Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2019:1289

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
18-02-2019
Datum publicatie
04-03-2019
Zaaknummer
AWB - 17 _ 1969
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aan eiseres is een voorlopige aanslag vpb opgelegd met een beschikking belastingrente. Daarna is een definitieve aanslag vpb opgelegd, zonder beschikking belastingrente. Eiseres heeft bezwaar gemaakt. Het bezwaar richt zich tegen de belastingrente die bij de voorlopige aanslag in rekening is gebracht. De rechtbank komt tot het oordeel dat het bezwaar ten onrechte is aangemerkt als verzoek om herziening van de voorlopige aanslag maar aangemerkt had moeten worden als bezwaar tegen de in de definitieve aanslag besloten liggende beschikking belastingrente die in dit geval wegens verrekening nihil is. In zoverre is het beroep gegrond. Eiseres wordt niet gevolgd in haar standpunt dat de beginselen van behoorlijk bestuur ertoe leiden dat verweerder alleen vóór het verstrijken van de zesmaandsperiode een voorlopige aanslag mocht opleggen (artikel 30f, eerste lid, van de AWR). Ook van schending van artikel 1 EP EVRM en artikel 14 EVRM is geen sprake.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 30f
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 04-03-2019
V-N Vandaag 2019/494
FutD 2019-0673
NTFR 2019/980 met annotatie van E.P. Hageman FB
V-N 2019/23.28.22
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

zaaknummer: HAA 17/1969

uitspraak van de meervoudige kamer van 18 februari 2019 in de zaak tussen

[X] BV, gevestigd te [Z] , eiseres

(gemachtigde: N.A. Koppel RB),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres met dagtekening 14 maart 2015 voor het jaar 2013 een voorlopige aanslag vennootschapsbelasting opgelegd, berekend naar een belastbaar bedrag van € 147.307. In deze voorlopige aanslag is een beschikking belastingrente begrepen van € 1.967.

Verweerder heeft aan eiseres met dagtekening 31 december 2015 voor het jaar 2013 de definitieve aanslag vennootschapsbelasting opgelegd, berekend naar een belastbaar bedrag van € 147.307. Met die aanslag is de voorlopige aanslag verrekend.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 februari 2018 te Haarlem.

Eiseres en haar gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. van Meene en mr. J.N.A.H. Renckens.

De rechtbank heeft na de zitting het onderzoek heropend en de zaak verwezen naar de meervoudige kamer van deze rechtbank. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 november 2018 te Haarlem. Namens eiseres zijn mr. [A] en mr. [B] verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. van Meene en mr. J.N.A.H. Renckens.

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres heeft op 26 februari 2015 de aangifte vennootschapsbelasting voor het jaar 2013 ingediend.

2. Met dagtekening 14 maart 2015 heeft verweerder aan eiseres voor het jaar 2013 een voorlopige aanslag vennootschapsbelasting opgelegd in overeenstemming met de ingediende aangifte, berekend naar een belastbaar bedrag van € 147.307. In deze voorlopige aanslag vennootschapsbelasting is een beschikking belastingrente begrepen van € 1.967. De belastingrente is berekend over het tijdvak 1 juli 2014 tot en met 25 april 2015.

3. De beschikking belastingrente bevat geen rechtsmiddelverwijzing.

4. Verweerder heeft aan eiseres met dagtekening 31 december 2015 de definitieve aanslag vennootschapsbelasting 2013 opgelegd, berekend naar een belastbaar bedrag van € 147.307. Met deze aanslag, waarbij geen belastingrente in rekening is gebracht, is de voorlopige aanslag vennootschapsbelasting verrekend.

5. Eiseres is op 10 februari 2016 in bezwaar gekomen tegen de definitieve aanslag vennootschapsbelasting. Het bezwaar is gericht tegen de belastingrente die in rekening is gebracht bij het opleggen van de voorlopige aanslag vennootschapsbelasting.

6. Verweerder heeft het bezwaar aangemerkt als een verzoek om herziening van de voorlopige aanslag vennootschapsbelasting op de voet van artikel 27, tweede lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: de Wet).

7. Verweerder heeft het verzoek om herziening van de voorlopige aanslag vennootschapsbelasting afgewezen bij voor bezwaar vatbare beschikking met dagtekening 26 juli 2016.

8. Eiseres heeft op 29 augustus 2016 bezwaar aangetekend tegen de afwijzing van het verzoek om herziening van de voorlopige aanslag vennootschapsbelasting.

9. Met dagtekening 2 maart 2017 heeft verweerder het bezwaar tegen de afwijzing van het verzoek om herziening van de voorlopige aanslag vennootschapsbelasting ongegrond verklaard.

10. Eiseres is op 12 april 2017 in beroep gekomen tegen de uitspraak op bezwaar.

Geschil

11. In geschil is de ontvankelijkheid van het bezwaar. Voorts is in geschil de hoogte van de (met betrekking tot de voorlopige aanslag vennootschapsbelasting) in rekening gebrachte belastingrente.

Beoordeling van het geschil

Ontvankelijkheid van het bezwaar en het beroep

12. Met dagtekening 31 december 2015 is de aanslag voor het jaar 2013 vastgesteld. Op het aanslagbiljet is niet vermeld dat bij beschikking belastingrente op de voet van artikel 30fc van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de AWR) in rekening is gebracht. De reden daarvoor is, zo begrijpt de rechtbank mede op grond van de gedingstukken, dat die rente niet verschuldigd is omdat de voorlopige aanslag van 14 maart 2015 en de aanslag beide naar hetzelfde belastbaar bedrag zijn opgelegd.

13. Op 10 februari 2016 heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen de aanslag. Het bezwaar richt zich tegen de belastingrente die ter gelegenheid van de vaststelling van de voorlopige aanslag van 14 maart 2015 op grond van het bepaalde in artikel 30f van de AWR in rekening is gebracht.

14. Een voorlopige aanslag als bedoeld in artikel 13 van de AWR strekt, anders dan een definitieve aanslag, niet ertoe een materiële belastingschuld in een formele belastingschuld om te zetten. Met een voorlopige aanslag is, aldus de Hoge Raad in zijn arrest van 16 oktober 1991 (ECLI:NL:HR:1991:BH7959) niets anders beoogd dan het scheppen van een formele grondslag voor vooruitbetalingen op een nog op te leggen definitieve aanslag. Het gevolg hiervan is, aldus de Hoge Raad in dat arrest, dat het op een voorlopige aanslag betaalde bedrag moet worden teruggegeven indien de definitieve aanslag niet tijdig wordt opgelegd. Indien een definitieve aanslag volgt, vindt verrekening daarvan plaats met de voorlopige aanslag op de voet van artikel 15 van de AWR.

15. Het voorgaande heeft – voor zover in dezen van belang – naar het oordeel van de rechtbank gelijkelijk te gelden voor de toepassing van de regeling van de belastingrente. Derhalve dient ingeval de definitieve aanslag over enig jaar te laat is opgelegd, niet enkel terugbetaling te volgen van hetgeen op de voorlopige aanslag is betaald maar evenzeer van de belastingrente die bij die voorlopige aanslag in rekening is gebracht.

16. Het voorgaande leidt ertoe dat in de aan eiseres opgelegde definitieve aanslag moet worden geacht besloten te liggen een op de voet van artikel 30fc van de AWR genomen beschikking belastingrente ten belope van de reeds bij de voorlopige aanslag in rekening gebrachte belastingrente. Tevens moet die eerder in rekening gebrachte rente worden geacht te zijn verrekend met de rente die bij de definitieve aanslag in rekening is gebracht, zodat per saldo een te betalen bedrag van nihil resteert. Steun voor deze opvatting vindt de rechtbank in artikel 30fc, zevende lid, aanhef en letter a, van de AWR. Op grond van die bepaling, die ziet op de belastingrente die bij het opleggen van een definitieve aanslag in rekening wordt gebracht, geldt als het op een definitieve aanslag te betalen belastingbedrag het bedrag na verrekening ingevolge artikel 15 van de AWR. Feitelijk wordt dus de ter gelegenheid van de definitieve aanslag verschuldigde ‘definitieve’ belastingrente verrekend met de reeds bij de voorlopige aanslag in rekening gebrachte belastingrente.

17. Nu op 10 februari 2016 de aanslag voor het onderhavige jaar reeds was vastgesteld, dient het op die datum door eiseres gemaakte bezwaar – mede gelet op artikel 24a, derde lid, van de AWR – te worden aangemerkt als te zijn gericht tegen de hiervoor vermelde in de definitieve aanslag besloten liggende beschikking belastingrente. Verweerder heeft dat bezwaar bij zijn beschikking van 26 juli 2016 derhalve ten onrechte aangemerkt als een op grond van artikel 27 van de Wet gedaan verzoek om herziening van een voorlopige aanslag.

18. De brief van eiseres van 29 augustus 2016, waarbij bezwaar is aangetekend tegen die beschikking, moet worden opgevat als een tijdig ingediend beroepschrift dat verweerder op grond van artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht had dienen door te zenden aan de rechtbank.

19. Gelet op het hiervoor overwogene is zowel het bezwaar als het beroep inzake de in de definitieve aanslag begrepen beschikking belastingrente ontvankelijk. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat de uitspraak op bezwaar inzake het verzoek om herziening van de voorlopige aanslag vennootschapsbelasting niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard. Het beroep is in zoverre gegrond.

Inhoudelijke behandeling van het beroep

20. Artikel 13, eerste lid, van de AWR luidt als volgt:

“Ingeval de grootte van de belastingschuld eerst kan worden vastgesteld na afloop van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven, kan de inspecteur volgens bij ministeriële regeling te stellen regels aan de belastingplichtige een voorlopige aanslag opleggen tot ten hoogste het bedrag waarop de aanslag, met toepassing van de in artikel 15 voorgeschreven verrekening van de voorlopige aanslagen en de in de belastingwet aangewezen voorheffingen, vermoedelijk zal worden vastgesteld. Een voorlopige aanslag tot een positief bedrag wordt niet vastgesteld voor de aanvang van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven.”

21. De rechtbank begrijpt het standpunt van eiseres aldus dat zij zich op het standpunt stelt dat verweerder bij het maken van de keuze om al dan niet een voorlopige aanslag vast te stellen, gehouden is de beginselen van behoorlijk bestuur in acht te nemen, meer in het bijzonder het zorgvuldigheidsbeginsel en evenredigheidsbeginsel. Dit brengt in dit geval volgens eiseres met zich dat verweerder een voorlopige aanslag had moeten opleggen vóór het verstrijken van de zesmaandsperiode waarover belastingrente wordt berekend (artikel 30f, eerste lid, van de AWR).

22. Aangaande deze stelling van eiseres overweegt de rechtbank dat verweerder bij zijn taakuitoefening de beginselen van behoorlijk bestuur in acht moet nemen, maar dat die beginselen in een geval als hier aan de orde niet zo ver voeren dat verweerder was gehouden vóór het verstrijken van de zojuist vermelde periode een voorlopige aanslag op te leggen. Daarbij komt dat eiseres ingevolge artikel 13, vierde lid, van de AWR, verweerder kon verzoeken om een voorlopige aanslag vast te stellen en het dus binnen de invloedssfeer van eiseres zelf lag om de verschuldigdheid van belastingrente te beperken (vgl. Hoge Raad 24 augustus 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA2846).

23. Eiseres stelt zich voorts op het standpunt dat de afwezigheid van de verplichting voor verweerder tot het opleggen van een voorlopige aanslag in dit geval een schending inhoudt van het recht op ongestoord genot van eigendom als bedoeld in artikel 1 van het Eerste Protocol behorend bij het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EP EVRM). De rechtbank is van oordeel dat eiseres hiertoe onvoldoende heeft gesteld.

24. Verder stelt eiseres zich op het standpunt dat de wetgever met het hanteren van een percentage van 8% artikel 1 van het EP EVRM heeft geschonden.

25. Naar volgt uit de derde volzin van artikel 1, eerste lid, van het EP EVRM, tasten de bepalingen van dat artikellid op geen enkele wijze het recht aan dat een Staat heeft om de wettelijke regels toe te passen die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen of boeten te verzekeren. De belastingrenteregeling is een maatregel in de hier bedoelde zin. Volgens vaste jurisprudentie van het Europese Hof voor de rechten van de mens (hierna: EHRM) moet een dergelijke maatregel een ‘fair balance’ waarborgen tussen de eisen van het algemeen belang en de bescherming van de individuele fundamentele rechten, waaronder het in artikel 1 van het EP EVRM gegarandeerde recht. Bij de beoordeling of aan dit vereiste is voldaan komt de nationale wetgever een ruime beoordelingsmarge toe (EHRM (Della Ciaja/Italië), 22 juni 1999, nr. 46757/99, BNB 2002/398). Naar het oordeel van de rechtbank valt de regeling van de belastingrente binnen de zo-even bedoelde ruime beoordelingsmarge van de wetgever.

26. Voorts stelt eiseres zich op het standpunt dat de in rekening gebrachte belastingrente niet aan eiseres kan worden toegerekend in verband met de langlopende onderhandelingen over een vaststellingsovereenkomst en de afhandeling van een boekenonderzoek. Ook die stelling kan geen doel treffen, aangezien de belastingregeling zoals die in de AWR is vervat, naar tekst en strekking geen ruimte biedt om in een geval als het onderhavige op die grond het in rekening brengen van belastingrente achterwege te laten (vgl. Hoge Raad 26 september 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF4151).

27. Ten slotte beroept eiseres zich op artikel 14 van het EVRM in samenhang met artikel 26 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. Zij stelt in dat verband dat belastingplichtigen die een verzoek indienen tot het vaststellen van een voorlopige aanslag na afloop van het desbetreffende jaar, zoals eiseres, ten onrechte slechter worden behandeld dan belastingplichtigen die een dergelijk verzoek voor eerdere jaren hebben ingediend gedurende een desbetreffend jaar.

28. Niet in geschil is dat eiseres nimmer een verzoek tot het vaststellen van een voorlopige aanslag heeft ingediend en dus niet behoort tot de categorie belastingplichtigen die volgens haar ten onrechte slechter worden behandeld. De rechtbank ziet dan ook niet in hoe deze beroepsgrond, wat daar van zij, haar kan baten.

29. Het beroep tegen de in de definitieve aanslag begrepen beschikking belastingrente dient ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

30. Nu het beroep, gelet op hetgeen onder 19 is vermeld, gedeeltelijke gegrond is, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.024 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 512 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep inzake het verzoek om herziening van de voorlopige aanslag vennootschapsbelasting gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar;

  • -

    verklaart eiseres niet-ontvankelijk in haar bezwaar tegen de afwijzing van het verzoek om herziening van de beschikking belastingrente en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

  • -

    verklaart het beroep gericht tegen de in de definitieve aanslag begrepen beschikking belastingrente ongegrond;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.024;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 333 aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. R.A.J.C. de Haas, voorzitter, en mr. A.A. Fase en mr. R. van Scharrenburg, leden, in aanwezigheid van mr. R.A. Brits, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2019.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.