Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2019:10976

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
30-12-2019
Datum publicatie
06-04-2020
Zaaknummer
HAA 17/2184, HAA 17/2223, HAA 17/2224 en HAA 17/2225
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Naar aanleiding van onderzoek van OLAF naar de geldigheid van de Form A’s die door de autoriteiten van Bangladesh ten behoeve van zendingen textiel zijn afgegeven, heeft verweerder de meer verschuldigde douanerechten nagevorderd. Eiseres heeft verzocht om terugbetaling op grond van artikel 239 van het CDW van de douanerechten. Verweerder heeft deze verzoeken afgewezen en het bezwaar daartegen ongegrond verklaard. In beroep is in geschil of verweerder alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd en of eiseres in aanmerking komt voor terugbetaling van de douanerechten.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder alle stukken heeft overgelegd die een rol hebben gespeeld bij de besluitvorming over de verzoeken om terugbetaling van de douanerechten. Voorts is de rechtbank van oordeel dat eiseres niet in aanmerking komt voor terugbetaling van de voldane douanerechten omdat geen sprake is van bijzondere omstandigheden. Het feit dat er al vele jaren fraude plaatsvindt in Bangladesh met Form A’s, maakt niet dat sprake is van een bijzondere situatie. Immers, deze situatie is voor eiseres niet anders dan voor andere marktdeelnemers die ten tijde van belang contractuele relaties aangingen met textielbedrijven in Bangladesh. De nadelige gevolgen van de incorrecte handelwijze van de contractpartners van eiseres behoren tot het beroeps- en handelsrisico van eiseres en hoeven niet door de EU te worden gedragen. De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 07-04-2020
FutD 2020-1224
DouaneUpdate 2020-0156 met annotatie van Fiscaal up to Date
NTFR 2020/1090
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: HAA 17/2184, HAA 17/2223 t/m HAA 17/2225

uitspraak van de meervoudige douane kamer van 30 december 2019 in de zaken tussen

[X] GmbH, eiseres,

gevestigd te [Z] (Duitsland)

(gemachtigde: mr. ing. B.J.B. Boersma,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Douane, kantoor Nijmegen, verweerder.

Procesverloop

Op 10 december 2009, 18 februari 2010, 23 maart 2010 en 22 april 2010 heeft eiseres verzoeken om terugbetaling ingediend, waarin zij op de voet van artikel 239 van het Communautair douanewetboek (hierna: CDW) vraagt om terugbetaling van € 34.486,68,

€ 33.723,48, en € 106.825,68 en € 142.869,36 aan douanerechten. Bij beschikking van

12 januari 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de verzoeken afgewezen.

Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 30 maart 2017 het hiertegen ingestelde bezwaar ongegrond verklaard.

Eiseres heeft daartegen beroepen ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiseres en verweerder hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn steeds in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 november 2019 te Haarlem.

Namens eiseres verscheen gemachtigde voornoemd. Namens verweerder zijn verschenen mr. B.C. Brouwer en mr. M.U.B. Willemsen. De zaken zijn, gelijktijdig met de zaken van [A] B.V. met zaaknummers HAA 17/2182 en HAA 17/2183, ter zitting behandeld.

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres heeft in de periode van 29 november 2006 tot en met 29 januari 2008

49 aangiften gedaan voor het in het vrije verkeer brengen van kleding (hierna: de kleding). Als land van oorsprong werd telkens Bangladesh vermeld. Bij de aangiften zijn certificaten van oorsprong, zogeheten Formulieren A, (hierna: Form A’s) gevoegd. Op grond daarvan zijn douanerechten geheven met toepassing van een preferentieel tarief.

2. Van 16 tot en met 25 maart 2009 heeft het antifraudebureau van de Europese Commissie (hierna: OLAF), een onderzoek uitgevoerd in Bangladesh naar de geldigheid van – onder meer – de hiervoor vermelde, door de autoriteiten van Bangladesh afgegeven Form A’s. In dat kader heeft OLAF een missierapport van 25 maart 2009 (hierna: het OLAF-rapport) opgesteld. Op basis van de bevindingen van dat onderzoek hebben de autoriteiten van Bangladesh en de Europese Commissie (hierna: EC) vastgesteld dat ten tijde van de afgifte van de Form A’s de daarop vermelde exporteurs al geruime tijd geen kleding meer produceerden dan wel al geruime tijd waren opgehouden te bestaan en op die gronden geconcludeerd dat de certificaten niet kunnen dienen ten bewijze van de oorsprong Bangladesh. Verweerder heeft daarop ter zake van de invoer van de kleding de meer verschuldigde douanerechten nagevorderd middels de volgende uitnodigingen tot betaling (hierna: utb’s):

- nummer [# 1] van 26 november 2009, ten bedrage van € 34.486,68;

- nummer [# 2] van 14 januari 2010, ten bedrage van € 33.723,48;

- nummer [# 3] van 11 maart 2010, ten bedrage van € 106.825,68;

- nummer [# 4] van 14 april 2010, ten bedrage van € 142.869,36.

3. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraken op bezwaar van

4 februari 2011, de utb’s gehandhaafd. Bij uitspraak van 6 februari 2012 (kenmerken 11/755 tot en met 11/758) heeft deze rechtbank de door eiseres ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Het daartegen ingediende hoger beroep is bij uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 24 december 2013 (kenmerken 12/00182 tot en met 12/00185) ongegrond verklaard. Hiertegen heeft eiseres beroep in cassatie ingesteld. Dit beroep in cassatie is door de Hoge Raad ongegrond verklaard bij arrest van 10 april 2015 (zaaknummer 14/00554). Daarmee zijn de hiervoor onder 2 genoemde utb’s in rechte komen vast te staan.

4. Eiseres heeft bij brieven van 10 december 2009, 19 februari 2010, 22 maart 2010 en 21 april 2010 verzocht om terugbetaling op grond van artikel 239 van het CDW van de douanerechten opgenomen in de utb’s genoemd onder 2.

5. Eiseres heeft bij brief van 19 oktober 2016 de verzoeken om terugbetaling nader gemotiveerd. Op 25 november 2016 heeft er een zienswijzegesprek plaatsgevonden.

Geschil
6. In geschil is:

- of verweerder alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd;

- of eiseres in aanmerking komt voor terugbetaling van de douanerechten (onderscheidenlijk ten bedrage van € 34.486,68, € 33.723,48, € 106.825,68 en € 142.869,36).

7. Eiseres stelt zich ten eerste op het standpunt dat verweerder niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd. Voorts stelt eiseres dat de voldane douanerechten aan haar moeten worden terugbetaald omdat zij te goeder trouw heeft gehandeld. Eiseres heeft, anders dan verweerder stelt, niet kennelijk nalatig gehandeld. Voorts is sprake van bijzondere omstandigheden gelet op de handelwijze van de bevoegde autoriteiten van Bangladesh, de Douane en de EC. Als de rechtbank oordeelt dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden, dan dient zij prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ). Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen. Voorts verzoekt eiseres om vergoeding van de (integrale) proceskosten in de bezwaar- en beroepsprocedure alsmede om schadevergoeding voor de overige door haar geleden en te lijden schade, waaronder immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen de zaken moeten worden behandeld.

8. Verweerder stelt zich ten eerste op het standpunt dat alle op de onderhavige zaken betrekking hebbende stukken zijn overgelegd. Voorts stelt verweerder dat eiseres niet in aanmerking komen voor terugbetaling van de douanerechten. Verweerder voert aan dat een beroep daarop reeds niet kan slagen omdat eiseres klaarblijkelijk nalatig is geweest. Er is voorts geen sprake van bijzondere omstandigheden op grond waarvan eiseres in aanmerking komt voor terugbetaling van de douanerechten. Verweerder concludeert tot ongegrond verklaring van de beroepen.

9. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

Verplichting tot het overleggen van stukken in beroep

10. Eiseres stelt dat verweerder niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd. Voorafgaand aan de utb's die nu onderwerp van geschil zijn, zijn op 8 mei 2008 utb's opgelegd die na de bezwaarprocedure zijn vernietigd. Hoewel die utb’s hier niet in geschil zijn, gaat het wel om dezelfde douaneschulden. Daarom dienen alle stukken die op die eerdere utb's betrekking hebben, zoals de hoorgesprekken, de teruggaafbeschikkingen en communicatie over het niet beschikbaar zijn van het OLAF-rapport, te worden overgelegd. Ook ontbreken belangrijke stukken met betrekking tot de procedures tegen de onderhavige utb's. Eiseres heeft als voorbeeld een aantal stukken overgelegd (bijlage 1 tot en met 5 bij het schriftelijk pleidooi) die naar haar mening ontbreken in het dossier. Deze stukken betreffen een brief van de Nederlandse Ambassade van 18 juni 2008, de ambtshalve teruggaafbeschikkingen van 28 augustus 2008, Annex 4 van het OLAF-rapport, twee aangiften en een brief van verweerder van 30 juli 2007 met bijlagen. Naast deze stukken zijn er volgens eiseres nog diverse onbenoemde stukken die relevant zijn in deze zaak.

11. Verweerder stelt zich op het standpunt dat alle relevante feiten en omstandigheden die voor de eerdere procedure en ook voor de huidige zaken van belang zijn, in de uitspraken van het gerechtshof en de Hoge Raad zijn opgenomen. Voor het overige zijn alle op de onderhavige zaken betrekking hebbende stukken overgelegd.

12. Op grond van artikel 8:42, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) dient de inspecteur in beginsel alle stukken die hem ter beschikking staan en een rol hebben gespeeld bij zijn besluitvorming aan de belanghebbende en aan de rechter over te leggen. Behoudens gevallen van gerechtvaardigde weigering op grond van artikel 8:29 van de Awb en uitzonderingsgevallen als misbruik van procesrecht, dient te worden tegemoetgekomen aan een verzoek van de belanghebbende tot overlegging van een bepaald stuk, indien deze voldoende gemotiveerd heeft gesteld dat het stuk van enig belang kan zijn (geweest) voor de besluitvorming in zijn zaak (zie Hoge Raad 25 april 2008, nr. 43448, ECLI:NL:HR:2008:BA3823, BNB 2008/161).

13. Gelet op deze jurisprudentie dient verweerder alle stukken die een rol hebben gespeeld bij de besluitvorming over de verzoeken om terugbetaling van de douanerechten, over te leggen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder daaraan voldaan. Ten aanzien van de stukken die eiseres heeft overgelegd (de onder 10 genoemde bijlagen 1 tot en met 5 bij het schriftelijk pleidooi) geldt dat eiseres - voor zover de overgelegde stukken al betrekking hebben op de onderhavige zaken - geen belang meer hebben bij de beantwoording van de vraag of deze stukken moeten worden gerekend tot de op de zaak betrekking hebbende stukken in de zin van artikel 8:42, eerste lid, van de Awb, nu deze stukken door overlegging daarvan door eiseres deel zijn gaan uitmaken van de gedingstukken in deze procedure. Wat betreft de stelling van gemachtigde van eiseres dat er nog diverse andere stukken relevant zijn in deze zaken, heeft eiseres niet nader gespecificeerd om welke stukken het dan concreet zou gaan. De beroepsgrond kan niet slagen.

Terugbetaling van de douanerechten

14. Op het onderhavige geschil is artikel 116 in samenhang met artikel 120 van het Douanewetboek van de Unie (hierna: DWU) van toepassing, omdat het primaire besluit dateert van 12 januari 2017.

Artikel 116 van het DWU luidt – voor zover van belang – als volgt:

“Algemene bepalingen

1. Onder de bij deze afdeling vastgestelde voorwaarden wordt overgegaan tot terugbetaling of kwijtschelding van bedragen aan invoer- of uitvoerrechten, om elk van de volgende redenen:

(…)

d. billijkheid.”

Artikel 120 van het DWU luidt als volgt:

“Billijkheid

1. In andere dan de in artikel 116, lid 1, tweede alinea, en de artikelen 117, 118 en 119 bedoelde gevallen wordt een bedrag aan invoer- of uitvoerrechten om redenen van billijkheid terugbetaald of kwijtgescholden indien een douaneschuld is ontstaan in bijzondere omstandigheden waarin de schuldenaar geen bedrog heeft gepleegd noch kennelijk nalatig is geweest.

2. De bijzondere omstandigheden bedoeld in lid 1 worden geacht te bestaan indien uit de omstandigheden van de zaak blijkt dat de schuldenaar zich in een uitzonderlijke situatie bevindt ten opzichte van andere deelnemers die dezelfde activiteit uitoefenen, en indien de schuldenaar in afwezigheid van dergelijke omstandigheden niet het nadeel zou hebben geleden door de inning van het bedrag aan in- of uitvoerrechten.”

15. Voor terugbetaling op de voet van artikel 120 van het DWU is vereist dat de douaneschuld is ontstaan in bijzondere omstandigheden waarin de schuldenaar geen bedrog heeft gepleegd, noch kennelijk nalatig is geweest. Volgens vaste rechtspraak, die ziet op artikel 239 van het CDW, maar die naar het oordeel van de rechtbank ook van toepassing is op artikel 120 van het DWU, zijn dit cumulatieve voorwaarden (vgl. het arrest van het HvJ van 13 november 1984, Van Gend & Loos en Bosman, gevoegde zaken 98/83 en 230/83, Jurispr. blz. 3763 en HvJ 26 november 1998, Covita, C-370/96, Jurispr. blz. I-7711, punt 29).

16. Eiseres voert met betrekking tot de bijzondere omstandigheden het volgende aan. Uit jurisprudentie en diverse REC- en REM-beschikkingen van de EC blijkt dat in de jaren 1991-1999, 2002-2003 en 2007-2010 doorlopend onregelmatigheden hebben plaatsgevonden met oorsprongscertificaten waarvoor het Export Promotion Bureau (hierna: EPB) in Bangladesh verantwoordelijk is. De Bengalese autoriteiten hebben controles achterwege gelaten, hielden geen register bij en hielden zich niet aan de afspraken. Hierdoor is de afgifte van bescheiden die later vals (b)lijken te zijn, indirect gefaciliteerd. Het stelsel van afgifte van formulieren is in de loop der jaren niet of nauwelijks verbeterd. OLAF en de EC zijn hier al vele jaren mee bekend. Desondanks heeft de EC verzuimd maatregelen te nemen, zoals het door de Bengalese autoriteiten laten opzetten van een elektronisch register. Het EPB als bevoegde autoriteit maar ook de EC die de afspraken heeft gemaakt met het EPB in Bangladesh schiet dus ruimschoots tekort. Voorts heeft verweerder in de zaken van eiseres zowel tijdens het aangifteproces, als achteraf, nauwelijks controles uitgevoerd, terwijl verweerder wist dat Bangladesh en het EPB geen betrouwbare partijen waren en dat alle preferentiële goederenstromen uit Bangladesh fraudegevoelig zijn. Door medewerkers van het EPB wordt fraude gepleegd met stempels en handtekeningen van medewerkers van het EPB, in het bijzonder door of op naam van dhr. [B] . Deze naam komt telkens terug en de handelwijze is steeds hetzelfde. Dit volgt uit Annex 4 van het OLAF-rapport. De fraude gaat zo ver dat de EC en lidstaten correspondentie ontvangen van het EPB die niet van het EPB afkomstig is. Dit is geen normaal handelsrisico dat op eiseres kan worden afgewenteld.

17. Verweerder stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van een bijzondere situatie waardoor eiseres in een uitzonderlijke situatie is komen te verkeren in vergelijking met andere bedrijven die dezelfde activiteit uitoefenen, zodat de betaling van de wettelijk verschuldigde rechten als een onderdeel van het normale handelsrisico van haar onderneming moet worden beschouwd. Dit omdat vast staat dat de achteraf ingetrokken Form A’s werden afgegeven op basis van onjuiste informatie van de exporteurs, dan wel was door het toedoen van de betrokken exporteur de juistheid van die informatie niet meer te verifiëren, terwijl het EPB niet wist of had moeten weten dat de overgelegde informatie onjuist was of niet achteraf verifieerbaar zou zijn. De aangever is zowel verantwoordelijk voor de betaling van de rechten bij invoer als voor de juistheid van de documenten die zij de douaneautoriteiten voorlegt. De nadelige gevolgen van de incorrecte handelwijze van haar contractpartner behoeven niet door de Unie te worden gedragen. Verweerder ziet geen bijzondere omstandigheid in het handelen van de bevoegde autoriteiten van Bangladesh, de Douane of de EC. Het EPB valt niets te verwijten omdat zij door de exporteurs bij de aanvraag van de Form A’s werd misleid. De vermeende aanvragers waren immers in het verleden als producenten/exporteurs bij haar bekend. De Nederlandse Douane valt evenmin een verwijt te maken, omdat de onderhavige Form A’s nu eenmaal wel degelijk door het EPB waren afgegeven. Inzending van de Form A’s aan het EPB zou de onderhavige fraude niet hebben kunnen aantonen. Verweerder ziet voorts niet in wat enig handelen van de EC had kunnen toevoegen om deze fraude te voorkomen.

18. In het arrest van de Hoge Raad van 10 april 2015 (ECLI:NL:HR:2015:858) heeft de Hoge Raad in rechtsoverweging 2.4.3 het volgende overwogen:

“Het Hof van Justitie heeft met betrekking tot het gebruik van certificaten van oorsprong herhaaldelijk geoordeeld dat de marktdeelnemers in het kader van hun contractuele relaties de nodige voorzorgen dienen te nemen om zich tegen de risico’s van een procedure tot navordering te beschermen. De Unie kan, aldus het Hof van Justitie, niet de schadelijke gevolgen van het onbehoorlijk handelen van de leveranciers van de importeurs dragen, maar dat moet in een dergelijk geval de belastingschuldige doen. Een voorzichtige marktdeelnemer die op de hoogte is van de regeling moet bij zijn evaluatie van de voordelen die de handel in voor preferentiële tarieven in aanmerking komende goederen hem kan opleveren, rekening houden met de risico’s die inherent zijn aan de door hem verkende markt en moet deze als een van de normale schaduwzijden van de handel aanvaarden (zie onder meer HvJ 17 juli 1997, Pascoal & Filhos, C-97/95, ECLI:EU:C:1997:370, punten 59 en 60, HvJ 14 mei 1996, Faroe Seafood e.a., C-153/94 en C-204/94, ECLI:EU:C:1996:198, beschikking van 9 december 1999, CPL Imperial 2 en Unifrigo/Commissie, C‑299/98 P, ECLI:EU:C:1999:598, punten 37 en 38, het eerder aangehaalde arrest Beemsterboer Coldstore Services, punt 41, en HvJ 8 november 2012, Lagura Vermögensverwaltung GmbH, C-438/11, ECLI:EU:C:2012:703, punten 30 tot en met 33).”

19. Met het arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2014 is komen vast te staan dat de bij de invoeraangiften overgelegde Form A’s op grond waarvan de utb's van 23 oktober 2009 zijn opgelegd, vervalst zijn. Deze Form A's zijn door de EPB als ten onrechte afgegeven verklaard. Het feit dat er al vele jaren fraude plaatsvindt in Bangladesh met Form A’s, maakt niet dat sprake is van een bijzondere situatie. Immers, deze situatie is voor eiseres niet anders dan voor andere marktdeelnemers die ten tijde van belang contractuele relaties aangingen met textielbedrijven in Bangladesh. Zoals uit de hiervoor genoemde rechtspraak van het HvJ volgt, dienen deze marktdeelnemers met betrekking tot die contractuele relaties de nodige voorzorgsmaatregelen te nemen om zich tegen de risico’s van een navorderingsprocedure te beschermen. Ook eiseres had ten tijde van het handelen met de betreffende exporteurs naar het oordeel van de rechtbank rekening moeten houden met dergelijke risico’s en zich daartegen bijvoorbeeld contractueel kunnen beschermen. De nadelige gevolgen van de incorrecte handelwijze van deze contractpartners van eiseres behoren tot het beroeps- en handelsrisico van eiseres en hoeven niet door de EU te worden gedragen. Dat de fraude zo ver zou zijn gegaan dat dit niet meer kan worden gezien als een normaal handelsrisico dat op eiseres kan worden afgewenteld, volgt de rechtbank niet. Met name het risico dat documenten die gebruikt worden voor het verkrijgen van een preferentieel tarief achteraf vals of niet geldig blijken, behoort tot het beroeps- en handelsrisico van de preferentievrager. Eiseres kan trachten de schade te verhalen op de ondernemingen die aan de fraude met de documenten hebben deelgenomen. Ook de omstandigheden die eiseres heeft aangevoerd, namelijk dat het EPB en de EC tekort zijn geschoten in het tegengaan van de onregelmatigheden met de oorsprongscertificaten, zijn geen omstandigheden waardoor eiseres in een uitzonderlijke situatie is komen te verkeren in vergelijking met andere bedrijven die dezelfde activiteiten uitoefenen als eiseres. Niet is gebleken dat het EPB of de EC in de zaken van eiseres een specifieke rol heeft gespeeld. De rechtbank volgt verweerder in het standpunt dat de Nederlandse Douane met betrekking tot de zaken van eiseres geen verwijt valt te maken. Immers, de Form A’s zijn wel degelijk door het EPB afgegeven (dit volgt onder meer uit overweging 6.11 van de uitspraak van Gerechtshof Amsterdam van 24 december 2013). Inzending van de Form A’s aan het EPB zou de onderhavige fraude niet hebben kunnen aantonen.

20. De rechtbank concludeert dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden op grond van artikel 120 van het DWU. Nu reeds aan deze voorwaarde voor terugbetaling niet is voldaan, komt de rechtbank niet meer toe aan de beoordeling van de voorwaarde dat de schuldenaar geen bedrog heeft gepleegd noch kennelijk nalatig is geweest.

De beroepsgrond kan daarom niet slagen.

21. Gelet op het vorenoverwogene dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.

Vergoeding immateriële schade

22. Eiseres heeft verzocht om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen de zaken moeten worden behandeld.

23. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (zie Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252) kan in belastingzaken aanspraak bestaan op schadevergoeding met overeenkomstige toepassing van artikel 8:73 (oud) van de Awb, indien het belastinggeschil niet binnen een redelijke termijn wordt beslecht. De redelijke termijn is overschreden als na indiening van het bezwaar meer dan twee jaren zijn verstreken voordat op dat bezwaar en, indien vervolgens beroep is ingesteld, op dat beroep is beslist. Er kunnen zich bijzondere omstandigheden voordoen die aanleiding geven tot verkorting of verlenging van die termijnen. Als de bezwaar- en beroepsfase samen te lang hebben geduurd, vindt de toerekening als volgt plaats. De bezwaarfase heeft onredelijk lang geduurd voor zover de duur daarvan een half jaar overschrijdt en de beroepsfase voor zover zij meer dan anderhalf jaar in beslag neemt. Als uitgangspunt voor de hoogte van de schadevergoeding hanteert de Hoge Raad een tarief van € 500 per halfjaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.

24. Op grond van voornoemd arrest vangt de redelijke termijn aan met het indienen van de bezwaarschriften. De redelijke termijn is aangevangen op 24 januari 2017 en eindigt met de datum van de uitspraak van de rechtbank. Verweerder heeft niet gesteld en het is de rechtbank ook niet gebleken dat bij het bepalen van de overschrijding een bepaalde periode buiten beschouwing moet blijven. Er is een tijdsverloop van afgerond 2 jaren en

11 maanden, in totaal 35 maanden. De redelijke termijn is derhalve met 11 maanden overschreden. Daarmee correspondeert een vergoeding van immateriële schade van € 1.000. Er is weliswaar sprake van vier zaken, maar omdat ze in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp, en sprake is geweest van een gezamenlijke behandeling, wordt éénmaal het tarief van € 1.000 toegekend. In dit geval dient de totale overschrijding van

11 maanden aan de rechtbank te worden toegerekend. De Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) zal daarom worden veroordeeld tot betaling van € 1.000.

Proceskosten

25. Nu de rechtbank een immateriële schadevergoeding aan eiseres heeft toegekend vanwege overschrijding van de redelijke termijn, is er aanleiding de Staat op de voet van artikel 8:75 van de Awb en het bepaalde in rechtsoverweging 3.14.2 van het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, nr. 14/03907, ECLI:NL:HR:2016:252, te veroordelen in de proceskosten van eiseres. Voor een integrale vergoeding van de gemaakte proceskosten in bezwaar en beroep ziet de rechtbank geen aanleiding nu eiseres in de hoofdzaken in het ongelijk is gesteld. Ook overigens ziet de rechtbank daartoe geen aanleiding.

De rechtbank merkt de onderhavige zaken aan als samenhangende zaken in de zin van artikel 3, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit). De kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 768 (1 punt voor het indienen van een beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 512 en een factor 0,5 voor het gewicht van de zaak nu de Staat slechts wordt veroordeeld in de proceskosten van eiseres omdat aan haar een vergoeding voor immateriële schade wordt toegekend (vgl. Hoge Raad 20 maart 2015, nr. 14/01332, ECLI:NL:HR:2015:660) en een factor 1,5 wegens samenhang). Voor een vergoeding van de in bezwaar gemaakte proceskosten bestaat geen aanleiding, aangezien de uitspraken op bezwaar volledig in stand zijn gebleven (idem Hoge Raad 20 maart 2015).

26. De rechtbank ziet voorts aanleiding de Staat op te dragen het door eiseres betaalde griffierecht ten bedrage van € 333 te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen ongegrond;

  • -

    veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding aan eiseres van de aan de beroepsfase toerekenbare immateriële schade, vastgesteld op een bedrag van € 1.000;

  • -

    veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 768;

  • -

    draagt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) op het betaalde griffierecht van € 333 aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Jochem, voorzitter, en mr. P.H. Lauryssen en

mr. W.M.C. Schipper, leden, in aanwezigheid van mr. E.P. van der Zalm, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 december 2019.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (douanekamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.