Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2019:1118

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
12-02-2019
Datum publicatie
26-06-2019
Zaaknummer
C/15/284743 / KG RK 19-104
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rekestprocedure
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verzoek conservatoir beslag afgewezen, omdat niet summierlijk is gebleken van de deugdelijkheid van een op dit moment bestaande vordering. Voorts is de noodzaak van het gevraagde beslagverlof onvoldoende toegelicht, gelet op de al eerder gelegde beslagen door verzoekster.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind

Zittingsplaats Alkmaar

NB/LS

zaaknummer / rekestnummer: C/15/284743 / KG RK 19-104

Beschikking van de voorzieningenrechter van 12 februari 2019

in de zaak van

[L] ,

wonend te [woonplaats],

verzoekster,

advocaat: mr. S.W. Polak te Wognum

en

[S]

wonend te [woonplaats],

gerekwestreerde.

Partijen worden hierna aangeduid als verzoekster en gerekwestreerde.

1 De procedure

Op 11 februari 2019 is bij het bureau voorzieningenrechter van deze rechtbank ingekomen een verzoekschrift van verzoekster, strekkende tot het leggen van conservatoir beslag op onroerende zaken die aan gerekwestreerde in eigendom toebehoren.

Na telefonisch contact met de griffier heeft verzoekster op 11 februari 2019 twee producties toegezonden, te weten een uittreksel uit het kadaster en een voorlopige schadestaat.

2 De beoordeling

2.1.

Partijen zijn voormalige echtelieden. De echtscheidingsbeschikking is op 12 september 2014 ingeschreven. Tussen partijen is bij deze rechtbank een procedure aanhangig waarbij verzoekster vordering tot verrekening uit hoofde van de huwelijkse voorwaarden heeft ingesteld. Tot zekerheid van verhaal van deze vordering heeft verzoekster, na daartoe verkregen verlof van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, conservatoir beslag gelegd op de woning en terreinen (akkerbouw) van gerekwestreerde gelegen aan de [adres].

2.2.

Tussen partijen is bij deze rechtbank voorts een procedure aanhangig waarbij verzoekster een verklaring voor recht heeft gevraagd dat gerekwestreerde aansprakelijk is voor alle door verzoekster geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade wegens onrechtmatig handelen van gerekwestreerde, alsmede te veroordelen tot schadevergoeding, op te maken bij staat. Volgens verzoekster bestaat het onrechtmatig handelen van gerekwestreerde eruit dat hij haar op 5 juni 2017 heeft mishandeld door haar aan het haar naar achteren te trekken waardoor zij met haar hoofd op de grond is gevallen en gewond is geraakt. Hierdoor heeft zij fysieke en mentale gezondheidsklachten gekregen.

2.3.

In het verzoekschrift heeft verzoekster gesteld dat de exacte omvang van haar schade onbekend is en dat deze naar schatting ten hoogste € 100.000,- zal bedragen. Gelet op de staffel in de beslagsyllabus verzoekster om haar vordering te begroten op € 130.000,-.

Tot verhaal van deze vordering wenst verzoekster (wederom) conservatoir beslag te doen leggen op de hiervoor onder 2.1. vermelde aan gerekwestreerde in eigendom toebehorende onroerende zaken gelegen aan de [adres].

2.4.

De griffier heeft aan de advocaat van verzoekster verzocht om de gestelde schade van € 100.000,- te onderbouwen. Hierop heeft de advocaat een voorlopige schadestaat opgesteld en toegezonden. In deze schadestaat is onder meer het volgende opgenomen:

Verlies arbeidsvermogen (VAV)

In de bodemprocedure wordt een verklaring voor recht gevorderd dat de wederpartij

aansprakelijk is. De schade is daarom nog niet gedetailleerd in kaart gebracht. De

schadepost VAV is nog niet goed te beoordelen. De reden daarvan is dat er nog geen

medische eindtoestand is. Cliente is wel al sinds het ongeval uitgevallen voor haar

werkzaamheden. Of zij weer aan het werk kan, en zo ja, in welke mate kan op dit moment nog

niet worden beoordeeld. Om die reden wordt voor deze schadestaat pragmatisch uitgegaan

van een periode van 10 jaar schade wegens VAV.

Totaal verlies arbeidsvermogen tot en met 05-06-2029 € 81.600,00”.

2.5.

Verzoekster heeft in het geheel geen stukken ter onderbouwing van deze
- in financiële zin belangrijkste - schadepost overgelegd. Verder is van belang dat in de overgelegde dagvaarding van 14 juni 2018 in de hoofdzaak onder punt 4.5. wordt vermeld dat verzoekster een vast dienstverband heeft en “Tot op heden wordt haar salaris 100% doorbetaald”. Daarmee staat voorts vast dat de vordering van verzoekster voor het grootste deel ziet op mogelijke toekomstige schade.

Verder vindt de voorzieningenrechter van belang dat verzoekster eerder reeds beslag heeft gelegd op de hier aan de orde zijnde onroerende zaken en zij door deze bijzondere omstandigheid niet hoeft te vrezen dat gerekwestreerde deze vermogensbestanddelen aan het verhaal van verzoekster zal onttrekken.

2.6.

Alles overziende is de voorzieningenrechter van oordeel dat niet summierlijk is gebleken van de deugdelijkheid van een op dit moment bestaande vordering. Voorts is de noodzaak van het gevraagde beslagverlof onvoldoende toegelicht, gelet op de al eerder gelegde beslagen door verzoekster.

3 De beslissing

De voorzieningenrechter

wijst het verzoek af.

Deze beschikking is gegeven door mr. L.J. Saarloos en in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2019.