Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2019:1414

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
21-02-2019
Datum publicatie
04-03-2019
Zaaknummer
18_5238 en 18_5237
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 oktober 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan derde-partij omgevingsvergunning verleend voor het wijzigen van de oprijlaan naar kasteel Marquette op het perceel Marquettelaan 34 te Heemskerk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2019/82 met annotatie van Meijden, D. van der
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: HAA 18/5238 en HAA 18/5237

uitspraak van de voorzieningenrechter van 21 februari 2019 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

1. Vereniging Milieudefensie, te Amsterdam

2. Actiegroep Behoud Bomen Oprijlaan Marquette, te Heemskerk

3. [eiser 3], te [woonplaats] ,

(gemachtigde: mr. K. van Driel)

eisers

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heemskerk, verweerder

(gemachtigden: G. Lukken en mr. M. van der Fluit).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: de naamloze vennootschap N.V. PWN Waterleidingbedrijf Noord-Holland, te Castricum.

Procesverloop

Bij besluit van 19 oktober 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan derde-partij omgevingsvergunning verleend voor het wijzigen van de oprijlaan naar kasteel Marquette op het perceel Marquettelaan 34 te Heemskerk.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij hebben verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 februari 2019. Namens eisers is verschenen [eiser 3] ; namens Actiegroep Behoud Bomen Oprijlaan Marquette is verschenen drs. P.L.G.M. Dicker, beiden bijgestaan door voornoemde gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Namens derde-partij is [naam 1] verschenen, bijgestaan door [naam 2] .

Overwegingen

1. Na afloop van de zitting is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter doet daarom op grond van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.

2. De voorzieningenrechter heeft ter zitting aangegeven dat het beroep, voor zover ingesteld door de Actiegroep Behoud Bomen Oprijlaan Marquette en [eiser 3] , niet-ontvankelijk zal moeten worden verklaard omdat zij niet als belanghebbende kunnen worden aangemerkt bij het bestreden besluit. Het door de Vereniging Milieudefensie ingestelde beroep is naar het oordeel van de voorzieningenrechter wel ontvankelijk, nu op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting afdoende is komen vast te staan dat de door GOED-AARDIG milieudefensiegroep ingediende zienswijze tegen het voornemen tot het nemen van het bestreden besluit moet worden beschouwd als te zijn ingediend door of namens de Vereniging Milieudefensie. De Vereniging Milieudefensie is gelet op de statuten voorts als belanghebbende aan te merken. Omdat het beroep, ingesteld door de Vereniging Milieudefensie ontvankelijk is, hebben de beide andere partijen er ter zitting mee ingestemd alleen het beroep van de Vereniging Milieudefensie te behandelen. Gelet op het verhandelde ter zitting heeft de voorzieningenrechter deze instemming begrepen als een intrekking van het beroep, voor zover ingediend door de Actiegroep Behoud Bomen Oprijlaan Marquette en [eiser 3] . Hierna zal om die reden het beroep, ingediend door de Vereniging Milieudefensie, worden behandeld.

3.1

Bij het bestreden besluit heeft verweerder omgevingsvergunning verleend op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) voor de activiteiten:

- het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, in gevallen waarin dat bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit is bepaald, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo;

- het slopen, verstoren, verplaatsen of in enig opzicht wijzigen van een rijksmonument of het herstellen, gebruiken of laten gebruiken van een rijksmonument op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wabo en

- het vellen of doen vellen van een houtopstand als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid aanhef en onder g, van de Wabo.

3.2

Het wettelijk kader dat op deze procedure van toepassing is, is opgenomen in de bijgevoegde bijlage.

4. Verweerder heeft in het bestreden besluit, onder verwijzing naar de “Notitie vervanging laanbomen Landgoed Marquette” van 22 mei 2018 en de “Reactie op zienswijzen” van september 2018, gemotiveerd dat het kappen van de aanwezige bomen, het verwijderen van de stobben en wortels en het herplanten van koningslinden niet in strijd komt met de in de het bestemmingsplan “Heemskerk Buitengebied 2015” van toepassing zijnde bestemmingen “Natuur” en “Archeologie 1” en de daar beschermde en te betrekken waarden. Verweerder heeft onder verwijzing naar het onderzoeksrapport “Oprijlaan Marquette” van Landschap Noord Holland van juni 2012 verder gemotiveerd dat de algemene historische waarde, de ensemblewaarde en de tuinhistorische waarde van de oprijlaan hoog is en dat de structuur en hoge cultuurhistorische waarde die wordt bepaald door de lengte en breedte van het laanprofiel, de dubbele rij met bomen aan beide zijde van de weg, de functie en de ligging van de laan in de aanleg en de relatie tussen het huis en de oprijlaan waardevoller wordt geacht dan de hoge cultuurhistorische waarde van de oude beuken. Verweerder wijst voorts op de rapportage van het Bureau voor archeologie van 5 september 2014 waarin is aangegeven dat er binnen de omgewerkte laag tot 70 cm of dieper geen behoudenswaardige archeologische resten worden verwacht, waardoor ook de bestemming “Archeologie I” niet aan het uitvoeren van het werk in de weg staat.

Verweerder wijst er op dat de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap een positief advies heeft uitgebracht ter zake de inbreuk in het rijksmonument en dat ook gedeputeerde staten van Noord-Holland heeft aangegeven dat het plan niet in strijd komt met de Provinciale ruimtelijke verordening voor wat betreft de inbreuk in het monument en dat het daarentegen een verbetering oplevert. Ook de Erfgoedcommissie Mooi Noord-Holland, eveneens geconsulteerd in verband met de toestemming om het monument te wijzigen, is akkoord gegaan met het voorgestelde plan.

Verweerder heeft verder gemotiveerd dat er een groter algemeen belang – hiervoor beschreven onder “Natuur” – bestaat bij de verlening van de omgevingsvergunning dan bij het behoud van de bomen. Daarbij heeft verweerder ook betrokken de onderzoeksrapportage “VTA en nader onderzoek 51 bomen Landgoed Marquette Heemskerk” van 29 december 2014 waarin is gesteld dat de bomen in een redelijke maar afnemende conditie verkeren en dat diverse bomen aantastingen door honingszwam en korsthoutskoolzwam vertonen en ook diverse plakoksels zijn aangetroffen. Vanwege de afnemende conditie van de bomen zal de vorming van dood hout gestaag voortschrijden. Ook uit de controle is gebleken dat bij diverse bomen dood hout in de kroon is aangetroffen. Binnen 10 jaar zullen diverse bomen uitvallen als gevolg van mechanische gebreken en/of aantastingen door houtparasitaire schimmels, aldus het rapport.

Verweerder stelt dat geen alternatief bestaat voor het vellen van de bomen en dat ook voor de door derde-partij gewenste werkwijze, velling en herplanting ineens, geen goed alternatief bestaat. Vervanging van bomen die uitvallen zal uiteindelijk niet leiden tot een uniforme laan, waarbij ook van belang is dat de bomen die gebruikt worden voor de herplant niet tot goede wasdom kunnen komen tussen de bestaande beuken.

5. De Vereniging Milieudefensie (hierna: eiseres) kan zich in het bestreden besluit niet vinden. Eiseres stelt dat alle in de APV opgenomen weigeringsgronden aan de kap van de bomen in de weg staan en dat van een groot maatschappelijk belang om ondanks de weigeringsgronden toch tot de kap van de bomen over te gaan, geen sprake is. De in dat verband door derde-partij gewenste uniformiteit van de laan kan niet als zodanig worden aangemerkt nu van uniformiteit van de laan nu geen sprake is en daarvan ook nooit sprake is geweest. Verder is niet goed gemotiveerd waarom aan het belang van cultuur doorslaggevende betekenis is gegeven, teminder nu de waarde van de natuur in het bestemmingsplan is benadrukt. Verder stelt eiseres dat alternatieven die kunnen leiden tot behoud van de bomen niet zijn onderzocht. Zij stelt in dat verband dat de door derde-partij gewenste werkwijze van het kappen ineens te rigoureus is, in welk standpunt zij zich gesterkt voelt door de in de gemeenteraad op 7 november 2018 aangenomen motie tot aanhouding van de kap van de bomen. Eiseres wenst in elk geval dat de zogenoemde overgeleverde beheerwijze wordt toegepast, een werkwijze die eruit bestaat dat bomen die uitvallen worden vervangen.

6. De voorzieningenrechter stelt vast, hetgeen tussen partijen ook niet in geschil is, dat de te kappen bomen waarden vertegenwoordigen die beschermingswaardig zijn en weigeringsgronden opleveren. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder, in de stukken en nader toegelicht ter zitting, evenwel afdoende gemotiveerd dat het behoud en herstel van het monumentale landgoed als geheel en de bescherming van het monumentale karakter van de oprijlaan in het bijzonder alsnog zijn gediend met de kap van de bestaande bomen en de bij de omgevingsvergunning als voorwaarde gestelde herplant van bomen. Daartoe is redengevend dat de kap van de onderhavige bomen en de herplant van Koningslinden zullen maken dat de oprijlaan, in samenhang bezien met de eerder in fase 1 en 2 uitgevoerde werkzaamheden aan de oprijlaan, een uniform geheel zal vormen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder dit maatschappelijk belang van behoud en herstel zwaarder mogen laten wegen dan het belang dat is gediend bij het behoud van de bij het bestreden besluit betrokken bomen. Daarbij heeft verweerder ook betekenis mogen hechten aan de op dit moment weliswaar redelijke maar afnemende conditie van de bomen.

7. De voorzieningenrechter overweegt verder dat verweerder, anders dan eiseres betoogt, afdoende heeft onderzocht of niet op alternatieve wijze kon worden gekomen tot het beoogde resultaat, te weten een – uiteindelijk – uniform ogende oprijlaan. Verweerder heeft daarbij afdoende gemotiveerd dat de door eiseres voorgestane werkwijze van vervanging van uitvallende bomen niet tot dit resultaat zal kunnen leiden, waarbij ook geldt dat de aldus voor herplant te gebruiken Koningslinden tussen de bestaande beuken niet tot goede wasdom zullen komen als gevolg van een gebrek aan lichttoetreding.

8. Het beroep is ongegrond. Voor het treffen van een voorlopige voorziening bestaat geen aanleiding.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H.A.C. Everaerts, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P.C. van der Vlugt, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 februari 2019.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist op het beroep binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Bijlage: Wettelijk kader

1) Uitvoeren van een werk

Op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, in gevallen waarin dat bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit is bepaald,

Op de gronden geldt het bestemmingplan “Heemskerk Buitengebied 2015”. Op de gronden gelden de bestemmingen “Natuur” en “Waarde Archeologie 1”. In de voorschriften behorend bij deze bestemmingen (13 respectievelijk 30) is een aanlegvergunningstelsel opgenomen.

“Natuur”

Op grond van artikel 13.1 van de bestemmingsplanbepalingen zijn de voor 'Natuur' aangewezen gronden bestemd voor:

a. het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van de ecologische-, natuur en landschappelijke waarden;

b. drinkwaterwinning;

c. bos en bebossing;

d. duinrellen en waterlopen;

e. ter plaatse van de aanduiding 'horeca': tevens een terras behorende bij de aangrenzende bestemming;

f. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van natuur - infiltratiegebied': tevens een infiltratiegebied;

g. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van natuur - uitkijktoren': tevens een uitkijktoren;

h. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van natuur - landgoed': tevens een deel van het landgoed Marquette;

i. ter plaatse van de aanduiding 'brug': een fietsbrug met bijbehorend talud;

j. parkeervoorzieningen, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'parkeerterrein';

k. ter plaatse van de aanduiding 'ecologische verbindingszone': het behoud, het herstel en de ontwikkeling van natuurlijke en ecologische waarden waaronder begrepen natte natuur.

met daaraan ondergeschikt:

l. educatief medegebruik;

m. extensieve dagrecreatie;

n. water, waterhuishoudkundige voorzieningen en waterberging;

o. groenvoorzieningen;

p. infrastructurele voorzieningen.

Op grond van artikel 13.5.1 van de bestemmingsplanbepalingen is het verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van Burgemeester en Wethouders (aanlegvergunning) de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren:

a. het aanplanten van bomen en/of houtgewas, waaronder begrepen het kweken en telen van bomen, struiken en heesters;

b. het vellen, kappen en/of rooien van bomen en houtopstanden alsmede het verwijderen van oevervegetaties;

c. het ontgronden, verlagen, afgraven, egaliseren, diepploegen en ophogen van gronden;

d. het aanbrengen van oppervlakteverhardingen;

e. het aanleggen van verharde en halfverharde wegen, paden en/of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;

f. het aanleggen van voorzieningen ten behoeve van het recreatief medegebruik en het educatief medegebruik;

g. verwijderen van landschapselementen;

h. het aanleggen van ondergrondse of bovengrondse transport-, energie- en/of communicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur;

i. het aanbrengen van drainage;

j. het aanleggen van dijken of andere taluds en het vergraven of ontgraven van reeds aanwezige dijken of taluds;

k. het aanleggen of aanbrengen van oeverbeschoeiingen, kaden en aanlegplaatsen;

Op grond van artikel 13.5.2 van de bestemmingsplanbepalingen is het in lid 13.5.1 vervatte verbod niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke:

a. onderhoud gebruik en beheer ten dienste van de bestemming betreffen, waaronder natuur- en landschapsbeheer in het kader van Beheerplan van het Natura-2000 gebied;

b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan en waarvoor vergunning is verleend;

c. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende aanlegvergunning/omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk of werkzaamheid;

d. bedoeld zijn onder lid 13.5.1 onder c, d en e voor zover het een kleiner oppervlak betreft dan 100 m²;

e. het aanleggen en onderhouden van waterlopen en duinrellen;

f. mogen worden uitgevoerd op grond van een ontheffing en of vergunning die reeds op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 is verleend.

Op grond van artikel 13.5.3 van de bestemmingsplanbepalingen kan de in lid 13.5.1 genoemde vergunning slechts worden verleend indien daardoor de waterstaatswerken, ecologische waarden, natuur- en/of landschapswaarden en ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van natuur - infiltratiegebied' de functie van infiltratiegebied niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast dan wel de mogelijkheden voor het herstel van die waarden niet worden of kunnen worden verkleind.

“Archeologie 1”

Op grond van artikel 30.1 van de bestemmingsplanbepalingen zijn de voor 'Waarde - Archeologie 1' aangewezen gronden, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden.

Op grond van artikel 30.3.1 van de bestemmingsplanbepalingen is het verboden op of in de gronden met de bestemming 'Waarde - Archeologie 1' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

a. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage;

b. het uitvoeren van heiwerkzaamheden en het op een of ander wijze indrijven van voorwerpen;

c. het verlagen of verhogen van het waterpeil;

d. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd;

e. het aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.

Op grond van artikel 30.3.2 van de bestemmingsplanbepalingen is het verbod van lid 30.3.1 niet van toepassing op gronden die zijn bestemd voor Leiding - Gas en indien de werken en werkzaamheden:

a. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarbij lid 30.2 in acht is genomen;

b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan;

c. ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd;

d. gericht zijn op het normale onderhoud en beheer van de betreffende gronden.

Op grond van artikel 30.3.3 van de bestemmingsplanbepalingen zijn de werken en werkzaamheden, zoals in lid 30.3.1 bedoeld, slechts toelaatbaar, indien de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden aan de hand van nader archeologisch onderzoek kan aantonen dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden aanwezig zijn. Voorts zijn de werken en werkzaamheden toelaatbaar, indien:

a. de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden een rapport heeft overlegd waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld;

b. de betrokken archeologische waarden, gelet op dit rapport, door de activiteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden regels te verbinden, gericht op het behoud van de archeologische resten in de bodem, het doen van opgravingen dan wel het begeleiden van de bouwactiviteiten door een archeologisch deskundige.

2) Wijzigen rijksmonument

Op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het slopen, verstoren, verplaatsen of in enig opzicht wijzigen van een rijksmonument of het herstellen, gebruiken of laten gebruiken van een rijksmonument op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht.

3) Vellen houtopstand

Op grond van artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder g, van de Wabo geldt dat voor zover ingevolge een bepaling in een provinciale of gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist om houtopstand te vellen of te doen vellen een zodanige bepaling als een verbod om een project voor zover dat geheel of gedeeltelijk uit die activiteiten bestaat, uit te voeren zonder omgevingsvergunning.

Op grond van artikel 4:11, eerste lid, van de Algemene plaatselijke verordening 2017 (APV) van de gemeente Heemskerk is het verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag de houtopstanden te vellen of te doen vellen die zijn vermeld op de groene kaart.

Op grond van artikel 4:11, derde lid, van de APV kan, in afwijking van artikel 1:8 de vergunning worden geweigerd op grond van:

a. de natuurwaarde van de houtopstand;

b. de landschappelijke waarde van de houtopstand;

c. de waarde van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon;

d. de beeldbepalende waarde van de houtopstand;

e. de cultuurhistorische waarde van de houtopstand; of

f. de waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand.

Op grond van artikel 4:11, vierde lid, van de APV kan, als op grond van het derde lid een omgevingsvergunning voor het vellen van de betreffende houtopstand kan worden geweigerd het bevoegd gezag de omgevingsvergunning tot het vellen van de betreffende houtopstand alsnog verlenen als het maatschappelijk belang dat is gediend met het vellen van de betreffende houtopstand zwaarder weegt dan het belang dat is gediend met het behoud van de betreffende houtopstand.

Op grond van artikel 4:11, vijfde lid, van de APV verleent het bevoegd gezag alleen een omgevingsvergunning voor het vellen van een houtopstand als alternatieven voor het behoud van de houtopstand zijn onderzocht en alternatieven niet mogelijk zijn gebleken dan wel niet opwegen tegen het belang dat is gediend met het vellen van de houtopstand.

Op grond van artikel 4:11, zesde lid, van de APV kan het bevoegd gezag een herplantplicht opleggen onder nader te stellen voorschriften.