overhandigd.

2.8.

In de Autoregeling 2015 worden in artikel 2 de volgende toekenningscriteria genoemd:

“Een medewerker komt in aanmerking voor een leaseauto op basis van één van de

volgende criteria:

  • -

    Het aantal te rijden zakelijke kilometers per jaar (minimaal 10.000 kilometer structureel per jaar); dit ter beoordeling van de werkgever (categorie 1).

  • -

    Indien de auto gekoppeld is aan de functie en daardoor onderdeel is van de secundaire arbeidsvoorwaarden (categorie 2 en 3).”

2.9.

Uit artikel 3 van de Autoregeling 2015 blijkt dat het bij de in artikel 2 genoemde categorie 2 gaat om onder meer buitendienstmedewerkers, en bij categorie 3 om MT-leden.

2.10.

In artikel 12 van de Autoregeling 2015 staat dat de deelname aan de regeling beëindigd wordt, onder meer: “b) uiterlijk 3 (drie) maanden, nadat is vastgesteld dat de medewerker niet meer aan de genoemde toekenningscriteria voldoet voor een leaseauto” en “h) in geval de medewerker minder dan 10.000 zakelijke kilometers per jaar rijdt (exclusief woon-werkverkeer)”.

2.11.

Door ontwikkelingen binnen Univé en op ICT-gebied was het voor [gedaagde] vanaf in ieder geval 2015 steeds minder vaak nodig om naar andere vestigingen te rijden dan voorheen. Vanaf 1 januari 2017 zijn alle servers van de ICT-systemen van Univé geplaatst op de hoofdlocatie in Heerhugowaard, waardoor [gedaagde] nog minder naar andere locaties hoeft te rijden. De functie van [gedaagde] van ICT-medewerker is geen ambulante functie meer.

2.12.

In 2018 is een nieuwe autoregeling vastgesteld, de Autoregeling 2018. Die regeling kent dezelfde bepalingen als de hiervoor genoemde Autoregeling 2015.

2.13.

In een brief van 4 juni 2018 heeft Univé aan [gedaagde] meegedeeld dat de functie van [gedaagde] geen aanleiding meer geeft voor het toekennen van een leaseauto, omdat hij niet voldoet aan de voorwaarden van de autoregeling. Daarbij is toegelicht dat [gedaagde] ten behoeve van zijn werkzaamheden niet of nauwelijks meer naar winkels van Univé hoeft te gaan, maar hij deze werkzaamheden voornamelijk vanuit Heerhugowaard kan doen, en hij in 2016 en 2017 minder dan 10.000 zakelijke kilometers heeft gereden. Aan [gedaagde] is daarom voorgesteld om de leaseauto in te leveren per 1 november 2018. Univé heeft ook aangeboden om een afbouwregeling te treffen, waarbij [gedaagde] nog twee jaar lang financieel wordt gecompenseerd voor het verlies van de leaseauto.

2.14.

[gedaagde] heeft Univé laten weten dat hij niet akkoord gaat met het voorstel van Univé.

3 De standpunten van partijen

3.1.

Univé wil dat [gedaagde] zijn leaseauto inlevert met ingang van 1 november 2018. Volgens Univé is de verstrekking van een leaseauto geen arbeidsvoorwaarde en mag Univé die verstrekking dus beëindigen. Voor zover wel sprake is van een arbeidsvoorwaarde, meent Univé dat in de verschillende autoregelingen een zogenoemd eenzijdig wijzigingsbeding staat en dat [gedaagde] op grond daarvan de leaseauto moet inleveren. Daarnaast is er volgens Univé sprake van gewijzigde omstandigheden waarin zij als goed werkgever aanleiding heeft kunnen vinden tot het beëindigen van de toekenning van de leaseauto. Univé wijst erop dat zij bereid is om bij inlevering van de leaseauto een afbouwregeling af te spreken waarbij [gedaagde] met ingang van 1 november 2018 nog twee jaar lang wordt gecompenseerd voor het verlies van deze leaseauto.

3.2.

[gedaagde] wil zijn leaseauto behouden. [gedaagde] stelt dat aan hem al vanaf 2004 een leaseauto is verstrekt die hij ook steeds privé heeft mogen gebruiken, en dat de leaseauto dus een arbeidsvoorwaarde is geworden die door Univé niet eenzijdig mag worden gewijzigd. Volgens [gedaagde] is het door Univé genoemde eenzijdige wijzigingsbeding van de autoregeling niet van toepassing, omdat die regeling nooit is overeengekomen, terwijl bovendien geen sprake is van een zwaarwichtig belang van Univé dat een beroep op een dergelijk wijzigingsbeding rechtvaardigt. Verder meent [gedaagde] dat ook geen sprake is van een wijziging van omstandigheden die noodzaakt tot inlevering van de leaseauto. [gedaagde] wijst erop dat Univé niet in financieel zwaar weer verkeert. De door Univé voorgestelde compensatie vindt [gedaagde] onvoldoende, omdat die alleen een compensatie biedt voor het verlies van de leaseauto gedurende de eerste paar jaar, maar niet structureel.

4 De beoordeling

4.1.

Partijen hebben de kantonrechter gevraagd om te beoordelen of [gedaagde] al dan niet zijn leaseauto moet inleveren met ingang van 1 november 2018, en zo ja, of de voorgestelde compensatieregeling redelijk is.

4.2.

De kantonrechter is het eens met [gedaagde] dat de verstrekking van de leaseauto moet worden gezien als een arbeidsvoorwaarde. Daarbij is het volgende van belang.

4.3.

Vast staat dat Univé al vanaf 2004 een leaseauto aan [gedaagde] verstrekt die hij ook privé mag gebruiken. Er is dus in ieder geval sprake van een vaste gedragslijn van Univé.

4.4.

De vraag of een vaste gedragslijn als een arbeidsvoorwaarde kan worden aangemerkt, laat zich niet in algemene zin beantwoorden. Het komt daarbij aan op de betekenis die partijen aan elkaars gedragingen en verklaringen hebben toegekend en mochten toekennen. Daarbij komt betekenis toe aan verschillende gezichtspunten. Van belang kunnen onder meer zijn de inhoud van de gedragslijn, de aard van de arbeidsovereenkomst en de positie van partijen, de lengte van de periode gedurende welke de werkgever de desbetreffende gedragslijn heeft gevolgd, en de aard van de voor- en nadelen die voor de werkgever en de werknemer uit de gedragslijn voortvloeien (zie de uitspraak van de Hoge Raad van 22 juni 2018, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, onder nummer ECLI:NL:HR:2018:976 (FNV/Pontmeyer)).

4.5.

De verstrekking van de leaseauto aan [gedaagde] door Univé vanaf 2004 is voor [gedaagde] een wezenlijk onderdeel geworden van de voordelen die uit zijn arbeidsovereenkomst voortvloeien, met name ook omdat hij de leaseauto privé mag gebruiken. Daarbij komt, zoals op de zitting is gebleken, dat [gedaagde] de beschikking heeft over een tankpas van Univé, waarmee hij ook de kosten van brandstof voor het privégebruik van de leaseauto mag betalen. Een dergelijk voordeel moet gelet op de aard en de duur daarvan worden aangemerkt als een arbeidsvoorwaarde. Het maakt daarbij niet uit of dat als een primaire of een secundaire arbeidsvoorwaarde wordt benoemd. Het enkele feit dat de verstrekking van de leaseauto door Univé steeds gekoppeld is geweest aan de functie die [gedaagde] vervulde, doet aan het karakter van arbeidsvoorwaarde niet af. Die koppeling neemt immers niet het voordeel weg van het (privé)gebruik dat [gedaagde] heeft door de verstrekking van de leaseauto.

4.6.

De verstrekking van de leaseauto is dus een arbeidsvoorwaarde.

4.7.

De volgende vraag is of die arbeidsvoorwaarde mocht worden gewijzigd door Univé.

4.8.

Op grond van de wet, het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), kan een werkgever onder omstandigheden een beroep doen op een schriftelijk beding dat hem de bevoegdheid geeft een in de arbeidsovereenkomst voorkomende arbeidsvoorwaarde te wijzigen (artikel 7:613 BW). Daarvoor is vereist dat de werkgever bij de wijziging van de arbeidsvoorwaarde een zodanig zwaarwichtig belang heeft dat het belang van de werknemer dat door de wijziging zou worden geschaad, daarvoor naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moet wijken.

4.9.

Naar het oordeel van de kantonrechter is de hiervoor genoemde Autoregeling 2015, en ook de Autoregeling 2018, een schriftelijk beding dat Univé de bevoegdheid geeft de verstrekking van de leaseauto eenzijdig te beëindigen. In de arbeidsovereenkomst tussen partijen van 18 november 2002 staat geen eenzijdig wijzigingsbeding. Maar een eenzijdig wijzigingsbeding hoeft niet in de arbeidsovereenkomst zelf te zijn opgenomen (zie de uitspraak van de Hoge Raad van 18 maart 2011, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, onder nummer ECLI: NL:HR:2011:BO9570 (Wegener)). Dit beding kan ook geldig zijn als het in de Autoregeling 2015 zelf staat. Dat is hier het geval. In artikel 12 van de Autoregeling 2015 staat immers dat Univé kan bepalen dat de leaseauto in de daar genoemde gevallen moet worden ingeleverd.

4.10.

Bovendien is op de zitting gebleken dat [gedaagde] de berijdersovereenkomst van 21 oktober 2015 heeft ondertekend, waarin staat dat de Autoregeling 2015 van toepassing is, en dat die regeling bij ondertekening aan hem is overhandigd. Dat betekent dat de Autoregeling 2015 onderdeel is geworden van de arbeidsovereenkomst. Het eenzijdige wijzigingsbeding van artikel 12 van de Autoregeling 2015 was dus ook voldoende kenbaar voor [gedaagde] , waarmee eveneens aan de eisen van rechtszekerheid wordt tegemoetgekomen.

4.11.

De stelling van [gedaagde] dat de Autoregeling 2015 in dit geval niet van toepassing is vanwege de daarin opgenomen overgangsregeling, gaat niet op. In artikel 1 van de Autoregeling staat dat die regeling van toepassing is voor alle leasecontracten waarvan de ingangsdatum na 1 januari 2015 ligt. De kantonrechter ziet anders dan [gedaagde] geen reden om aan te nemen dat met de ingangsdatum van het leasecontract wordt bedoeld het contract met de leasemaatschappij. De Autoregeling ziet immers op de relatie tussen Univé en haar werknemers, waaronder [gedaagde] , en niet op de relatie tussen Univé en de leasemaatschappij. Vast staat dat de berijdersovereenkomst en het leasecontract van [gedaagde] voor de leaseauto is ingegaan op 21 oktober 2015. Dat betekent dat de Autoregeling 2015 daarop van toepassing is. Overigens gold voordien de Autoregeling 2013, waarin vergelijkbare bepalingen stonden.

4.12.

De kantonrechter volgt Univé in haar stelling dat zij een beroep kan doen op het eenzijdig wijzigingsbeding van artikel 12 van de Autoregeling 2015 en dat zij de verstrekking van de leaseauto aan [gedaagde] mag beëindigen. Er is namelijk voldoende gebleken dat Univé daarbij een zodanig zwaarwichtig belang heeft dat het belang van [gedaagde] daarvoor naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moet wijken. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.13.

De Autoregeling 2015 is in grote lijnen vergelijkbaar met de Autoregeling 2013. De Autoregeling 2015 houdt wel een aanscherping in van de voorgaande regeling(en). Uit het hiervoor aangehaalde artikel 2 van de Autoregeling 2015 volgt dat een medewerker alleen in aanmerking komt voor een leaseauto als het aantal te rijden zakelijke kilometers per jaar minimaal 10.000 kilometer bedraagt. Voordien was er geen ‘harde’ grens en stond toekenning ter beoordeling van de werkgever. In het verlengde daarvan is in artikel 12 van de Autoregeling 2015 bepaald dat de deelname aan de regeling wordt beëindigd als de medewerker minder dan 10.000 zakelijke kilometers per jaar rijdt. Een dergelijke bepaling ontbrak in eerdere regelingen.

4.14.

Univé heeft toegelicht dat de zwaarwegende reden voor de wijzigingen in de Autoregeling 2015, en het innemen van de leaseauto van [gedaagde] , is gelegen in de noodzaak om het kostenniveau terug te dringen. Volgens die toelichting moeten de bedrijfsactiviteiten van Univé op grond van richtlijnen van de Nederlandse Bank volledig kostendekkend zijn en is Univé er in 2014 en 2016 door de Nederlandse Bank op gewezen dat haar bedrijfsmodel voor de toekomst onder druk staat. Verder heeft Univé uitgelegd dat een aantal regionale Univé-kantoren in 2015 een negatief resultaat heeft laten zien bij brandverzekeringen, en dat het merendeel van die kantoren verlieslatende activiteiten heeft uit bemiddelingsactiviteiten. Ook heeft Univé uiteengezet dat een teruggang in inkomsten wordt verwacht en dat zij daarop moet anticiperen door kostenverlaging. Omdat klanten online en mobiel steeds meer zelf kunnen en willen doen wat betreft het regelen van hun verzekering(en) zal de provisie, een groot deel van de inkomsten van de centrale organisatie van Univé, gaan teruglopen. Uit concurrentieoverwegingen zullen ook de premies voor verzekeringen van Univé omlaag moeten, aldus Univé. Om het kostenniveau omlaag te brengen en verlies te voorkomen, heeft Univé een aantal maatregelen genomen. Het gaat onder meer om de wijziging in de Autoregeling 2015, de sluiting van negen verzekeringswinkels, de verhuur van een deel van het hoofdkantoor, de versobering van de kantinefaciliteiten, het intern uitvoeren van de salarisadministratie en het verlagen van de personeelskorting op hypotheekadvies.

4.15.

[gedaagde] heeft de juistheid van de toelichting van Univé ten aanzien van de noodzaak om de kosten terug te brengen op zichzelf niet weersproken. Wel heeft hij erop gewezen dat de noodzaak en de effecten van de wijziging in de Autoregeling 2015 niet cijfermatig zijn onderbouwd. Echter, uit een door Univé overgelegde interne notie van 2 april 2015 blijkt van een dergelijke cijfermatige toelichting en onderbouwing. Daarin staat ook dat de autoregeling op jaarbasis volgens de begroting ongeveer € 423.000,00 kostte en dat de wijziging daarvan in 2015 een besparing beoogde van minimaal 10% van dat bedrag. Verder weegt de kantonrechter mee dat Univé op de zitting onweersproken heeft gesteld dat de ondernemingsraad heeft ingestemd met de wijziging in de Autoregeling 2015 en de onderbouwing daarvan. Gelet daarop neemt de kantonrechter als vaststaand aan dat Univé de hiervoor genoemde en toegelichte redenen heeft voor de wijziging in de Autoregeling 2015.

4.16.

Niet ter discussie staat dat de kosten voor Univé van de leaseauto van [gedaagde] per maand € 985,00 bedragen, zodat Univé bij inlevering van die auto op jaarbasis een besparing van € 11.820,00 realiseert.

4.17.

Naar het oordeel van de kantonrechter leveren de door Univé genoemde omstandigheden een voldoende zwaarwegende reden op voor de wijziging in de Autoregeling 2015 en de beëindiging van de verstrekking van de leaseauto aan [gedaagde] . Immers, als Univé geen maatregelen neemt om het kostenniveau terug te dringen, dreigen financiële problemen voor haar onderneming en komt de naleving van eerdergenoemde richtlijnen van de Nederlandse Bank in gevaar. De beëindiging van de verstrekking van de leaseauto aan [gedaagde] leidt ook tot een aanzienlijke besparing voor Univé. De Autoregeling 2015 leidt daarnaast ook overigens tot verdergaande besparingen, omdat minder medewerkers dan voorheen in aanmerking komen voor verstrekking van een leaseauto.

4.18.

Dit belang van Univé is zodanig zwaarwegend dat het belang van [gedaagde] daarvoor naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moet wijken, om de volgende redenen.

4.19.

Vast staat dat [gedaagde] niet meer voldoet aan de criteria van de Autoregeling 2015 voor toekenning van een leaseauto. [gedaagde] rijdt immers minder dan 10.000 zakelijke kilometers per jaar en de auto is niet (meer) gekoppeld aan zijn functie.

4.20.

[gedaagde] heeft ook geen of alleen nog een zeer beperkt belang bij de leaseauto voor zakelijk gebruik. Hij heeft immers niet betwist dat hij de leaseauto in ieder geval vanaf 1 januari 2017 niet of nauwelijks meer nodig heeft voor zijn werkzaamheden, omdat hij zijn werk op de hoofdvestiging in Heerhugowaard verricht, en evenmin staat ter discussie dat hij alleen nog maar incidenteel op een andere locatie hoeft te zijn. Ook staat vast dat [gedaagde] , indien hij incidenteel naar een andere locatie of een overleg elders moet rijden, gebruik kan maken van een bedrijfsauto van Univé. Univé heeft op de zitting onweersproken gesteld dat die bedrijfsauto steeds ter beschikking staat van [gedaagde] en dat alleen één andere collega daarvan ook gebruik maakt.

4.21.

Gelet op de toepasselijkheid van de Autoregeling 2015, en de daaraan voorafgaande regelingen, mocht [gedaagde] er ook niet gerechtvaardigd op vertrouwen dat hij de leaseauto zou mogen behouden als hij deze niet meer nodig had voor zijn functie en zijn werkzaamheden. [gedaagde] was er immers mee bekend dat de verstrekking van de leaseauto door Univé kon worden beëindigd als niet meer werd voldaan aan de criteria van de Autoregeling 2015. In de Autoregeling 2013 en het Autoreglement van Univé Stellingland stonden vergelijkbare bepalingen. Overigens gold de toekenning van de leaseauto blijkens de laatste berijdersovereenkomst voor de duur van twee jaar en tot 6 november 2017.

4.22.

Het belang van [gedaagde] bij behoud van de leaseauto is met name gelegen in het feit dat hij de leaseauto ook privé mag gebruiken en dat hij nu geen kosten hoeft te maken voor de aanschaf en het gebruik van een eigen auto. Echter, op de zitting is gebleken dat daar tegenover staat dat [gedaagde] na inlevering van de leaseauto, vanwege het wegvallen van de fiscale bijtelling, € 300,00 netto per maand extra aan inkomen heeft, en dat aan hem een reiskosten-vergoeding toekomt voor woon-werkverkeer van € 120,00 per maand. Verder krijgt [gedaagde] , indien hij met een eigen auto zakelijke kilometers rijdt, daarvoor een vergoeding van
€ 0,19 netto en € 0,09 bruto per kilometer.

4.23.

[gedaagde] heeft, ondanks dat daarom is gevraagd door Univé, niet berekend of toegelicht wat de aanschaf en het gebruik van een eigen auto hem gaat kosten. Ook in deze procedure heeft hij dat niet gedaan. Op de zitting heeft [gedaagde] opgemerkt dat hij wel wat informatie heeft ingewonnen en dat hij schat dat een eigen auto hem in ieder geval € 500,00 per maand gaat kosten. [gedaagde] heeft deze schatting niet nader onderbouwd, maar de kantonrechter vindt het genoemde bedrag, mede gelet op informatie daarover uit openbare bronnen, redelijk en aannemelijk (zie bijv.: https://www.nibud.nl/consumenten/wat-kost-een-auto/). Daarvan uitgaande en gelet op het hiervoor genoemde wegvallen van de fiscale bijtelling en de reiskostenvergoeding, zal het financiële nadeel voor [gedaagde] na beëindiging van de verstrekking van de leaseauto dus ongeveer € 80,00 per maand bedragen. Dat is een reëel nadeel voor [gedaagde] , maar dat belang is, tegenover het belang van Univé, niet zodanig groot en zwaarwegend dat Univé daarom de Autoregeling 2015 niet mocht wijzigen en de verstrekking van de leaseauto aan [gedaagde] niet mocht beëindigen.

4.24.

Daarbij weegt de kantonrechter ook mee dat Univé aan [gedaagde] een afbouwregeling heeft aangeboden voor een periode van twee jaar. Op de zitting is gebleken dat die regeling erop neerkomt dat gedurende het eerste kwartaal de volledige kosten van een eigen auto worden vergoed (bijvoorbeeld in geval van kosten van € 500,00 per maand dat volledige bedrag), waarna in het daarop volgende kwartaal 7/8 van die kosten worden vergoed, en nadien telkens een achtste lager, tot een vergoeding van 1/8 van de kosten in het laatste kwartaal van de periode van twee jaar. Met deze afbouwregeling wordt naar het oordeel van de kantonrechter in voldoende mate tegemoetgekomen aan het belang van [gedaagde] , met de volgende kanttekening.

4.25.

Univé is ervan uitgegaan dat de afbouwregeling dient in te gaan op 1 november 2018. [gedaagde] heeft zich om op zichzelf begrijpelijke redenen verzet tegen beëindiging van de verstrekking van de leaseauto en heeft daartegen op verdedigbare gronden bezwaar gemaakt. Gelet daarop oordeelt de kantonrechter dat het redelijk is om de afbouwregeling te laten ingaan op de eerste dag volgend op die waarop [gedaagde] de huidige leaseauto heeft ingeleverd. Verder is op de zitting gebleken dat ook de brandstofkosten voor het privégebruik van de huidige leaseauto van [gedaagde] door Univé worden betaald en vergoed. Het is daarom redelijk dat bij de hiervoor genoemde afbouwregeling ook worden betrokkene de (geschatte) kosten van brandstof voor het privégebruik van een door [gedaagde] zelf aan te schaffen auto. Overigens lijkt het de kantonrechter ook redelijk dat partijen, ter vermijding van onnodige discussie en conflicten, bij het vaststellen van een afbouwregeling uitgaan van het hiervoor genoemde vaste en forfaitaire bedrag aan maandelijkse kosten voor een eigen auto van
€ 500,00 per maand.

4.26.

De kantonrechter komt dus tot de conclusie dat Univé met toepassing van het hiervoor genoemde eenzijdig wijzigingsbeding van de Autoregeling 2015 de verstrekking van de leaseauto aan [gedaagde] mocht beëindigen, zij het dat Univé daarbij de afbouwregeling moet toepassen zoals hiervoor onder 4.25 door de kantonrechter aangegeven.

4.27.

Om zo veel mogelijk duidelijkheid aan partijen te geven zal de kantonrechter bepalen dat [gedaagde] de leaseauto uiterlijk op vrijdag 29 maart 2019 moet inleveren. Daarmee krijgt [gedaagde] na dit vonnis nog enige tijd om een andere, eigen auto te vinden en aan te schaffen.

4.28.

Partijen hebben naast de toepassing van het eenzijdig wijzigingsbeding ook gediscussieerd over de vraag of een beëindiging van de verstrekking van de leaseauto mogelijk is op grond van de wettelijke bepaling die de werkgever en de werknemer verplicht zich als een goed werkgever en een goed werknemer te gedragen (artikel 7:611 BW). Dit voor het geval de verstrekking van de leaseauto niet als een arbeidsvoorwaarde kan worden aangemerkt of als er geen sprake zou zijn van een (geldig) eenzijdig wijzigingsbeding.

4.29.

Zoals volgt uit wat hiervoor is overwogen, komt de kantonrechter aan deze discussie niet toe. Er is immers geoordeeld dat de verstrekking van de leaseauto een arbeidsvoorwaarde is en dat sprake is van een (geldig) eenzijdig wijzigingsbeding.

4.30.

Ten behoeve van partijen overweegt de kantonrechter nog wel dat een beoordeling op basis van de verplichtingen als een goed werkgever en een goed werknemer in dit geval tot eenzelfde uitkomst had geleid, vanwege het volgende.

4.31.

Bij deze beoordeling gaat het om de vraag of sprake is van een wijziging van omstandigheden waarin de werkgever aanleiding heeft kunnen vinden tot het doen van een voorstel tot wijziging van de arbeidsvoorwaarden, en of het door hem gedane voorstel redelijk is (zie de uitspraak van de Hoge Raad van 11 juli 2008, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, onder nummer ECLI:NL:HR:2008:BD1847 (Stoof/Mammoet)). In dat kader moeten alle omstandigheden van het geval in aanmerking worden genomen, waaronder de aard van de gewijzigde omstandigheden die tot het voorstel aanleiding hebben gegeven en de aard en ingrijpendheid van het gedane voorstel. Ook van belang is de positie van de betrokken werknemer en zijn belang bij het ongewijzigd blijven van de arbeidsvoorwaarden. Vervolgens moet nog worden onderzocht of aanvaarding van het door de werkgever gedane redelijke voorstel in het licht van de omstandigheden van het geval in redelijkheid van de werknemer gevergd kan worden.

4.32.

Onder verwijzing naar het voorgaande, overweegt de kantonrechter dat de hiervoor genoemde financiële en bedrijfseconomische omstandigheden van de kant van Univé een wijziging van omstandigheden opleveren, waarin Univé aanleiding heeft kunnen zien om van [gedaagde] te verlangen de leaseauto in te leveren. Gelet ook op de door Univé voorgestelde afbouwregeling is sprake van een redelijk voorstel, en gezien de hiervoor beschreven belangen van partijen kon ook in redelijkheid van [gedaagde] worden gevraagd om daarmee in te stemmen.

4.33.

Partijen zijn overeengekomen dat zij over en weer afstand doen van proceskosten en buitengerechtelijke kosten, en overigens ook dat zij afzien van het instellen van hoger beroep. Er is dus geen beslissing over de proceskosten nodig.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

bepaalt dat [gedaagde] de aan hem verstrekte leaseauto uiterlijk op vrijdag 29 maart 2019 moet inleveren;

5.2.

bepaalt dat Univé de afbouwregeling moet toepassen zoals hiervoor onder 4.25 aangegeven.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.J. Jansen en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter