Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2019:1114

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
15-02-2019
Datum publicatie
26-02-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 3126
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om vismachtiging om met vaste kieuwnetten op zeebaars te mogen vissen.

De minister heeft het verzoek van eiser afgewezen omdat uit een controle van zijn logboek niet blijkt dat in de referentieperiode vangsten van zeebaars zijn geregistreerd.

Door zich voor bewijs van registratie van vangsten uitsluitend te baseren op het logboek geeft de minister in artikel 84a van de Uitvoeringsregeling zeevisserij een te strikte uitleg van de in artikel 9 van de Verordening vangstmogelijkheden (EU 2017/127) gestelde voorwaarde van registratie van vangsten. Daarom is artikel 84a van de Uitvoeringsregeling zeevisserij onverbindend voor zover vangsten moeten blijken uit logboekgegevens en dient in zoverre buiten toepassing te worden gelaten. De minister dient eiser in staat te stellen met andere bewijsmiddelen aan te tonen dat hij in de referentieperiode zeebaars heeft gevangen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 18/3126

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 februari 2019 in de zaak tussen

Visserijbedrijf [eiser] , te [plaats] , eiser

(gemachtigde: [naam 4] ),

en

de minister van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. W.C.M. Niekus – de Vries).

Procesverloop

Bij besluit van 9 juni 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser om verstrekking van een vismachtiging om met vaste kieuwnetten in 2017 op zeebaars te mogen vissen met zijn vaartuig [benaming vaartuig] ( [nummer] ), afgewezen.

Bij besluit van 29 september 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 oktober 2018. Eiser is verschenen bijgestaan door zijn gemachtigde [naam 4] , collega visser en door [naam 3] , medewerker van Nederlandse Vissersbond. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Inleiding

1. Eiser heeft verweerder bij brief van 4 mei 2017 verzocht om een vismachtiging zeebaars voor 2017, ten behoeve van vissersvaartuig [benaming vaartuig] . Eiser heeft hierbij aangegeven dat hij van mening is dat in zijn geval sprake is van bijzondere omstandigheden op basis waarvan aan hem een dergelijke machtiging kan worden toegekend. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat zijn visserijbedrijf in de referentieperiode 1 juli 2015 tot en met 30 september 2016 zeebaars heeft aangeland, alsmede in de voorgaande jaren. Ter onderbouwing hiervan heeft eiser twee uitbetalingsstaten van de Hollandse Visveiling IJmuiden B.V. bijgevoegd en daarbij aangegeven desgewenst nadere uitbetalingsstaten van de visveilingen te kunnen overleggen waaruit blijkt dat hij gedurende de referentieperiode diverse malen zeebaars heeft aangeland en ter verkoop heeft aangeboden via de visveiling.

2. Verweerder heeft het verzoek van eiser afgewezen en daaraan ten grondslag gelegd dat uit een controle van de logboeken van eiser niet is gebleken dat voor eisers vaartuig [benaming vaartuig] in de referentieperiode van 1 juli 2015 tot en met 30 september 2016 (hierna: de referentieperiode) vangsten met staande netten van zeebaars zijn geregistreerd. Verweerder komt op grond hiervan tot de conclusie dat eiser niet in aanmerking komt voor een aparte vismachtiging zeebaars. Het is eiser dan ook niet toegestaan om in 2017 op zeebaars te vissen, aan boord te houden, overladen, verplaatsen of aan te landen.

Procesbelang

3. Gelet op het feit dat het jaar waarvoor eiser de vismachtiging heeft aangevraagd – te weten 2017 – is verstreken, ziet de rechtbank zich ambtshalve voor de vraag gesteld of eiser nog wel belang heeft bij een inhoudelijk oordeel over de rechtmatigheid van het besluit tot afwijzing van zijn verzoek. Desgevraagd heeft verweerder op de zitting aangegeven dat indien voor 2017 moet worden aangenomen dat eiser in aanmerking komt voor een vismachtiging, dat automatisch ook geldt voor 2018 omdat hiervoor dezelfde referentieperiode geldt. Gelet op het repeterende karakter van de vismachtiging en het gevolg voor mogelijke toekomstige besluiten is de rechtbank van oordeel dat eiser een daadwerkelijk en actueel belang heeft bij een rechtsoordeel over het bestreden besluit, ook al heeft dit besluit betrekking op het jaar 2017. Dit betekent dat de rechtbank de zaak inhoudelijk zal beoordelen.

Wettelijke bepalingen

4. De voor deze zaak relevante bepalingen uit de Verordening (EG) nr. 2114/2009 (hierna: de Controleverordening), Verordening (EU) nr. 2017/127 (hierna: de Vangstverordening), en de Uitvoeringsregeling zeevisserij zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak en maken daarvan deel uit.

Registratie van de vangst

5.1

Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte in zijn besluit niet heeft betrokken dat hij in de referentieperiode zeebaars heeft gevangen. Hij heeft deze vangst weliswaar niet geregistreerd in zijn logboek, maar dat hoefde ook niet volgens eiser omdat het om een geringe hoeveelheid ging. Volgens het ‘Informatiebulletin regelgeving visserij, december 2015’ van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland hoeven vangsten tot 50 kg niet te worden geregistreerd in het logboek. Dat zijn vangst niet is geregistreerd in het logboek mag hem dan ook niet worden tegengeworpen, te meer nu hij door overlegging van de besommingsbrief van 31 augustus 2016 heeft aangetoond dat hij minstens 2 kg zeebaars heeft gevangen. Eiser betoogt dat de Europese wetgeving wat betreft het zeebaarsregime en de Nederlandse wetgeving en de uitvoering daarvan wat betreft vangstregistratie – de zogenoemde 50 kilogram regel – niet op elkaar aansluiten. Hij is ernstig gedupeerd door het besluit hem geen vismachtiging te verlenen.

5.2

Verweerder stelt zich op het standpunt dat sprake moet zijn van geregistreerde vangsten van zeebaars en dat de enige manier om dit te bewijzen is bijhouding van vangsten in het visserijlogboek. Dit volgt volgens verweerder uit punt 20 van de preambule van de Verordening vangstmogelijkheden, waarin nadrukkelijk wordt bepaald dat de Controleverordening voor wat betreft vangstregistratie van toepassing is. Met het bepaalde in artikel 9, tweede lid, derde alinea van de Verordening vangstmogelijkheden heeft de Europese wetgever volgens verweerder daadwerkelijk een registratie als bedoeld in de Controleverordening beoogd en niet een andere vorm van bewijs dat in de referentieperiode zeebaars is gevangen. Hiermee is bedoeld de kring van personen die in aanmerking komen voor een vismachtiging, alsmede de relevante bewijsmiddelen te beperken.

Nu in het logboek van eiser geen vangsten zijn geregistreerd in de referentieperiode kan gelet op artikel 9, tweede lid, derde alinea van de Verordening vangstmogelijkheden volgens verweerder geen vismachtiging worden verleend. Dat eiser door hem gevangen zeebaars niet heeft geregistreerd in het logboek met het oog op de 50 kilogram regel, kan niet leiden tot een uitzondering.

Voorts blijkt volgens verweerder uit de preambule bij de Verordening vangstmogelijkheden dat beoogd wordt het inkomen van vissers te beschermen. Daaruit moet, volgens verweerder, worden afgeleid dat alleen substantiële vangsten ertoe doen bij de vraag of op grond van vangsten in de referentieperiode een recht ontstaat om in een nieuwe periode op zeebaars te vissen. Vangsten die gelet op de 50 kilogram regel niet zijn bijgehouden in het logboek, kunnen ook om deze reden buiten beschouwing worden gelaten.

5.3

De rechtbank overweegt dat de Uniewetgever in artikel 9 van de Verordening vangstmogelijkheden de vangstmogelijkheden voor de zeebaars heeft aangescherpt gezien de precaire toestand van het zeebaarsbestand. Uit het tweede lid van deze bepaling volgt dat in afwijking van het daarin genoemde verbod op zeebaars te vissen en om zeebaars die is gevangen aan boord te hebben, te verplaatsen, over te laden of aan te landen, vissersvaartuigen van de Unie die met vaste kieuwnetten vissen, per maand maximaal 250 kg aan onvermijdelijke bijvangsten van zeebaars aan boord mogen hebben, indien zij vangsten van zeebaars met vaste kieuwnetten hebben geregistreerd in de referentieperiode.

Met artikel 84a van de Uitvoeringsregeling zeevisserij heeft verweerder hieraan uitvoering gegeven. Gelet op het feit dat eiser met vaste kieuwnetten (staande netten) vist, is artikel 84a, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling zeevisserij van toepassing. Hierin is bepaald dat een vismachtiging wordt verleend indien met het betreffende vissersvaartuig:

  • -

    in de in artikel 9, tweede lid, derde alinea van de Verordening vangstmogelijkheden genoemde periode, zijnde tussen 1 juli 2015 en 30 september 2016 (hierna: de referentieperiode);

  • -

    blijkens de logboekgegevens;

  • -

    met het type vistuig GTR, GNS, FYK, FPN of FIX, bedoeld in bijlage XI van de uitvoeringsverordening controleverordening;

  • -

    op zeebaars is gevist.

5.4

Niet in geschil is dat eiser vist met type vistuig GNS. Het geschil spitst zich toe op de vraag of ten aanzien van eiser in de referentieperiode gesproken kan worden van geregistreerde vangsten van zeebaars. Eiser voert aan dat het in artikel 84a, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling zeevisserij opgenomen voorschrift dat sprake moet zijn van registratie van de vangst in het logboek niet in overeenstemming is met het bepaalde in artikel 9, tweede lid, van de Verordening Vangstmogelijkheden. Verweerder stelt zich op het standpunt dat ‘registratie van vangsten’ zo moet worden uitgelegd dat het vangsten betreft die zijn geregistreerd in het visserijlogboek als genoemd in artikel 14 van de Controleverordening.

5.5

De Uitvoeringsregeling zeevisserij is een algemeen verbindend voorschrift. De rechtmatigheid van algemeen verbindende voorschriften kan bij wege van exceptieve toetsing worden beoordeeld in het kader van een beroep. Volgens vaste jurisprudentie kan aan een algemeen verbindend voorschrift slechts verbindende kracht worden ontzegd indien de door de betrokken regelgever gemaakte keuzen strijdig moeten worden geacht met een hogere - algemeen verbindende – regeling, zoals in dit geval de Verordening vangstmogelijkheden, dan wel indien met inachtneming van de beoordelingsvrijheid van de regelgever, en derhalve met terughoudendheid toetsend, geoordeeld moet worden dat het voorschrift een toetsing aan de algemene rechtsbeginselen niet kan doorstaan.

5.6

De rechtbank stelt vast dat in de Verordening vangstmogelijkheden wordt gesproken van de registratie van vangsten, terwijl in de Uitvoeringsregeling zeevisserij is bepaald dat de vangst moet blijken uit logboekgegevens. De rechtbank stelt verder vast dat in artikel 14 van de Controleverordening voor vissersvaartuigen die langer zijn dan 10 meter – wat het geval is bij het vissersvaartuig van eiser, [benaming vaartuig] – is bepaald dat geen verplichting bestaat vangsten aan boord bij te houden in het visserijlogboek indien deze, per soort, niet uitkomen boven de 50 kg. Zo is ook te lezen onder 2.4.1 ‘50 kg regel’, onder het eerste bolletje, in het door eiser aangehaalde Informatiebulletin.

De rechtbank is van oordeel dat eiser door geringe zeebaarsvangsten niet te registeren in het logboek niet heeft gehandeld in strijd met de Controleverordening. De Controleverordening zelf sluit dan ook niet uit dat sprake is van zeebaarsvangsten die niet blijken uit het logboek. De rechtbank volgt verweerder dan ook niet in zijn standpunt dat zeebaarsvangsten uitsluitend door middel van registratie in het logboek dienen te zijn aangetoond. Verweerder geeft in artikel 84a van de Uitvoeringsregeling zeevisserij op dit punt een te strikte uitleg van de in artikel 9 van de Verordening vangstmogelijkheden gestelde voorwaarde van registratie van vangsten. Daarom is artikel 84a van de Uitvoeringsregeling zeevisserij onverbindend voor zover vangsten moeten blijken uit logboekgegevens en dient in zoverre buiten toepassing te worden gelaten.

Daartoe acht de rechtbank mede redengevend dat, anders van verweerder betoogt, artikel 9 van de Verordening vangstmogelijkheden geen aanknopingspunt geeft voor het oordeel dat alleen substantiële vangsten relevant worden geacht voor de vraag of is voldaan aan de voorwaarde. Hier is immers geen minimum gewicht genoemd. Bovendien blijkt – zoals ter zitting is besproken en ook door verweerder is beaamd – dat vissersvaartuigen die kleiner dan 10 meter zijn ook bij (hele) kleine vangsten in aanmerking kwamen voor een vismachtiging. Het voorgaande leidt ertoe dat, gelet op artikel 9 van de Verordening vangstmogelijkheden en gelet op hetgeen is bepaald in de Controleverordening, andere wijzen van registratie dan door middel van het logboek mogelijk zijn. Of, zoals verweerder in het bestreden besluit heeft overwogen, eiser voor zijn inkomen (mede) afhankelijk is van zeebaarsvangsten is dan ook niet van belang. Dat leidt de rechtbank voorts af uit het feit dat in artikel 9 van de Verordening het vangen van zeebaars is verboden en in afwijking daarvan onder voorwaarden is beperkt en wordt aangemerkt als onvermijdelijke bijvangsten. De rechtbank vindt het niet aannemelijk dat een visser zoals eiser voor zijn inkomen afhankelijk kan worden geacht te zijn van bijvangsten.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder het verzoek van eiser om verlening van een vismachtiging ten onrechte heeft afgewezen op de grond dat geen vangsten van zeebaars zijn geregistreerd in het logboek.

Conclusie

6. Het beroep is daarom gegrond. Het bestreden besluit zal worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank ziet geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen, omdat dat naar het zich laat aanzien geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zou inhouden. De rechtbank ziet ook geen aanleiding zelf in de zaak te voorzien, omdat de rechtmatige uitkomst naar de huidige stand van zaken nog te veel open ligt. Verweerder moet daarom een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak.

Ten behoeve van het nieuw te nemen besluit wijst de rechtbank nog op het volgende.

Andere bewijsmiddelen

7. Eiser dient gelet op het vorenoverwogene in staat te worden gesteld andere bewijsmiddelen aan te dragen om aan te tonen dat hij in de referentieperiode zeebaars heeft gevangen. Hij heeft daartoe een tweetal uitbetalingsstaten van de van de Hollandse Visveiling IJmuiden B.V. aangeleverd waarbij als datum van aanlanding is genoteerd 5 juni 2014, respectievelijk 31 augustus 2016. Omdat de uitbetalingsstaat van 5 juni 2014 buiten de referentieperiode valt, kan deze reeds daarom niet als bewijsstuk dienen.

Verweerder dient evenwel ten aanzien van de uitbetalingsstaat van 31 augustus 2016 aan te geven of hij daarin voldoende bewijs ziet van de vangst van zeebaars door het vissersvaartuig van eiser.

Daarnaast volgt de rechtbank verweerder in zijn standpunt dat hij eraan hecht het aantal bewijsmiddelen teneinde de vangst aan te tonen te beperken. De Controleverordening voorziet, naast voorschriften over registratie in het logboek (artikel 14), ook in voorschriften met betrekking tot het doen van aangifte van overlading (artikel 21) alsmede aangifte van aanlanding (artikel 23). Bij het doen van aangifte van aanlanding dienen alle hoeveelheden van elke aangelande soort te worden vermeld, derhalve ook geringe hoeveelheden. Ook in het Informatiebulletin onder 2.4.1 ‘50 kg regel’, onder het tweede bolletje, is te lezen dat alle hoeveelheden (groter of kleiner dan 50 kg) van de aangelande soorten worden vermeld op de aangifte van aanlanding. Het komt de rechtbank dan ook voor dat het bewijs dat zeebaars is gevangen ook zou kunnen worden geleverd door overleggen van een of meer aangiften van aanlanding. Te meer nu dit een wijze van registratie is die volgt uit de Controleverordening.

Griffierecht en proceskosten

8. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

9. Pas op 19 november 2019 heeft eiser de rechtbank verzocht om vergoeding van proceskosten bestaande uit reis- en verletkosten van hemzelf en [naam 4] . De rechtbank stelt vast dat eiser dit verzoek en de onderbouwing daarvan ruim na sluiting van het onderzoek heeft gedaan. De rechtbank laat stukken die binnenkomen na sluiting van het onderzoek in principe buiten beschouwing, tenzij er aanleiding is anders te oordelen.
De rechtbank heeft eiser bij brief de brief van 23 augustus 2018 – waarin eiser is uitgenodigd voor de zitting – gewezen op de mogelijkheid om te vragen om vergoeding van proceskosten. Een formulier daartoe was bij deze brief gevoegd alsmede een toelichting waarin was vermeld dat het formulier uiterlijk bij aanvang van de zitting overhandigd diende te worden aan de griffier. Niet is gebleken van omstandigheden waarom eiser niet tijdig heeft verzocht om vergoeding van proceskosten. De rechtbank laat de na sluiting ingezonden stukken daarom buiten beschouwing en stelt vast dat geen aanleiding bestaat voor vergoeding van proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

-
verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen 6 weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 333,- aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. Steinhauser, rechter, in aanwezigheid van
mr. Y.R. Boonstra-van Herwijnen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 februari 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

BIJLAGE

Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de R van 20 november 2009 tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen, tot wijziging van Verordeningen 9EG) nr. 847/96, (EG) nr. 2371/2002, (EG) nr. 811/2004, (EG) nr. 768/2005, (EG) nr. 2115/2005, (EG) nr. 2166/2005, (EG) nr. 388/2006, (EG) nr. 509/2007, (EG) nr. 676/2007, (EG) nr. 1098/2007, (EG) nr. 1300/2008, (EG) nr. 1342/2008 en tot intrekking van Verordeningen (EEG) nr. 2847/93, (EG) nr. 1627/94 en (EG) nr. 1966/2006 (PB 2009, L343; hierna: De Controleverordening)

In artikel 7, eerste lid, van de Controleverordening is bepaald dat een communautair vissersvaartuig dat in de communautaire wateren actief is, slechts gemachtigd is specifieke visserijactiviteiten te verrichten voor zover die in zijn geldige vismachtiging zijn vermeld wanneer de visserijtakken of de visserijzones waar de activiteiten zijn toegestaan:

  1. vallen onder een visserij-inspanningsregeling;

  2. vallen onder een meerjarenplan;

  3. een voor de visserij beperkt gebied zijn;

  4. bedoeld zijn voor visserij voor wetenschappelijke doeleinden;

  5. vallen onder andere in de communautaire regelgeving vastgestelde bepalingen.

In artikel 14, eerste lid, van de Controleverordening is bepaald dat onverminderd bijzondere bepalingen in de meerjarenplannen, de kapiteins van communautaire vissersvaartuigen met een lengte over alles van 10 m of meer een visserijlogboek van hun activiteiten bijhouden, waarin zij met name alle hoeveelheden van elke gevangen en aan boord gehouden soort vermelden boven de 50 kg equivalent levend gewicht.

In artikel 21, eerste lid, van de Controleverordening is bepaald dat onverminderd bijzondere bepalingen in de meerjarenplannen kapiteins van communautaire vissersvaartuigen met een lengte over alles van 10 m of meer die betrokken zijn bij een overlading een aangifte van overlading invullen, waarin zij met name alle hoeveelheden van elke overgeladen of ontvangen soort vermelden boven de 50 kg equivalent gewicht.

In artikel 23, eerste lid, van de Controleverordening is bepaald dat onverminderd bijzondere bepalingen in de meerjarenplannen, de kapitein van een communautair vissersvaartuig met een lengte over alles van 10 m of meer, of zijn vertegenwoordiger een aangifte van aanlanding invult, waarin zij met name alle hoeveelheden van elke aangelande soort vermelden.

Verordening (EU) 2017/127 van de Raad van 20 januari 2017 tot vaststelling, voor 2017, van de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden welk in de wateren van de Unie en, voor vissersvaartuigen van de Unie in bepaalde wateren buiten de Unie van toepassing zijn (PB 2017, L 24; hierna: de verordening Vangstmogelijkheden)

In artikel 9, eerste lid, van de Verordening vangstmogelijkheden is bepaald dat het voor vissersvaartuigen van de Unie verboden om op zeebaars te vissen in de ICES-sectoren VIIb, VIIc, VIIj en VIIk, alsmede in de wateren van de ICES-sectoren VIIa en VIIg buiten 12 zeemijl vanaf de basislijn die onder de soevereiniteit van het Verenigd Koninkrijk vallen. Het is voor vissersvaartuigen van de Unie tevens verboden om zeebaars die in die gebieden is gevangen, aan boord te hebben, over te laden, te verplaatsen of aan te landen.

Ingevolge artikel 9, tweede lid, van de Verordening vangstmogelijkheden is het voor vissersvaartuigen van de Unie en in elke vorm van commerciële visserij vanaf de kust verboden om in de volgende gebieden op zeebaars te vissen en om zeebaars die in die gebieden is gevangen, aan boord te hebben, te verplaatsen, over te laden of aan te landen:

  1. ICES-sectoren IVb, IVc, VIId, VIIe, VIIf en VIIh;

  2. wateren binnen 12 zeemijl vanaf de basislijn die onder de soevereiniteit van het Verenigd Koninkrijk vallen in de ICES-sectoren VIIa en VIIg.

In afwijking van de eerste alinea gelden met betrekking tot zeebaars in de in die alinea bedoelde gebieden de volgende maatregelen:

  1. vissersvaartuigen van de Unie die met bodemtrawls en zegennetten vissen, mogen onvermijdelijke bijvangsten van zeebaars aan boord hebben op voorwaarde dat deze op geen enkele dag meer dan 3 % uitmaken van het gewicht van de totale vangst mariene organismen aan boord. De vangsten van zeebaars die een vissersvaartuig van de Unie op grond van deze afwijking aan boord houdt, mogen niet meer dan 400 kg per maand bedragen;

  2. vissersvaartuigen van de Unie die vissen met haken en lijnen mogen in januari 2017 en van 1 april tot en met 31 december 2017 op zeebaars vissen en mogen per jaar elk maximaal 10 ton in die gebieden gevangen zeebaars aan boord hebben, overladen, verplaatsen of aanlanden.

  3. vissersvaartuigen van de Unie die met vaste kieuwnetten vissen, mogen per maand maximaal 250 kg aan onvermijdelijke bijvangsten van zeebaars aan boord hebben.

Deze afwijkingen zijn van toepassing op vissersvaartuigen van de Unie die vangsten van zeebaars hebben geregistreerd in de periode van 1 juli 2015 tot en met 30 september 2016: in punt b) voor geregistreerde vangsten met haken en lijnen, en in punt c) voor geregistreerde vangsten met vaste kieuwnetten.

Uitvoeringsregeling zeevisserij (Staatscourant 2017, nr. 18073)

In artikel 84a van de Uitvoeringsregeling zeevisserij is bepaald dat een vismachtiging als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de controleverordening, voor de in artikel 9, tweede lid, tweede alinea, onder b, van de Verordening vangstmogelijkheden bedoelde visserijactiviteiten, kan worden verleend, indien de aanvraag een vissersvaartuig betreft waarmee in de in artikel 9, tweede lid, derde alinea, van de verordening vangstmogelijkheden bedoelde periode blijkens de logboekgegevens met het type vistuig LHP, bedoeld in Bijlage XI van de uitvoeringsverordening controleverordening, op zeebaars is gevist, voor zover in de op het desbetreffende vissersvaartuig betrekking hebbende visvergunning was vermeld dat het de vergunninghouder in betrokken periode was toegestaan te vissen op zeebaars.

[…]

In artikel 84a, derde lid, van de Uitvoeringsregeling zeevisserij is bepaald dat in afwijking van het eerste lid de vismachtiging kan worden verleend, indien:

a. de aanvrager ten genoegen van de Minister aannemelijk heeft gemaakt dat er bijzondere omstandigheden zijn die rechtvaardigen dat hij in de desbetreffende periode met het desbetreffende vissersvaartuig niet in staat was de visserij uit te oefenen, mits hij in de periode daaraan voorafgaand met het desbetreffende vissersvaartuig wel op zeebaars heeft gevist en daartoe gerechtigd was;

b. het een vissersvaartuig betreft waarvoor binnen de in het eerste lid bedoelde periode, op de op dat vaartuig betrekking hebbende visvergunning overeenkomstig artikel 84a, tweede lid, onderdeel a, zoals dat artikelonderdeel op 31 december 2016 luidde, is vermeld dat het de vergunninghouder is toegestaan te vissen op zeebaars en de aanvrager ten genoegen van de Minister aannemelijk heeft gemaakt dat er bijzondere omstandigheden zijn die rechtvaardigen dat hij niet in staat was met het desbetreffende vissersvaartuig in het restant van de desbetreffende periode, de visserij uit te oefenen of

c. het een vissersvaartuig betreft waarvoor eerst na de in het eerste lid bedoelde periode, maar voor 1 januari 2017:

i. op de op dat vaartuig betrekking hebbende visvergunning overeenkomstig artikel 84a, tweede lid, onderdeel a, zoals dat artikelonderdeel op 31 december 2016 luidde, is vermeld dat het de vergunninghouder is toegestaan te vissen op zeebaars of

ii. de aanvrager onomkeerbare investeringsverplichtingen is aangegaan en het bevoegd gezag heeft aangekondigd om op de op dat vaartuig betrekking hebbende visvergunning overeenkomstig artikel 84a, tweede lid, onderdeel a, zoals dat artikelonderdeel op 31 december 2016 luidde, te vermelden dat het de vergunninghouder is toegestaan te vissen op zeebaars.

In artikel 84a, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling zeevisserij is bepaald dat een vismachtiging als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de controleverordening, voor de in artikel 9, tweede lid, tweede alinea, onder c, van de verordening vangstmogelijkheden bedoelde visserijactiviteiten, wordt verleend, indien de aanvraag een vissersvaartuig betreft waarmee in de in artikel 9, tweede lid, derde alinea, van de verordening vangstmogelijkheden bedoelde periode blijkens de logboekgegevens met het type vistuig GTR, GNS, FYK, FPN of FIX, bedoeld in Bijlage XI van de uitvoeringsverordening controleverordening op zeebaars is gevist.