Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2019:1573

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
27-02-2019
Datum publicatie
07-03-2019
Zaaknummer
C/15/277402 / FA RK 18-4401
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Meerderjarigenadoptie. Verzoek afgewezen. Er is weliswaar sprake van zeer uitzonderlijke omstandigheden, maar niet van een verschoonbare termijnoverschrijding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Burgerlijke stand en landeninformatie 2019/5168
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie en Jeugd

locatie Alkmaar

Zaak-/rekestnr.: C/15/277402 / FA RK 18-4401

beschikking van 27 februari 2019 betreffende adoptie

gegeven op het verzoek van:

1 [verzoeker] ,

2. [verzoekster] ,

beiden wonende te Alkmaar,

hierna te noemen: verzoekers,

advocaat: mr. J. de Haan, kantoorhoudende te Alkmaar.

1 Verloop van de procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift, met bijlagen, van verzoekers, ingekomen op 30 juli 2018;

  • -

    de brieven, met bijlagen, van de advocaat van verzoekers, ingekomen op 5 september 2018 en op 20 september 2018;

  • -

    de brief van de heer [naam 2] , ingekomen op 22 januari 2019.

1.2

De behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de zitting van 28 januari 2019 in aanwezigheid van verzoekster [verzoekster] , bijgestaan door mr. E.P.J. Appelman namens mr. J. de Haan en [naam meerderjarige] (verder: [meerderjarige] ). Mr. J. de Haan was aanwezig als toehoorder. Verzoeker [verzoeker] was wel in de rechtbank aanwezig, maar in verband met de opvang van een kind, was hij niet in de zittingzaal aanwezig. [naam 1] , haar curator de heer [naam 2] en [naam 3] zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

Mr. E.P.J. Appelman heeft het woord gevoerd aan de hand van pleitaantekeningen.

2 Feiten en omstandigheden

2.1

[meerderjarige] is op [geboortedatum] in de gemeente Amsterdam geboren uit de relatie van [naam 1] (verder: de moeder) en [naam 3] (verder: de vader). De vader heeft [meerderjarige] bij de aangifte van haar geboorte erkend, waardoor [meerderjarige] de geslachtsnaam [Achternaam 2] heeft verkregen.

2.2

Bij Koninklijk Besluit van 28 mei 2010 (nr. 10.001441) is de geslachtsnaam van [meerderjarige] gewijzigd in: [Achternaam 1] .

2.3

De moeder is blijkens een beschikking van de kantonrechter te Amsterdam van 24 februari 2012 wegens een geestelijke stoornis onder curatele gesteld, waarbij tot curator is benoemd: [naam 2] (verder: de curator).

2.4

Bij beschikking van de kantonrechter te Amsterdam van 26 augustus 2016 is over de (toekomstige) goederen van de vader een bewind ingesteld wegens lichamelijke of geestelijke toestand, met benoeming van Stichting Humanitas Inkomensbeheer te Purmerend tot bewindvoerder.

2.5

Verzoekers zijn gehuwd op [datum] in de gemeente [plaatsnaam] .

2.6

[meerderjarige] verblijft volgens het uittreksel BRP van de gemeente Alkmaar sinds 9 september 1994 in het gezin van verzoekers.

2.7

Verzoekers hebben reeds een kind tot wie zij door adoptie in familierechtelijke betrekkingen staan.

3 Verzoek

3.1

Verzoekers hebben verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de adoptie uit te spreken van [meerderjarige] door hen.

3.2

Verzoekers hebben aan het verzoek het volgende ten grondslag gelegd.

[meerderjarige] heeft, sinds ze op zeer jonge leeftijd van enkele maanden in het gezin [Achternaam 1] is opgenomen, een bijzondere band opgebouwd met verzoekers. Sindsdien hebben zij in alle opzichten de rol van ouders vervuld. Ook nu vormen zij nog een gezin. De moeder en de vader hebben sindsdien geen rol van betekenis gespeeld in de opvoeding van [meerderjarige] . De moeder heeft schizofrenie en verblijft permanent in een psychiatrische instelling. [meerderjarige] kan vanwege haar angststoornissen niet op een normale wijze contact onderhouden met haar vader. De slechte band van [meerderjarige] met haar vader blijkt uit het feit dat hij, nadat hij de instemmingsverklaring voor adoptie had getekend, contact heeft gezocht met [meerderjarige] via facebook. Dit veroorzaakte bij [meerderjarige] een paniekreactie. [meerderjarige] heeft sinds haar 15e jaar geen contact meer met de moeder en de vader. Daarvoor waren de contacten beperkt tot enkele bezoeken per jaar van een uur in een restaurant. [meerderjarige] ervoer deze bezoeken als belastend. Op grond hiervan heeft [meerderjarige] niets meer van de moeder en de vader in de hoedanigheid van ouders te verwachten. Vasthouden aan de bestaande familiebanden met de moeder en de vader moet schadelijk worden geacht voor de verdere ontwikkeling van [meerderjarige] naar volwassenheid. Hoewel de adoptie in dit geval niet meer het karakter heeft van een maatregel van kinderbescherming, hebben verzoekers en [meerderjarige] een zwaarwegend belang bij het vestigen van een familierechtelijke betrekking, alsmede de juridische bevestiging van hun emotionele band.

Wat betreft de instemming met de adoptie hebben zowel de moeder als de vader een instemmingsverklaring ondertekend dat zij akkoord gaan met de adoptie. Uit het contact, dat de advocaat van verzoekers heeft gehad met de instelling waar de moeder verblijft, is gebleken dat de moeder het verzoek tot adoptie niet begrijpt en dat zij in de veronderstelling verkeert dat [meerderjarige] reeds geadopteerd is.

[meerderjarige] is meerderjarig. Het bepaalde in artikel 228, eerste lid, onder a. van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat in de weg aan toewijzing van het verzoek. Uit de jurisprudentie blijkt echter dat meerdere rechterlijke instanties desondanks een adoptie van een meerderjarige hebben uitgesproken. Daarbij is geconstateerd dat artikel 8 EVRM geen recht geeft om te adopteren. Indien sprake is van zeer bijzondere omstandigheden kan het weigeren om een adoptie uit te spreken een ongeoorloofde inmenging opleveren in het gezins- of familieleven van verzoekers en/of de te adopteren persoon als bedoeld in artikel 8 EVRM, hetgeen een terzijdestelling van artikel 1:228, eerste lid, onder a. BW rechtvaardigt.

Verzoekers hebben niet in een eerder stadium een verzoek tot adoptie ingediend. Eerder is een adoptieverzoek niet geconcretiseerd om een aantal redenen. In de eerste plaats wilden verzoekers, gelet op het feit dat de twee andere adoptiekinderen in het gezin worstelden met hun identiteit, [meerderjarige] zelf een keuze voor adoptie te laten maken. In de tweede plaats voltrokken zich in de periode van 2010 tot op heden een aantal ingrijpende gebeurtenissen in het leven van [meerderjarige] en het gezin van verzoekers, op grond waarvan een adoptieverzoek niet aan de orde was.

3.3

Naast hetgeen verzoekers in het verzoekschrift ter onderbouwing van het verzoek hebben weergegeven, heeft de advocaat van verzoekers eerst in de pleitaantekeningen ter zitting nog het volgende aangegeven.

Verzoekers hadden reeds twee geadopteerde kinderen, te weten [kind 1] en [kind 2] . Die kinderen verweten [meerderjarige] dat zij dankbaar zou moeten zijn dat zij met de moeder en de vader kon omgaan, omdat [kind 1] en [kind 2] hun biologische ouders niet kenden. [meerderjarige] ervoer dat echter allerminst.

[meerderjarige] is misbruikt geweest toen zij ongeveer 14 jaar was. De dader is daarvoor in 2013 strafrechtelijk veroordeeld. [meerderjarige] durfde daar eerst pas over te praten rond haar 18e jaar. Hoewel dit een zeer moeilijke en ingrijpende gebeurtenis was, heeft het gezin van verzoekers en [meerderjarige] zich hier daadkrachtig doorheen geslagen.

Beide adoptiekinderen van verzoekers, [kind 1] en [kind 2] , worstelden met hun identiteit. Daardoor was de band tussen [kind 2] en [meerderjarige] niet goed. Op enig moment kregen verzoekers een oproep van de rechtbank inzake een procedure tot herroeping van de adoptie van [kind 2] . Zowel verzoekers als [meerderjarige] hadden grote moeite met dit verzoek, maar uiteindelijk hebben verzoekers dat verzoek niet tegengesproken. De rechtbank Amsterdam heeft bij beschikking van 16 september 2015 de adoptie van [kind 2] herroepen. Ook die gebeurtenis had heel veel impact op het gezinsleven, maar verzoekers en [meerderjarige] hebben elkaar ook in die periode ondersteund.

Daarnaast werd rond voormelde periode bij het pleegkind van verzoekers [kind 3] een kwaadaardige tumor geconstateerd.

Als gevolg van al deze gebeurtenissen ontwikkelde [meerderjarige] psychische klachten. Daardoor moest zij haar studie verzorgende Individuele Gezondheidszorg noodgedwongen stoppen. [meerderjarige] had een angststoornis ontwikkeld en werd verwezen naar een psycholoog. Die constateerde dat bij [meerderjarige] sprake was van PTSS en [meerderjarige] heeft daarvoor EMDR-therapie gevolgd. Die therapie is ongeveer anderhalf jaar geleden geëindigd.

3.4

[meerderjarige] heeft ter zitting zelf nog het volgende meegedeeld. Zij is thans bezig met de studie verpleegkunde en zit in het examenjaar. Tijdens die studie werd zij ermee bekend dat verzoekers niet haar juridische ouders waren. [meerderjarige] wil de adoptie graag, omdat zij er tijdens haar studie achter kwam dat zij iets miste en omdat zij dan allerlei zaken voor verzoekers kan regelen als dat nodig mocht zijn. Het verzoek tot adoptie is niet eerder ingediend, omdat [meerderjarige] steeds heeft gedacht dat adoptie tijdens haar minderjarigheid alleen mogelijk was als de moeder en de vader daarmee instemden.

4 Beoordeling

4.1

De moeder en de vader zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen en hebben het verzoek niet tegengesproken. Dit blijkt ook uit de door de moeder en de vader ondertekende instemmingsverklaring. De curator van de moeder is, hoewel behoorlijk opgeroepen, evenmin ter zitting verschenen. In voormelde, op 22 januari 2019 ingekomen, brief heeft de curator verzocht, gezien het belang van [meerderjarige] bij het bestendigen van de reeds lang bestaande verhouding met verzoekers, het verzoekschrift te honoreren.

4.2

Ingevolge artikel 1:228, eerste lid aanhef en onder a BW kan een verzoek tot adoptie alleen worden uitgesproken indien het kind op de dag van indiening van het verzoek tot adoptie minderjarig is. De rechtbank stelt vast dat in de onderhavige zaak niet aan deze voorwaarde is voldaan, nu [meerderjarige] ten tijde van de indiening van het verzoekschrift reeds 24 jaar was. Verzoekers hebben echter aangevoerd dat onverkorte toepassing van deze voorwaarde in dit geval zou leiden tot een onaanvaardbare doorkruising van het door artikel 8 EVRM gewaarborgde recht op bescherming van het familieleven.

4.3

In dit kader stelt de rechtbank voorop dat eerst beoordeeld dient te worden of sprake is van door artikel 8 EVRM beschermd familieleven tussen verzoekers en [meerderjarige] , nu van bloedverwantschap tussen de betrokkenen geen sprake is en er geen familierechtelijke betrekking tussen hen is. Een uitzondering is op basis van een beoordeling van de concrete feiten en omstandigheden van het geval mogelijk, als er sprake is van nauwe persoonlijke betrekkingen tussen de betrokkenen. Uit de rechtspraak van het EHRM over pleegouders en pleegkinderen (Moretti and Benedetti t. Italië, verzoeknummer 16318/07, §§ 48-52) blijkt dat het daarbij aankomt op de tijd die de betrokkenen met elkaar hebben doorgebracht, de kwaliteit van de relaties en de rol van de pleegouder naar het kind toe. In casu komt de rechtbank tot het oordeel dat sprake is van familieleven in de zin van artikel 8 EVRM, gelet op voormelde feiten en omstandigheden en hetgeen verzoekers in het inleidende verzoekschrift en in de pleitaantekeningen van de advocaat ter zitting aan het verzoek ten grondslag hebben gelegd.

Daarbij speelt een belangrijke rol dat verzoekers vanaf het moment dat [meerderjarige] ongeveer zeven maanden oud was, haar in het gezin als gezinslid hebben opgenomen. Ook is sprake geweest van langdurige en intensieve zorg voor [meerderjarige] , resulterend in de vorming van een hecht en harmonieus gezin. De rechtbank heeft hierbij voorts overwogen dat de geslachtsnaam van [meerderjarige] in 2010 is gewijzigd in de geslachtsnaam van verzoeker [Achternaam 1] .

4.4

Het in artikel 8 EVRM besloten liggend recht op respect voor familie- en gezinsleven houdt evenwel nog geen recht in om te adopteren of geadopteerd te worden. De rechtbank stelt hierbij voorop dat uit artikel 8 EVRM geen recht op adoptie voortvloeit volgens vaste rechtspraak van het EHRM (zie onder meer EHRM 26 februari 2002, NJ 2002, 553; E.B. t. Frankrijk, verzoeknummer 43546/02). De omstandigheid dat adoptie niet mogelijk is als niet is voldaan aan de voorwaarden die de nationale wet aan een adoptie stelt, kan in beginsel niet worden aangemerkt als een ongeoorloofde inmenging in de zin van voornoemde bepaling (HR 24 september 2004, NJ 2005/16). Het enkele feit dat door de weigering van de adoptie een feitelijk gezinsverband niet wordt omgezet in een juridisch familieverband levert derhalve geen inbreuk op artikel 8 EVRM op.

In casu gaat het om een dwingende wetsbepaling van artikel 1:228, eerste lid, aanhef en onder a. BW, die als voorwaarde voor adoptie stelt dat het kind op het tijdstip van indiening van het verzoekschrift, nog minderjarig is. Deze leeftijd is [meerderjarige] ruim voorbij. De vraag die voorligt is of deze bepaling in dit geval een ongerechtvaardigde inbreuk maakt op het familieleven. Het EHRM heeft zich hierover niet specifiek uitgesproken, maar als hoofdregel zal deze vraag ontkennend beantwoord moeten worden. Het is aan de nationale wetgever om in het belang van kinderen vereisten te stellen; een beperking van adoptie tot minderjarigen is in dit opzicht binnen de ruimte die de wetgever heeft. Deze lijn in de jurisprudentie is bevestigd door de Hoge Raad in de uitspraak van 25 januari 2013 (ECLI:NL:HR:2013:BY5053) en de met die uitspraak verband houdende conclusie van de Advocaat-Generaal (ECLI:NL:PHR:2013:BY5053).

4.5

Een en ander laat onverlet dat, ingeval de stellingen van partijen daartoe aanleiding geven, de rechter dient te beoordelen of door de weigering de adoptie uit te spreken anderszins inbreuk wordt gemaakt op het bestaande familie- en gezinsleven van de aspirant-adoptieouders en de aspirant-adoptant(e). Daarvan zal slechts sprake zijn in zeer uitzonderlijke omstandigheden die maken dat terzijdestelling van artikel 1:228, eerste lid, aanhef en onder a. BW gerechtvaardigd is. Daarbij zijn twee aspecten van belang: in de eerste plaats de vraag of de omstandigheden dermate uitzonderlijk zijn dat geoordeeld moet worden dat sprake is van een ongeoorloofde inbreuk op het familieleven, en in de tweede plaats, of de termijnoverschrijding met betrekking tot het verzoek verschoonbaar is. Immers, de staat maakt geen ongerechtvaardigde inbreuk op het familieleven als burgers zonder goede reden eindeloos wachten met het indienen van een verzoekschrift. Om die reden zal de rechtbank ook stilstaan bij de vraag wat de redenen zijn van de te late indiening van het verzoekschrift.

4.6

Naar het oordeel van de rechtbank levert in de onderhavige zaak een weigering van de verzochte adoptie van [meerderjarige] door verzoekers geen inbreuk op het tussen hen bestaande familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM op. Daarbij overweegt de rechtbank als volgt.

4.7

Uit de stukken en hetgeen ter gelegenheid van de mondelinge behandeling naar voren is gekomen, is gebleken dat [meerderjarige] vanaf het moment dat zij ongeveer zeven maanden oud was in het (pleeg)gezin van verzoekers is geplaatst en dat zij daar sindsdien heeft verbleven. Vastgesteld kan worden dat verzoekers daarmee voor [meerderjarige] de belangrijkste opvoeders zijn geweest. De moeder en de vader hebben niet tot nauwelijks een rol gespeeld in de opvoeding van [meerderjarige] en de bezoekmomenten zijn beperkt geweest. Het contact tussen [meerderjarige] en de moeder en de vader is sinds haar 15e jaar helemaal verbroken. Hierbij is van belang dat [meerderjarige] vanwege angststoornissen niet op een normale wijze contact kan en wil onderhouden met de vader. Vanwege de persoonlijke omstandigheden van de moeder is normaal contact tussen [meerderjarige] en haar niet mogelijk en [meerderjarige] wil ook geen contact met de moeder. Deze omstandigheden evenals de hierboven onder 3.3 weergegeven gebeurtenissen onderstrepen het hechte gezinsleven van verzoekers en [meerderjarige] en zijn naar het oordeel van de rechtbank ook dermate uitzonderlijk te noemen dat in beginsel geoordeeld kan worden dat sprake is van een ongeoorloofde inbreuk op het familieleven, indien adoptie geweigerd zou worden vanwege de enkele omstandigheid dat het verzoek niet ten tijde van de minderjarigheid is gedaan.

4.8

Hoewel de rechtbank niet twijfelt aan de oprechte wens van verzoekers en [meerderjarige] om te komen tot adoptie van [meerderjarige] door verzoekers, is de rechtbank desalniettemin van oordeel dat de vraag of sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding voor de indiening van het verzoekschrift, negatief moet worden beantwoord. In dat kader overweegt de rechtbank als volgt.

4.9

Vaststaat dat het verzoek tot adoptie pas is ingediend toen [meerderjarige] de leeftijd van 24 jaar had bereikt. Dit betekent dat ruim zes jaren zijn verstreken sinds de meerderjarigheid van [meerderjarige] . Verzoekers hebben in eerste instantie aangegeven dat zij eerder hebben getracht de adoptie te bewerkstelligen, maar dat zij daar toentertijd vooralsnog vanaf hebben gezien, omdat zij problemen vermoedden, althans ervoeren met de zienswijze van de moeder en de vader omtrent het verzoek tot adoptie. Verzoekers gingen ervan uit dat deze problemen zich niet meer zouden voordoen als [meerderjarige] de meerderjarige leeftijd had bereikt, omdat zij dan zelf zou mogen beslissen om al dan niet geadopteerd te worden. Verzoekers waren er niet van op de hoogte dat adoptie alleen in geval van minderjarigheid kon.

Ter zitting heeft verzoekster [verzoekster] echter verklaard dat zij wel op de hoogte was van het feit dat adoptie alleen bij minderjarigheid kon plaatsvinden. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt ook dat verzoekers bekend waren met de rechtsfiguur adoptie. Verzoekers hebben in 1989 [kind 1] en [kind 2] geadopteerd. Door de toenmalige voogd van [meerderjarige] is op jonge leeftijd van [meerderjarige] al eens gevraagd of verzoekers [meerderjarige] wilden adopteren, maar dat is toen niet doorgegaan. Voor [meerderjarige] geldt dat zij in 2010 bij Koninklijk Besluit de geslachtsnaam [Achternaam 1] heeft verzocht en gekregen. Voor [meerderjarige] leek dat aanvankelijk genoeg. [meerderjarige] heeft desgevraagd niet concreet kunnen aangeven op welk moment voor haar de naamswijziging niet meer voldoende was en dat zij toch adoptie wilde.

Naar het oordeel van de rechtbank is met al hetgeen in de pleitaantekeningen is weergegeven en de verklaringen van verzoekster [verzoekster] en [meerderjarige] ter zitting (alsnog) getracht invulling te geven aan de stelling dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding door een aantal redenen aan te voeren voor de lange termijn die is verstreken. De rechtbank is echter van oordeel dat de door verzoekers en [meerderjarige] aangevoerde feiten, omstandigheden en gebeurtenissen onvoldoende zijn om tot het oordeel te komen dat er sprake is van een termijnoverschrijding voor de indiening van het verzoekschrift die verschoonbaar is. Het lijkt er meer op dat verzoekers en [meerderjarige] aanvankelijk tevreden waren met de naamswijziging van [meerderjarige] en hebben afgezien van de adoptieprocedure en dat pas geruime tijd later ten tijde van de meerderjarigheid van [meerderjarige] de wens tot adoptie bij verzoekers is herleefd en bij [meerderjarige] is ontstaan.

4.10

Uit het voorgaande volgt dat het verzoek tot adoptie zal worden afgewezen. Verdere bespreking van de in artikel 1:227 BW genoemde gronden voor adoptie en de in artikel 1:228 BW genoemde voorwaarden voor adoptie kan hiermee achterwege blijven. Dit zelfde geldt voor het gegeven dat [meerderjarige] ten overstaan van de rechtbank heeft verklaard dat zij ervoor heeft gekozen dat zij de geslachtsnaam [Achternaam 1] blijft dragen. Nu het verzoek tot adoptie wordt afgewezen, kan deze naamskeuze zonder verdere bespreking blijven.

5 Beslissing

De rechtbank:

5.1

wijst af het verzoek van verzoekers om de adoptie uit te spreken van [naam meerderjarige] , geboren op [geboortedatum] in de gemeente Amsterdam, door verzoekers voornoemd.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.M. Ayal, voorzitter, mr. L. Boonstra en mr. W.M. Schrama, allen kinderrechter, in tegenwoordigheid van A.M. Bergen, griffier en in het openbaar uitgesproken op 27 februari 2019.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.