Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2019:1449

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
27-02-2019
Datum publicatie
01-03-2019
Zaaknummer
C/15/273876 / HA ZA 18-321
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Eiseres vordert schade van voormalige buren i.v.m. verbouwing 23 jaar eerder. Anticipatie-exploot van gedaagde. Vordering afgewezen, omdat eiseres niet aan stelplicht heeft voldaan. Gelet op omstandigheden had eiseres vordering meer moeten onderbouwen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind

Zittingsplaats Alkmaar

zaaknummer / rolnummer: C/15/273876 / HA ZA 18-321

Vonnis van 27 februari 2019 (bij vervroeging)

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiseres,

advocaat mr. J.J. Hengst te Heerenveen,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. P.P. Otte te Limmen.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    dagvaarding van 12 maart 2018, met producties

  • -

    anticipatie-exploot ex art. 126 Rv van 2 mei 2018

  • -

    conclusie van antwoord, met producties

  • -

    het tussenvonnis van 11 juli 2018

  • -

    de akte wijziging van eis, met producties

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 29 januari 2019

  • -

    de brief van 7 februari 2019 van mr. Hengst, waarin deze wijst op twee kennelijke schrijffouten in het proces-verbaal.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] en [gedaagde] waren tot eind 2017 buren. [eiseres] is eigenaar van de woning aan de [adres 1] . [gedaagde] woonde op nummer [huisnummer 1] . Beide woningen hebben aan de achterzijde een aanbouw. Die van [eiseres] is aangelegd in 1966, die van nummer [huisnummer 1] in 1994. [gedaagde] heeft haar woning op 15 september 2017 verkocht en op 2 januari 2018 geleverd aan de huidige bewoner van nummer [huisnummer 1] .

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert – na eiswijziging – dat de rechtbank, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. voor recht verklaart dat [gedaagde] onrechtmatig inbreuk heeft gemaakt op de eigendommen van [eiseres] , eruit bestaande dat er gebouwd is in afwijking van de vergunning, zodanig dat daardoor de krachten uit het bouwwerk van [gedaagde] worden afgedragen op de fundering van het bouwwerk van [eiseres] waardoor schade is ontstaan aan het bouwwerk van [eiseres] ;

II. primair:
[gedaagde] veroordeelt de fundering van de aanbouw van het perceel [adres 2] zodanig te wijzigen dat de krachten uit de aanbouw niet langer worden gedragen via de fundering van de aanbouw van het perceel [adres 1] ,
subsidiair:
[gedaagde] veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 24.782,01, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding;

III. [gedaagde] veroordeelt tot het betalen van een bedrag van € 735,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding;

IV. [gedaagde] veroordeelt in de proceskosten.

3.2.

[eiseres] stelt – zakelijk weergegeven – dat [gedaagde] in 1994 een aanbouw aan haar woning heeft gerealiseerd, die op onjuiste wijze is gefundeerd. De aanbouw is niet volgens de bouwvergunning gebouwd; er is in afwijking van de tekening gebouwd. De fundering van de aanbouw van nummer [huisnummer 1] is gesteld op die van nummer [huisnummer 2]

[gedaagde] heeft de uitbouw recentelijk voorzien van een nieuwe keuken met een heel zwaar aanrechtblad. De fundering kan de extra belasting daarvan niet aan. Hierdoor zijn flinke scheuren ontstaan bij [eiseres] . Herstel daarvan kost ruim € 24.000,-.

3.3.

[gedaagde] voert verweer. De aanbouw van nummer [huisnummer 1] is gerealiseerd door een erkend aannemingsbedrijf dat geheel volgens de bouwtekeningen heeft gewerkt. Pas kort nadat de woning door [gedaagde] in 2017 te koop is gezet, heeft [eiseres] voor het eerst het standpunt ingenomen dat de fundering van de aanbouw van nummer [huisnummer 1] op de fundering van die van nummer [huisnummer 2] zou rusten.

4 De beoordeling

4.1.

De vorderingen van [eiseres] zijn alle gebaseerd op de stelling dat [gedaagde] in 1994 jegens [eiseres] een onrechtmatige daad zou hebben gepleegd door te bouwen op de fundering van [eiseres] .

4.2.

[gedaagde] heeft het standpunt van [eiseres] voorafgaande aan de onderhavige procedure gemotiveerd weersproken. Zij heeft dat verweer onderbouwd met een verklaring van het aannemersbedrijf dat de aanbouw in 1994 heeft gerealiseerd. Dat bedrijf heeft verklaard dat er volgens de bouwtekening is gebouwd en dat de fundering van [gedaagde] los staat van die van [eiseres] . Zowel de tekening als de schriftelijke verklaring is aan de advocaat van [eiseres] toegezonden op 17 september 2017. De dagvaarding is door [eiseres] op 12 maart 2018 aan [gedaagde] betekend.

In de dagvaarding wordt niet ingegaan op de verklaring van het aannemersbedrijf en de overgelegde bouwtekening.

4.3.

[eiseres] stelt dat in haar aanbouw sprake is van scheurvorming. Zij heeft dat standpunt echter op geen enkele wijze onderbouwd, zelfs niet door eigen foto’s van de scheurvorming in het geding te brengen. Aan het tijdens de comparitie van partijen namens [eiseres] gedane aanbod de foto’s alsnog over te leggen gaat de rechtbank voorbij. [eiseres] heeft voorafgaande aan en ook in deze procedure voldoende gelegenheid gehad het haar ter beschikking staande ondersteunende materiaal over te leggen.

4.4.

Bij de dagvaarding is een verklaring overgelegd van ir. [naam] van Hanselman Groep BV. Wat de deskundigheid van de heer [naam] inhoudt, is door [eiseres] niet duidelijk gemaakt. De heer [naam] concludeert dat voor de fundering van de aanbouw van nummer [huisnummer 1] gebruik is gemaakt van de al aanwezige fundering van nummer [huisnummer 2] Die conclusie is blijkens het door voornoemde heer [naam] opgestelde rapport en de verklaring ter zitting slechts gebaseerd op foto’s van [eiseres] uit 1994 van de aanbouw in aanbouw; technisch onderzoek is niet verricht. Daarnaast wordt vermeld dat de aanbouw van nummer [huisnummer 1] kort na 2010 is gemoderniseerd, waarbij een zwaar aanrechtblad is geïnstalleerd en dat sinds dat moment scheurvorming is ontstaan. Ten slotte wordt vermeld dat de uitvoering van het werk is gedaan in eigen beheer en niet door een gerenommeerde aannemer.

Tijdens de comparitie van partijen – waar niet [eiseres] , maar een gevolmachtigde buurvrouw van [eiseres] is verschenen – is echter gebleken dat [eiseres] de scheurvorming in 2012 voor het eerst heeft gezien. Bovendien zijn de werkzaamheden niet in eigen beheer uitgevoerd, maar door een aannemersbedrijf.

4.5.

Tijdens de comparitie is voorts het volgende gebleken.

  • -

    De aanbouw van [gedaagde] is niet “recent” verbouwd, zoals gesteld in de dagvaarding.

  • -

    In 2010 is er een nieuwe keuken ingekomen, maar is geen sprake van een zwaar natuurstenen aanrechtblad. De gemachtigde van [eiseres] verklaarde die in de dagvaarding ingenomen stelling door te verwijzen naar de verkoopbrochure uit 2017, waarop een aanrechtblad te zien was dat eruit zag als een behoorlijk zwaar aanrechtblad. Dat blijkt echter in werkelijkheid een licht aanrechtblad te zijn, 12 mm dik hout en alleen aan de voorzijde voorzien van een opdikking.

  • -

    De gemeente heeft in 2011 rioleringswerkzaamheden uitgevoerd in de straat. Verschillende buurtbewoners hebben vervolgens klachten geuit over scheurvorming in muren; ook [eiseres] . Er is geen relatie gelegd kunnen worden tussen die rioleringswerkzaamheden en de klachten over scheurvorming

4.6.

Gelet op al het voorgaande komt de rechtbank tot de slotsom dat [eiseres] haar eerst in 2017 ingenomen stelling dat [gedaagde] 23 jaar eerder een onrechtmatige daad zou hebben gepleegd die in 2012 tot schade heeft geleid, onvoldoende heeft onderbouwd. Dat betekent dat aan bewijslevering niet wordt toegekomen en dat de vordering van [eiseres] zal worden afgewezen.

4.7.

Wat partijen over een weer nog meer naar voren hebben gebracht, kan daarom onbesproken blijven.

4.8.

[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- griffierecht 895,00

- salaris advocaat 1.390,00 (2,0 punt × tarief € 695,00)

Totaal € 2.285,00

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 2.285,00,

5.3.

veroordeelt [eiseres] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eiseres] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.J. Saarloos en bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op 27 februari 2019.1

1 type: LJS coll: WD