Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2019:11140

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
27-11-2019
Datum publicatie
06-03-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 1264
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Naar het oordeel van de rechtbank stond het verweerder vrij om bij de behandeling van het verzoek om terug te komen op de aan eiseres opgelegde last onder dwangsom het toetsingskader van artikel 4:6 van de Awb te hanteren en dus te volstaan met de beoordeling of eiseres nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden aan haar verzoek ten grondslag heeft gelegd, die tot heroverweging van de last onder dwangsom noopten. Verweerder hoefde in de besluitvorming ten aanzien van het verzoek om heroverweging […] niet nader in te gaan op de op zichzelf staande bezwaren ten aanzien van de last. De rechtbank kan ook niet toekomen aan de gronden van eiseres gericht tegen de grondslag van de last onder dwangsom en de overtreding ervan […] Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden die aanleiding geven terug te komen op de opgelegde last onder dwangsom, reeds vanwege het ontbreken van een onderbouwing van de stelling van eiseres dat de kosten om aan de last te voldoen onevenredig hoog zijn. Het bestreden besluit, voor zover het betreft de gehandhaafde afwijzing van het verzoek om heroverweging, is niet evident onredelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 19/1264

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 november 2019 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats 1] , eiseres,

(gemachtigde: mr. B. Wernik),

en

het college van burgemeester en wethouders van Haarlem, verweerder,

(gemachtigde: mr. O. Kocak).

Als derde-partijen hebben aan het geding deelgenomen:

mr. drs. [naam derde partij 1] en [naam derde partij 2] , te [woonplaats 2] ,

gemachtigde: mr. H.C. Vroege.

Procesverloop

Bij besluit van 26 september 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder geweigerd om terug te komen op de aan eiseres opgelegde last onder dwangsom van 23 mei 2017 en tevens
€ 2.000,- aan verbeurde dwangsom ingevorderd.

Tegen dit besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 5 februari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De derde-partijen zijn in de gelegenheid gesteld om als partij aan het geding deel te nemen. Van deze gelegenheid is gebruik gemaakt. De gemachtigde heeft gereageerd bij brieven van 2 mei 2019 en 13 juni 2019.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 oktober 2019. Eiseres is verschenen, vergezeld door haar partner [naam 1] en bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Voorts is mr. H.C. Vroege verschenen namens derde-partijen.

Overwegingen

1.1

Eiseres is eigenaresse van het perceel [perceel] . Zij heeft het pand [perceel] - na een daartoe verkregen omgevingsvergunning van 14 maart 2016 - verbouwd en gesplitst in twee appartementen (nr [#] en [#A] ). Deze appartementen worden sinds 1 augustus 2016 verhuurd. De derde-partijen wonen aan de [locatie 1] . Hun tuin grenst aan de achterzijde aan het perceel van verzoekster. Tot het perceel van derde-partijen behoort ook de brandgang die naast de zijgevel van het pand van eiseres loopt en uitkomt op de [locatie 2] onderbroken door een van twee kanten toegankelijke schuur van derde-partij. Derde-partijen hebben verweerder verzocht om handhavend op te treden tegen de door eiseres in haar zijmuur aangebrachte ventilatiekanalen die uitkomen op hun brandgang, omdat deze op onvoldoende afstand van de perceelgrens zijn gerealiseerd.

1.2

Bij besluit van 23 mei 2017 heeft verweerder eiseres gelast om vóór 1 juli 2017 vier instroomopeningen/uitmondingen van de luchtverversingsinstallatie die gerealiseerd zijn in de zijmuur op het perceel [perceel] te [woonplaats 2] af te dichten, onder oplegging van een dwangsom van € 2.000,- voor de eerste geconstateerde overtreding, € 4.000,- voor de tweede geconstateerde overtreding en € 6.000,- voor de derde geconstateerde overtreding met een maximum van € 12.000,-. Bij besluit van 30 augustus 2017 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Verweerder heeft de begunstigingstermijn verlengd tot zes weken na de beslissing op bezwaar.
De voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft bij uitspraak van 30 oktober 2017 het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen (HAA 17/4233 en HAA 17/4234).

1.3

De voorzieningenrechter heeft in deze uitspraak van 30 oktober 2017 onder rechtsoverwegingen 6., 8. en 11. als volgt overwogen.

“ 6. Het pand was beneden in gebruik als antiekzaak en boven als winkel en is gesplitst in twee appartementen. Gelet hierop heeft verweerder terecht voormeld artikel 3.33 van het Bouwbesluit van toepassing geacht. De voorzieningenrechter stelt vast, hetgeen tussen partijen overigens ook niet in geschil is, dat de kanalen zich bevinden in de zijgevel van de woning van verzoekster op minder dan twee meter afstand van de perceelsgrens. Hiermee is de overtreding van artikel 3.33, derde lid, van het Bouwbesluit gegeven en was verweerder bevoegd om hiertegen handhavend op te treden.

8. Verzoekster heeft aangevoerd dat sprake is van gewekte verwachtingen omdat inspecteur Van Meurs ter plekke is geweest en zelfs heeft aangegeven dat een brandwerende klep moest worden aangebracht. Omdat de inspecteur van de geplaatste kanalen op de hoogte was, heeft verzoekster er op mogen vertrouwen dat er geen bestuursrechtelijke bezwaren waren tegen het aanbrengen daarvan.

8.1

De omgevingsvergunning heeft geen betrekking op de kanalen. Voorts bedraagt de afstand van de kanalen tot de zijgevel van het pand aan de overzijde van de brandgang zeker twee meter zodat het niet zonneklaar was dat niet aan de afstandseis van het Bouwbesluit werd voldaan. Ook is het aan degene die bouwwerkzaamheden laat uitvoeren om zich rekenschap te geven van de situering van de perceelsgrens. Reeds hierom kan het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slagen.

11. Ter zitting is aan de orde geweest dat verzoekster voorafgaand aan de verbouwing geen contact heeft gezocht met derde-partij om een en ander te bespreken. Dit had wel in de rede gelegen reeds omdat de zijgevel van haar woning tegen de perceelsgrens aanligt. Verweerder heeft in dit verband ook verklaard dat deze situatie van bouwen op of tegen de perceelsgrens niet uniek is en dat in zulke gevallen de eigenaren van de belendende percelen tot een vergelijk moeten komen, opdat voldaan kan worden aan het Bouwbesluit. Verzoekster heeft gesteld dat de kosten onevenredig hoog zijn maar heeft nagelaten een degelijk rapport van een (onafhankelijk) deskundige over te leggen waarin duidelijk wordt uiteengezet hoeveel een inpandige oplossing kost. Indien de kosten als gevolg van de bestaande constructie inderdaad onevenredig hoog blijken, dan is het aan verzoekster om derde-partij te vragen om medewerking te verlenen aan een alternatieve oplossing zoals bijvoorbeeld een pijp door het dak van de (nog te bouwen nieuwe) schuur.

Pas op het moment dat duidelijk is dat derde-partij onredelijk weigert medewerking te verlenen aan een redelijke alternatieve optie en er dus sprake is van een situatie als waar de Afdeling in de door verzoekster genoemde uitspraak op doelt, moet verweerder zich beraden of handhaving in dit geval onevenredig is geworden in verhouding tot de daarmee te dienen belangen. Ten tijde van het bestreden besluit was, nu verzoekster niet in overleg was getreden, van een dergelijke situatie nog een (de rechtbank leest: geen) sprake. Ook is van belang dat verweerder tijdens het onderzoek ter plaatse heeft aangegeven dat niet te verwachten is dat de rookgassen die vrijkomen en zich verspreiden in de steeg gevaar opleveren.“

1.4

Voor zover eiseres genoemde uitspraak van de voorzieningenrechter zo leest dat het een voorlopig oordeel betreft en de uitspraak een (specifieke) opdracht/instructie aan verweerder bevat, volgt de rechtbank deze lezing niet. De voorzieningenrechter heeft een eindoordeel gegeven over de - bij het in die procedure bestreden besluit gehandhaafde - last onder dwangsom. Dat eindoordeel omvat de grondslag van de last, verweerders bevoegdheid tot handhaving en de beoordeling van de evenredigheid van de opgelegde last. Dat in de uitspraak ook is overwogen onder welke omstandigheden verweerder zich moet beraden of handhaving onevenredig is geworden in verhouding tot de daarmee te dienen doelen, maakt dat niet anders. Tegen deze uitspraak zijn geen rechtsmiddelen aangewend, waardoor de uitspraak - en daarmee de aan eiseres opgelegde last onder dwangsom - onherroepelijk is geworden. Wat dat betekent voor de omvang van het nu voorliggende geschil, zal hieronder verder aan de orde komen.

2. Tussen eiseres en derde-partijen lopen ook civielrechtelijke procedures. Bij de stukken bevinden zich een vonnis van de civiele rechter van deze rechtbank van 21 februari 2018, waarbij de vorderingen van eiseres om derde-partijen te veroordelen om toegang te verlenen tot hun perceel en medewerking te verlenen aan - onder meer - het plaatsen van drie roosters te behoeve van de ontluchtingsgaten aan de buitenmuur van het pand [perceel] / [#A] zijn afgewezen, en een arrest van de civiele kamer van het gerechtshof te Amsterdam van 16 juli 2019, gewezen op het hoger beroep van eiseres tegen het vonnis van 21 februari 2018. In het arrest is het vonnis bekrachtigd en is het in appel meer of anders gevorderde afgewezen.

Verzoek om heroverweging

3.1

Eiseres voert aan dat verweerder haar verzoek om heroverweging ten onrechte heeft afgewezen. Ten onrechte heeft verweerder geen inhoudelijke beoordeling gemaakt. Verweerder had, zoals eiseres ter zitting heeft toegelicht, in de uitspraak van de voorzieningenrechter aanleiding moeten zien een volledige heroverweging van de opgelegde last onder dwangsom te maken. Dat betekent dat ook de grondslag van de last, artikel 3:33 van het Bouwbesluit, en de vraag of sprake is van overtreding daarvan opnieuw beoordeeld moesten worden. De rechtbank wordt verzocht bouwinspecteur Van Meurs in dat kader als getuige te horen. Verweerder heeft zich voorts ten onrechte op het standpunt gesteld dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Er is, anders dan verweerder meent, sprake van de door de voorzieningenrechter beschreven situatie waarin handhaving onevenredig is geworden. De kosten voor een inpandig centraal kanaal zijn tenminste € 50.000,- en dus buitenproportioneel. De derde-partijen zijn niet bereid mee te werken aan een redelijke oplossing en van gevaar of overlast is geen sprake.

3.2

Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat hetgeen eiseres aan haar verzoek om heroverweging van 7 september 2018 ten grondslag heeft gelegd beoordeeld is en niet is aan te merken als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden die aanleiding geven terug te komen op de onherroepelijk geworden opgelegde last onder dwangsom. Verweerder heeft rechtsoverweging 11. van de uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 oktober 2017 daarbij betrokken. De door eiseres ingeschakelde deskundige, Bureau [naam 2] , is van mening dat de kosten van het maken van een centraal inpandig rookkanaal tot boven het dak minimaal € 50.000,- zouden bedragen. Dit bedrag is echter niet nader gespecificeerd. Verweerder heeft een ter zake deskundige ambtenaar gevraagd of de kosten redelijkerwijs op een bedrag van
€ 50.000,- kunnen worden geraamd. Deze ambtenaar, de heer [naam 3] , heeft bij e-mail van 15 augustus 2018 meegedeeld dat dit bedrag onvoldoende is gespecificeerd en dat sprake is van “natte vingerwerk”. Voorts hebben de derde-partijen zelf ook een deskundige geraadpleegd. In het rapport van deze deskundige worden de kosten van een inpandige oplossing begroot op € 29.484,87 inclusief btw. Eiseres heeft deze berekening niet betwist. Uitgaande van dit rapport, zijn de kosten voor een inpandige oplossing aanzienlijk, namelijk € 30.000,-. Naar de mening van verweerder zijn de kosten echter niet ovenevenredig hoog in relatie tot de waarde van het pand. Gelet hierop kan van eiseres verwacht worden dat zij uitvoering geeft aan de last. Omdat in het aangevoerde geen aanleiding wordt gezien de last onder dwangsom te herzien en deze last onherroepelijk is, is er geen aanleiding om bezwaren die betrekking hebben op dit besluit opnieuw te beoordelen, aldus verweerder.

3.4

Voor ligt eerst de vraag, zo blijkt uit de beroepsgrond van eiseres, of verweerder in het besluit op het verzoek om heroverweging de bestreden last onder dwangsom integraal diende te heroverwegen.

3.5

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) is op een verzoek om heroverweging als het voorliggende het toetsingskader van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van overeenkomstige toepassing. De discretionaire bevoegdheid om artikel 4:6 van de Awb toe te passen is aan het bestuursorgaan voorbehouden.

Eveneens volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (bijvoorbeeld de uitspraken van 27 februari 2001, ECLI:NL:RVS:2001:AB2479 en 7 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1507) kan, indien het bestuursorgaan naar aanleiding van een verzoek om heroverweging van een in rechte onaantastbaar besluit tot de conclusie komt dat er geen termen aanwezig zijn om op het oorspronkelijke besluit terug te komen, degene die de (hoger)beroepsmogelijkheid onbenut heeft gelaten niet langs de weg van het instellen van bezwaar en beroep tegen het besluit dat op het verzoek om heroverweging is genomen bereiken, dat de rechter de zaak beoordeelt, als was het beroep gericht tegen de oorspronkelijke beslissing. Anders zou aan het wettelijk voorschrift dat de mogelijkheid tot het aanwenden van rechtsmiddelen bindt aan een termijn zijn kracht worden ontnomen, welk voorschrift is te beschouwen als van openbare orde. Als een bestuursorgaan een verzoek om heroverweging heeft afgewezen, omdat geen sprake is van nieuw gebleken feiten en/of omstandigheden en dit besluit in bezwaar gehandhaafd heeft, kan dit standpunt worden onderworpen een rechterlijke toetsing. De bestuursrechter kan voorts aan de hand van wat de rechtzoekende heeft aangevoerd tot het oordeel komen dat het (afwijzende) besluit op het verzoek om terug te komen van een besluit evident onredelijk is. Van een andere of verdergaande toetsing door de rechtbank kan geen sprake zijn.

3.6

Verweerder heeft het verzoek om heroverweging afgewezen onder verwijzing naar het toetsingskader van artikel 4:6 van de Awb en zijn beoordeling aldus beperkt tot de vraag of hetgeen eiseres aan haar verzoek ten grondslag heeft gelegd is aan te merken als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Het betoog van eiseres dat verweerder bij de beoordeling van het verzoek om heroverweging daarmee niet mocht volstaan en de bestreden last onder dwangsom integraal diende te heroverwegen slaagt niet. Zoals uit aangehaalde jurisprudentie blijkt, is de toepassing van artikel 4:6 van de Awb een discretionaire bevoegdheid van verweerder. De stelling van eiseres dat dat in dit geval anders is, gelet op hetgeen de voorzieningenrechter in eerdergenoemde uitspraak heeft overwogen, volgt de rechtbank niet. De uitspraak biedt daarvoor geen aanknopingspunten. Naar het oordeel van de rechtbank stond het verweerder vrij om bij de behandeling van het verzoek om terug te komen op de aan eiseres opgelegde last onder dwangsom het toetsingskader van artikel 4:6 van de Awb te hanteren en dus te volstaan met de beoordeling of eiseres nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden aan haar verzoek ten grondslag heeft gelegd, die tot heroverweging van de last onder dwangsom noopten.

3.7

De rechtbank stelt vast dat eiseres, zoals ter zitting is bevestigd, aan haar verzoek om heroverweging ten grondslag heeft gelegd dat sprake is van nieuw gebleken feiten en/of veranderde omstandigheden, omdat sprake is van de situatie dat handhaving onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen doelen. Eiseres heeft daarbij verwezen naar rechtsoverweging 11. van de uitspraak van de voorzieningenrechter en naar het afsluitend expertiserapport van Adviesbureau [naam 2] van 9 mei 2018. Eiseres geeft verder aan in haar verzoek bereid te zijn twee ventilatieopeningen te dichten, maar daaraan geen gevolg te kunnen geven omdat derde-partij haar geen toegang geven tot zijn perceel.

De rechtbank stelt verder vast dat eiseres in bezwaar tegen het primaire besluit de grondslag van de last onder dwangsom - en daarmee de overtreding - betwist heeft.

3.8

Verweerder heeft in de besluitvorming een gemotiveerd standpunt ingenomen over hetgeen eiseres in haar verzoek om heroverweging als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden naar voren heeft gebracht en de aanvraag onder verwijzing naar artikel 4:6 van de Awb afgewezen. Verweerder heeft zich ten aanzien van de in bezwaar opgekomen (andere) bezwaren tegen de last onder dwangsom op het standpunt gesteld dat daaraan in deze procedure niet kan worden toegekomen, omdat de last onder dwangsom onherroepelijk is.

3.9

De rechtbank begrijpt het standpunt van verweerder aldus dat hij hetgeen eiseres in bezwaar heeft aangevoerd ten aanzien van de grondslag van de last en de overtreding niet heeft opgevat als een aanvulling van de gestelde nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden, maar als op zichzelf staande bezwaren tegen de last onder dwangsom. Gelet op het verzoek van eiseres van 7 september 2018, de formulering van haar bezwaren tegen het primaire besluit en de toelichting daarop tijdens de hoorzitting, bestond naar het oordeel van de rechtbank voor verweerder geen aanleiding dat anders te zien. Eiseres heeft dat ook niet betoogd. Dat betekent, gelet op de hierboven opgenomen jurisprudentie, dat verweerder in de besluitvorming ten aanzien van het verzoek om heroverweging (binnen het daarvoor geldende toetsingskader) niet nader hoefde in te gaan op de op zichzelf staande bezwaren ten aanzien van de last. De rechtbank kan daarom, eveneens gelet op de hiervoor aangehaalde jurisprudentie, bij de beoordeling van de besluitvorming van verweerder op het verzoek om heroverweging ook niet toekomen aan de gronden van eiseres gericht tegen de grondslag van de last onder dwangsom en de overtreding ervan, waaronder het verzoek om bouwinspecteur Van Meurs als getuige op te roepen. Die gronden blijven hier dus onbesproken.

3.10

De rechtbank zal vervolgens beoordelen of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden die aanleiding geven terug te komen op de opgelegde last onder dwangsom.

3.11

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich met de gegeven motivering terecht en op goede gronden op dat standpunt heeft gesteld. In het afsluitende expertise van Bureau [naam 2] , waarop eiseres zich beroept, is opgenomen dat de kosten van het maken van een centraal inpandig rookkanaal tot boven het dak minimaal 50.000,- zouden bedragen. Verweerder stelt terecht dat een nadere specificatie van deze kosten ontbreekt en dat - gelet op de mededeling van de geraadpleegde deskundige binnen de gemeente en de door derde-partij ingebrachte contra-expertise van Bouwintentie van 13 november 2018 - geen aanleiding bestaat van het door eiseres gestelde bedrag uit te gaan. Eiseres heeft met de verwijzing naar het rapport van Bureau [naam 2] dus niet aannemelijk gemaakt dat met de uitvoering van de last sprake is van kosten van tenminste € 50.000,-. Eiseres heeft haar stelling dat de kosten onevenredig hoog zijn dus niet onderbouwd. Dat ligt op haar weg.

Ter zitting heeft eiseres aangegeven te persisteren in de gestelde kosten, maar evenzeer aangegeven dat het in door derde-partij ingebrachte contra-expertiserapport genoemde bedrag ook al onevenredig hoog is. Voor zover een door derde-partijen in de bezwaarfase ingebrachte contra-expertise al zou kunnen worden aangemerkt als een door eiseres ingebracht, nieuw gebleken feit en verweerder bij zijn beoordeling dus zou moeten uitgaan van de in de contra-expertise (geconcretiseerde) kosten ten bedrage van € 29.484,87 (inclusief btw), oordeelt de rechtbank dat verweerder er eveneens in gevolgd kan worden dat deze kosten in het voorliggende geval, gelet op de waarde (waaronder de huuropbrengst) van de appartementen, niet als onevenredig hoog kunnen worden aangemerkt.

Reeds vanwege het ontbreken van een onderbouwing van de stelling dat de kosten om aan de last te voldoen onevenredig hoog zijn, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft aangevoerd die aanleiding geven terug te komen op de in rechte vaststaande last onder dwangsom. Aan de vraag of eiseres aannemelijk heeft gemaakt dat de derde-partijen onredelijk medewerking aan redelijke alternatieven weigert, hetgeen ook in geschil is, komt de rechtbank gelet op het vorenstaande niet toe.

3.12

De rechtbank is verder van oordeel dat hetgeen eiseres heeft aangevoerd niet tot het oordeel leidt dat het bestreden besluit, voor zover het betreft de gehandhaafde afwijzing van het verzoek om heroverweging, evident onredelijk is.

3.13

Het voorgaande betekent dat de beroepsgronden niet kunnen leiden tot vernietiging van het bestreden besluit, voor zover het betreft het verzoek om heroverweging.

Besluit tot invordering

4. Verweerder heeft in het bestreden besluit tevens het besluit tot invordering van de verbeurde dwangsom van € 2.000,- gehandhaafd.

5.1

Eiseres voert daartegen aan, zo is ter zitting toegelicht, dat verweerder ook bij invordering van de dwangsom de opgelegde last onder dwangsom integraal moet toetsen. Dat heeft verweerder ten onrechte niet gedaan. De grondslag van de last is niet juist en er is geen sprake van een overtreding. Verder is sprake van bijzondere omstandigheden, omdat handhaving onevenredig is. Eiseres verwijst daarbij naar hetgeen zij tegen de besluitvorming inzake het verzoek om heroverweging heeft aangevoerd.

5.2

Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat de last onder dwangsom onherroepelijk is. Hij heeft gewacht met het uitvoeren van controles op het door eiseres aangekondigde deskundigenrapport. Nu verweerder daarin geen aanleiding heeft gezien om op de opgelegde last terug te komen, is het handhavingstraject verder voortgezet. Op 10 september 2018, dus na ommekomst van de begunstigingstermijn, is door een inspecteur van verweerder geconstateerd dat de vier instroomopeningen/uitmondingen van de luchtverversingsinstallatie niet zijn afgedicht en dat eiseres dus niet aan de last heeft voldaan. Van bijzondere omstandigheden die zouden kunnen leiden tot het afzien van invordering is geen sprake. Niet gebleken is dat de uitvoering van de last onevenredig hoge kosten met zich meebrengt. Daarom is tot invordering van de dwangsom van € 2000,- overgegaan. In deze procedure bestaat geen ruimte voor beoordeling van de onherroepelijke last onder dwangsom, aldus verweerder.

5.3

In het verweerschrift heeft verweerder nog aangegeven dat deze dwangsom is voldaan, dat de overtredingen nog steeds niet beëindigd zijn en dat de overige aan de last verbonden dwangsommen ook zijn verbeurd. Deze zullen worden ingevorderd na de inhoudelijke behandeling van het voorliggende beroep.

5.4

Zoals reeds meermaals is overwogen, is de last onder dwangsom onherroepelijk. Hiervoor is geoordeeld dat het verzoek om heroverweging op goede gronden is afgewezen. Het betoog van eiseres dat de last onder dwangsom in de procedure tegen de invorderingsbeschikking opnieuw integraal beoordeeld moet worden, volgt de rechtbank niet. Voor een ambtshalve integrale beoordeling door verweerder biedt de wet noch de jurisprudentie aanknopingspunten.

5.5

Anders dan verweerder lijkt te veronderstellen, is het ook niet zo dat in de invorderingsprocedure nooit met succes een onherroepelijke last onder dwangsom betwist kan worden. Zoals de Afdeling in de uitspraak van 27 februari 2019 (ECLI:NL:RVS: 2019:466) heeft overwogen, kan een belanghebbende in de procedure tegen de invorderingsbeschikking of de kostenverhaalsbeschikking in beginsel niet met succes gronden naar voren brengen die hij tegen de last onder dwangsom of last onder bestuursdwang naar voren heeft gebracht of had kunnen brengen. Dit kan slechts in uitzonderlijke gevallen. Een uitzonderlijk geval kan bijvoorbeeld worden aangenomen indien evident is dat er geen overtreding is gepleegd en/of betrokkene geen overtreder is.

5.6

De rechtbank stelt vast dat hetgeen eiseres tegen het invorderingsbesluit naar voren brengt goeddeels een betwisting van de rechtmatigheid van de opgelegde last onder dwangsom betreft. Van een uitzonderlijk geval, als bedoeld in voornoemde uitspraak van de Afdeling is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. De gepleegde overtreding door eiseres is in genoemde uitspraak van de voorzieningenrechter genoegzaam vastgesteld. De gronden die daarop zien blijven dan ook bij de toetsing van het invorderingsbesluit buiten de beoordeling. De vraag of handhaving onevenredig is, is hiervoor in rechtsoverweging 3.11 reeds door de rechtbank beoordeeld bij de beoordeling van de afwijzing van het verzoek om heroverweging. Niet evident is dus dat handhaving onevenredig is. De rechtbank komt daarom in het kader van de invorderingsprocedure ook niet toe aan (verdere) beoordeling van de evenredigheid van de handhaving. Bij de beoordeling van het besluit tot invordering is de rechtmatigheid van de aan eiseres opgelegde last onder dwangsom dus het uitgangspunt.

5.7

Niet in geschil is dat eiseres niet binnen de daarvoor gestelde begunstigingstermijn aan de opgelegde last onder dwangsom heeft voldaan. Resteert beantwoording van de vraag of eiseres bijzondere omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan verweerder in redelijkheid van invordering diende af te zien.

5.8

Voor zover eiseres met het betoog dat zij een voorstel heeft gedaan om twee openingen te dichten, daarop geen reactie heeft ontvangen en geen toestemming heeft gekregen van de derde-partijen hun perceel te betreden, aanvoert dat daarmee sprake is van bijzondere omstandigheden, omdat zij feitelijk geen uitvoering aan de last kan geven, overweegt de rechtbank als volgt. Verweerder kan worden gevolgd in zijn standpunt dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat geen uitvoering aan de last kan worden gegeven. Daargelaten dat het betoog slechts op twee van de vier openingen ziet, hebben de derde-partijen bij e-mail van 21 september 2018 aan verweerder betwist dat hen om toestemming is gevraagd het perceel te betreden teneinde aan de last te voldoen. Eiseres heeft niet geconcretiseerd dat de inhoud van die e-mail onjuist is. Dat sprake is van bijzondere omstandigheden omdat de uitvoering van de last tot onevenredig hoge kosten leidt, heeft verweerder evenmin hoeven aanmerken als bijzondere omstandigheid om van invordering af te zien. De rechtbank verwijst daarbij naar wat hiervoor daarover reeds is overwogen.

5.9

Uit het voorgaande volgt dat de beroepsgronden van eiseres niet tot vernietiging van het bij bestreden besluit gehandhaafde besluit tot invordering kunnen leiden.

6. Het beroep van eiseres is dus ongegrond.

7. 1 De derde-partijen hebben de rechtbank verzocht eiseres te veroordelen in de door haar gemaakte proceskosten. Zij hebben aan dat verzoek ten grondslag gelegd dat er wat hen betreft sprake is van misbruik van (proces)recht. Eiseres is onherroepelijk in het ongelijk gesteld, wil haar overtredingen niet accepteren en blijft civiel- en bestuursrechtelijk procederen tegen de haar onherroepelijk opgelegde last onder dwangsom. Zij procedeert verwijtbaar onnodig. De derde-partijen voelen zich als direct betrokkenen genoodzaakt om aan elk geding deel te nemen en hun advocaat in te schakelen. Zij ervaren de procedures als zeer belastend en worden onnodig op kosten gejaagd.

7.2

De rechtbank is van oordeel dat op dit moment geen sprake is van misbruik van procesrecht. Weliswaar procedeert eiseres nu voor de tweede keer (in beroep) bij de bestuursrechter over de haar opgelegde last onder dwangsom en heeft ze over deze kwestie ook bij de civiele rechter in eerste aanleg en hoger beroep geprocedeerd, maar dat is onvoldoende voor de conclusie dat in deze procedure sprake is van misbruik van procesecht. De rechtbank heeft daarbij betrokken dat de handhavingskwesties bij de bestuursrechter in beginsel geschillen zijn tussen een eisende partij en verweerder en dat bij de voorliggende besluitvorming (onder meer) het eerste besluit tot invordering voorligt. Dat eiseres in de voorliggende procedure in het ongelijk is gesteld, maakt dat niet anders. Voor een proceskostenveroordeling van eiseres ziet de rechtbank dus geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.B. de Vries - van den Heuvel, rechter, in aanwezigheid van mr. F. Vermeij, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 november 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.