Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2019:1473

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
05-03-2019
Datum publicatie
11-03-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 1998
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2020:2748, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aanslag vermakelijkhedenretributie op grond van artikel 229, eerste lid, onder c, van de Gemeentewet terecht opgelegd. Er is sprake van een vermakelijkheid. Verweerder heeft aangetoond dat hij lasten heeft ter zake van de door de gemeente tot stand gebrachte of in standgehouden voorzieningen waarvan een vermakelijkheid profiteert. Maatstaf van de heffing is het aantal reguliere bezoekers. Uit de Gemeentewet volgt niet dat alleen vermakelijkhedenretributie kan worden geheven bij een vermakelijkheid die tegen betaling toegankelijk is. Geen schending van het gelijkheidsbeginsel.

Wetsverwijzingen
Gemeentewet 229
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 12-03-2019
V-N Vandaag 2019/584
NLF 2019/0671 met annotatie van Peter van der Muur
FutD 2019-0863
V-N 2019/26.27.17
Belastingblad 2019/276 met annotatie van M. Noordegraaf
NTFR 2019/715
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 18/1998

uitspraak van de meervoudige kamer van 5 maart 2019 in de zaak tussen

[X] B.V., gevestigd te [Z] , eiseres

(gemachtigde: mr. R.G.C. van der Lee),

en

de heffingsambtenaar van Cosensus, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft met dagtekening 31 mei 2017 aan eiseres voor het jaar 2016 een aanslag vermakelijkhedenretributie opgelegd van € 217.160,06 (aanslagnummer [#] ).

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 januari 2019 te Haarlem.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. A.G. Hendriks.

De gemachtigde van eiseres is door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op

12 december 2018 naar het door de gemachtigde in zijn beroepschrift vermelde adres [a] , onder vermelding van plaats en tijdstip, uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Eiseres noch gemachtigde zijn ter zitting verschenen. Een bericht van verhindering is niet ontvangen. De enveloppe waarin voornoemde aangetekende brief is verzonden, is op 3 januari 2019 ongeopend ter griffie terugontvangen, met op een sticker de mededeling retour afzender, reden: niet afgehaald. Uit de – kennelijk door medewerkers van PostNL – geplakte stickers op die enveloppe, die door de griffier in het dossier is gevoegd, leidt de rechtbank af dat de postbezorger van PostNL bij uitreiking van de brief op voornoemd adres geen gehoor heeft gekregen op genoemd adres, dat hij toen daar een kennisgeving van aanbieding heeft achtergelaten met de mededeling dat de brief tot 31 december 2018 op het – kennelijk in die mededeling genoemde – afhaallocatie kon worden afgehaald, en dat PostNL de enveloppe op 31 december 2018 heeft geretourneerd aan de afzender, te weten de griffier van de rechtbank. De griffier heeft vervolgens gecontroleerd of de gemachtigde sinds het indienen van het beroepschrift een nieuw correspondentieadres aan de griffier heeft doorgegeven, hetgeen niet het geval was.

Op de website van de gemachtigde wordt als zijn adres ook vermeld [a] . Vervolgens heeft de griffier de brief bij gewone post op 3 januari 2019 verzonden aan het bij de rechtbank bekende adres van de gemachtigde van eiseres, [a] . Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de uitnodiging om op de zitting te verschijnen op de juiste wijze tijdig op het juiste adres is aangeboden.

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres (hierna ook te noemen [X] ) is gevestigd aan de [b] . [X] beschikt over een samenstel van hallen, waaronder een marktkantoor, en omliggende infrastructuur, zoals wegen en parkeerplaatsen. [X] exploiteert het vastgoed door middel van verhuur aan derden van winkel- en horecaruimten. Het hallencomplex is een grotendeels overdekt winkelcentrum, dat in de weekenden is opengesteld voor publiek. Verder voert eiseres beheerstaken uit die verband houden met de exploitatie van het vastgoed voor de verhuur. In dat kader beheert en onderhoudt eiseres de gebouwen en omliggende terreinen en houdt toezicht.

2. In de akte van statutenwijziging van 17 december 1999 wordt het doel van de onderneming als volgt omschreven:

a. de exploitatie van een of meer warenmarkten, waaronder begrepen het verhuren van kramen casu quo afzonderlijke verkoopeenheden, alsmede het stimuleren van het bezoek daaraan met alle daartoe geëigende middelen, alsmede het verrichten van alle verdere handelingen, welke direct dan wel indirekt met het vorenstaande verband houden, zulks in de meest ruime zin van het woord;

(..)

3. In 2002 hebben partijen een Samenwerkingsovereenkomst gesloten. In artikel 7.1 van deze overeenkomst is bepaald:

[X] betaalt aan de Gemeente vanaf 1 september 2002 jaarlijks een bijdrage in de kosten van onder meer de uitvoering van de gemeentelijke taken op het gebied van de openbare orde, veiligheid, milieu en beheer en onderhoud van openbare wegen van:

€ 0,075 per entreekaart markt – tot 1,5 miljoen bezoekers

(..)

€ 0,16 per entreekaart markt – vanaf 5 miljoen bezoekers

In de jaarrekening van [X] zal het aantal entreekaarten dat jaarlijks is verkocht, worden weergegeven.

(..)

Voormelde bedragen zullen na vijf jaar jaarlijks worden geïndexeerd

(..)

De in dit artikel genoemde bijdrage zal nader worden geregeld middels een door de Gemeente conform het bovenstaande vast te stellen verordening. Gedurende de werking van deze verordening zal de inhoud daarvan derogeren aan de werking van dit artikel.

4. Bij brief van 20 november 2014 heeft eiseres aan verweerder laten weten:

“Hierbij informeer ik u dat het entreebeleid van [X] wordt aangepast. Per 1 januari 2015 is [X] vrij toegankelijk voor iedereen die op zoek is naar [c] . Wij achten als gevolg van het bovenstaande artikel 7 van de Samenwerkingsovereenkomst tussen de Gemeente [Z] en [X] B.V. van 7 juli 2002 juncto de Verordening Vermakelijkhedenretributie 2011 met registratienummer 2010/51724, vastgesteld bij Raadsbesluit door de Raad van de gemeente [Z] , niet langer van toepassing.”

Geschil en standpunten
5. In geschil is of de aanslag vermakelijkhedenretributie 2016 terecht en naar het juiste bedrag is opgelegd.

6. Eiseres stelt dat zij geen vermakelijkheden geeft als bedoeld in artikel 229, eerste lid, onderdeel c, van de Gemeentewet juncto artikel 1 en 2 van de Verordening op de heffing en de invordering van vermakelijkhedenretributie 2016 van de gemeente [Z] (hierna: de Verordening 2016). [X] bestaat volgens eiseres voor 100% uit (kleinschalige) detailhandel. Winkel- en horecaruimten zijn uit haar aard geen inrichtingen die dienen tot het bieden van vermaak als bedoeld in artikel 229 van de Gemeentewet, ook niet als zij deel uitmaken van een winkelcentrum. Voor zover eiseres naast de exploitatie en het beheer van het vastgoed andere activiteiten ontplooit, zijn die activiteiten geen doel op zich, maar enkel gericht op het verhogen van de belevingswaarde van het winkelen. Voorts voert eisers aan dat de Verordening 2016 leidt tot een onredelijke en willekeurige belastingheffing en dat de Verordening 2016 strijdig is met het evenredigheids- en zorgvuldigheidsbeginsel alsmede het gelijkheidsbeginsel. De Verordening 2016 is zo vormgegeven dat alleen eiseres de retributie moet betalen. De heffingsgrondslag is het bezoekersaantal terwijl dat niet controleerbaar is. Verder wordt niet geheven van twee vergelijkbare winkelcentra binnen de Gemeente. De lasten van de voorziening zijn ook niet aangetoond en voorts is het aantal bezoekers van [X] niet aangetoond. Er is een wanverhouding tussen de lasten en de mate van profijt van de voorzieningen. Eiseres heeft bovendien niet het exclusieve gebruiksrecht van de voorzieningen en eiseres verzorgt een belangrijk aantal van de door de gemeente genoemde voorzieningen zelf. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de aanslag onder veroordeling van verweerder in de proceskosten van het beroep.

7. Verweerder stelt dat er wel sprake is van een vermakelijkheid in de zin van de toepasselijke regelgeving. De activiteiten van [X] bestaan niet alleen uit het verhuren van kramen, winkelruimten en grondplaatsen. Er vinden bij [X] regelmatig optredens van artiesten plaats, er worden voor kinderen activiteiten georganiseerd en er vinden andere activiteiten plaats. Verweerder stelt verder dat de gemeente kosten heeft gemaakt ter zake van toezicht van gemeentewege en ter zake van door de gemeente tot stand gebrachte en in stand gehouden voorzieningen, zoals extra aanleg en onderhoud van (toegangs-)wegen, bebording en bewegwijzering en andere verkeersvoorzieningen, straatreiniging, inclusief de reiniging van toegangswegen in de directe omgeving van [X] , bestuursondersteuning, brandpreventie en rampenbestrijding. Eiseres heeft van deze voorzieningen profijt doordat daarmee een veiliger en schonere omgeving en een betere bereikbaarheid van [X] wordt bereikt. Verder stelt verweerder dat het grote beslag dat het bezoekersverkeer van en naar [X] op de omringende wegen legt, de nodige extra onderhoudskosten aan deze openbare wegen veroorzaakt. [X] profiteert van dit onderhoud doordat de bereikbaarheid van [X] op deze manier mede door het door de gemeente gepleegde onderhoud op het gewenste niveau blijft. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

Relevante regelgeving

8. Artikel 229 van de Gemeentewet luidt voor zover van belang:

1.Rechten kunnen worden geheven ter zake van:

(..)

c. het geven van vermakelijkheden waarbij gebruik wordt gemaakt van door of met medewerking van het gemeentebestuur tot stand gebrachte of in stand gehouden voorzieningen of waarbij een bijzondere voorziening in de vorm van toezicht of anderszins van de zijde van het gemeentebestuur getroffen wordt.

(..).

9. De Verordening 2016 luidt voor zover van belang:

(..)

Artikel 1 Begripsomschrijving

In deze verordening wordt onder een vermakelijkheid verstaan: een bedrijfsmatig ondernomen activiteit, waarbij wordt beoogd of mede beoogd het publiek amusement, verstrooiing, ontspanning of vermaak te verschaffen, of waarbij het publiek amusement, verstrooiing, ontspanning of vermaak zoekt, ondergaat, vindt, pleegt te vinden of kan vinden, een en ander in of op daartoe bestemde of geschikte, voor een ieder in wezen toegankelijke inrichtingen, terreinen, wateren en dergelijke.

Artikel 2 Aard van de belasting en belastbaar feit

Onder de naam “vermakelijkhedenretributie” worden rechten geheven ter zake van het geven van vermakelijkheden waarbij gebruik wordt gemaakt van door of met medewerking van het gemeentebestuur tot stand gebrachte of in stand gehouden voorzieningen of waarbij een bijzondere voorziening in de vorm van toezicht of anderszins van de zijde van het gemeentebestuur getroffen wordt.

Artikel 3 Belastingplicht

Belastingplichtig is degene die de vermakelijkheid geeft, dan wel degene voor wiens rekening en risico de vermakelijkheid gegeven wordt.

Artikel 4 Vrijstellingen

Belastingplichtigen, zoals bedoeld in artikel 3, worden niet in de heffing betrokken wanneer het aantal reguliere bezoekers als bedoeld in artikel 5 lid 1, het aantal van 1 miljoen per belastingjaar niet overschrijdt.

Artikel 5 Maatstaf van heffing en belastingtarief

1.De grondslag voor de heffing van de rechten is het aantal reguliere bezoekers van de in artikel 1 bedoelde inrichtingen, terreinen, wateren e.d. Onder reguliere bezoekers wordt verstaan degenen die de in artikel 1 bedoelde inrichtingen, terreinen, wateren e.d. bezoeken gedurende de uren dat deze voor het publiek zijn opengesteld met het oog op de vermakelijkheid, anders dan ten behoeve van de uitoefening van hun bedrijf of beroep.

2.Het tarief bedraagt:

a. € 0,086 per reguliere bezoeker bij een bezoekersaantal tot 1,5 miljoen;

b. € 0,152 per reguliere bezoeker bij een bezoekersaantal tot 1,5 tot 3 miljoen;

c. € 0,161 per reguliere bezoeker bij een bezoekersaantal van 3 tot 5 miljoen;

d. € 0,187 per reguliere bezoeker bij een bezoekersaantal vanaf 5 miljoen;

Artikel 6 Belastingtijdvak

Het belastingtijdvak is gelijk aan het kalenderjaar.

Artikel 7 Wijze van heffing

De rechten worden bij wijze van aanslag geheven.

(..)

Artikel 10 Inwerkingtreding en citeertitel

(..)

2.De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2016.

Beoordeling van het geschil

Vermakelijkheid

10. Een vermakelijkheid in de zin van de Verordening 2016 is een activiteit, waarbij wordt beoogd of mede beoogd het publiek amusement, verstrooiing, ontspanning of vermaak te verschaffen, of waarbij het publiek amusement, verstrooiing, ontspanning of vermaak zoekt, ondergaat, vindt, pleegt te vinden of kan vinden, een en ander in of op daartoe bestemde of geschikte, voor een ieder tegen betaling toegankelijke inrichtingen, terreinen, wateren en dergelijke.

11. Verweerder heeft bij zijn verweerschrift screen prints overgelegd van de website van [X] zoals deze in 2017 op het internet te vinden was. “ [X] is [c] , op de grootste, overdekte recreatieve markt van Europa”, aldus de website. [X] noemt op haar website in dit kader optredens van zangers, speurtochten, Siplo’s Games Experience, gratis schmink, ponyrijden, trampolinespringen, kermisattracties, kindervrijmarkt, kerstoutlet, verlotingen, zoals het grootste kerstpakket van Nederland, straattheater, gratis ijsjes, buikdanseressen, kindersafari en foodsafari. Uit deze stukken en de door verweerder ter zitting gegeven toelichting leidt de rechtbank af dat binnen [X] regelmatig optredens van artiesten plaatsvinden, dat er structureel activiteiten voor kinderen worden georganiseerd (ponyrijden, trampolinespringen, kermisattracties, speurtocht etc.) en dat er andere activiteiten plaatsvinden.

12. Verweerder heeft gesteld, en de rechtbank acht het niet onaannemelijk, dat [X] ook in 2016 de hierboven genoemde activiteiten heeft aangeboden. Anders dan eiseres is de rechtbank van oordeel dat deze door [X] aangeboden activiteiten dienen te worden aangemerkt als een vermakelijkheid in de zin van de Verordening 2016. De reikwijdte van de door [X] aangeboden activiteiten is naar het oordeel van de rechtbank breder dan het enkel verhogen van de belevingswaarde van het winkelen. De activiteiten van eiseres beogen in ieder geval mede het publiek amusement, verstrooiing, ontspanning of vermaak te verschaffen. Voor zover eiseres voornoemde activiteiten aanbiedt met het enkele doel om de belevingswaarde van het winkelen te verhogen, dan maakt dit naar het oordeel van de rechtbank nog niet dat er geen vermakelijkheid in de zin van de Verordening 2016 is. Immers het gaat er binnen de kaders van de Verordening 2016 ook om wat het publiek aan amusement, verstrooiing, ontspanning of vermaak zoekt, ondergaat, vindt, pleegt te vinden of kan vinden. Gelet op het brede pakket aan door [X] aangeboden activiteiten en de wijze waarop zij zich aan het publiek presenteert – “ [X] is [c] ” – is het aannemelijk dat er ook bezoekers zijn die niet naar [X] komen om te winkelen maar [X] enkel bezoeken om zich door deelname aan voornoemde activiteiten te laten amuseren, zich te ontspannen en te vermaken.

Voorzieningen

13. Ter zake van de voorzieningen overweegt de rechtbank, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 24 januari 2003 (ECLI:NL:HR:2003:AF3283), dat verweerder moet aantonen dat hij lasten heeft ter zake van de door de gemeente tot stand gebrachte of in stand gehouden voorziening waarvan een vermakelijkheid profiteert, maar dat hij niet behoeft aan te geven welk bedrag van die lasten is toe te rekenen aan de te belasten vermakelijkheid. Ook voorzieningen van algemene aard kunnen in aanmerking worden genomen, mits de vermakelijkheid daarvan profijt heeft.

14. Verweerder heeft in dit kader gesteld dat eiseres door het geven van de vermakelijkheid gebruik maakt van door of met medewerking van de gemeente tot stand gebrachte of in stand gehouden voorzieningen en dat er tevens ten behoeve van de vermakelijkheid bijzondere voorzieningen in de vorm van toezicht getroffen worden, voor welke voorzieningen door het gemeentebestuur kosten worden gemaakt. Verweerder heeft, door eiseres onvoldoende weersproken, er op gewezen dat elke zaterdag en zondag in de onmiddellijke omgeving van [X] toezicht van gemeentewege plaats vindt. Dit toezicht bestaat onder meer uit toezicht op maatregelen ter regulering van het parkeren, controle en handhaving op in de Algemene Plaatselijk Verordening opgenomen overtredingen en toezicht op randactiviteiten in de directe omgeving van [X] zoals zakkenrollerij, illegale verkoop, drugsgebruik (handel). Voorts heeft verweerder er op gewezen dat hij kosten heeft gemaakt voor extra aanleg en onderhoud van (toegangs)wegen, voor bebording en bewegwijzering en andere verkeersvoorzieningen, voor straatreiniging, inclusief de reiniging van toegangswegen en de directe omgeving Bazaar, voor bestuursondersteuning en voor brandpreventie en rampenbestrijding.

15. De rechtbank stelt vast dat verweerder voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat eiseres profijt heeft van voornoemde voorzieningen. Voorts heeft verweerder voldoende aannemelijk gemaakt dat zij kosten heeft gemaakt ten behoeve van deze voorzieningen. Verweerder heeft daarbij niet hoeven aan te geven welk bedrag van de met die voorzieningen gemoeide lasten is toe te rekenen aan de te belasten vermakelijkheid. Van een onredelijke en willekeurige belastingheffing is geen sprake. Ten overvloede wijst de rechtbank er op dat uit artikel 7.1 van de in 2002 gesloten Samenwerkingsovereenkomst kan worden afgeleid dat ook [X] heeft ingezien dat verweerder kosten maakt ter zake van mede ten behoeve van [X] uitgevoerde gemeentelijke taken.

Maatstaf van heffing

16. In de Verordening 2016 is bepaald dat de grondslag voor de heffing het aantal reguliere bezoekers is. Omdat [X] sinds 1 januari 2015 voor bezoekers vrij toegankelijk is, is de in de Verordening 2016 geformuleerde heffingsgrondslag volgens eiseres oncontroleerbaar en kan de materiële belastingschuld niet worden vastgesteld.

17. Verweerder is als grondslag voor de heffing uitgegaan van 2.080.000 reguliere bezoekers in 2016. Verweerder heeft dit aantal reguliere bezoekers vastgesteld aan de hand van zowel eigen informatie van eiseres op de website van [X] als aan de hand van publicaties van derden waarin eiseres aan het woord komt over het aantal bezoekers. Aan de hand van deze informatie stelt de rechtbank vast dat eiseres zelf op een bestendige wijze naar buiten toe bekend maakt dat [X] in onder meer 2016 ieder weekend door circa 40.000 bezoekers wordt bezocht. De rechtbank is van oordeel dat verweerder daarom voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat [X] op jaarbasis wordt bezocht door 2.080.000 reguliere bezoekers. De stelling van eiseres dat het aantal reguliere bezoekers van [X] voor haar niet controleerbaar is doet niet af aan haar belastingplicht op grond van de Verordening 2016, dit te meer nu zij het zelf in de hand heeft om het aantal reguliere bezoekers wel te controleren.

Gratis vermakelijkheid in de heffing te betrekken?

18. Uit de Gemeentewet volgt niet dat alleen vermakelijkhedenretributie kan worden geheven bij een vermakelijkheid die tegen betaling toegankelijk is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres een direct financieel belang bij de bezoekers van [X] . Hogere bezoekersaantallen zullen immers van invloed zijn op de verhuurbaarheid en de huurprijs van de winkelruimten.

Schending gelijkheidsbeginsel?

19. Eiseres heeft in verband met het beroep op het gelijkheidsbeginsel gesteld dat de Verordening 2016 zo is ontworpen dat uitsluitend eiseres belastingplichtig is, met het oog op het gemeentelijke budgettaire belang, en dat vergelijkbare winkelcentra buiten de heffing blijven.

20. Over de stelling van eiseres dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden, oordeelt de rechtbank als volgt. Volgens vaste jurisprudentie kunnen gemeenten op grond van artikel 219, lid 2, van de Gemeentewet, behoudens het verbod op het hanteren van draagkracht als verdelingsmaatstaf en de in de wet gegeven nadere regelen, zelf invulling geven aan de in de belastingverordeningen op te nemen heffingsmaatstaven voor de gemeentelijke belastingen en rechten. Het staat hun in beginsel vrij die heffingsmaatstaven op te nemen die zich het beste verstaan met het gemeentelijk beleid en de praktijk van de belastingheffing (Kamerstukken II 1989/90, 21 591, nr. 3, blz. 65-67 en blz. 77-78). Voor onverbindendverklaring is slechts plaats indien een regeling is getroffen die in strijd is met enig algemeen rechtsbeginsel, aldus de Hoge Raad in onder meer het arrest 14 augustus 2009, ECLI:NL:HR:BI1943. Naar het oordeel van de rechtbank verzet artikel 229 van de Gemeentewet zich er dan ook niet tegen om de heffing van de vermakelijkheidsretributie in de Verordening 2016 vrij te stellen indien het aantal reguliere bezoekers het aantal van 1 miljoen niet overschrijdt. Gesteld noch gebleken is verder dat verweerder geen vermakelijkheidsretributie heft bij een vermakelijkheid binnen de gemeente met meer dan 1 miljoen reguliere bezoekers

Ook heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat de genoemde winkelcentra binnen de gemeente als gelijke gevallen zijn aan te merken. Verweerder heeft dit gemotiveerd weersproken terwijl niet gebleken is dat ook bij die winkelcentra meer dan incidenteel vermakelijkheden worden gegeven. Verweerder heeft als gemeentelijk wetgever – gelet op de hem te dezen toekomende beoordelingsvrijheid – in redelijkheid dan ook tot deze afbakening van het belastbare feit kunnen overgaan. Dat de gemeente de heffing aldus zo heeft vorm gegeven dat uitsluitend eiseres de heffing verschuldigd wordt, valt dan ook binnen de vrijheid van de gemeente.

21. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

22. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Kleefmann, voorzitter, en mr. B. van Walderveen en mr. T.N. van Rijn, leden, in aanwezigheid van R. van der Vecht, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2019.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.