Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2019:1622

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
26-02-2019
Datum publicatie
28-02-2019
Zaaknummer
15/810017-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vordering tul. Taakstraf i.p.v. gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/810017-17

Uitspraakdatum: 26 februari 2019

niet verschenen

Beslissing na voorwaardelijke veroordeling (ex artikel 14 g Sr)

Deze beslissing is genomen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 12 februari 2019 in de zaak tegen:

[veroordeelde] ,

geboren op [geboortedatum] 1979 te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres ( [adres]

.

1 Vordering tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf

De officier van justitie heeft bij schriftelijke vordering van 3 december 2018 gevorderd dat de rechtbank zal gelasten dat de bij vonnis van deze rechtbank van 7 augustus 2017 in deze zaak aan de veroordeelde opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden, alsnog zal worden ten uitvoer gelegd, op grond van het feit dat de veroordeelde de aan die voorwaardelijke straf verbonden bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

2 Procesverloop

Bij vonnis van deze rechtbank, locatie Haarlem, van 7 augustus 2017 is veroordeelde (wegens overtreding van de Opiumwet en de Wet wapens en munitie) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Ten aanzien van deze gevangenisstraf is het bevel gegeven dat een gedeelte groot 5 maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat de veroordeelde vóór het einde van een op twee jaren vastgestelde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, dan wel gedurende deze proeftijd bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd. Deze bijzondere voorwaarden houden in dat de veroordeelde:

-zich binnen vijf dagen na het onherroepelijk worden van dit vonnis meldt bij GGZ Reclassering Inforsa op het adres: Keizersgracht 572, 1017 EM te Amsterdam.

Hierna moet hij zich blijven melden zo frequent en zo lang de reclassering dit noodzakelijk acht;

-zich zal laten behandelen voor delict analyse bij (Forensische) psychiatrie - FAZ Inforsa, De Waag of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

-zich houdt aan de (overige) aanwijzingen die de reclassering hem geeft.

Dit vonnis is onherroepelijk geworden. De proeftijd is ingegaan op 22 augustus 2017.

De onderhavige vordering is behandeld op de openbare terechtzitting van 12 februari 2019. Veroordeelde is niet verschenen. Voor veroordeelde is verschenen zijn raadsvrouw mr. M.H. Aalmoes, advocaat te Amsterdam.

3 Informatie van de reclassering

De officier van justitie heeft zijn vordering gebaseerd op het op 30 oktober 2018 door

[toezichthouder] , als toezichthouder werkzaam bij GGZ Reclassering Inforsa Amsterdam, opgemaakte rapport ‘Advies aan opdrachtgever toezicht, tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf’. Dit reclasseringsrapport houdt onder meer - zakelijk weergegeven - het volgende in:

De reclassering is van mening dat [veroordeelde] onvoldoende heeft meegewerkt aan de voorwaarden. Wij adviseren om over te gaan tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke strafdeel. De reclassering adviseert om voorlopige tenuitvoerlegging te vorderen. Ondanks diverse interventies blijft het recidiverisico hoog.

Tot zijn detentie van september 2016 was [veroordeelde] goed in beeld en hield hij zich aan de bijzondere- en algemene voorwaarden. Echter is zijn medewerking en inzet niet meer zo geweest sinds september 2016. Hij hield zich na detentie niet aan de meldplichtafspraken en was voor de toezichthouder niet bereikbaar. Op 27 juli 2018 werd [veroordeelde] aangehouden omdat hij gesignaleerd stond voor een openstaande straf. Tijdens de aanhouding had hij wederom twee vuurwapens op zak waardoor hij nu verdacht wordt van verboden wapenbezit.

Ter zitting heeft [toezichthouder] voornoemd rapport – zakelijk weergegeven – als volgt toegelicht:

In het begin heeft veroordeelde goed meegewerkt. Na zijn detentie in 2016 is er een omslag gekomen ten aanzien van zijn motivatie. Dat had te maken met gebrek aan huisvesting, maar zeker ook met factoren waar hij niets aan kon doen. Hij verbleef in Exodus maar kon daar na zijn detentie niet terug.

De inschatting van de reclassering is dat bij veroordeelde de druk vanuit justitie dat er altijd nog iets boven zijn hoofd hangt averechts werkt. Dit vergroot het recidiverisico. Omdat hij goed in staat is om zelf zijn zaken op orde te krijgen is met hem besproken dat omzetting in een taakstraf wellicht een goede optie zou zijn. Op die manier kan hij afrekenen met justitie, wordt de dreiging dat er nog iets boven zijn hoofd hangt weggenomen en kan hij laten zien dat hij op vrijwillige basis de hulp kan zoeken die hij nodig heeft. Ik ken veroordeelde circa 9 jaar en het reclasseringstoezicht is tot 2016 altijd goed verlopen. Hij heeft altijd alle trainingen die hij moest volgen gevolgd en afgerond. Het zelfstandig wonen van veroordeelde gaat goed en hij is al langere tijd abstinent van middelengebruik. Hij had werk en zijn baas was zeer tevreden over hem.

De raadsvrouw van veroordeelde heeft – zakelijk weergegeven – het volgende toegelicht:

In 2016 is er een vordering na voorwaardelijke veroordeling in behandeling geweest. Cliënt zat toen in Exodus en had zijn leven goed op de rails. Justitie wilde de beslissing op het gratieverzoek van cliënt niet afwachten en zodoende heeft hij de voorwaardelijk opgelegde straf in zijn geheel uitgezeten. Dat veroorzaakte een houding bij cliënt dat het hem allemaal niets meer kon schelen.

Cliënt heeft thans een vriendin die hem goed onder de duim houdt. Hij heeft twee kinderen die woonachtig zijn bij hun moeder in Amsterdam. Eind vorig jaar is de oudste dochter van een balkon op de derde verdieping van een appartementencomplex gevallen. De moeder was toen hoogzwanger en kon niet voor haar dochter zorgen. Cliënt heeft toen veel zorg op zich genomen. Cliënt heeft thans geen werk. Hij is niet echt een middelengebruiker.

Op 5 december 2018 heeft de rechtbank Amsterdam een beslissing genomen op de vordering na voorwaardelijke veroordeling van de officier van justitie van 17 oktober 2018. Er was sprake van recidive, zodat in het kader van het overtreden van de algemene voorwaarde de voorwaardelijke straf ten uitvoer kon worden gelegd. De officier van justitie heeft zich toen op het standpunt gesteld dat de voorwaardelijke gevangenisstraf moest worden omgezet in een taakstraf, gelet op het feit dat cliënt heel vaak gedetineerd had gezeten. De rechtbank heeft toen dat standpunt van de officier van justitie gevolgd.

4 Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat, gelet op hetgeen door reclasseringswerker [toezichthouder] en de raadsvrouw van veroordeelde naar voren is gebracht, de vordering dient te worden toegewezen, met dien verstande dat de ten uitvoer te leggen gevangenisstraf dient te worden omgezet in een taakstraf.

5 Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht de vordering van de officier van justitie toe te wijzen, maar de gevangenisstraf om te zetten in een taakstraf.

6 Oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft vastgesteld dat zij bevoegd is om over de vordering te oordelen en dat de officier van justitie daarin ontvankelijk is.

De veroordeelde heeft de bij genoemd vonnis gestelde bijzondere voorwaarden niet nageleefd, hetgeen de rechtbank is gebleken uit voornoemde rapportage van 30 oktober 2018.

Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat de vordering gegrond is.

Daarom behoort in beginsel de gevorderde tenuitvoerlegging van de niet ten uitvoer gelegde gevangenisstraf te worden gelast.

Gelet op hetgeen door de reclasseringswerker [toezichthouder] naar voren is gebracht, alsmede het standpunt van de officier van justitie en de raadsvrouw van veroordeelde, acht de rechtbank termen aanwezig in plaats van een last tot tenuitvoerlegging van gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden te geven, een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, te gelasten, een en ander op de wijze zoals hierna onder het kopje beslissing zal worden aangegeven.

7 Beslissing

De rechtbank:

Gelast in de zaak met parketnummer 15/810017-17 een taakstraf die bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van honderd (100) uren in plaats van de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden, opgelegd bij voormeld vonnis van 7 augustus 2017.

De taakstraf wordt vervangen door 50 dagen hechtenis als deze niet goed wordt uitgevoerd.

Bepaalt dat de taakstraf binnen een (1) jaar na heden moet worden voltooid.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Deze beslissing is gegeven door

mr. M. Mateman, voorzitter,

mr. M. Goedhuis-Visser en mr. H. Brouwer, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier C.A. de Koning,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 26 februari 2019.