Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2019:1558

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
25-02-2019
Datum publicatie
04-03-2019
Zaaknummer
HAA - 18/3935
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres had geen rechtmatig verblijf in Nederland. Ze was niet premieplichtig voor volksverzekeringen. Eiseres had aldus geen recht op premiedelen van de gecombineerde heffingskorting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 04-03-2019
V-N Vandaag 2019/515
FutD 2019-0670
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 18/3935

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 februari 2019 in de zaak tussen

[X] , wonende te [Z] , eiseres

(gemachtigde: [A] ),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Eindhoven, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2015 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: ib/pvv) opgelegd, berekend naar een verzamelinkomen van nihil, waarbij de uit te betalen heffingskorting is berekend op € 269.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 februari 2019 te Haarlem.

Namens eiseres is haar gemachtigde verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door J. Marsman en mevrouw Adith.

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres, geboren op [#] , is sinds 2002 gehuwd met [A] . Eiseres verbleef samen met [A] en hun drie minderjarige kinderen gedurende 2015 in Nederland.

2. Eiseres heeft de Pakistaanse nationaliteit. Op 13 juni 2014 heeft de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: IND) de verlengingsaanvraag van eiseres voor een verblijfstitel afgewezen. Eiseres is tegen deze beslissing niet binnen de daarvoor gestelde termijn in bezwaar gekomen.

3. Op 31 maart 2016 heeft eiseres de aangifte ib/pvv 2015 ingediend. In deze aangifte heeft eiseres een verzamelinkomen van nihil aangegeven en heeft zij aangeven recht te hebben op de uitbetaling van de algemene heffingskorting.

4. Op 28 mei 2016 is de voorlopige aanslag vastgesteld. Het te ontvangen bedrag op deze voorlopige aanslag bedraagt € 1.175 en bestaat uit de betaling van de algemene heffingskorting.

5. Op 31 maart 2018 is de definitieve aanslag ib/pvv 2015 vastgesteld. De aanslag is opgelegd met een verzamelinkomen van nihil. Bij de definitieve aanslag heeft verweerder de algemene heffingskorting beperkt tot het deel van de inkomstenbelasting ter hoogte van € 269.

Geschil
6. In geschil is de vraag of eiseres recht heeft op uitbetaling van het premiegedeelte volksverzekeringen van de algemene heffingskorting.

7. Eiseres beantwoordt de vraag bevestigend. Ter onderbouwing voert eiseres aan dat strikte toepassing van de regels onevenredige gevolgen heeft voor haar en haar gezin. De gemachtigde van eiseres heeft voorts aangevoerd dat eiseres de Nederlandse taal onvoldoende beheerst, psychische problemen heeft en in de veronderstelling verkeerde dat haar verblijfsvergunning, na betaling van de leges, was verlengd. Ook heeft de gemachtigde aangevoerd dat eiseres (de echtgenote van gemachtigde) hem niet op de hoogte heeft gesteld van de beslissing van de IND. Pas nadat gemachtigde een klacht bij de IND had ingediend, raakte hij ervan op de hoogte dat eiseres geen rechtmatig verblijf in Nederland meer had. Daarnaast heeft de gemachtigde aangevoerd dat uit de toelichting bij het programma tot het doen van belastingaangifte onvoldoende duidelijk was, dat moest worden aangegeven dat eiseres niet volledig was verzekerd voor volksverzekeringen.

8. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

9. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

Wettelijk kader

10. Om voor de heffingskorting voor het gedeelte van de volksverzekeringen in aanmerking te komen, moet de aanvrager premieplichtig zijn voor de desbetreffende volksverzekeringen (artikel 12, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen, hierna: Wfsv). Een persoon is premieplichtig als hij of zij verzekerd is in het kader van de volksverzekeringen (artikel 6, eerste lid, van de Wfsv).

11. Op grond van artikel 10, tweede lid, van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 (tekst 2015 en hierna: het Besluit), eindigt de verzekering voor de volksverzekeringen als er onherroepelijk is beslist op een verzoek tot voortgezette toelating door een vreemdeling nadat het rechtmatig verblijf in Nederland is geëindigd.

Beoordeling

12. De rechtbank stelt vast dat de IND in 2014 heeft beslist op het verzoek van eiseres tot voortgezette toelating nadat haar rechtmatig verblijf in Nederland was geëindigd. Tegen dit besluit is geen bezwaar aangetekend en het besluit is daarmee onherroepelijk geworden. Niet is gebleken dat eiseres in 2015 anderszins rechtmatig verblijf in Nederland had.

13. Eiseres was in het jaar 2015 op grond van artikel 10, tweede lid, van het Besluit niet verzekerd voor de volksverzekeringen en derhalve volgens artikel 6, lid 1, van de Wfsv niet premieplichtig voor de volksverzekeringen. Uit artikel 12, lid 1, van de Wfsv volgt dat eiseres in dat geval geen recht heeft op de premiedelen van de gecombineerde heffingskorting (zie HR 8 juni 2007, nr. 41230, ECLI:NL:HR:2007:BA6528).

14. De door gemachtigde aangevoerde omstandigheden kunnen niet tot een ander oordeel leiden.

15. Gelet op het voorgaande en gelet op de omstandigheid dat de hoogte van het gedeelte van de heffingskorting dat ziet op de inkomstenbelasting niet in geschil is, is de rechtbank van oordeel dat bij het opleggen van de aanslag ib/pvv over het jaar 2015 de heffingskorting juist vastgesteld.

16. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

17. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Kleefmann, rechter, in aanwezigheid van

mr. B. Schaafsma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

25 februari 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.