Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2019:1568

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
28-02-2019
Datum publicatie
28-02-2019
Zaaknummer
15/870028-16 en 13/032439-13 (tul)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onderzoek Cyber007. Bewijsverweer: bewijsuitsluiting na vormverzuim ontgrendelen van smartphone met vingerafdruk verdachte.

In september 2015 is onderzoek Cyber007 gestart. Dit onderzoek draait om een vorm van fraude die bekend staat als “phishing”. Verdachte wordt verweten dat hij heeft deelgenomen aan een criminele organisatie gericht op het plegen van met phishing fraude verband houdende misdrijven (feit 9) en dat hij zich samen met andere deelnemers van deze organisatie heeft schuldig gemaakt oplichtingen (feit 1), diefstallen door middel van valse sleutels (feiten 2 en 6) en verschillende vormen van computercriminaliteit (feiten 3, 4, 5, 7 en 8).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Haarlemmermeer

Meervoudige strafkamer

Parketnummers: 15/870028-16 en 13/032439-13 (tul) (P)

Uitspraakdatum: 28 februari 2019

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 28 januari 2019, 30 januari 2019 en 14 februari 2019 (locatie Haarlem) in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres 1] .

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. J. van der Putte, en van hetgeen verdachte en zijn raadsman, mr. M.C. Jonge Vos, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij

feit 1

op een of meer tijdstip(pen) in de periode van 1 september 2015 t/m 29 september 2015 te Amsterdam en/of Naaldwijk en/of Venhuizen en/of Beilen en/of Enkhuizen en/of Schoonhoven en/of in elk geval een of meer plaat(sen) in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen (telkens) door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

- [rekeninghouder 1] en/of

- [rekeninghouder 2] en/of [rekeninghouder 3] ,

- [rekeninghouder 4] en/of [rekeninghouder 5] (en/of

- [rekeninghouder 6] en/of [rekeninghouder 7] en/of

- [rekeninghouder 8] en/of [rekeninghouder 9] en/of

- [rekeninghouder 10] en/of [rekeninghouder 11] en/of

- [rekeninghouder 12] en/of [rekeninghouder 13] en/of

- [rekeninghouder 14] en/of

- [rekeninghouder 15] en/of [rekeninghouder 16] ,

(telkens) heeft/hebben bewogen tot de afgifte van een of meer bankpas(sen) en daarbij behorende pincode(s), in elk geval van enig goed, hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) toen aldaar (telkens) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid (telkens)

- gebruik gemaakt van de na(a)m(en) en/of bedrijfsna(a)m(en) en/of (bedrijfs)logo's:

* Rabobank en/of

* ABN-AMRO bank en/of

- ( vervolgens) met gebruikmaking van deze (bedrijfs)na(a)m(en) en/of bijbehorende (bedrijfs)logo een mail gestuurd naar voornoemd(e) perso(o)n(en) inhoudende

* dat de bank om veiligheidsredenen alle klanten verplicht de vernieuwde (fraudebestendige) betaalpas(sen) te gaan gebruiken en/of

* dat zijn/haar/hun bankpas(sen) (binnenkort) verloopt/verlopen (op 30 september 2015) als de vernieuwde betaalpas (voor 30 september 2015) niet wordt aangevraagd en/of

* dat na het verlopen van de bankpas(sen) geen gebruik meer gemaakt kan worden van internetbankieren en/of overige betaaldiensten en/of

* dat na het verlopen van de bankpas (op 30 september 2015) de kosten voor de nieuwe betaalpas ad 22,95 Euro zijn en dat dit bedrag automatisch van zijn/haar/hun rekening zal worden afgeschreven en/of

* de aanvraag voltooid kan worden door het invullen van het formulier via de bijgevoegde link en/of

- ( vervolgens) in die/dat link/(aanvraag)formulier gevraagd om de/het bankrekeningnummer(s) en/of bankpasnummer(s) en/of pincode(s) en/of

- ( vervolgens ) in die/dat link/(aanvraag)formulier verzocht de huidige bank- en/of betaalpas(sen) op te sturen naar het (Recycle/Wecycle) inleverpunt van de bank (o.a. op het adres [adres 2] te Amsterdam),

waardoor die person(o)n(en) (telkens) werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

feit 2

op een of meer tijdstip(pen) in de periode van 1 september 2015 tot en met 29 september 2015 te Amsterdam, meermalen, althans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een of meer postbus(sen)/brievenbus(sen) heeft/hebben weggenomen (telkens) een of meer poststuk(ken)/envelop(pen) inhoudende een of meer bankpas(sen), in elk geval een of meer goed(eren), (telkens) geheel of ten dele toebehorende aan

- [rekeninghouder 4] en/of [rekeninghouder 5] (10-09-2015) en/of

- [rekeninghouder 6] en/of [rekeninghouder 7] (10-09-2015) en/of

- [rekeninghouder 8] en/of [rekeninghouder 9] (24/09/2015) en/of

- [rekeninghouder 10] en/of [rekeninghouder 11] (25/09/2015) en/of

- [rekeninghouder 12] en/of [rekeninghouder 13] (25/09/2015) en/of

- [rekeninghouder 14] (25/09/2015) en/of

- [rekeninghouder 15] en/of [rekeninghouder 16] (25/09/2015) en/of

- [rekeninghouder 1] (29/09/2015) en/of

- [rekeninghouder 2] en/of [rekeninghouder 3] (29/09/2015) en/of

- Rabobank en/of

- ABN-AMRO bank,

in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich (telkens) de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen poststuk(ken)/envelop(pen) onder zijn en/of hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van (een) valse sleutel(s), te weten (een) niet daartoe bestemd(e)) sleutel(s);

feit 3

op een of meer tijdstip(pen) in de periode van 1 september 2015 tot en met 10 september 2015 te Amsterdam en/of elders in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk en wederrechtelijk in een (gedeelte van) een of meer geautomatiseerd werk(en), te weten de computer(s) en/of server(s) van de (beveiligde) internetbankieren omgeving (van de Rabobank) is/zijn binnengedrongen, waarbij hij, verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) de toegang heeft/hebben verworven tot het/de geautomatiseerde werk(en)

- met behulp van (een) valse sleutel(s), te weten de inlogcode voor het internetbankieren, welke code is verkregen door het onbevoegd gebruik maken van de bankpas en pincode (in combinatie met de randomreader) (van [rekeninghouder 7] ) en/of

- door het aannemen van een valse hoedanigheid, te weten alszijnde een geautoriseerde van [rekeninghouder 7]

(en zich aldus toegang verschaft tot de zich op die internetbankieren omgeving (van de Rabobank) bevindende gegevens (van [rekeninghouder 7] ));

feit 4

op een of meer tijdstip(pen) in de periode van 3 september 2015 tot en met 5 september 2015 te Amsterdam en/of elders in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk en wederrechtelijk in een (gedeelte van) een of meer geautomatiseerd werk(en), te weten de computer(s) en/of server(s) van de (beveiligde) internetbankieren omgeving (van de Rabobank) is/zijn binnengedrongen, waarbij hij, verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) de toegang heeft/hebben verworven tot het/de geautomatiseerde werk(en)

- met behulp van een valse sleutel, te weten de inlogcode voor het internetbankieren, welke code is verkregen door het onbevoegd gebruik maken van de bankpas en pincode (in combinatie met de randomreader) (van [rekeninghouder 17] / [betrokkene rekeninghouder 17] ) en/of

- door het aannemen van een valse hoedanigheid, te weten als zijnde een geautoriseerde van [rekeninghouder 17] / [betrokkene rekeninghouder 17]

(en zich aldus toegang verschaft tot de zich op die internetbankieren omgeving (van de Rabobank) bevindende gegevens (van [rekeninghouder 17] ));

feit 5

op een of meer tijdstip(pen) in de periode 3 september 2015 t/m 5 september 2015 te Amsterdam en/of elders in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk en wederrechtelijk, gegevens, te weten het/de (opname)limiet(en) en/of saldo('s) van de (betaal)rekening [bankrekeningnummer] (Van [rekeninghouder 17] / [betrokkene rekeninghouder 17] ) en/of (spaar)rekening [bankrekeningnummer] (van [rekeninghouder 17] / [betrokkene rekeninghouder 17] ), die door middel van een geautomatiseerd werk en/of door middel van telecommunicatie waren opgeslagen, werden verwerkt en/of werden overgedragen, (telkens) heeft/hebben veranderd, gewist, dan wel andere gegevens daaraan heeft/hebben toegevoegd, immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s) het/de (opname)limiet(en) en/of saldo('s) van voornoemde rekening(en) gewijzigd en/of verhoogd en/of aangepast (in de computer(s) en/of server(s) van de internetbankieren omgeving (van de Rabobank));

feit 6

op een of meer tijdstip(pen) op of omstreeks 5 september 2015 te Amsterdam, meermalen, althans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een of meer geldautoma(a)t(en) en/of bankautoma(a)t(en) en/of pinautoma(a)t(en) (in een of meer winkel(s)) heeft/hebben weggenomen (telkens) een of meer geldbedrag(en) (met een totaalwaarde van 5000,- Euro), in elk geval een of meer goed(eren), (telkens) geheel of ten dele toebehorende aan [rekeninghouder 17] / [betrokkene rekeninghouder 17] in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich (telkens) de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen geldbedrag(en) onder zijn en/of hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van (een) valse sleutel(s), te weten met oplichting verkregen bankpas en (bijbehorende) pincode;

feit 7

op een of meer tijdstip(pen) in de periode van 1 december 2015 tot en met 16 februari 2016 te Amsterdam en/of elders in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) ter uitvoering van het door hem, verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om opzettelijk en wederrechtelijk in een (gedeelte van) een of meer geautomatiseerd werk(en), te weten de computer(s) en/of server(s) van de (beveiligde) internetbankieren omgeving (van de Rabobank) binnen te dringen, immer heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn medader(s) onbevoegd gebruik gemaakt van de bankpas en bijbehorende pincode (in combinatie met de randomreader) (van [rekeninghouder 18] ), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

feit 8

op een of meer tijdstip(pen) in de periode van 1 december 2015 tot en met 16 februari 2016 te Amsterdam en/of elders in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, (telkens) met het oogmerk dat daarmee een misdrijf als bedoeld in artikel 138ab, eerste lid, 138b of 139c wordt gepleegd en/of met het oogmerk dat daarmee een misdrijf als bedoeld in artikel 350a, eerste lid, of 350c wordt gepleegd, een computerwachtwoord, toegangscode of daarmee vergelijkbaar gegeven, waardoor toegang kan worden verkregen tot (een) (gedeelte van een) geautomatiseerd werk(en), te weten de pincode van de bank- en/of betaalpas (van [rekeninghouder 19] ) bestemd voor het verrichten of verkrijgen van betalingen langs geautomatiseerde weg, heeft/hebben verworven, verspreid of anderszins ter beschikking heeft/hebben gesteld of voorhanden heeft/hebben gehad;

feit 9
in de periode van 1 september 2015 t/m 9 februari 2016 te Amsterdam en/of een of meer plaats(en) in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk

- oplichting (art. 326 Wetboek van Strafrecht) en/of

- plaatsen opname- aftap- en/of afluisterapparatuur (art.139d wetboek van Strafrecht) en/of

- gegevens voorhanden hebben om computergegeven(s) aan te tasten of te manipuleren (art. 350d wetboek van Strafrecht) en/of

- computervredebreuk (art.138ab Wetboek van strafrecht) en/of

- aantasting of manipulatie van computergegevens (art.350a Wetboek van Strafrecht) en/of

- diefstal door middel van een valse sleutel (art. 311 Wetboek van Strafrecht) en/of

- witwassen (art.420bis Wetboek van Strafrecht).

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Beoordeling van het bewijs

3.1.

Inleiding

In september 2015 is de politie onderzoek Cyber007 gestart. Dit onderzoek draait om een vorm van fraude die bekend staat als “phishing”. Phishing houdt kort gezegd in dat rekeninghouders of banken onder valse voorwendselen worden bewogen tot de afgifte van bankpassen en/of vertrouwelijke gegevens, die nodig zijn voor internetbankieren en het pinnen van geld. Tijdens onderzoek Cyber007 heeft de politie verschillende verdachten geïdentificeerd. Verdachte wordt verweten dat hij heeft deelgenomen aan een criminele organisatie gericht op het plegen van met phishing fraude verband houdende misdrijven (feit 9) en dat hij zich samen met andere deelnemers van deze organisatie heeft schuldig gemaakt oplichtingen (feit 1), diefstallen door middel van valse sleutels (feiten 2 en 6) en verschillende vormen van computercriminaliteit (feiten 3, 4, 5, 7 en 8). De vraag die voorligt, is of de in het dossier aangedragen feiten en omstandigheden, alsmede het verhandelde ter terechtzitting voldoende redengevend zijn voor het bewijs dat hij zich aan deze strafbare feiten schuldig heeft gemaakt.

3.2.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1, 2, 3, 7, 8 en 9 tenlastegelegde. Het onder 4, 5 en 6 tenlastegelegde kan volgens de officier van justitie niet wettig en overtuigend worden bewezen. Daarvan heeft de officier van justitie vrijspraak gevorderd.

3.3.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat verdachte integraal van de negen aan hem ten laste gelegde feiten moet worden vrijgesproken.

3.4.

Oordeel van de rechtbank

3.4.1.

Bewijsverweer: bewijsuitsluiting na vormverzuim ontgrendelen van en onderzoek aan smartphone verdachte

3.4.1.1. Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat de bestanden, die zijn aangetroffen op de iPhone van verdachte, van het bewijs dienen te worden uitgesloten. Tijdens het onderzoek zijn volgens de raadsman meerdere belangrijke rechtsbeginselen in aanzienlijke mate geschonden en is inbreuk gemaakt op de grondrechten van verdachte, zonder dat daarvoor een wettelijke voorziening bestaat. Hierdoor is sprake van meerdere onherstelbare vormverzuimen. De officier van justitie heeft, zonder dat hiertoe een specifieke wettelijke bevoegdheid bestaat, de politie opdracht gegeven verdachte (fysiek) te dwingen zijn iPhone te ontgrendelen om zo toegang te krijgen tot de volledige inhoud van die iPhone. Niet alleen is met het (onnodig) aanleggen van de handboeien en het vervolgens drukken van de duim op het telefoonscherm gehandeld in strijd met de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en andere opsporingsambtenaren en met het recht op lichamelijke integriteit (artikel 11 van de Grondwet), ook is gehandeld in strijd met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Bij de gedwongen ontgrendeling van de iPhone ging het om het verkrijgen van de informatie op de iPhone. Door de iPhone volledig uit te lezen en deze (onrechtmatig) te doorzoeken is dan ook op ontoelaatbare wijze inbreuk gemaakt op het recht van verdachte op een eerlijk proces (artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM)), meer in het bijzonder het nemo tenetur-beginsel, en het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer/privacy van verdachte.

3.4.1.2. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ontgrendelen van de onder verdachte in beslag genomen iPhone op rechtmatige wijze heeft plaatsgevonden en dat het daarin aangetroffen materiaal voor het bewijs kan worden gebruikt. Het vermoeden bestond – gelet op de eerdere bevindingen bij onderzoek aan de telefoons van medeverdachten [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ) en [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) – dat ook in de telefoon van verdachte afbeeldingen en chats zouden worden gevonden die betrokkenheid bij phishing aantoonden. De politie beschikte echter niet over het wachtwoord van de iPhone om de telefoon daarmee te ontgrendelen. De techniek om een dergelijk type iPhone en besturingssysteem te kraken was er op dat moment ook nog niet. Op grond van artikel 61a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) is verdachte daarom door de officier van justitie bevolen mee te werken aan het ontgrendelen van zijn iPhone. Toen verdachte dat weigerde, is hij geboeid en is zijn duim op het toestel geplaatst, waardoor deze ontgrendelde. De daarmee gemaakte inbreuk op de lichamelijke integriteit van verdachte is volgens de officier van justitie minimaal. Verder heeft de officier van justitie aangevoerd dat een vingerafdruk onafhankelijk van de wil van verdachte bestaat, waardoor het verkrijgen van toegang tot de telefoon niet in strijd is met het nemo tenetur-beginsel en op dit punt dus ook geen sprake is van een vormverzuim.

Ten aanzien van het daaropvolgende onderzoek aan de smartphone heeft de officier van justitie geconcludeerd dat wel sprake is van een vormverzuim. Met dit onderzoek is namelijk een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van verdachte gemaakt, waarvoor – zoals nadien bleek uit het op 4 april 2017 door de Hoge Raad gewezen arrest – de toestemming van de officier van justitie nodig was geweest. Die toestemming had de politie tijdens dit onderzoek niet. In 2016 kon de politie echter niet weten dat in 2017 door de Hoge Raad nadere eisen zouden worden gesteld aan een dergelijk onderzoek. De officier van justitie heeft in dit verband opgemerkt dat hij, gelet op de ernst van de verdenkingen in deze zaak, hiertoe zonder meer toestemming zou hebben gegeven. Tot slot is het voor de beoordeling van het vormverzuim van belang dat enkel voor de strafzaak relevante gegevens zijn geopenbaard. Gelet hierop kan de rechtbank volstaan met het vaststellen dat sprake is van een vormverzuim, aldus de officier van justitie.

3.4.1.3. Oordeel van de rechtbank

3.4.1.3.1. Feiten en omstandigheden

Op grond van de inhoud van het dossier en het behandelde ter terechtzitting stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast.

Op 16 februari 2016 is verdachte aangehouden op verdenking van overtreding van de artikelen 310, 311 en 326 jo artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) (kort gezegd: diefstal in vereniging en oplichting), zijnde feiten waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. De iPhone die verdachte bij zijn aanhouding bij zich had, is in beslag genomen en door de politie meteen in ‘Flight Mode’ gezet, zodat de telefoon niet van afstand kon worden gewist. Tijdens zijn verhoor heeft verdachte verklaard dat de in beslag genomen iPhone zijn toestel is en dat niemand anders dat toestel gebruikt. Aan verdachte is gevraagd of hij de toegangscode van zijn telefoon wilde geven. Dat wilde hij niet. De officier van justitie heeft vervolgens, op grond van artikel 61a Sv, verdachte bevolen mee te werken aan het ontgrendelen van de iPhone. Verdachte is nogmaals gevraagd naar zijn toegangscode, waarna verdachte is meegedeeld dat als hij zijn toegangscode niet zou geven, verbalisanten hem, desnoods met gepast geweld, zouden boeien om zijn vingerafdruk te gebruiken om de iPhone te ontgrendelen. Verdachte heeft hierop geantwoord dat hij zijn toegangscode niet zou geven. Vervolgens is verdachte geboeid en is zijn rechterduim, zonder geweld, op de vingerafdrukscanner van de iPhone geplaatst. Hierdoor werd de iPhone ontsloten.

3.4.1.3.2. Toegang tot de iPhone

Wettelijke grondslag

De rechtbank stelt voorop dat de opsporingsambtenaren bevoegd waren tot inbeslagname van de iPhone van verdachte. Onder verwijzing naar het zogenaamde Smartphone-arrest van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2017:584) overweegt de rechtbank dat ten behoeve van de waarheidsvinding onderzoek mag worden gedaan aan in beslag genomen voorwerpen teneinde gegevens voor het strafrechtelijk onderzoek ter beschikking te krijgen. In een iPhone opgeslagen of beschikbare gegevens zijn daarvan niet uitgezonderd. De wettelijke basis voor dat onderzoek door opsporingsambtenaren is gelegen in de artikelen 94 jo. 95 en 96 Sv. De bevoegdheid tot inbeslagneming van voorwerpen en de daarin besloten bevoegdheid tot het verrichten van onderzoek aan die voorwerpen kunnen op grond van artikel 95 en 96 Sv ook worden uitgeoefend door de op grond van artikel 148 Sv met het gezag over de opsporing belaste officier van justitie, nu deze blijkens artikel 141, aanhef en onder a, Sv met opsporing is belast. Tevens bieden deze wettelijke bepalingen de grondslag voor het verrichten van onderzoek aan in beslag genomen voorwerpen door de officier van justitie, indien de inbeslagneming is geschied door een opsporingsambtenaar.

Uit dit samenstel van wettelijke bepalingen volgt naar het oordeel van de rechtbank ook dat opsporingsambtenaren en de officier van justitie zich de toegang tot een in beslag genomen voorwerp, in dit geval een iPhone, mogen verschaffen teneinde de gegevens op die telefoon veilig te stellen voor onderzoek. Indien de toegang tot het in beslag genomen voorwerp is beveiligd met bijvoorbeeld een toegangscode, is het de opsporingsambtenaren toegestaan deze beveiliging te kraken, zonder dat daarvoor de medewerking van een verdachte nodig is. Het komt ook voor dat de toegang tot een in beslag genomen voorwerp alleen kan worden verkregen met medewerking van een verdachte, zoals in deze zaak het geval bleek. Naar het oordeel van de rechtbank kan een verdachte tot die medewerking worden gedwongen, mits dit niet in strijd komt met het nemo tenetur-beginsel en wordt voldaan aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.

Het nemo tenetur-beginsel

In dit verband is de vraag aan de orde of het plaatsen van de duim van verdachte op de iPhone zonder zijn toestemming/medewerking in strijd is met het nemo tenetur-beginsel. Dit beginsel betreft het recht van een verdachte om niet te worden gedwongen (actief) aan zijn eigen veroordeling mee te werken. Uit jurisprudentie van het Europese Hof voor de rechten van de mens (hierna: EHRM) volgt dat dit vooral betrekking heeft op het afleggen van verklaringen onder dwang. Het recht van verdachte om zichzelf niet te belasten is immers “primarily concerned with respecting the will of an accused person to remain silent” (EHRM 29 juni 2007, O’Halloran and Francis, UN BB3173, NJ 2008/25, rov. 47). Een verdachte is wel gehouden tot het (passief) ondergaan en dulden van onderzoeksmaatregelen. Materiaal dat onafhankelijk van de wil van verdachte bestaat, mag onder dwang worden verkregen, zoals bijvoorbeeld geldt voor bloed- en urinemonsters (EHRM 8 april 2004, appl.nr 38544/97 (Weh/Austria) en EHRM 17 december 1996, NJ 1997/699 (Saunders/United Kingdom)).

Anders dan de situatie waarin verdachte wordt gedwongen de toegangscode van zijn telefoon te geven, hetgeen een verklaring van verdachte vereist, maakt het plaatsen van de duim van verdachte op zijn iPhone naar het oordeel van de rechtbank geen inbreuk op het nemo tenetur-beginsel. Het betreft hier namelijk het dulden van een onderzoeksmaatregel die geen actieve medewerking van verdachte vereist. Daar komt bij dat de vingerafdruk met een zeer geringe mate van dwang is verkregen. Dat met het plaatsen van de duim van verdachte op de iPhone toegang wordt verkregen tot mogelijk wilsafhankelijke en voor hem belastende gegevens, maakt dit naar het oordeel van de rechtbank niet anders.

Proportionaliteit en subsidiariteit

De officier van justitie heeft ter terechtzitting verklaard dat ten tijde van de aanhouding van verdachte de technologie van de onder verdachte in beslag genomen iPhone zo nieuw was, dat de toegang tot die telefoon (en meer in het bijzonder de gegevens op die telefoon) zonder medewerking van verdachte nog niet met technische hulpmiddelen en/of destructief onderzoek door het NFI kon worden verkregen. De mogelijkheid tot ontgrendeling van de iPhone met gebruik van een vingerafdruk was bovendien in tijd en aantal toegangspogingen gelimiteerd. De rechtbank heeft geen redenen te twijfelen aan deze mededelingen van de officier van justitie en gaat derhalve uit van voornoemde onderzoeksbeperkingen aan de iPhone van verdachte.

De rechtbank stelt vast dat het doel van het ontgrendelen van de iPhone, door middel van het plaatsen van de duim van verdachte op het toestel, het veiligstellen van de daarin opgeslagen of beschikbare gegevens betrof. Gelet op de ernst en aard van de verdenkingen tegen verdachte, het ontbreken van zijn medewerking tot het ontgrendelen van de iPhone, de gerechtvaardigde verwachting bij de opsporingsambtenaren dat zich op de iPhone voor het onderzoek relevante gegevens zouden bevinden, alsmede voornoemde onderzoeksbeperkingen aan de iPhone, is de rechtbank van oordeel dat een minder ingrijpend middel tot ontgrendeling van de iPhone niet voorhanden was. Onder deze omstandigheden was het plaatsen van de duim van verdachte op zijn telefoon om deze te ontgrendelen en de gegevens op die telefoon veilig te stellen, rechtmatig.

Voor het plaatsen van de duim van verdachte op de iPhone heeft een verbalisant verdachte handboeien omgedaan, ter voorkoming van vernieling van de telefoon, en zijn duim vervolgens op de iPhone geplaatst. Hiermee is naar het oordeel van de rechtbank slechts een beperkte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van verdachte, welke inbreuk gelet op het risico van frustratie van het onderzoek door verdachte gerechtvaardigd was.

Conclusie toegang iPhone

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de toegang tot de iPhone met het onder dwang gebruikmaken van de vingerafdruk van verdachte in de gegeven omstandigheden op rechtmatige wijze heeft plaatsgevonden.

3.4.1.3.3. Onderzoek aan de gegevens op de iPhone en laptop

In het kader van het onderzoek is de veiliggestelde inhoud van de onder verdachte in beslag genomen iPhone en laptop onderzocht, waarbij alle opgeslagen en beschikbare gegevens zijn uitgelezen op een zodanige wijze, dat dit – ook volgens de officier van justitie – een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van verdachte heeft gemaakt. Hiertoe was geen voorafgaande toestemming gegeven door de officier van justitie of een rechter-commissaris, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank dan ook een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek oplevert in de zin van artikel 359a Sv.

De vraag die vervolgens beantwoord dient te worden, is of hieraan een rechtsgevolg dient te worden verbonden of dat een constatering van het vormverzuim afdoende is. Om deze vraag te kunnen beantwoorden, moet met de volgende drie factoren rekening worden gehouden:

  1. het belang dat het geschonden voorschrift dient (Schutznorm);

  2. de ernst van het verzuim;

  3. het nadeel dat daardoor is veroorzaakt.

Ad 1

Het geschonden voorschrift dient ter bescherming van de (privacy) belangen van verdachte.

Ad 2

Ten aanzien van de ernst van het verzuim overweegt de rechtbank dat de betrokken opsporingsambtenaren te goeder trouw hebben gehandeld en de verwijtbaarheid van de (achteraf bezien onrechtmatige) handelwijze zeer gering is. Immers is pas met het in april 2017 gewezen arrest van de Hoge Raad – en dus ná het in deze strafzaak verrichtte onderzoek aan de telefoon en laptop – duidelijk geworden dat voor het onderzoek aan de telefoon en laptop vooraf toestemming dient te worden gevraagd. Daarbij komt dat de officier van justitie, die was belast met de leiding over het opsporingsonderzoek, ter terechtzitting heeft meegedeeld dat hij, indien dit destijds aan hem zou zijn gevraagd, toestemming zou hebben verleend de iPhone en de laptop van verdachte te onderwerpen aan het onderzoek zoals dat heeft plaatsgevonden. Dat sprake is van een structureel karakter van het vormverzuim is niet gebleken, terwijl bovendien aannemelijk is geworden dat de werkwijze in de opsporing naar aanleiding van het in april 2017 gewezen arrest van de Hoge Raad is aangepast.

Ad 3

De rechtbank heeft tot slot, ten aanzien van het veroorzaakte nadeel, in aanmerking genomen dat de verdediging het nadeel – anders dan het aanvoeren dat sprake is van een zeer ingrijpende inbreuk op de privacy van verdachte – niet nader heeft uitgewerkt. Zo is op geen enkele wijze inzichtelijk gemaakt dat via de iPhone en/of de laptop van verdachte persoonlijke of precaire informatie kon worden geraadpleegd die de ernst tekent van de inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer. Ook anderszins is dit niet gebleken. Daarbij dient te worden opgemerkt dat in het dossier slechts die gegevens zijn opgenomen die relevant waren voor deze strafzaak en de overige gegevens van verdachte op geen enkele wijze zijn geopenbaard.

In het licht van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat zich geen geval voordoet waarin de toepassing van bewijsuitsluiting in aanmerking komt. Evenmin is sprake van door het vormverzuim veroorzaakt nadeel dat zich leent voor compensatie door middel van strafvermindering. De rechtbank volstaat om die reden met de enkele constatering van dit vormverzuim.

3.4.2.

Algemene bewijsoverweging over telefoonnummer [telefoonnummer 1]

Alvorens in te gaan op de aan verdachte ten laste gelegde feiten zal de rechtbank zich uitlaten over de vraag of het telefoonnummer [telefoonnummer 1] , zoals de politie stelt, aan verdachte kan worden toegeschreven.

3.4.2.1. Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte de enige gebruiker van het telefoonnummer eindigend op 722 is geweest. In het dossier zijn volgens de raadsman sterke aanwijzingen voorhanden dat het telefoonnummer meerdere gebruikers heeft gehad. Zo is uit de WhatsAppgesprekken van 4 september 2015 af te leiden dat verdachte slechts een enkele keer met het telefoonnummer heeft geappt en daarna is overgegaan op een ander telefoonnummer, namelijk het nummer [telefoonnummer 2] . Uit het enkele aanstralen van het telefoonnummer eindigend op 722 nabij het woonadres van verdachte kan wat de raadsman betreft niet de koppeling met verdachte worden gemaakt. Hiermee moet voorzichtig worden omgesprongen, in die zin dat daaraan niet zonder meer (vergaande) conclusies mogen worden verbonden. Ook moet worden meegenomen dat de telefoon, die aan het telefoonnummer eindigend op 722 is gekoppeld, tijdens de doorzoeking van het woonadres van verdachte niet is aangetroffen. De belangrijkste aanwijzing voor het gebruik van het telefoonnummer door andere personen is volgens de raadsman dat het telefoonnummer voor een bepaalde tijd is afgeluisterd en dat uit dit onderzoek is gebleken dat het telefoonnummer ten tijde van de tap niet bij verdachte in gebruik was, maar bij een ander. Bovendien volgt uit de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] dat de geverbaliseerde communicatie altijd met “ [bijnaam 1] ” plaatsvond. Gelet op dit alles kan het merendeel van de WhatsAppgesprekken die op de pagina’s 657 tot en met 664 van het dossier zijn geverbaliseerd, niet aan verdachte worden toegeschreven.

3.4.2.2. Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de bewijsmiddelen, die zijn opgenomen in de bijlage bij dit vonnis, wel aannemelijk is dat verdachte in (in ieder geval) de maand september 2015 de (enige) gebruiker was van het telefoonnummer eindigend op 722. De rechtbank verwerpt dus het verweer van de raadsman en overweegt daartoe als volgt.

De gebruiker van genoemd telefoonnummer heeft op 4 september 2015 voor het eerst zijn identiteit kenbaar gemaakt aan [medeverdachte 1] , door die dag om 12.15 uur te appen: “ [bijnaam 2] hier.” De rechtbank merkt in dit verband op, dat uit de bewijsmiddelen volgt dat [bijnaam 2] een bijnaam van verdachte is. Vervolgens heeft [medeverdachte 1] een minuut later geantwoord met “Kheb 3 voor je”, waarna de gebruiker van het telefoonnummer heeft gereageerd met “Wlke ad was je gegaan”. Diezelfde dag worden er meerdere berichten uitgewisseld over “adjes (checken)”. Het laatste gesprek op 4 september 2015 om 15.20 uur luidt: “Sla me naam in je tel op als [bijnaam 3] .” Op 4 september 2015 om 16.15 uur bericht vervolgens de gebruiker van het telefoonnummer eindigend op 932 “App me blvia hier verwijder die andere nummer”. Dit nummer was in de telefoon van [medeverdachte 1] gekoppeld aan de naam ‘ [bijnaam 3] ’. De stelling van de verdediging dat hieruit volgt dat verdachte daarna is overgegaan op een ander telefoonnummer, eindigend op 932, vindt naar het oordeel van de rechtbank geen steun in het dossier. De daaropvolgende dag wordt namelijk door [medeverdachte 1] aan de gebruiker van het telefoonnummer eindigend op 722 het volgende bericht verstuurd: “ [bijnaam 2] moet k die adjes vandaag ook vlakken.” Ook later op de dag schrijft [medeverdachte 1] de gebruiker van dit nummer aan als [bijnaam 2] door te appen: “ [bijnaam 2] ga je die script voor me brengen?” Hieruit volgt dat [bijnaam 2] ook na het versturen van het bericht “Sla me naam in je tel op als [bijnaam 3] ” gebruik bleef maken van het telefoonnummer eindigend op 722.

Ook de inhoud van de verstuurde berichten laat gedurende de hele periode een vast terugkerend patroon zien over hetzelfde gespreksonderwerp, waarbij steeds min of meer dezelfde afkortingen worden gebruikt. Dit duidt niet op een andere gebruiker van het telefoonnummer dan verdachte. De rechtbank wordt in dit verband verder gesterkt in haar overtuiging, nu met het telefoonnummer eindigend op 722 in de gehele periode vaak zendmasten in de woonomgeving van verdachte zijn aangestraald en verdachte over het gebruik van het telefoonnummer geen enkele verklaring heeft willen afleggen en ook niet nader heeft ingevuld wie op welk moment dit telefoonnummer zou hebben overgenomen.

Ten slotte overweegt de rechtbank dat de stelling van de raadsman dat het telefoonnummer een bepaalde tijd is afgeluisterd en uit dit onderzoek volgt dat het telefoonnummer niet bij verdachte in gebruik was, geen steun vindt in het dossier. Uit het proces verbaal van aanvraag bevel opnemen telecommunicatie van 6 januari 2016 blijkt dat de aanvraag is gedaan ter aanhouding van verdachte en dat het telefoonnummer eindigend op 722 ten tijde van die aanvraag niet meer in gebruik was. Daarom heeft het opnemen van de telecommunicatie in de periode van 5 januari 2016 tot en met 22 januari 2016 plaatsgevonden op het imei nummer van de mobiele telefoon waaraan het telefoonnummer eindigend op 722 was gekoppeld, namelijk imei nummer [imei nummer] . Dit imei nummer bleek vervolgens op dat moment niet in gebruik bij verdachte. Deze bevindingen zeggen derhalve niets over het gebruik van het telefoonnummer eindigend op 722 door verdachte in de maanden daarvoor, in het bijzonder in september 2015.

3.4.3.

Oplichtingen (feit 1)

De onder 1 ten laste gelegde verdenking van oplichting betreft de volgende. Aan rekeninghouders van Rabobank en ABN AMRO bank zijn e-mails verstuurd, ogenschijnlijk afkomstig van hun bank, waarin stond dat vanwege veiligheidsredenen op korte termijn een vernieuwde bankpas moest worden aangevraagd. Verder werd meegedeeld dat hun huidige bankpas binnenkort automatisch zou verlopen. In de e-mails werd daarom verzocht de aanvraag van de nieuwe bankpas te voltooien en de oude bankpas(sen) op te sturen naar een inleverpunt van de desbetreffende bank voor recycling. De adressen van deze inleverpunten betroffen adressen van verschillende woningen. De e-mails werden voorzien van een link, bijvoorbeeld genaamd 'Nieuwe betaalpas aanvragen'. Via deze link werd men doorverwezen naar een nagebouwde, valse website van de bank, waar de rekeninghouders enkele bankgegevens, zoals hun bankrekeningnummer en pincode, moesten invullen. De opgestuurde bankpassen werden daarna weggenomen uit de brievenbussen van de zogenaamde inleverpunten. In enkele gevallen werden vervolgens de opnamelimieten van deze bankpassen verhoogd en grote geldbedragen gepind.

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat verdachte zich samen met anderen heeft schuldig gemaakt aan de onder 2 ten laste gelegde gekwalificeerde diefstallen van de enveloppen met de bankpassen en het daaraan voorafgaand verzenden van de phishing e-mails, waarmee de in de tenlastelegging onder 1 genoemde rekeninghouders werden verleid om hun bankpassen op te sturen. Derhalve kunnen de onder 1 ten laste gelegde oplichtingen en onder 2 ten laste gelegde gekwalificeerde diefstallen bewezen worden verklaard, aldus de officier van justitie.

De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van oplichting een voldoende mate van actieve betrokkenheid van de verdachte bij de oplichtingshandelingen ten aanzien van de in de tenlastelegging genoemde rekeninghouders is vereist. In het dossier zijn geen bewijsmiddelen voorhanden waaruit volgt dat verdachte betrokken is geweest bij het verzenden van de e-mails aan de getroffen rekeninghouders, waardoor zij zijn bewogen hun bankpassen op te sturen. Ook is geen bewijs voorhanden van de betrokkenheid van verdachte bij enig ander onder 1 ten laste gelegd oplichtingsmiddel. De enkele betrokkenheid van verdachte bij de diefstallen van (enveloppen met daarin) de bankpassen, zoals hierna onder 3.4.4. overwogen, brengt niet zonder meer mee dat verdachte bij de daaraan voorafgaande oplichtingen actief als (mede)pleger betrokken is geweest. Uit het dossier volgt weliswaar dat verdachte gesprekken heeft gevoerd met medeverdachte(n) over het opzetten van een phishing website, maar uit deze gesprekken blijkt ook dat dit ten tijde van het tenlastegelegde nog niet was gelukt. Deze gesprekken kunnen daarom niet als bewijs dienen dat verdachte betrokken is geweest bij het verzenden van de valse e-mails aan de in de tenlastelegging genoemde rekeninghouders. Het dossier bevat ook overigens geen bewijs op basis waarvan kan worden geconcludeerd wie in de ten laste gelegde gevallen de valse websites heeft gemaakt, wie de valse e-mails heeft verstuurd en naar wie de door de rekeninghouders ingevulde vertrouwelijke informatie, zoals hun pincode, is verstuurd.

Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank verdachte vrijspreken van de onder 1 ten laste gelegde oplichtingen.

3.4.4.

Diefstallen in vereniging door middel van valse sleutels (feit 2)

De rechtbank komt, op grond van de bewijsmiddelen in de bijlage bij dit vonnis, wel tot bewezenverklaring van de onder 2 ten laste gelegde diefstallen in vereniging door middel van valse sleutels.

Op basis van de redengevende feiten en omstandigheden in de bewijsmiddelen heeft de rechtbank over de samenwerking tussen verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] het volgende vastgesteld. [medeverdachte 1] heeft op verzoek van [medeverdachte 2] en verdachte op verschillende momenten gecontroleerd of er poststukken met daarin bankpassen waren bezorgd op de adressen van de zogenaamde inleverpunten. Uit de WhatsAppgesprekken die [medeverdachte 1] met [medeverdachte 2] en verdachte heeft gevoerd, blijkt dat zij het wisten als er nieuwe poststukken met bankpassen werden verwacht. Tussen [medeverdachte 1] en verdachte enerzijds en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] anderzijds heeft regelmatig overleg plaatsgevonden over de vraag waar en wanneer de brievenbussen moesten worden gecontroleerd. [medeverdachte 1] heeft [medeverdachte 2] en verdachte op de hoogte gehouden van de resultaten van het vervolgens controleren van de brievenbussen. [medeverdachte 1] heeft de opgestuurde bankpassen, blijkens zijn verklaring, weggenomen uit deze brievenbussen. Vervolgens heeft hij foto’s gemaakt van de aangetroffen bankpassen, welke foto’s hij aan [medeverdachte 2] heeft gestuurd, die de gegevens controleerde. De bankpassen heeft [medeverdachte 1] daarna overhandigd aan [medeverdachte 2] . Verdachte heeft tot slot met (in ieder geval) de weggenomen bankpas van [rekeninghouder 7] ingelogd in de internetbankieren omgeving, zoals hierna onder 3.4.5. overwogen.

Op grond van deze feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten ten aanzien van de diefstallen door middel van valse sleutels en dus van medeplegen.

3.4.5.

Computervredebreuk (feit 3)

De rechtbank komt op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen ook tot bewezenverklaring van de onder 3 ten laste gelegde computervredebreuk ten aanzien van [rekeninghouder 7] .

Verdachte heeft – zoals bewezen onder feit 2 – samen met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] de envelop met daarin de bankpas van [rekeninghouder 7] gestolen. Op 10 september 2015 om 15.26 uur heeft [medeverdachte 1] een foto van deze bankpas gemaakt en verstuurd via WhatsApp. Later die dag heeft verdachte via WhatsApp een foto van een computerscherm verstuurd aan [medeverdachte 1] , waarop is te zien dat is ingelogd op de beveiligde internetbankieren omgeving van de spaarrekening van de rekeninghouder. Onder deze omstandigheden, met het uitblijven van een verklaring van verdachte hierover, houdt de rechtbank het ervoor dat verdachte degene is geweest die heeft ingelogd in de beveiligde internetbankieren omgeving van het account van [rekeninghouder 7] .

Het door de raadsman geschetste alternatieve scenario, dat verdachte de afbeelding enkel heeft doorgestuurd aan [medeverdachte 1] en hij dus niet zelf heeft ingelogd op het internetbankieren account van [rekeninghouder 7] , is niet aannemelijk geworden.

3.4.6.

Phishing activiteiten [rekeninghouder 17] (feiten 4, 5 en 6)

Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen wat verdachte onder 4, 5 en 6 ten laste is gelegd ten aanzien van de met phishing samenhangende strafbare feiten met de bankrekening en bankpas van [rekeninghouder 17] . De rechtbank zal verdachte daarom, zoals ook door de officier van justitie en de raadsman is gerekwireerd respectievelijk bepleit, van deze feiten vrijspreken.

3.4.7.

Medeplegen van poging tot computervredebreuk (feit 7)

De rechtbank zal verdachte eveneens vrijspreken van het onder 7 tenlastegelegde. De rechtbank overweegt hierover als volgt.

Uit het dossier volgt dat in de iPhone van verdachte een afbeelding is aangetroffen van de door phishing verkregen bankpas van [rekeninghouder 18] , alsmede een afbeelding van een inlogpoging in de beveiligde internetbankieren omgeving van haar account. Anders dan bij het onder 3 bewezen verklaarde feit, waarbij is vastgesteld dat verdachte de bankpas waarmee computerbreuk is gepleegd, in vereniging heeft gestolen en hij dus over die bankpas kon beschikken, bevat het dossier ten aanzien van dit feit geen bewijsmiddelen waaruit volgt dat verdachte kon beschikken over de betreffende bankpas en hij betrokken is geweest bij de poging tot computervredebreuk. Daarom zal de rechtbank verdachte van dit feit vrijspreken.

3.4.8.

Voorbereidingshandelingen computervredebreuk (feit 8)

De rechtbank komt op grond van de bewijsmiddelen tot bewezenverklaring van het onder 8 ten laste gelegde treffen van voorbereidingshandelingen om computervredebreuk te plegen.

Uit het dossier volgt dat in de iPhone van verdachte een afbeelding is aangetroffen van een met plakband aan elkaar geplakte bankpas van [rekeninghouder 19] , alsmede afbeeldingen met bij die bankpas behorende pincodes. Deze omstandigheden in combinatie met de deelname van verdachte aan een criminele organisatie, zoals hierna onder 3.4.9. overwogen, maakt dat de rechtbank voldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig acht dat verdachte zich met het voorhanden hebben van de oude en nieuwe pincode behorende bij de bankpas van genoemde rekeninghouder, heeft schuldig gemaakt aan het treffen van voorbereidingshandelingen tot computervredebreuk. Het oogmerk van de organisatie was er immers op gericht bankpassen en bijbehorende pincodes te verkrijgen door middel van oplichting om daarmee in te loggen op de beveiligde internetbankieren omgeving (hetgeen computervredebreuk oplevert), zodat de opnamelimiet van de bankrekeningen kon worden verhoogd, met als uiteindelijke doel de bankrekeningen van getroffen rekeninghouders leeg te halen. Verdachte heeft geen andere redengevende verklaring gegeven voor de aanwezigheid van voornoemde afbeeldingen in zijn telefoon, zodat de rechtbank hem voor dit feit zal veroordelen.

3.4.9.

Deelname aan een criminele organisatie (feit 9)

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van de onder 9 ten laste gelegde deelname aan een criminele organisatie. Hij heeft daartoe aangevoerd dat geen sprake is geweest van een organisatie als bedoeld in artikel 140 Sr, nu daarvoor de vereiste duurzaamheid en structuur van het samenwerkingsverband ontbreekt. Voor het geval de rechtbank oordeelt dat wel sprake is geweest van een criminele organisatie, kan niet worden aangenomen dat verdachte daaraan heeft deelgenomen. Hooguit kan uit het dossier worden afgeleid dat verdachte eenmalig aan medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verzocht om een brievenbus te legen, maar dat is onvoldoende om vast te stellen dat verdachte daarmee opzet heeft gehad op deelname aan een criminele organisatie, aldus de raadsman.

De rechtbank overweegt over de verdenking van deelname aan een criminele organisatie als volgt.

Zoals in de paragrafen hiervoor is overwogen, acht de rechtbank bewezen dat verdachte samen met anderen poststukken met daarin bankpassen heeft weggenomen, voorbereidingshandelingen tot computervredebreuk met een door oplichting verkregen bankpas en bijbehorende pincodes heeft gepleegd en met één van de weggenomen bankpassen daadwerkelijk de beveiligde internetbankieren omgeving van Rabobank is binnengedrongen. Verdachte zal worden vrijgesproken van de ten laste gelegde oplichtingen, betrokkenheid bij de met phishing samenhangende strafbare feiten rond [rekeninghouder 17] en het medeplegen van poging tot computervredebreuk ten aanzien van [rekeninghouder 18] . Waar bewezenverklaring van de diefstallen door middel van valse sleutels van poststukken en het plegen van (voorbereidingshandelingen tot) computervredebreuk nog niet meebrengt dat daarmee ook deelneming aan een criminele organisatie kan worden bewezen, heeft andersom te gelden dat het vrijspreken van de andere aan verdachte ten laste gelegde feiten niet tevens vrijspraak van die deelneming tot gevolg heeft. Voor een bewezenverklaring van deelneming aan een criminele organisatie is namelijk niet vereist dat de verdachte de door een criminele organisatie beoogde misdrijven zelf heeft gepleegd.

Onder een organisatie als bedoeld in artikel 140 Sr wordt verstaan een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en tenminste één andere persoon. Niet is vereist dat daarbij komt vast te staan dat een persoon – om als deelnemer aan die organisatie te kunnen worden aangemerkt – moet hebben samengewerkt met, althans bekend moet zijn geweest met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is (ECLI:NL:HR:2008:BB7134). Ook is niet vereist dat sprake is van ‘geledingen’ en ‘hiërarchie’ (ECLI:NL:HR:2006:AU9130). Volgens vaste rechtspraak is van deelneming aan een dergelijke organisatie sprake indien een persoon behoort tot de organisatie, en een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie.

De verdachte dient in dat verband in zijn algemeenheid te weten (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Niet is vereist dat de verdachte wetenschap heeft van één of meer concrete misdrijven die door de organisatie worden beoogd, of dat zijn opzet is gericht op het plegen van die misdrijven, ook niet wanneer het gaat om misdrijven van uiteenlopende aard. Elke bijdrage aan een organisatie kan strafbaar zijn. Een dergelijke bijdrage kan bestaan uit het (mede)plegen van enig misdrijf, maar ook uit het verrichten van hand- en spandiensten en (dus) het verrichten van handelingen die op zichzelf niet strafbaar zijn, zolang van bovenbedoeld aandeel of ondersteuning kan worden gesproken.

De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat in de ten laste gelegde periode sprake is geweest van phishing activiteiten. Inherent aan dit soort activiteiten is een aanzienlijke mate van organisatie. Zoals uit de hiervoor onder 3.4.3. beschreven modus operandi volgt, zijn er (valse) e-mailberichten opgesteld, websites van banken nagebouwd, moest de beschikking gekregen worden over e-mailadressen van rekeninghouders en informatie over de bank waar zij klant zijn, zijn er adressen met voor de daders toegankelijke brievenbussen gezocht waar de bankpassen naartoe gestuurd moesten worden, die vervolgens zijn geleegd, waarna met de verkregen bankpassen is ingelogd in de internetbankieren omgeving van de rekeninghouders en limieten zijn verhoogd. Door verschillende personen is vervolgens geld met bankpassen gepind, dan wel zijn (luxe) goederen met de bankpassen aangeschaft. Deze handelwijze vergt een planmatige aanpak, intensieve samenwerking en duidelijke afstemming tussen de betrokken personen.

Uit de aard van voornoemde handelwijze blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat sprake is geweest van een gestructureerd samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid, die tot oogmerk had om - door middel van oplichting - bankpassen en bijbehorende pincodes te verkrijgen, daarmee computervredebreuk te plegen (door in te loggen op de internetbankieren omgeving) en computergegevens aan te tasten (door opnamelimieten van bankpassen te verhogen), met als uiteindelijk doel de bankrekeningen van de rekeninghouders leeg te halen (diefstal door middel van valse sleutels) door geld op te nemen uit geldautomaten dan wel aankopen te doen in winkels (diefstal door middel van valse sleutels en/of witwassen).

De rechtbank is van oordeel dat verdachte kan worden aangemerkt als een deelnemer van voornoemde organisatie. Zoals hiervoor onder 3.4.4. is overwogen, is verdachte als medepleger betrokken geweest bij de diefstallen van poststukken met daarin bankpassen (feit 2). Daarnaast heeft hij met de weggenomen bankpas van [rekeninghouder 7] ingelogd op de beveiligde internetbankieren omgeving van het account (feit 3). Verder heeft verdachte een bankpas en pincode voorhanden gehad met het oogmerk tot het plegen van computervredebreuk (feit 8). Met deze gedragingen, waaruit volgt dat verdachte in zijn algemeenheid wist dat de organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, heeft verdachte een substantieel aandeel gehad in de gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie.

De rechtbank leidt uit het onderzoek naar de inhoud van de iPhone van verdachte verder af dat hij ook in de maanden januari en februari 2016 betrokken is geweest bij phishing activiteiten. Zo bevat de telefoon meerdere afbeeldingen van bankpassen waarvan de rekeninghouder heeft verklaard dat deze door phishing is verkregen, en meerdere afbeeldingen waaruit volgt dat is ingelogd op de internetbankieren omgeving van Rabobank, terwijl verdachte heeft verklaard alleen een bankrekening bij ABN AMRO bank aan te houden. Ten slotte bevat de telefoon afbeeldingen van (verdachte met) meerdere Rolex horloges en chatgesprekken daarover, waarvan is vastgesteld dat er (in ieder geval) één is aangekocht met een door phishing verkregen bankpas.

De rechtbank acht, op grond van de bewijsmiddelen in de bijlage bij dit vonnis en gelet op wat hiervoor is overwogen, het onder 9 tenlastegelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen.

3.5.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2, 3, 8 en 9 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat hij

feit 2

op tijdstippen in de periode van 1 september 2015 tot en met 29 september 2015 te Amsterdam, meermalen, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit postbus(sen)/brievenbus(sen) heeft weggenomen telkens één of meer poststuk(ken)/envelop(pen) inhoudende één of meer bankpas(sen), toebehorende aan

- [rekeninghouder 5] of

- [rekeninghouder 7] of

- [rekeninghouder 8] en/of [rekeninghouder 9] of

- [rekeninghouder 11] of

- [rekeninghouder 12] en/of [rekeninghouder 13] of

- [rekeninghouder 14] of

- [rekeninghouder 15] en/of [rekeninghouder 16] of

- [rekeninghouder 1] of

- [rekeninghouder 2] en/of [rekeninghouder 3] ,

waarbij verdachte en zijn mededader(s) telkens die/dat weg te nemen poststuk(ken)/envelop(pen) onder hun bereik hebben gebracht door middel van valse sleutels, te weten niet daartoe bestemde sleutels;

feit 3

in de periode van 1 september 2015 tot en met 10 september 2015 te Amsterdam en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen opzettelijk en wederrechtelijk in een (gedeelte van) één of meer geautomatiseerd werk(en), te weten de computer(s) en/of server(s) van de (beveiligde) internetbankieren omgeving van Rabobank is binnengedrongen, waarbij hij en/of zijn mededader(s) de toegang heeft/hebben verworven tot het/de geautomatiseerde werk(en) - met behulp van een valse sleutel, te weten de inlogcode voor het internetbankieren, welke code is verkregen door het onbevoegd gebruik maken van de bankpas en pincode, in combinatie met de randomreader, van [rekeninghouder 7] en

- door het aannemen van een valse hoedanigheid, te weten als een geautoriseerde van [rekeninghouder 7]

en zich aldus toegang verschaft tot de zich op die internetbankieren omgeving van Rabobank bevindende gegevens van [rekeninghouder 7] ;

feit 8

in de periode van 1 december 2015 tot en met 16 februari 2016 te Amsterdam en/of elders in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen met het oogmerk dat daarmee een misdrijf als bedoeld in artikel 138ab, eerste lid, Sr wordt gepleegd, een computerwachtwoord, toegangscode of daarmee vergelijkbaar gegeven, waardoor toegang kan worden verkregen tot (een) (gedeelte van een) geautomatiseerd werk(en), te weten de pincode van de bankpas van [rekeninghouder 19] , bestemd voor het verrichten of verkrijgen van betalingen langs geautomatiseerde weg, voorhanden heeft gehad;

feit 9

in de periode van 1 september 2015 tot en met 9 februari 2016 te Amsterdam en/of elders in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk

- oplichting (art. 326 Wetboek van Strafrecht) en/of

- gegevens voorhanden hebben om computergegeven(s) aan te tasten of te manipuleren (art. 350d Wetboek van Strafrecht) en/of

- computervredebreuk (art. 138ab Wetboek van Strafrecht) en/of

- aantasting of manipulatie van computergegevens (art. 350a Wetboek van Strafrecht) en/of

- diefstal door middel van een valse sleutels (art. 311 Wetboek van Strafrecht) en/of

- witwassen (art. 420bis Wetboek van Strafrecht).

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Hetgeen aan verdachte onder 2, 3, 8 en 9 meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. Verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

feit 2

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd;

feit 3

medeplegen van computervredebreuk;

feit 8

medeplegen van het met het oogmerk dat daarmee een misdrijf als bedoel in artikel 138ab, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht wordt gepleegd, een computerwachtwoord, toegangscode of een daarmee vergelijkbaar gegeven waardoor toegang kan worden verkregen tot een geautomatiseerd werk of deel daarvan, voorhanden hebben;

feit 9

deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6 Motivering van de sanctie

6.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte, gelet op de ernst van het door hem bewezen geachte, de leidende rol van verdachte in de organisatie, de richtlijnen van het Openbaar Ministerie en de proceshouding van verdachte enerzijds, en de persoonlijke omstandigheden van verdachte en de overschrijding van de redelijke termijn van berechting anderzijds, zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zestien maanden, met aftrek van de tijd die in voorarrest is doorgebracht.

6.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht bij de strafoplegging, meer dan de officier van justitie, acht te slaan op de positieve ontwikkelingen rondom de persoon van verdachte en de overschrijding van de redelijke termijn, alsmede de beperkte omvang van de benadelingsbedragen, en te volstaan met oplegging van een forse taakstraf, al dan niet in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf.

6.3.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede door de persoon, zoals van één en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft gedurende enkele maanden deelgenomen aan een criminele organisatie die tot doel had misdrijven te plegen die verband houden met phishing fraude. Verdachte nam binnen het samenwerkingsverband een coördinerende en sturende rol op zich. Daarmee vervulde hij een substantiële rol binnen de organisatie en droeg hij bij aan de verwezenlijking van de doelen van de organisatie en de bewezen verklaarde diefstallen. Door het handelen van de organisatie is het vertrouwen van de getroffen rekeninghouders in het betalingsverkeer en bankwezen ernstig ondermijnd. Ook heeft de organisatie met de begane misdrijven schade veroorzaakt. Wanneer het vertrouwen in het betalingsverkeer en bankwezen bij consumenten in het algemeen niet meer aanwezig is, bestaat het risico van een ernstige ontwrichting van het maatschappelijk en economisch verkeer. Aangenomen mag worden dat de organisatie erop uit is geweest geldelijk gewin te behalen, zonder zich daarbij rekenschap te geven van of zich te laten weerhouden door deze gevolgen.

Gelet op de ernst van de feiten acht de rechtbank in beginsel alleen oplegging van een (onvoorwaardelijke) gevangenisstraf gerechtvaardigd.

Persoonlijke omstandigheden

Uit het Uittreksel Justitiële Documentatie van verdachte blijkt dat hij eerder onherroepelijk voor een vermogensdelict is veroordeeld. Dit weegt de rechtbank in het nadeel van verdachte mee bij de straftoemeting. Tevens is gebleken dat, vanwege strafbeschikkingen in 2017 en 2018, de samenloopbepalingen op grond van artikel 63 Sr van toepassing zijn. Omdat deze strafbeschikkingen zijn opgelegd voor het plegen van andersoortige strafbare feiten, heeft de rechtbank hierin geen reden voor strafmatiging gezien.

De rechtbank heeft in het voordeel van verdachte bij de strafoplegging betrokken dat uit de over hem opgestelde reclasseringsrapporten volgt dat hij tijdens het schorsingstoezicht in deze zaak een positieve groei heeft doorgemaakt. Verdachte lijkt zijn leven op orde te hebben gebracht. Deze ontwikkeling en de intrinsieke motivatie van verdachte om een delictvrij bestaan op te bouwen, zijn beschermende factoren. Gelet op deze omstandigheden, de duur van het goed verlopen schorsingstoezicht en het afgenomen recidiverisico, dat de reclassering inmiddels inschat als laag, acht de reclassering oplegging van reclasseringstoezicht met gedragsinterventies als bijzondere voorwaarden bij een (deels) voorwaardelijke straf niet meer nodig.

Overschrijding redelijke termijn

Verder heeft de rechtbank meegewogen dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM. Het onderzoek Cyber007 is in september 2015 gestart en heeft geresulteerd in de aanhouding, de inverzekeringstelling en het verhoren van verdachte op 16 februari 2016. Op dat moment is de redelijke termijn aangevangen.

Het dossier in deze zaak is in juni 2016 door de politie afgesloten, waarna de officier van justitie per vordering van 1 juli 2016 de rechter-commissaris heeft verzocht een regiebijeenkomst te beleggen en zo nodig nader onderzoek te verrichten. Vervolgens zijn in de zaken tegen verdachte en twee medeverdachten op 12 januari 2017 enkele getuigen gehoord. Hoewel het onderzoek in de zaken tegen verdachte en de medeverdachten toen ‘zittings-klaar’ was, hebben de zaken daarna stilgelegen en vond de inhoudelijke behandeling pas plaats in januari 2019. Dat heeft ertoe geleid dat de rechtbank heden, op 28 februari 2019, eindvonnis wijst. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn van twee jaren met ruim één jaar is overschreden.

In deze overschrijding van de redelijke termijn, in combinatie met de persoon van verdachte en het uiteindelijke belang dat de maatschappij erbij heeft dat verdachte zijn leven op de rails houdt en geen nieuwe strafbare feiten pleegt, ziet de rechtbank – anders dan de officier van justitie – aanleiding om in plaats van een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf van een langere duur dan de tijd die verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht, een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf van na te noemen duur en een onvoorwaardelijke taakstraf van de maximale duur op te leggen. Aan de voorwaardelijke gevangenisstraf zal de rechtbank een proeftijd verbinden van twee jaren, met de bedoeling dat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit.

7 Beslag

Bij gelegenheid van het onderzoek naar de door verdachte begane feiten zijn onder andere aangetroffen en in beslag genomen een iPhone 4 (goednummer 726468 op de beslaglijst), een Dell laptop (goednummer 726476) en een iPhone 6 (goednummer 569160). De rechtbank zal deze in beslag genomen voorwerpen onttrekken aan het verkeer. Zij overweegt hierover het volgende.

De rechtbank is van oordeel dat de in beslag genomen iPhone 4 en laptop van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit daarvan, mede ter bescherming van (de identiteit van) derden, in strijd is met de wet of met het algemeen belang. Nu zich in de iPhone en laptop afbeeldingen bevinden van onder andere afbeeldingen van bankpassen, identiteitspapieren en bankgegevens van derden, alsmede afbeeldingen van valse e-mails van ING Bank, is het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd met het algemeen belang. Ook kan dit voorwerp onder voornoemde omstandigheden dienen tot het voorbereiden dan wel begaan van soortgelijke misdrijven.

De rechtbank stelt verder vast dat het onder 2 en 9 bewezenverklaarde met behulp van de onder verdachte in beslag genomen iPhone 6 is begaan. Ook het ongecontroleerd bezit daarvan is naar het oordeel van de rechtbank in strijd met de wet of met het algemeen belang, nu zich op die telefoon onder andere afbeeldingen van bankpassen van getroffen rekeninghouders bevinden, alsmede afbeeldingen van inlogpogingen en internetbankieren op de website van Rabobank, en dit voorwerp onder voornoemde omstandigheden kan dienen tot het voorbereiden dan wel begaan van soortgelijke misdrijven.

8 Vorderingen benadeelde partij en oplegging schadevergoedingsmaatregel

8.1.

Vorderingen benadeelde partij van [rekeninghouder 15] en [rekeninghouder 16]

De benadeelde partijen [rekeninghouder 15] en [rekeninghouder 16] hebben allebei tegen verdachte een vordering ingediend tot betaling van € 2.300,-, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag, wegens materiële schade die zij als gevolg van phishing fraude, in het bijzonder het onder 1 en 2 tenlastegelegde, zouden hebben geleden. Uit de stukken blijkt dat met van phishing afkomstige bankpassen en bijbehorende pincodes van de bankrekening op naam van [rekeninghouder 15] een totaalbedrag van € 5.000,- is weggenomen en van de bankrekening op naam van zijn echtgenote [rekeninghouder 16] een totaalbedrag van € 4.700,-. Blijkens de afzonderlijk ingediende voegingsformulieren heeft Rabobank de door het echtpaar geleden schade van € 9.700,- in zijn totaliteit beoordeeld en daarvan een deel van € 7.400,- vergoed. Daarbij heeft de bank geen onderscheid gemaakt per benadeelde of per bankrekening. De door de benadeelden gestelde schade bestaat in beide gevallen uit vergoeding van het weggenomen en niet vergoede deel van € 2.300,-. Gelet op deze feiten en omstandigheden zal de rechtbank de door de benadeelde partijen afzonderlijk ingediende voegingsformulieren als één gezamenlijk ingediende vordering beschouwen en ook als zodanig beoordelen.

De rechtbank is van oordeel dat de door de benadeelden gestelde schade rechtstreeks voortvloeit uit het onder 2 bewezenverklaarde. De bewezen verklaarde diefstal door middel van valse sleutels en het kort daarop gevolgd misbruik van de van phishing afkomstige bankpas staan in zodanig nauw verband met elkaar, dat de door verdachte gepleegde diefstal rechtstreeks de door de benadeelde partijen geleden schade heeft veroorzaakt. De vordering zal daarom worden toegewezen. Verdachte wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 2.300,-, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 25 september 2015 tot aan de dag der algehele voldoening. Daarbij zal de rechtbank bepalen dat als door of namens (één van de) medeverdachten dit bedrag geheel of gedeeltelijk is betaald, verdachte in zoverre van zijn betalingsverplichting zal zijn bevrijd. Tevens wordt verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen hebben gemaakt, tot op heden nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

De rechtbank ziet, gelet op wat zij hiervoor heeft overwogen, verder aanleiding om in het belang van de benadeelde partijen [rekeninghouder 15] en [rekeninghouder 16] , als extra waarborg voor betaling, aan verdachte de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f Sr op te leggen.

8.2.

Vordering benadeelde partij van [rekeninghouder 17]

Aangever [betrokkene rekeninghouder 17] heeft namens de benadeelde partij [rekeninghouder 17] tegen verdachte een vordering ingediend tot betaling van € 6.073,-, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag, wegens materiële schade die de benadeelde partij als gevolg van phishing fraude, in het bijzonder het onder 4, 5 en 6 tenlastegelegde, zou hebben geleden.

De rechtbank stelt voorop dat een benadeelde partij in het strafproces vergoeding kan vorderen van de schade die zij door een strafbaar feit heeft geleden, als voldoende verband bestaat tussen het bewezen verklaarde handelen van een verdachte en de schade om te kunnen aannemen dat de benadeelde partij door dit handelen rechtstreekse schade heeft geleden. Naar het oordeel van de rechtbank is daarvan in deze zaak echter geen sprake. Verdachte wordt allereerst vrijgesproken van de onder 4, 5 en 6 ten laste gelegde betrokkenheid bij de jegens de benadeelde partij gepleegde fraude. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de gestelde schade niet rechtstreeks voortvloeit uit de overige bewezen verklaarde feiten. De bewezen deelname aan een criminele organisatie is onvoldoende om aan te nemen dat de benadeelde partij door dit handelen van verdachte rechtstreekse schade heeft geleden. Daarvoor staat deze bewezenverklaring te ver af van de schade veroorzakende feiten. De benadeelde partij kan daarom niet in de vordering worden ontvangen. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering.

9 Vordering tot tenuitvoerlegging

Bij vonnis van 15 juni 2015 in de zaak met parketnummer 13/032439-13 heeft de politierechter te Amsterdam verdachte wegens witwassen veroordeeld tot onder andere een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 20 dagen. De proeftijd bij die voorwaardelijke straf is op één jaar bepaald onder de algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De mededeling van de voorwaardelijke veroordeling, als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering, is op 3 juli 2015 aan de verdachte toegezonden.

De bij genoemd vonnis vastgestelde proeftijd is ingegaan op 30 juni 2015 en was nog niet geëindigd ten tijde van het indienen van de vordering van de officier van justitie. De rechtbank heeft bij het onderzoek ter terechtzitting bevonden dat zij bevoegd is over de vordering te oordelen, die ertoe strekt dat de voorwaardelijk opgelegde straf alsnog ten uitvoer zal worden gelegd, en dat de officier van justitie daarin ontvankelijk is.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering moet worden toegewezen, omdat uit de inhoud van dit vonnis blijkt dat verdachte de algemene voorwaarde niet heeft nageleefd dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zou maken aan een nieuw strafbaar feit. In de persoonlijke omstandigheden van verdachte en het tijdsverloop ziet de rechtbank reden om te bepalen dat de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf, conform de LOVS-oriëntatiepunten, zal worden omgezet in een taakstraf voor de duur van 85 uren.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De wetsartikelen die van toepassing zijn, zijn de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36b, 36c, 36d, 36f, 47, 57, 63, 138ab, 139d, 140 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

11 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1, 4, 5, 6 en 7 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 2, 3, 8 en 9 tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor onder 3.5. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 2, 3, 8 en 9 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat het onder 2, 3, 8 en 9 bewezenverklaarde de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 218 (tweehonderdachttien) dagen, met bevel dat van deze straf een gedeelte van 180 (honderdtachtig) dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat verdachte voor het einde van de op 2 (twee) jaren bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt verdachte tevens tot het verrichten van 240 (tweehonderdveertig) uren taakstraf, die bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet of niet naar behoren daarvan verrichten te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.

Verklaart onttrokken aan het verkeer de in beslag genomen iPhone 4 (goednummer 726468), Dell laptop (goednummer 726476) en iPhone 6 (goednummer 569160).

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partijen [rekeninghouder 15] en [rekeninghouder 16] geleden schade tot een bedrag van € 2.300,- (drieëntwintighonderd euro), bestaande uit vergoeding voor materiële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 25 september 2015 tot aan de dag der algehele voldoening, aan de benadeelde partij, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partijen gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Bepaalt dat voor zover voornoemd bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens (één van de) medeverdachten aan de benadeelde partijen is betaald, verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn bevrijd.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de benadeelde partijen [rekeninghouder 15] en [rekeninghouder 16] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 2.300,- (drieëntwintighonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 25 september 2015 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 33 (drieëndertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van deze vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

Bepaalt dat voor zover voornoemd bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens (één van de) medeverdachten aan de Staat is betaald, verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn bevrijd.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partijen in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partijen.

Verklaart de benadeelde partij [rekeninghouder 17] niet-ontvankelijk in de vordering.

Wijst toe de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 13/032439-13, met dien verstande dat in plaats van de tenuitvoerlegging van de niet ten uitvoer gelegde gevangenisstraf, opgelegd bij vonnis van de politierechter te Amsterdam van 15 juni 2015, wordt opgelegd een taakstraf voor de duur van 85 (vijfentachtig) uren, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, subsidiair 20 (twintig) dagen hechtenis.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. H.H.E. Boomgaart, voorzitter,

mr. N. Boots en mr. H.D. Overbeek, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier, mr. P.H. Boersma,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 28 februari 2019.