Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2019:1600

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
28-02-2019
Datum publicatie
28-02-2019
Zaaknummer
15/800438-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onderzoek Cyber007.

In september 2015 is onderzoek Cyber007 gestart. Dit onderzoek draait om een vorm van fraude die bekend staat als “phishing”. Verdachte wordt verweten dat hij heeft deelgenomen aan een criminele organisatie gericht op het plegen van met phishing fraude verband houdende misdrijven (feit 2) en dat hij zich samen met andere deelnemers van deze organisatie heeft schuldig gemaakt aan diefstallen door middel van valse sleutels (feit 1).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Haarlemmermeer

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/800438-15

Uitspraakdatum: 28 februari 2019

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 28 januari 2019, 30 januari 2019 en 14 februari 2019 (locatie Haarlem) in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres 1] .

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. J. van der Putte, en van hetgeen verdachte en zijn raadsman, mr. Z. Nahar, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat hij

feit 1

op een of meer tijdstip(pen) in de periode van 1 september 2015 tot en met 29 september 2015 te Amsterdam, meermalen, althans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een of meer postbus(sen)/brievenbus(sen) heeft/hebben weggenomen (telkens) een of meer poststuk(ken)/envelop(pen) inhoudende een of meer bankpas(sen), in elk geval een of meer goed(eren), (telkens) geheel of ten dele toebehorende aan

- [rekeninghouder] en/of [rekeninghouder] (10-09-2015) en/of

- [rekeninghouder] en/of [rekeninghouder] (10-09-2015) en/of

- [rekeninghouder] en/of [rekeninghouder] (24/09/2015) en/of

- [rekeninghouder] en/of [rekeninghouder] (25/09/2015) en/of

- [rekeninghouder] en/of [rekeninghouder] (25/09/2015) en/of

- [rekeninghouder] (25/09/2015) en/of

- [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] (25/09/2015) en/of

- [rekeninghouder] (29/09/2015) en/of

- [rekeninghouder] en/of [rekeninghouder] (29/09/2015) en/of

- Rabobank en/of

- ABN-AMRO bank,

in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich (telkens) de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen poststuk(ken)/envelop(pen) onder zijn en/of hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van (een) valse sleutel(s), te weten (een) niet daartoe bestemd(e) sleutel(s);

feit 2

in de periode van 1 september 2015 t/m 16 februari 2016 te Amsterdam en/of een of meer plaats(en) in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk

- oplichting (art. 326 Wetboek van Strafrecht) en/of

- plaatsen opname- aftap- en/of afluisterapparatuur (art.139d wetboek van Strafrecht) en/of

- gegevens voorhanden hebben om computergegeven(s) aan te tasten of te manipuleren (art. 350d wetboek van Strafrecht) en/of

- computervredebreuk (art.138ab Wetboek van strafrecht) en/of

- aantasting of manipulatie van computergegevens (art.350a Wetboek van Strafrecht) en/of

- diefstal door middel van een valse sleutel (art. 311 Wetboek van Strafrecht) en/of

- witwassen (art.420bis Wetboek van Strafrecht).

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Beoordeling van het bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 en 2 tenlastegelegde.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1 ten laste gelegde gekwalificeerde diefstal bewezen kan worden verklaard in de periode van 10 september 2015 tot en met 29 september 2015. Het bewijs ontbreekt dat de diefstal in de daarvóór gelegen periode heeft plaatsgevonden, zodat verdachte in zoverre moet worden vrijgesproken.

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van de onder 2 ten laste gelegde deelname aan een criminele organisatie. Hij heeft daartoe aangevoerd dat geen sprake is geweest van een organisatie als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), nu daarvoor de vereiste duurzaamheid en structuur van het samenwerkingsverband ontbreekt. Verdachte heeft slechts gedurende een kortstondige periode van ongeveer twee weken tien poststukken met bankpassen weggenomen. Na zijn aanhouding op 29 september 2015 is hij niet meer met de in het dossier genoemde medeverdachten in aanraking geweest. Het ontbreken van een structuur kan worden afgeleid uit het feit dat verdachte de poststukken wegnam op verzoek van een persoon die hij bij toeval was tegengekomen en aan wiens verzoeken hij ook niet steeds heeft voldaan. Bovendien kan volgens de raadsman niet worden bewezen dat verdachte heeft deelgenomen aan een eventuele criminele organisatie, maar moet hij als een buitenstaander worden beschouwd.

3.3.

Oordeel van de rechtbank

3.3.1.

Vormverzuim na verstrekkend onderzoek aan gegevensdragers verdachte

In het kader van het onderzoek is de veiliggestelde inhoud van de onder verdachte in beslag genomen Samsung telefoon en laptop onderzocht, waarbij alle opgeslagen en beschikbare gegevens zijn uitgelezen op een zodanige wijze dat dit – ook volgens de officier van justitie – een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van verdachte heeft gemaakt. Hiertoe was geen voorafgaande toestemming gegeven door de officier van justitie of een rechter-commissaris, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank dan ook een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek oplevert in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering.

De vraag die vervolgens beantwoord dient te worden, is of hieraan een rechtsgevolg dient te worden verbonden of dat een constatering van het vormverzuim afdoende is. Om deze vraag te kunnen beantwoorden, moet met de volgende drie factoren rekening worden gehouden:

  1. het belang dat het geschonden voorschrift dient (Schutznorm);

  2. de ernst van het verzuim;

  3. het nadeel dat daardoor is veroorzaakt.

Ad 1

Het geschonden voorschrift dient ter bescherming van de (privacy) belangen van de verdachte.

Ad 2

Ten aanzien van de ernst van het verzuim overweegt de rechtbank dat de betrokken opsporingsambtenaren te goeder trouw hebben gehandeld en de verwijtbaarheid van de (achteraf bezien onrechtmatige) handelwijze zeer gering is. Immers is pas met het in april 2017 gewezen arrest van de Hoge Raad – en dus ná het in deze strafzaak verrichtte onderzoek aan de telefoon en laptop – duidelijk geworden dat voor het onderzoek aan de telefoon en laptop vooraf toestemming dient te worden gevraagd. Daarbij komt dat de officier van justitie, die was belast met de leiding over het opsporingsonderzoek, ter terechtzitting heeft meegedeeld dat hij, indien dit destijds aan hem zou zijn gevraagd, toestemming zou hebben verleend de Samsung telefoon en de laptop van verdachte te onderwerpen aan het onderzoek zoals dat heeft plaatsgevonden. Dat sprake is van een structureel karakter van het vormverzuim is niet gebleken, terwijl bovendien aannemelijk is geworden dat de werkwijze in de opsporing naar aanleiding van het in april 2017 gewezen arrest van de Hoge Raad is aangepast.

Ad 3

De rechtbank heeft tot slot, ten aanzien van het veroorzaakte nadeel, in aanmerking genomen dat in het dossier slechts die gegevens zijn opgenomen die relevant waren voor deze strafzaak en de overige gegevens van verdachte op geen enkele wijze zijn geopenbaard, terwijl van ander nadeel niet is gebleken.

In het licht van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat zich geen geval voordoet waarin de toepassing van bewijsuitsluiting in aanmerking komt. Evenmin is sprake van door het vormverzuim veroorzaakt nadeel dat zich leent voor compensatie door middel van strafvermindering. De rechtbank volstaat om die reden met de enkele constatering van dit vormverzuim.

3.3.2.

Diefstallen in vereniging door middel van valse sleutels (feit 1)

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde op grond van de redengevende feiten en omstandigheden in de bewijsmiddelen, die in de bijlage bij dit vonnis zijn opgenomen. Onder verwijzing naar de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat de eerste bankpas op 10 september 2015 door verdachte is gefotografeerd en dus op of vóór 10 september 2015 moet zijn weggenomen door verdachte en/of zijn mededader(s). De rechtbank komt daarom, anders dan door de raadsman is bepleit, tot een bewezenverklaring van de gehele ten laste gelegde periode.

3.3.3.

Deelname aan een criminele organisatie (feit 2)

De rechtbank overweegt over de verdenking van deelname aan een criminele organisatie als volgt.

Onder een organisatie als bedoeld in artikel 140 Sr wordt verstaan een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en tenminste één andere persoon. Niet is vereist dat daarbij komt vast te staan dat een persoon – om als deelnemer aan die organisatie te kunnen worden aangemerkt – moet hebben samengewerkt met, althans bekend moet zijn geweest met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is (ECLI:NL:HR:2008:BB7134). Ook is niet vereist dat sprake is van ‘geledingen’ en ‘hiërarchie’ (ECLI:NL:HR:2006:AU9130). Volgens vaste rechtspraak is van deelneming aan een dergelijke organisatie sprake indien een persoon behoort tot de organisatie, en een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie.

De verdachte dient in dat verband in zijn algemeenheid te weten (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Niet is vereist dat de verdachte wetenschap heeft van één of meer concrete misdrijven die door de organisatie worden beoogd, of dat zijn opzet is gericht op het plegen van die misdrijven, ook niet wanneer het gaat om misdrijven van uiteenlopende aard. Elke bijdrage aan een organisatie kan strafbaar zijn. Een dergelijke bijdrage kan bestaan uit het (mede)plegen van enig misdrijf, maar ook uit het verrichten van hand- en spandiensten en (dus) het verrichten van handelingen die op zichzelf niet strafbaar zijn, zolang van bovenbedoeld aandeel of ondersteuning kan worden gesproken.

De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen, die in de bijlage zijn opgenomen, vast dat sprake is geweest van phishing activiteiten. Er zijn e-mails verzonden naar rekeninghouders van Rabobank en ABN AMRO bank, ogenschijnlijk afkomstig van hun bank. In deze e-mails werd aangegeven dat de bank uit veiligheidsoverwegingen een nieuwe betaalpas introduceert en dat deze voor een bepaalde datum moet worden aangevraagd bij gebreke waarvan de oude betaalpas zou worden geblokkeerd. Deze aanvraag kon worden gedaan door op een hyperlink in de e-mail te klikken, waarna de rekeninghouder op een nagebootste website van de betreffende bank kwam en enkele gegevens diende in te vullen, waaronder de pincode. Ten slotte werd de rekeninghouders verzocht hun bankpas(sen) op te sturen naar een zogenaamd inleverpunt. Uit het dossier blijkt dat hiervoor verschillende adressen in Amsterdam werden gebruikt. De opgestuurde bankpassen werden weggenomen uit de brievenbussen van de zogenaamde inleverpunten. In enkele gevallen is met de op deze wijze verkregen bankpassen en bijbehorende pincodes ingelogd op de beveiligde internetbankieren omgeving van de bank en is de paslimiet verhoogd, waarna met de bankpassen (aanzienlijke) geldbedragen zijn gepind bij een geldautomaat dan wel aankopen zijn betaald in diverse winkels.

Inherent aan dit soort phishing activiteiten is een aanzienlijke mate van organisatie. Zoals uit de hiervoor beschreven modus operandi volgt, zijn er (valse) e-mailberichten opgesteld, websites van banken nagebouwd, moest de beschikking gekregen worden over e-mailadressen van rekeninghouders en informatie over de bank waar zij klant zijn, zijn er adressen met voor de daders toegankelijke brievenbussen gezocht waar de bankpassen naartoe gestuurd moesten worden, die vervolgens zijn geleegd, waarna met verkregen bankpassen is ingelogd in de internetbankieren omgeving van de rekeninghouders en limieten zijn verhoogd. Door verschillende personen is vervolgens geld met bankpassen gepind dan wel zijn (luxe)goederen met de bankpassen aangeschaft. Deze handelwijze vergt een planmatige aanpak, intensieve samenwerking en duidelijke afstemming tussen de betrokken personen.

Uit de aard van voornoemde handelwijze blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat sprake is geweest van een gestructureerd samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid, die tot oogmerk had om, door middel van oplichting, bankpassen en bijbehorende pincodes te verkrijgen, daarmee computervredebreuk te plegen (door in te loggen op de internetbankierenomgeving) en computergegevens aan te tasten (door limieten van bankpassen te verhogen), met als uiteindelijk doel de bankrekeningen van de rekeninghouders leeg te halen (diefstal door middel van valse sleutels) door geld op te nemen uit geldautomaten dan wel aankopen te doen in winkels (diefstal door middel van valse sleutels en/of witwassen).

De rechtbank is van oordeel dat verdachte kan worden aangemerkt als een deelnemer van voornoemde organisatie. Verdachte heeft verschillende keren poststukken met daarin bankpassen uit brievenbussen weggenomen, zoals hiervoor onder 3.3.2. is overwogen. Hij kreeg hiervoor instructies van zowel “ [bijnaam 1] ” zijnde medeverdachte [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ) als “ [bijnaam 2] ” zijnde medeverdachte [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ). Hij gaf deze poststukken met bankpassen vervolgens af aan [medeverdachte 1] . Daarnaast kan uit WhatsAppgesprekken die verdachte met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] heeft gevoerd, in combinatie met de op de laptop van verdachte aangetroffen bestanden in de map “baro-opsturen”, worden afgeleid dat hij betrokken is geweest bij het nabouwen van een website van Rabobank. Met deze gedragingen heeft verdachte een substantieel aandeel gehad in de gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie.

De rechtbank acht, op grond van de bewijsmiddelen en gelet op wat hiervoor is overwogen, het onder 2 tenlastegelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen, namelijk dat verdachte in de periode van 1 september 2015 tot en met de dag van zijn aanhouding op 29 september 2015 heeft deelgenomen aan een criminele organisatie.

Het dossier bevat geen bewijs dat verdachte nadien nog aan de criminele organisatie heeft deelgenomen. De rechtbank zal hem voor de na 29 september 2015 tenlastegelegde periode vrijspreken.

3.4.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat hij

feit 1

op tijdstippen in de periode van 1 september 2015 tot en met 29 september 2015 te Amsterdam, meermalen, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit postbus(sen)/brievenbus(sen) heeft weggenomen telkens één of meer poststuk(ken)/envelop(pen) inhoudende één of meer bankpas(sen), toebehorende aan

- [rekeninghouder] of

- [rekeninghouder] of

- [rekeninghouder] en/of [rekeninghouder] of

- [rekeninghouder] of

- [rekeninghouder] en/of [rekeninghouder] of

- [rekeninghouder] of

- [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] of

- [rekeninghouder] of

- [rekeninghouder] en/of [rekeninghouder] ,

waarbij verdachte en zijn mededader(s) telkens die/dat weg te nemen poststuk(ken)/envelop(pen) onder hun bereik hebben gebracht door middel van valse sleutels, te weten niet daartoe bestemde sleutels;

feit 2

in de periode van 1 september 2015 tot en met 29 september 2015 te Amsterdam en elders in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk

- oplichting (art. 326 Wetboek van Strafrecht) en/of

- gegevens voorhanden hebben om computergegeven(s) aan te tasten of te manipuleren (art. 350d Wetboek van Strafrecht) en/of

- computervredebreuk (art. 138ab Wetboek van Strafrecht) en/of

- aantasting of manipulatie van computergegevens (art. 350a Wetboek van Strafrecht) en/of

- diefstal door middel van een valse sleutels (art. 311 Wetboek van Strafrecht) en/of

- witwassen (art. 420bis Wetboek van Strafrecht).

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Hetgeen aan verdachte onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. Verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd;

feit 2

deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6 Motivering van de sanctie

6.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte, gelet op de ernst van het door hem bewezen geachte en de richtlijnen van het Openbaar Ministerie enerzijds, en de persoon van verdachte, zijn beperktere rol in de organisatie en de overschrijding van de redelijke termijn van berechting anderzijds, zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van de tijd die in voorarrest is doorgebracht, waarvan 90 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, onder de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. Daarnaast moet volgens de officier van justitie een taakstraf voor de duur van 100 uren worden opgelegd.

6.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair verzocht bij de strafoplegging, meer dan de officier van justitie, acht te slaan op de beperkte rol van verdachte bij de phishing, zijn persoonlijke omstandigheden en de overschrijding van de redelijke termijn, en te volstaan met oplegging van een deels voorwaardelijke taakstraf onder de algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een nieuw strafbaar feit. Subsidiair is verzocht een deels voorwaardelijke taakstraf op te leggen onder de algemene en de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden.

6.3.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede door de persoon van verdachte, zoals van één en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft gedurende een maand deelgenomen aan een criminele organisatie die tot doel had misdrijven te plegen die verband houden met phishing fraude. Hij heeft zich beziggehouden met het leeghalen van brievenbussen, waarnaar rekeninghouders naar aanleiding van een phishingmail hun bankpassen hadden opgestuurd. Daarnaast is verdachte betrokken geweest bij het nabouwen van een (in de ten laste gelegde periode nog niet gebruikte) website van de Rabobank. Weliswaar had verdachte geen centrale of leidende rol in de organisatie, maar hij heeft voor de verwezenlijking van de doelen van de organisatie (het verkrijgen van geld) wel een onmisbare rol vervuld. Hij heeft er immers voor gezorgd dat de bankpassen – nodig voor het inloggen op de beveiligde internetbankierenomgeving en het pinnen van geld bij automaten – werden opgehaald en ter beschikking van de organisatie kwamen. Door het handelen van de organisatie is het vertrouwen van de getroffen rekeninghouders in het betalingsverkeer en bankwezen ernstig ondermijnd. Ook heeft de organisatie met de begane misdrijven schade veroorzaakt. Wanneer het vertrouwen in het betalingsverkeer en bankwezen bij consumenten in het algemeen niet meer aanwezig is, bestaat het risico van een ernstige ontwrichting van het maatschappelijk en economisch verkeer. Aangenomen mag worden dat de organisatie erop uit is geweest geldelijk gewin te behalen, zonder zich daarbij rekenschap te geven van of zich te laten weerhouden door deze gevolgen.

Gelet op de ernst van de feiten acht de rechtbank in beginsel alleen oplegging van een (onvoorwaardelijke) gevangenisstraf gerechtvaardigd.

Persoonlijke omstandigheden

Uit het Uittreksel Justitiële Documentatie van verdachte blijkt dat aan hem eerder voor een vermogensdelict onherroepelijk een strafbeschikking is opgelegd. Tevens is gebleken dat, vanwege een strafbeschikking en veroordeling in 2018, de samenloopbepalingen op grond van artikel 63 Sr van toepassing zijn. Omdat het echter gaat om overtredingen van andersoortige strafbare feiten, heeft de rechtbank hierin geen reden voor strafmatiging gezien.

De rechtbank heeft in het voordeel van verdachte bij de strafoplegging betrokken dat uit de over hem opgestelde reclasseringsrapporten volgt dat hij tijdens het schorsingstoezicht in deze zaak een positieve groei heeft doorgemaakt. Tegelijkertijd constateert de reclassering wel een gebrek aan motivatie om praktische problemen op te lossen en ziet zij het gebrek aan een structurele dagbesteding en de schuldenlast als risico verhogende factoren. Ook acht de reclassering het niet ondenkbaar dat verdachte zich opnieuw negatief zou laten beïnvloeden en in delictgedrag terugvalt. Gelet op deze omstandigheden en gezien de relatief jeugdige leeftijd van verdachte adviseert de reclassering oplegging van reclasseringstoezicht bij een (deels) voorwaardelijke straf, met een meldplicht, een gedragsinterventie en enkele gedragsvoorwaarden om verdachte te motiveren voor een dagbesteding en zijn afspraken in het kader van schuldhulpverlening na te komen. Anders dan de raadsman acht de rechtbank het noodzakelijk de geadviseerde voorwaarden bij een voorwaardelijk strafdeel op te leggen, om het door de reclassering als laag-gemiddeld ingeschatte recidiverisico (verder) te beperken.

Overschrijding redelijke termijn

Verder heeft de rechtbank meegewogen dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Het onderzoek Cyber007 is in september 2015 gestart en heeft geresulteerd in de aanhouding, de inverzekeringstelling en het verhoren van verdachte op 29 september 2015. Op dat moment is de redelijke termijn aangevangen.

Het dossier in deze zaak is in juni 2016 door de politie afgesloten, waarna de officier van justitie per vordering van 1 juli 2016 de rechter-commissaris heeft verzocht een regiebijeenkomst te beleggen en zo nodig nader onderzoek te verrichten. Vervolgens zijn in de zaken tegen verdachte en twee medeverdachten op 12 januari 2017 enkele getuigen gehoord. Hoewel het onderzoek in de zaken tegen verdachte en de medeverdachten toen ‘zittings-klaar’ was, hebben de zaken daarna stilgelegen en vond de inhoudelijke behandeling pas plaats in januari 2019. Dat heeft ertoe geleid dat de rechtbank heden, op 28 februari 2019, eindvonnis wijst. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn van twee jaren met zeventien maanden is overschreden.

In deze overschrijding van de redelijke termijn, in combinatie met de persoon van verdachte en het uiteindelijke belang dat de maatschappij erbij heeft dat verdachte zijn leven op de rails houdt en geen nieuwe strafbare feiten pleegt, ziet de rechtbank aanleiding om in plaats van een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf van een langere duur dan de tijd die verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht, een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen van na te noemen duur, en een onvoorwaardelijke taakstraf voor de duur van 180 uren. Aan het voorwaardelijke strafdeel zal de rechtbank een proeftijd van twee jaren verbinden, met de bedoeling verdachte ervan te weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit en dat hij de door de reclassering geadviseerde voorwaarden zal naleven. De op te leggen straf is hoger dan de officier van justitie heeft gevorderd, omdat de rechtbank de ernst van de feiten zwaarder en de rol die verdachte daarbij heeft gespeeld groter inschat dan de officier van justitie.

7 Beslag

Bij gelegenheid van het onderzoek naar de door verdachte begane feiten zijn onder andere aangetroffen en in beslag genomen drie enveloppen (goednummer 726111 op de beslaglijst), drie sleutels (goednummer 726112), een Samsung telefoon (goednummer 726137) en een Asus laptop (goednummer 726139).

Enveloppen en sleutels

De rechtbank zal de onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven enveloppen en sleutels verbeurd verklaren, nu het onder 1 bewezenverklaarde is begaan met betrekking tot die enveloppen en dat feit met behulp van die sleutels is gepleegd.

Samsung telefoon en Asus laptop

De raadsman heeft verzocht de Samsung telefoon en Asus laptop aan verdachte terug te geven. Mocht dit gelet op het aangetroffen materiaal op deze gegevensdragers niet zonder meer mogelijk zijn, dan heeft de raadsman verzocht de gegevensdragers opgeschoond terug te geven aan verdachte.

De rechtbank stelt vast dat het onder 1 en 2 bewezenverklaarde met behulp van de in beslag genomen gegevensdragers zijn begaan. Het ongecontroleerd bezit daarvan is, nu zich op die gegevensdragers onder andere afbeeldingen van bankpassen van getroffen rekeninghouders bevinden en scripts ten behoeve van het bouwen van zogenaamde phishing websites, in strijd met het algemeen belang, mede ter bescherming van (de identiteit van) derden. Ook kunnen deze voorwerpen onder voornoemde omstandigheden dienen tot het voorbereiden dan wel begaan van soortgelijke misdrijven. In beginsel is er dan ook voldoende reden om deze gegevensdragers te onttrekken aan het verkeer.

Met betrekking tot het subsidiaire verzoek om de gegevensdragers ‘geschoond’ terug te geven aan verdachte, overweegt de rechtbank het volgende.

De rechtbank is, in overeenstemming met het recent gewezen tussenarrest van het gerechtshof Den Haag van 3 mei 2018 (ECLI:NL:GHDHA:2018:1074), van oordeel dat de in deze zaak in beslag genomen gegevensdragers elk als één geheel moeten worden gezien. De Nederlandse wetssystematiek biedt (vooralsnog) namelijk geen expliciete juridische grondslag om gegevens los te zien van de in beslag genomen gegevensdrager waarop zij zich bevinden. De beslissing over het beslag heeft daarom enkel betrekking op de gegevensdrager zelf; de daarop bevindende gegevens volgen slechts het lot van de gegevensdrager. Op die grond is er geen ruimte om te bepalen dat de gegevensdragers, geschoond van strafbaar materiaal, teruggegeven moeten worden aan verdachte. De rechtbank zal daarom bepalen dat Samsung telefoon en Asus laptop worden onttrokken aan het verkeer.

8 Vorderingen benadeelde partij en oplegging schadevergoedingsmaatregel

8.1.

Vorderingen benadeelde partij van [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2]

De benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] hebben allebei tegen verdachte een vordering ingediend tot betaling van € 2.300,-, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag, wegens materiële schade die zij als gevolg van phishing fraude, in het bijzonder het onder 1 tenlastegelegde, zouden hebben geleden. Uit de stukken blijkt dat met van phishing afkomstige bankpassen en bijbehorende pincodes van de bankrekening op naam van [benadeelde partij 1] een totaalbedrag van € 5.000,- is weggenomen en van de bankrekening op naam van zijn echtgenote [benadeelde partij 2] een totaalbedrag van € 4.700,-. Blijkens de afzonderlijk ingediende voegingsformulieren heeft Rabobank de door het echtpaar geleden schade van € 9.700,- in zijn totaliteit beoordeeld en daarvan een deel van € 7.400,- vergoed. Daarbij heeft de bank geen onderscheid gemaakt per benadeelde of per bankrekening. De door de benadeelden gestelde schade bestaat in beide gevallen uit vergoeding van het weggenomen en niet vergoede deel van € 2.300,-. Gelet op deze feiten en omstandigheden zal de rechtbank de door de benadeelde partijen afzonderlijk ingediende voegingsformulieren als één gezamenlijk ingediende vordering beschouwen en ook als zodanig beoordelen.

De rechtbank is van oordeel dat de door de benadeelden gestelde schade rechtstreeks voortvloeit uit het onder 1 bewezenverklaarde. De bewezen verklaarde diefstal door middel van valse sleutels en het kort daarop gevolgd misbruik van de van phishing afkomstige bankpas staan in zodanig nauw verband met elkaar, dat de door verdachte gepleegde diefstal rechtstreeks de door de benadeelde partijen geleden schade heeft veroorzaakt. De vordering zal daarom worden toegewezen. Verdachte wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 2.300,-, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 25 september 2015 tot aan de dag der algehele voldoening. Daarbij zal de rechtbank bepalen dat als door of namens (één van de) medeverdachten dit bedrag geheel of gedeeltelijk is betaald, verdachte in zoverre van zijn betalingsverplichting zal zijn bevrijd. Tevens wordt verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen hebben gemaakt, tot op heden nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

De rechtbank ziet, gelet op wat zij hiervoor heeft overwogen, verder aanleiding om in het belang van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] , als extra waarborg voor betaling, aan verdachte de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f Sr op te leggen.

8.2.

Vordering benadeelde partij van [benadeelde partij 3]

Aangever [betrokkene benadeelde partij 3] heeft namens de benadeelde partij [benadeelde partij 3] tegen verdachte een vordering ingediend tot betaling van € 6.073,-, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag, wegens materiële schade die de benadeelde partij als gevolg van phishing fraude zou hebben geleden.

De rechtbank stelt voorop dat een benadeelde partij in het strafproces vergoeding kan vorderen van de schade die zij door een strafbaar feit heeft geleden, als voldoende verband bestaat tussen het handelen van een verdachte en de schade om te kunnen aannemen dat de benadeelde partij door dit handelen rechtstreekse schade heeft geleden. De rechtbank is van oordeel dat de door de benadeelde partij gestelde schade niet rechtstreeks voortvloeit uit het onder 1 en onder 2 bewezenverklaarde. Verdachte wordt niet verweten dat hij betrokken is geweest bij de specifiek jegens de benadeelde partij gepleegde fraude. De bewezen deelname aan een criminele organisatie is verder onvoldoende om aan te nemen dat de benadeelde partij door dit handelen van verdachte rechtstreekse schade heeft geleden. Daarvoor staat deze bewezenverklaring namelijk te ver af van de schadeveroorzakende feiten. De benadeelde partij kan daarom in dit strafproces niet in de vordering worden ontvangen. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De wetsartikelen die van toepassing zijn, zijn de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 33, 33a, 36b, 36c, 36f, 57, 63, 140 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat het onder 1 en 2 bewezenverklaarde de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 198 (honderdachtennegentig) dagen.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van 180 (honderdtachtig) dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd.

Stelt daarbij een proeftijd vast van 2 (twee) jaren.

Stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:

- meldplicht: zich na het onherroepelijk worden van dit vonnis meldt bij Reclassering Nederland en zich gedurende de proeftijd blijft melden, zo lang en zo frequent als de reclassering nodig acht. Daarbij moet verdachte zich houden aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft, voor zover deze niet zijn opgenomen in een andere bijzondere voorwaarde.

- gedragsinterventie ‘Werken aan Werk’: actief deelneemt aan de gedragsinterventie ‘Werken aan Werk’, waarbij verdachte zich moet houden aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer of begeleider.

- andere gedragsvoorwaarden: zich houdt aan de afspraken in het kader van schuldhulpverlening en het traject Werk, Participatie en Inkomen van de gemeente Amsterdam, en meewerkt aan het realiseren van een adequate dagbesteding.

Geeft aan de reclassering opdracht toezicht te houden op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.

Stelt dat verdachte is gehouden om, ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking te verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aan te bieden en medewerking te verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Veroordeelt verdachte tevens tot het verrichten van 180 (honderdtachtig) uren taakstraf, die bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet of niet naar behoren daarvan verrichten te vervangen door 90 (negentig) dagen hechtenis.

Verklaart verbeurd de in beslag genomen enveloppen (goednummer 726111) en sleutels (goednummer 726112).

Verklaart onttrokken aan het verkeer de in beslag genomen Samsung telefoon (goednummer 726137) en Asus laptop (goednummer 726139).

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] geleden schade tot een bedrag van € 2.300,- (drieëntwintighonderd euro), bestaande uit vergoeding voor materiële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 25 september 2015 tot aan de dag der algehele voldoening, aan de benadeelde partij, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partijen gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Bepaalt dat voor zover voornoemd bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens (één van de) medeverdachten aan de benadeelde partijen is betaald, verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn bevrijd.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 2.300,- (drieëntwintighonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 25 september 2015 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 33 (drieëndertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van deze vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

Bepaalt dat voor zover voornoemd bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens (één van de) medeverdachten aan de Staat is betaald, verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn bevrijd.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partijen in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partijen.

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 3] niet-ontvankelijk in de vordering.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. H.H.E. Boomgaart, voorzitter,

mr. N. Boots en mr. H.D. Overbeek, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier, mr. P.H. Boersma,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 28 februari 2019.