Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2019:1182

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
18-02-2019
Datum publicatie
26-02-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 2898
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser heeft inlichtingenplicht geschonden, verweerder heeft boete onjuist berekend. Omdat beide partijen een fout hebben gemaakt stelt rechtbank boete op nul.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand 17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 18/2898

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 februari 2019 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. J. Sprakel),

en

het college van burgemeester en wethouders van Haarlem, verweerder

(gemachtigden: mr. E.M. Opdam en D. Bording).

Procesverloop

Bij besluit van 13 februari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser een boete opgelegd van € 75,-.

Bij besluit van 11 juni 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 november 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1.1.

Eiser ontvangt een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet (Pw). Verweerder heeft hem bij brief van 28 juli 2017 uitgenodigd voor een rechtmatigheidsgesprek op 10 augustus 2017 en gevraagd de in deze brief genoemde gegevens mee te nemen. Op 10 augustus 2018 heeft verweerder eisers uitkering opgeschort omdat hij zonder tegenbericht niet is verschenen op het gesprek. Ook is hij opnieuw uitgenodigd voor een gesprek, nu op 24 augustus 2017, en gevraagd de genoemde gegevens mee te nemen. Eiser is op het gesprek verschenen maar zonder de gevraagde gegevens. Daarop is afgesproken dat hij de gevraagde gegevens alsnog toestuurt. Omdat eiser is verschenen zonder alle gegevens mee te nemen, heeft verweerder hem bij het primaire besluit een boete van € 75,- opgelegd wegens schending van zijn inlichtingenplicht.

1.2.

Verweerder heeft deze boete bij het bestreden besluit gehandhaafd.

2.1.

Eiser voert in beroep aan dat dat hij de uitnodiging voor het gesprek op 10 augustus 2017 niet heeft gezien. Deze is door zijn vader aangenomen. Hem kan niet worden verweten dat hij niet alle gegevens heeft aangeleverd omdat de twee uitnodigingen elk andere informatie vragen. Hij heeft aan de minst vragende uitnodiging voldaan. Hij heeft dus niet verwijtbaar informatie achtergehouden en bovendien de overige gegevens later alsnog geleverd. Omdat er geen sprake is van een benadelingsbedrag had verweerder kunnen volstaan met een waarschuwing. Aangezien er meer dan twee jaar is verstreken sinds een eerdere gedraging en de daarvoor opgelegde maatregel, is er geen sprake van recidive. De boete is volgens eiser dan ook onterecht.

2.2.

Verweerder stelt dat de uitnodiging voor het gesprek op 10 augustus 2017 aangetekend naar het juiste adres van eiser is verzonden. Dat deze door zijn vader is aangenomen en dat eiser de uitnodiging niet heeft gezien, komt voor eisers rekening. Dat eiser de ontbrekende gegevens later alsnog heeft verstrekt, betekent niet dat hij de inlichtingenplicht niet heeft geschonden. Dat is een boetewaardige gedraging. Eiser heeft pas in oktober 2017 de gevraagde gegevens overgelegd. Er is sprake van recidive aangezien aan eiser op 28 september 2015 een boete is opgelegd wegens schending van de inlichtingenplicht. Hij heeft zich binnen twee jaar opnieuw schuldig gemaakt aan schending van de inlichtingenplicht. Gezien dat laatste ziet verweerder geen aanleiding om te volstaan met een waarschuwing. De boete is volgens verweerder terecht opgelegd.

3.1.

Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Pw, doet de belanghebbende aan het college op verzoek mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

Op grond van artikel 18a, derde lid, van de Pw legt het college een bestuurlijke boete op van ten hoogste het bedrag van de tweede categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, indien het niet of niet behoorlijk nakomen door de belanghebbende van een verplichting als bedoeld in artikel 17, eerste lid, niet heeft geleid tot een benadelingsbedrag.

Op grond van het vierde lid van dit artikel kan het college afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete als bedoeld in het derde lid en volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de belanghebbende van een verplichting als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Pw, tenzij het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichtingen plaatsvindt binnen een periode van twee jaar, te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de belanghebbende een zodanige waarschuwing is gegeven.

3.2.

Op grond van artikel 2, vierde lid, van het Boetebesluit socialezekerheidswetten wordt de bestuurlijke boete vastgesteld op 50 procent van het benadelingsbedrag indien geen sprake is van opzet of grove schuld ten aanzien van de overtreding van de inlichtingenverplichting.

Op grond van het elfde lid van dit artikel wordt als uitgangspunt een bestuurlijke boete van € 150 vastgesteld indien een overtreding van de inlichtingenverplichting niet heeft geleid tot een benadelingsbedrag en niet volstaan wordt met het geven van een schriftelijke waarschuwing, tenzij een afwijkend bedrag noodzakelijk is voor de vaststelling van een evenredige boete.

3.3.

Volgens artikel 7, eerste lid, van de Beleidsregels bestuurlijke boete SZW gemeente Haarlem 2015 (de Beleidsregels) wordt bij de eerste overtreding een schriftelijke waarschuwing gegeven indien de belanghebbende niet of in onvoldoende mate heeft voldaan aan de inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 17 van de wet, zonder dat als gevolg daarvan ten onrechte of te veel bijstand is verstrekt.

Volgens het derde lid van dit artikel legt het college een bestuurlijke boete op ter hoogte van maximaal € 100,- indien de belanghebbende binnen de recidivetermijn als genoemd in artikel 18a, vierde lid, van de wet (2 jaar) opnieuw de inlichtingenplicht schendt, zonder dat sprake is van een benadelingsbedrag. In deze gevallen gelden de percentages zoals genoemd in artikel 5 van de Beleidsregels.

Volgens artikel 5 van de Beleidsregels wordt er een boete opgelegd van 50 % van het benadelingsbedrag in geval er geen sprake is van aantoonbare opzet of grove schuld en evenmin van verminderde verwijtbaarheid.

4.1.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser de inlichtingenplicht geschonden door niet te verschijnen op het rechtmatigheidsgesprek van 10 augustus 2017 en door op 24 augustus 2017 niet alle gevraagde gegevens te verstrekken die in de uitnodiging voor dat gesprek waren gevraagd. De omstandigheid dat eisers vader de uitnodiging voor het gesprek op 10 augustus heeft aangenomen en dat eiser die vervolgens niet heeft gezien, komt voor zijn risico, zoals verweerder ook heeft aangenomen.

4.2.

Daar staat tegenover dat de rechtbank niet kan volgen hoe verweerder tot vaststelling van de boete van € 75,- is gekomen. Aan eiser is in september 2015 een boete opgelegd wegens schending van de inlichtingenplicht. Vóór september 2017, dus binnen twee jaar, heeft hij de inlichtingenplicht weer geschonden. Er is daarom sprake van recidive als bedoeld in artikel 7, derde lid, van de Beleidsregels. Daaruit volgt dat verweerder een boete van maximaal € 100,- kon opleggen. Volgens artikel 5 van de Beleidsregels dient de boete in dit geval 50 % van dat bedrag te zijn, dus € 50,-. Voor verhoging van het maximale boetebedrag tot 150 % van het benadelingsbedrag volgens de algemene regel die in artikel 6 van de Beleidsregels is opgenomen voor recidive - mogelijk is verweerder op deze manier tot een hogere boete gekomen - is in dit geval geen plaats, nu het derde lid van artikel 7 al een specifieke regel geeft voor recidive. De conclusie is dat verweerder in strijd met de Beleidsregels een te hoge boete heeft opgelegd.

4.3.

De rechtbank is bevoegd in dit geval zelf een passende boete te bepalen. Nu beide partijen zich in deze zaak niet geheel aan de regels hebben gehouden, vindt de rechtbank het passend om deze fouten tegen elkaar weg te strepen en de boete op nul te stellen. De relatie tussen eiser als bijstandsontvanger en verweerder als bijstandsverstrekker bestaat al lang en blijft vooralsnog bestaan. Gelet daarop kan nu worden volstaan met de constatering dat beide partijen een fout hebben gemaakt. Het opleggen van een boete van € 50,- voegt daaraan niets toe. Het lijkt de rechtbank zinniger als partijen - beide - hun best doen voor een goede voortzetting van hun relatie.

5. Het beroep is dus gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit, herroept het primaire besluit en stelt de boete op nul.

6. Omdat het beroep gegrond is, dient verweerder het betaalde griffierecht aan eiser te vergoeden.

7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.048,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 512,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- herroept het primaire besluit, stelt de boete op nul en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46,- aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.048,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Kraefft, rechter, in aanwezigheid van mr. drs. M. Abbas, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.