Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2019:11095

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
22-11-2019
Datum publicatie
13-03-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 3187
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verleende omgevingsvergunning voor de activiteiten bouwen en afwijken van hte bestemmingsplan voor het aanpassen van de bestaande paardrijbak op het perceel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 19/3187

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 november 2019 in de zaak tussen

[eiser 1] en [eiser 2] , te [woonplaats] ,

eisers

(gemachtigde: mr. J.T.F. van Berkel),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Drechterland, verweerder

(gemachtigden: B. Verrijk, M. Groefsema, B. Nota en M. Bak).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [derde belanghebbende] , te [woonplaats]

(gemachtigde: mr. S. Smit)

Procesverloop

Bij besluit van 6 december 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder aan derde-partij een omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten bouwen en afwijken van het bestemmingsplan voor het aanpassen van de bestaande paardrijbak op het perceel [perceel] in [woonplaats] .

Bij besluit van 25 juni 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard en het primaire besluit in stand gelaten, met aanpassing van de motivering.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 september 2019. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigden. Derde-partij is verschenen, vergezeld door zijn partner en bijgestaan door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De verleende omgevingsvergunning ziet op het in afwijking van het bestemmingsplan aanpassen van de bestaande paardrijbak op het perceel [perceel] in [woonplaats] (het perceel). Eisers zijn woonachtig op het naastgelegen perceel.

2. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage en maakt onderdeel uit van deze uitspraak.

3. Verweerder heeft de omgevingsvergunning verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), gelezen in verbinding met de artikelen 31.3.1, 31.5.1 en 50.5.3 van de regels van het bestemmingsplan “Drechterland Zuid” (het bestemmingsplan).

4.1

Eisers betogen dat verweerder ten onrechte met toepassing van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 31.5.1 van de planregels omgevingsvergunning heeft verleend. Zij voeren daartoe aan dat met toepassing van dat artikel kan worden afgeweken van de gebruiksregels, maar niet ook van de bouwregels. Voorts wordt aan verschillende van de voor toepassing geldende voorwaarden niet voldaan. Zo is het niet duidelijk of wordt voldaan aan de voorwaarden dat de paardrijbak binnen 120 meter vanaf de voorgevel van de woning wordt gerealiseerd. Er bestaat een discrepantie tussen de afmetingen vermeld op de aanvraag en de afmetingen op de tekening. In de verleende omgevingsvergunning zelf worden geen afmetingen vermeld. Verder wordt niet voldaan aan de voorwaarden dat de paardrijbak als regel achter de eigen bebouwing moet worden opgericht. Minder dan 50% van de paardrijbak is gelegen achter de eigen bebouwing van vergunninghouder. Ten aanzien van de verlichting betogen eisers dat niet duidelijk uit de omgevingsvergunning blijkt dat geen omgevingsvergunning is verleend voor een lichtmast. Op de tekening behorende bij de aanvraag is duidelijk een lichtmast waar te nemen.

4.2

Verweerder stelt zich op het standpunt dat aan de voorwaarden voor toepassing van de binnenplanse afwijkingsmogelijkheid als bedoeld in artikel 31.5.1 van de planregels is voldaan. De paardrijbak is gelegen binnen een afstand van 120 meter, indien gemeten in een rechte lijn, gerekend vanaf de voorgevel van de woning van vergunninghouder. In het bestemmingsplan is opgenomen dat de paardrijbak, vanaf de weg gezien, achter de achtergevelrooilijn en als regel achter de bestaande eigen bebouwing wordt aangelegd en/of gebouwd. Door de aanduiding “als regel” te gebruiken bestaat de mogelijkheid om in een voorkomend geval anders te beslissen. Met de voorwaarde wordt beoogd om de zichtbaarheid van de openbare weg te beperken. Vanaf de openbare weg bestaat er weinig zicht op de paardrijbak, hetgeen tevens ook met beplanting zal worden tegengegaan. Tot slot zal vergunninghouder geen verlichting gebruiken.

4.3

De rechtbank overweegt dat eisers weliswaar terecht betogen dat met toepassing van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 31.5.1 van de planregels alleen van de gebruiksregels kan worden afgeweken, maar dat uit het bestreden besluit blijkt dat verweerder ook met toepassing van artikel 31.3.1 van de planregels omgevingsvergunning heeft verleend voor het afwijken van de bouwregels. Ten aanzien van de voorwaarde dat de paardrijbak op een afstand van niet meer dan 120 meter gerekend vanaf de voorgevel van de bijbehorende woning moet worden gerealiseerd, overweegt de rechtbank dat blijkens de tekening behorende bij de omgevingsvergunning aan die voorwaarde, indien gemeten in een rechte lijn, wordt voldaan. De rechtbank ziet in de planregels geen aanknopingspunt voor het oordeel dat de afstand schuin dient te worden gemeten. Dat niet wordt voldaan aan de voorwaarde dat de paardrijbak als regel achter de eigen bebouwing moet worden aangelegd kan de rechtbank ook niet volgen. De rechtbank volgt verweerder er in dat er ruimte zit in de aanduiding “als regel” en dat het mogelijk is om in voorkomend geval anders te beslissen. Bovendien is de paardrijbak achter de bestaande eigen bebouwing aangelegd. Dat de paardrijbak niet in zijn volledigheid achter de eigen bebouwing is gelegen maakt niet dat niet aan de voorwaarde is voldaan. Daarbij heeft de voorwaarde als doel te voorkomen dat de paardrijbak zichtbaar is vanaf de openbare weg. Niet is betwist dat dat niet het geval is. Voor zover het betoog van eisers ziet op de eventuele aanwezigheid van een lichtmast merkt de rechtbank op dat uit de verleende omgevingsvergunning duidelijk blijkt dat de lichtmast niet is vergund. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat aan de voorwaarden voor toepassing van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 31.5.1 van de planregels is voldaan. Het betoog slaagt niet.

5.1

Eisers betogen voorts dat ook niet is voldaan aan de voorwaarden voor het toepassen van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid zoals opgenomen in artikel 50.5.3 van de planregels. Zij voeren daartoe aan dat het niet aanleggen van een paardrijbak in dat kader ook een te overwegen alternatief is. Voorts dient het aanleggen van een paardrijbak geen groot openbaar belang. Verder heeft verweerder niet aangetoond dat de aanduiding “weidevogelgebied” evident onjuist is. Ook is niet aangetoond dat de Provinciale Ruimtelijke Verordening (PRV) zal wijzigen en zolang dat niet is gebeurd kan daarop ook niet worden voorgesorteerd. Bovendien moet worden uitgegaan van de juistheid van de planregels, zodra een bestemmingsplan onherroepelijk is. Eisers verwijzen naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 18 februari 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BH3227, waarin is bepaald dat moet worden uitgegaan van hetgeen in de planregels is bepaald en dat daarbij de bedoeling van de planwetgever niets kan afdoen. Indien het perceel onjuist is bestemd, dan zal deze bestemming moeten worden gewijzigd middels een besluit van de gemeenteraad.

5.2

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de omgevingsvergunning is verleend in strijd met de in artikel 50.5.3 van de planregels opgenomen voorwaarden voor toepassing van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid. Volgens verweerder is het echter redelijk de omgevingsvergunning toch te verlenen, omdat gebleken is dat het perceel waarop de paardrijbak wordt aangelegd geen weidevogelleefgebied betreft. De provincie heeft in haar besluit van 11 december 2018 voor het betreffende gebied aangegeven dat er een verzameling aan fouten in de begrenzing is, waarbij het weidevogelleefgebied strak om gebouwen heen is gelegd en de ervan ten onrechte als weidevogelleefgebied zijn aangemerkt. Nu de aanduiding “weidevogelleefgebied” evident onjuist is, kan een beroep worden gedaan op een nuancering van de formele rechtskracht van het bestemmingsplan.

5.3

De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 50.5.3 van de planregels. Dat het redelijk is de omgevingsvergunning toch te verlenen met gebruikmaking van deze binnenplanse afwijkingsbevoegdheid, omdat gebleken is dat het perceel geen weidevogelleefgebied betreft, kan de rechtbank niet volgen. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling, zie onder meer de uitspraak van 28 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:638, is met het onherroepelijk worden van een bestemmingsplan de rechtmatigheid van het geldend planologisch regime een gegeven. Dat de aanduiding “weidevogelleefgebied” volgens verweerder onjuist is doet daar niet aan af. Nu niet wordt voldaan aan de voorwaarden zoals opgenomen in artikel 50.5.3 van de planregels, was verweerder niet bevoegd om met toepassing van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid omgevingsvergunning te verlenen. Het betoog slaagt.

6.1

Eisers betogen dat het aan de omgevingsvergunning verbonden voorschrift met betrekking tot het gebruik van de paardrijbak onduidelijk is. Niet duidelijk is wat door verweerder wordt verstaan onder “eigen, strikt hobbymatig gebruik”. Ook is niet duidelijk wat wordt bedoeld met gebruik door derden in de vakantieperiode. Het voorschrift biedt teveel ruimte om anderszins te handelen. De voorwaarde leidt daarom tot rechtsonzekerheid voor eisers en vergunninghouder.

6.2

Verweerder stelt zich op het standpunt dat het voorschrift voldoende duidelijk is. Het gebruik door derden kan niet worden aangemerkt als het eigen hobbymatig gebruik van de bewoners van de woning. Alleen de bewoners mogen van de paardrijbak gebruik maken met hun eigen paarden. Het is toegestaan dat derden incidenteel op de eigen paarden van de bewoners rijden als de bewoners bijvoorbeeld op vakantie zijn. Niet valt in te zien dat het voorschrift kan leiden tot rechtsonzekerheid voor eisers of vergunninghouder.

6.3

Naar het oordeel van de rechtbank is het aan de omgevingsvergunning verbonden voorschrift met betrekking tot het gebruik van de paardrijbak onduidelijk, reeds omdat verweerder wisselende voorbeelden geeft van welk gebruik volgens hem is toegestaan.

Het betoog slaagt.

7. Het beroep is gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien, omdat verweerder alsnog dient te beoordelen of vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12, aanhef en onder a, onderdeel 2° of onderdeel 3°, van de Wabo mogelijk is. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.

8. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.024,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van

€ 512,- en een wegingsfactor 1).

8. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 174,- aan eisers te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.024,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.B. Klaus, rechter, in aanwezigheid van mr. M. van Excel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 november 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

BIJLAGE

1. Op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk.

Op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo, is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan.

Op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1, van de Wabo, kan de omgevingsvergunning, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en, indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening, met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking.

2. Op het perceel is het bestemmingsplan “Eerste herziening Drechterland Zuid” (het bestemmingsplan Eerste herziening) en het bestemmingsplan “Drechterland Zuid” (het bestemmingsplan) van toepassing. Op de betreffende gronden rust de bestemming “Tuin-2” en de aanduiding “Weidevogelleefgebied”.

Op grond van artikel 30, aanhef, van het bestemmingsplan Eerste herziening zijn voor zover de gronden binnen de herziening zijn voorzien van een bestemmingsplan met de bestemming “Tuin-2” de regels van artikel 31 van het bestemmingsplan van toepassing. Voorts worden de regels van het bestemmingsplan gewijzigd dan wel aangevuld zoals in het bestemmingsplan Eerste herziening is aangegeven. Behoudens de wijzigingen blijven de overige regels van artikel 31 ongewijzigd van toepassing.

Op grond van artikel 31.1 van het bestemmingsplan en artikel 30.1 van het bestemmingsplan Eerste herziening zijn de voor “Tuin-2” aangewezen gronden bestemd voor:

  1. tuinen behorende bij de op de aangrenzende gronden gelegen woonhuizen;

  2. ijgebouwen;

  3. een kleinschalige camping, uitsluitend op de gronden ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van wonen - kleinschalige camping",

met daaraan ondergeschikt:

een verteltuin, uitsluitend op de gronden ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van tuin - verteltuin",

woonstraten en paden;

parkeervoorzieningen;

waterlopen en waterpartijen,

met de daarbij behorende:

bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, niet zijnde paardrijdbakken, zwembaden en tennisbanen.

Op grond van artikel 31.2.2 van het bestemmingsplan Eerste herziening gelden voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, de volgende regels:

a. er mogen geen paardrijdbakken, tennisbanen en zwembaden worden gebouwd, met uitzondering van de bestaande paardrijdbakken, tennisbanen en zwembaden;

Op grond van artikel 31.3.1 van het bestemmingsplan kan met een omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde in lid 31.2.2. sub a in die zin dat paardrijdbakken, tennisbanen en/of zwembaden worden toegestaan, mits:

 tevens de in lid 31.5.1. bedoelde omgevingsvergunning is verleend.

Op grond van artikel 31.4 van het bestemmingsplan wordt tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, wordt in ieder geval gerekend:

 het gebruik van gronden voor de bouw en/of de aanleg van een paardrijdbak, tennisbaan of een zwembad met de daarbij behorende bouwwerken, met uitzondering van de bestaande paardrijdbakken, tennisbanen en zwembaden.

Op grond van artikel 31.5.1 van het bestemmingsplan kan met een omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde in lid 31.4. in die zin dat gronden, voor zover gelegen binnen het bestemmingsvlak, worden gebruikt voor de aanleg en/of bouw van een paardrijdbak, een tennisbaan en/of een zwembad, mits:

  1. tevens de in lid 31.3.1. bedoelde omgevingsvergunning wordt verleend;

  2. de voorzieningen worden gerealiseerd op een afstand van niet meer dan 120,00 m gerekend vanaf de voorgevel van de bijbehorende woning;

  3. de voorzieningen alleen worden gerealiseerd en gebruikt ten behoeve van het eigen hobbymatig gebruik van de bewoners van de woning;

  4. e gezamenlijke oppervlakte van de voorzieningen per woning niet meer bedraagt dan 2.400 m²;

  5. de afstand van de voorzieningen tot de perceelgrens niet minder bedraagt dan 5,00 m;

  6. de voorzieningen, vanaf de weg gezien, achter de achtergevelrooilijn en als regel achter de bestaande eigen bebouwing worden aangelegd en/of worden gebouwd;

  7. er een beplantingsplan wordt ingediend voor een strook met beplanting van niet minder dan 3,50 m breed tussen de voorzieningen en de perceelgrens. Het bevoegd gezag kan in een specifieke situatie in het belang van het behoud van het open landschap besluiten dat geen of slechts enkele beplanting moet worden aangelegd. De beplanting zal uit streekeigen soorten bestaan en overeenkomstig het goedgekeurde beplantingsplan worden aangelegd en in stand gehouden;

  8. de bouwhoogte van de lichtmasten niet meer bedraagt dan 10,00 meter;

  9. het aantal lichtmasten niet meer bedraagt dan 6;

  10. er sprake is van objectgerichte verlichting;

  11. de verlichting van de lichtmasten niet buiten de perceelgrens schijnt;

  12. de verlichting van de lichtmasten vanaf 21.00 uur tot zonsopgang niet brandt en van een verzegelde tijdschakelaar is voorzien;

  13. de afstand van de lichtmasten tot de nabij gelegen woningen niet minder bedraagt dan 30,00 meter;

  14. op basis van een verlichtingsrapport van een ter zake deskundige is aangetoond dat aan de voorwaarden in sub j, k, l en m wordt voldaan.

Op grond van artikel 50.5.1 van de planregels zijn de gronden ter plaatse van de aanduiding "weidevogelleefgebied" , behalve voor de daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud van de weidevogelleefgebieden.

Op grond van artikel 50.5.2 van de planregels gelden op of in deze gronden , in afwijking van het bepaalde in de daar voorkomende bestemming(en), de volgende regels voor het bouwen van gebouwen:

  1. er mogen geen gebouwen of bouwwerken, geen gebouwen worden gebouwd anders dan in een bestaand bouwvlak of de uitbreiding van een bestaand bouwvlak;

  2. er mag geen nieuwe infrastructuur worden aangelegd.

Op grond van artikel 50.5.3 van de planregels kan met een omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde in lid 50.5.2, mits:

  1. geen aanvaardbaar alternatief aanwezig is;

  2. een groot openbaar belang wordt gediend met het verlenen van de omgevingsvergunning;

  3. er in het geval van woningbouw sprake is van de regeling Ruimte voor Ruimte als bedoeld in artikel 16 van de provinciale verordening en waarbij natuurdoelen leidend zijn;

  4. woningbouw bijdraagt aan een substantiële verbetering van in de directe omgeving daarvan aanwezige natuur kwaliteiten van het landschap;

  5. schade zoveel mogelijk wordt voorkomen en resterende schade wordt gecompenseerd;

  6. de maatregelen ten behoeve van de compensatie als bedoeld sub a daadwerkelijk worden uitgevoerd;

  7. de ruimtelijke kwaliteitseisen als bedoeld in artikel 15 van de provinciale verordening in acht genomen zijn.