Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2019:10835

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
24-12-2019
Datum publicatie
07-01-2020
Zaaknummer
HAA 18/5219
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 juni 2018 heeft verweerder ontheffing verleend van verboden op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) voor het vangen en doden van de kauw en de zwarte kraai met gebruikmaking daarbij van een vangkooi, lokvogels en (luchtdruk)geweer.

Wetsverwijzingen
Wet natuurbescherming 3.3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 18/5219

uitspraak van de meervoudige kamer van 24 december 2019 in de zaak tussen

1. de stichting Stichting Fauna4Life, te Amstelveen,

2. de stichting Stichting Animal Rights, te Arnhem,

(gemachtigde: A.P. de Jong),

eiseressen

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland, verweerder

(gemachtigden: mr. H.A. Schoordijk en B.P. Brussel).

Procesverloop

Bij besluit van 25 juni 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder aan Jachtcombinatie [naam] (hierna: ontheffinghouder) ontheffing verleend van verboden op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) voor het vangen en doden van de kauw en de zwarte kraai met gebruikmaking daarbij van een vangkooi, lokvogels en het (luchtdruk)geweer.

Bij besluit van 23 oktober 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseressen ongegrond verklaard.

Eiseressen hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 oktober 2019. Eiseressen zijn vertegenwoordigd door A.P. de Jong. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door voornoemde gemachtigden.

Overwegingen

De ontheffing

1.1

Bij het primaire besluit heeft verweerder - onder voorschriften en beperkingen - aan ontheffinghouder:

- op grond van artikel 3.3, eerste lid, van de Wnb ontheffing verleend van artikel 3.1, eerste lid, van de Wnb voor het opzettelijk vangen en het opzettelijk doden van exemplaren van de kauw en de zwarte kraai;

- op grond van artikel 3.4, tweede lid, van de Wnb ontheffing verleend van artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder a, ten tweede, van de Wnb voor het gebruik van de vangkooi voor het vangen van exemplaren van de kauw en de zwarte kraai;

- op grond van artikel 3.25, vierde lid, aanhef en onder a, van de Wnb ontheffing verleend van artikel 3.24, tweede lid, van de Wnb voor het zich buiten gebouwen bevinden met een vangkooi;

Bij het primaire besluit heeft verweerder op grond van artikel 3.3, vijfde lid, en artikel 3.15, eerste lid, van de Wnb en artikel 3.9, eerste lid, van het Besluit natuurbescherming (Bnb) de middelen (luchtdruk)geweer en vangkooi aangewezen als middelen en (naar de rechtbank begrijpt op grond van artikel 3.9, tweede lid, van het BnB) het gebruik van lokvogels en het gebruik van het geweer binnen de afpalingskring van een geregistreerde eendenkooi aangewezen als methoden die ontheffinghouder gebruikt bij de uitvoering van de ontheffing.

De ontheffing heeft een geldigheidsduur van 25 juni 2018 tot en met 1 april 2023.

1.2

Bij het primaire besluit heeft verweerder verder aan de Jachtclub Den Hoorn op grond van artikel

3.26, derde lid, van de Wnb ontheffing verleend van artikel 3.18 (de rechtbank begrijpt: 3.16), eerste lid, aanhef en onder c, van het Bnb voor het gebruik van het geweer binnen de afpalingskring van een geregistreerde eendenkooi.

1.3

De ontheffing is gevraagd ter behartiging van het belang van bestrijding en voorkoming van schade aan weidevogels binnen het beheergebied van Agrarische Natuur- en Landschapsvereniging “De Lieuw” Texel, waarvan ontheffinghouder lid is. Het beheergebied bestaat uit de rond Den Hoorn, Texel, als weidevogelleefgebied aangewezen gebieden. De ontheffing ziet op het plaatsen van een vangkooi op het - aan een van de aangewezen weidevogelleefgebieden grenzende - perceel De Grie 5 in Den Hoorn en het doden van de aldus gevangen kauwen en zwarte kraaien met een (luchtdruk)geweer.

1.4

De rechtbank stelt vast dat, hetgeen tussen partijen ook niet in geschil is, dat ten tijde van zowel het primaire als het bestreden besluit een landelijke vrijstelling gold aan grondgebruikers voor het bestrijden van de zwarte kraai en de kauw als soorten. Die vrijstelling is verleend door de staatssecretaris van Economische Zaken en ziet op de verboden in artikel 3.1 van de Wnb. Niet in geschil is dat het gebruiken van de vangkooi als middel op grond van deze vrijstelling niet is toegestaan.

1.5

In geschil is of voldaan is aan de voorwaarden voor het verlenen van de ontheffing.

Wettelijk kader

2. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Toetsingskader

3. Voor het verlenen van een ontheffing op grond van de artikelen 3.3, eerste lid, van de Wnb en 3.4, tweede lid, van de Wnb moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden: 1) de maatregelen zijn nodig ter bescherming van flora en fauna, 2) er bestaat geen andere bevredigende oplossing en
3) de maatregelen leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort. Eiseressen betwisten niet dat aan de laatste voorwaarde voldaan is. De beroepsgronden strekken tot beoordeling van de vraag of verweerder in de bestreden besluiten voldoende heeft gemotiveerd dat het vangen van de zwarte kraai en de kauw nodig is ter bescherming van flora en fauna en er geen andere bevredigende oplossing bestaat.

Nodig ter bescherming van flora en fauna?

4.1

In de besluitvorming heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat met de plaatsing van de soorten zwarte kraai en kauw op de landelijke vrijstellingslijst is komen vast te staan dat deze soorten in het gehele land schade aanrichten aan onder andere fauna. Verweerder stelt zich verder op het standpunt dat op de locatie waar de vangkooi is beoogd sprake is van schade aan de weidevogelstand, die mede wordt veroorzaakt door predatie door – in belangrijke mate – de zwarte kraai en de kauw. Hij wijst daartoe op het door de Agrarische Natuur- en Landschapvereniging “de Lieuw” Texel opgestelde “Predatiebeheerplan Texel” van 1 november 2017 (hierna: het Predatiebeheerplan) en de bij de aanvraag gegeven toelichting dat in de afgelopen jaren is geconstateerd dat weinig weidevogels vliegvlugge jongen produceren, waarvan predatie een belangrijke oorzaak is. Dat de zwarte kraai en de kauw belangrijke predatoren zijn voor weidevogels blijkt volgens verweerder verder uit het rapport “Predatie bij weidevogels; Op zoek naar de mogelijke effecten van predatie op de weidevogelstand”, opgesteld door Sovon Vogelonderzoek Nederland en Alterra in 2005 (hierna: het rapport van Sovon) en de “Weidevogelmonitor 2015”.

4.2

Eiseressen betwisten dat de ontheffing nodig is ter bescherming van flora en fauna. Zij stellen daartoe dat uit het Predatiebeheerplan niet volgt dat in het beheergebied van ontheffinghouder predatie de hoofdoorzaak is van een laag broedsucces, laat staan dat is bewezen dat de zwarte kraai daarbij een grote rol speelt. Over de kauw wordt in het Predatiebeheerplan verder vrijwel niets vermeld. Verweerder heeft aldus niet aangetoond dat op de betreffende locatie sprake is van zodanige predatie door zwarte kraaien en kauwen dat daardoor het broedsucces van de weidevogels aantoonbaar en significant negatief wordt beïnvloed. Anders dan verweerder stelt, blijkt ook uit het rapport van Sovon en uit de Weidevogelmonitor 2015 geenszins dat predatie door kraaien en kauwen de gunstige staat van de weidevogels in gevaar dreigt te brengen. In de Weidevogelmonitor 2015 wordt helemaal niets gezegd over de rol van de zwarte kraai en de kauw, maar is aangegeven dat vermoedelijk meerdere factoren ervoor hebben gezorgd dat weidevogels achteruit zijn gegaan, zoals verandering van vegetatie als gevolg van verdroging. Verder kan uit het Werkplan “Duurzaam Door: Texel Vogeleiland van Allure” uit 2018 worden afgeleid dat bij het opstellen daarvan nog geen inzicht bestond in de omvang van de predatie door de soorten zwarte kraai en kauw, nu daarin is aangegeven dat om meer inzicht te krijgen in mogelijk schade door de zwarte kraai en de kauw in de pilotgebieden tellingen worden uitgevoerd in de broedperiode. Op dit moment zijn geen resultaten bekend.

4.3.1

Voor de beoordeling dat de ontheffing nodig is ter bescherming van flora en fauna, behoeft naar het oordeel van de rechtbank niet te worden aangetoond dat de soorten zwarte kraai en kauw op de locatie waar de vangkooi is beoogd de belangrijkste predator zijn van weidevogels en dat het broedsucces van de weidevogels daardoor aantoonbaar en significant negatief wordt beïnvloed. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende dat wordt aangetoond dat de zwarte kraai en de kauw op de betreffende locaties een belangrijke rol spelen als predator van de daar aanwezige weidevogels en dat het daarom nodig is deze soorten daar te bestrijden middels het plaatsen van vangkooien. De omstandigheid dat aan de landelijke vrijstelling ten grondslag ligt dat de soorten zwarte kraai en kauw prederen op kuikens en jonge vogels, is daartoe op zichzelf dus onvoldoende.

4.3.2

De rechtbank stelt vast dat verweerder zich voor zijn standpunt dat de zwarte kraai en de kauw belangrijke predatoren zijn voor weidevogels, naar de rechtbank begrijpt: in het algemeen en op de betreffende locaties, heeft gebaseerd op het rapport van Sovon, de Weidevogelmonitor 2015 en het Predatiebeheerplan.

4.3.3

Nu het rapport van Sovon, zo ook is geconcludeerd in het bestreden besluit, dateert van voor het instellen van de landelijke vrijstelling en zich in het dossier geen actuele gegevens bevinden waaruit blijkt of en zo ja welk effect de landelijke vrijstelling op de weidevogelstand heeft gehad, kan de rechtbank niet vaststellen of de in het rapport opgenomen gegevens nog actueel zijn. Nu het rapport voorts ook niet specifiek op de onderhavige locatie ziet, hecht de rechtbank aan het rapport niet de waarde die verweerder daaraan hecht. Het rapport kan de conclusie dat de ontheffing nodig is ter bescherming van de weidevogels op de betreffende locatie niet dragen.

4.3.4

Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat hij met de in het bestreden besluit genoemde Weidevogelmonitor 2015 het rapport “Weidevogels Texel 2015” van D.M. Hoogeboom, D. Tanger en F. Visbeen (hierna: het rapport weidevogels Texel) bedoelt. Met eiseressen is de rechtbank van oordeel dat dit stuk niet kan dienen ter onderbouwing van de verleende ontheffing, reeds omdat het rapport weidevogels Texel geen melding maakt van de soorten zwarte kraai en kauw en daarin deze soorten dus ook niet in verband worden gebracht met teruggelopen aantallen weidevogels.

4.3.5

In hoofdstuk 5.2 van het Predatiebeheerplan zijn – onder meer – de soorten zwarte kraai en kauw genoemd als in het agrarisch gebied aanwezige predatoren en is de predatiedruk van deze soorten op de weidevogels op Texel beschreven. Nog daargelaten dat niet kan worden vastgesteld dat de in het hoofdstuk opgenomen informatie (specifiek) ziet op de locatie waar de vangkooi is beoogd, nu volstaan is met ‘het proefgebied op Texel’, blijkt dat de informatie volledig is gebaseerd op het onderzoek dat in het rapport van Sovon is neergelegd. Gelet op hetgeen hiervoor onder 4.3.3 is overwogen, kan ook het Predatiebeheerplan daarom niet gelden als voldoende onderbouwing voor de verleende ontheffing.

4.3.6

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, komt de rechtbank tot de conclusie dat de ontheffing niet is gebaseerd op concrete, actuele en objectiveerbare en op de onderhavige locatie betrekking hebbende informatie. Niet kan dan ook worden vastgesteld dat de ontheffing nodig is ter bescherming van flora en fauna. Verweerder kon dus met de gegeven motivering niet tot de conclusie komen dat aan de eerste voorwaarde voor het verlenen van een ontheffing op grond van de artikelen 3.3, eerste lid, van de Wnb en 3.4, tweede lid, van de Wnb is voldaan.

Andere bevredigende oplossing

5. Eiseressen hebben verder beroepsgronden gericht tegen verweerders conclusie dat geen andere bevredigende oplossing bestaat. Gelet op het voorgaande, komt de rechtbank niet toe aan de beoordeling daarvan. Verweerder zal in de nieuw te nemen beslissing op bezwaar ook moeten motiveren dat aan deze voorwaarde voldaan is en zal hetgeen eiseressen op dit punt hebben aangevoerd daarbij moeten betrekken.

6. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Verweerder zal worden opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Nu verweerder het bestreden besluit zal moeten voorzien van een nadere onderbouwing, ziet de rechtbank geen mogelijkheid het geschil finaal te beslechten. Nu verder niet op voorhand is te overzien op welke termijn een nadere onderbouwing, al dan niet gebaseerd op nog te verrichten onderzoek, is te verwachten, ziet de rechtbank geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen.

7. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseressen het door hen betaalde griffierecht vergoedt. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 338,- aan eiseressen te vergoeden, met dien verstande dat met betaling van genoemd bedrag aan een van hen verweerder aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Jochem, voorzitter, en mr. E.B. de Vries-van den Heuvel en
mr. T.J.H. Verstappen, leden,in aanwezigheid van mr. P.C. van der Vlugt, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 24 december 2019.

griffier voorzitter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

BIJLAGE

Wet natuurbescherming (voor zover van belang)

Artikel 3.1

1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen.

Artikel 3.3

1. Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van verboden als bedoeld in artikel 3.1 of artikel 3.2, zesde lid, ten aanzien van vogels van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van hun nesten, rustplaatsen of eieren.

4 Een ontheffing of een vrijstelling wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden:

a. er bestaat geen andere bevredigende oplossing;

b. zij is nodig:

4°. ter bescherming van flora of fauna;

c. de maatregelen leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort.

5 In een ontheffing, onderscheidenlijk vrijstelling worden in elk geval voorschriften opgenomen, onderscheidenlijk regels gesteld, over:

a. de middelen, installaties of methoden voor het vangen of doden, waarbij enkel het gebruik wordt toegestaan van bij algemene maatregel van bestuur aangewezen middelen, installaties of methoden;

b. de tijd en plaats waarvoor de ontheffing of vrijstelling geldt, en

c. de wijze waarop het risico voor het behoud van de vogelstand wordt beperkt.

Artikel 3.4

1. Ingeval het vangen of doden van vogels als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, bij of krachtens deze wet is toegestaan, is het verboden deze vogels:

a. te vangen of te doden met:

2°. middelen, installaties of methoden voor massaal of niet-selectief vangen of doden van vogels.

2 Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen en provinciale staten kunnen bij verordening vrijstelling verlenen van een of meer van de verboden, bedoeld in het eerste lid. Artikel 3.3, vierde en vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3.15

1. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen vogels als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, en dieren van soorten als bedoeld in artikel 3.5, eerste lid, of 3.10, eerste lid, worden aangewezen, die niet in hun voortbestaan worden bedreigd of dat gevaar lopen, en die in het gehele land schade veroorzaken.

6. De schade, bedoeld in het tweede tot en met vijfde lid, heeft uitsluitend betrekking op:

a. door vogels veroorzaakte:

2°. schade aan flora of fauna;

b. door dieren van soorten als bedoeld in artikel 3.5, eerste lid, veroorzaakte:

1°. schade aan de wilde flora of fauna, of natuurlijke habitats.

Artikel 3.21

1. Het is verboden bij de uitoefening van de jacht gebruik te maken van andere middelen dan:

d. eendenkooien die voldoen aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde regels.

Artikel 3.24

2 Het is verboden zich buiten gebouwen te bevinden met bij algemene maatregel van bestuur aangewezen middelen die geschikt zijn voor het doden of vangen van dieren, of met materialen ter onmiddellijke vervaardiging van die middelen, indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat die middelen of materialen zullen worden gebruikt voor het doden of vangen van dieren.

3. Bij een aanwijzing krachtens het tweede lid wordt mede rekening gehouden met het voorkomen van onnodig lijden bij het te doden of te vangen dier.

Artikel 3.25

1. Bij het verlenen van een ontheffing of vrijstelling als bedoeld in de artikelen 3.3, eerste onderscheidenlijk tweede lid, 3.4, tweede lid, (..) worden de middelen aangewezen die voor het vangen en doden van de aldaar bedoelde vogels en dieren mogen worden gebruikt.

4 Gedeputeerde staten kunnen ontheffing en provinciale staten kunnen vrijstelling verlenen van:

a. het verbod, bedoeld in artikel 3.24, tweede lid. Op deze vrijstelling of ontheffing is artikel 3.24, derde, lid van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3.26

1. Het is verboden een geweer te gebruiken ter uitoefening van het bepaalde bij of krachtens deze wet:

a. zonder een geldige jachtakte;

b. op gronden, niet zijnde een jachtveld dat voldoet aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde regels;

c. indien de burgerrechtelijke aansprakelijkheid voor schade waartoe het gebruik van het geweer ter uitoefening van het bepaalde bij of krachtens deze wet aanleiding kan geven, niet is gedekt door een verzekering, overeenkomstig bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 3.29, eerste lid, gestelde regels, of

d. voor andere handelingen dan:

1°. de jacht;

2°. de uitvoering van handelingen waarvoor een ontheffing of vrijstelling als bedoeld in de artikelen 3.3, eerste, onderscheidenlijk tweede lid, of derde lid, 3.8, eerste, onderscheidenlijk tweede lid, of derde lid, 3.10, tweede lid, in samenhang met artikel 3.8, eerste, onderscheidenlijk tweede lid, of derde lid, of 3.15, tweede en vierde lid, in voorkomend geval in samenhang met het zevende lid, 3.16, tweede en vierde lid, of 3.17, eerste lid, is verleend;

3°. de uitvoering van artikel 3.18, eerste lid, in voorkomend geval in samenhang met het vierde lid, of 3.19, tweede lid, in samenhang met artikel 3.18, vierde lid;

4°. de bestrijding van bij ministeriële regeling aangewezen verwilderde dieren of exoten, buiten de gevallen, bedoeld onder 3°;

5°. de bestrijding van de zwarte rat, de bruine rat of de huismuis;

6°. het schieten van kleiduiven, of

7°. jachthondenproeven.

2 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan het gebruik van het geweer, bedoeld in het eerste lid, worden uitgesloten of beperkt en kunnen regels worden gesteld over:

a. het geweer;

b. de munitie, waarbij ook rekening wordt gehouden met belangen van veiligheid, volksgezondheid, welzijn en milieu;

c. het gebruik van middelen op, aan of bij het geweer;

d. de diersoorten waarop het gebruik van het geweer betrekking heeft, of

e. de vaardigheden waarover de gebruiker van het geweer beschikt.

3 Gedeputeerde staten kunnen ontheffing en provinciale staten kunnen vrijstelling verlenen van het eerste lid, onderdeel a of b, en de krachtens het tweede lid gestelde regels, met dien verstande dat bij het verlenen van ontheffing of vrijstelling van regels als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, ook rekening wordt gehouden met belangen van veiligheid, volksgezondheid, welzijn en milieu.

Besluit natuurbescherming (voor zover van belang)

Artikel 3.1

Als vogels en dieren van soorten als bedoeld in artikel 3.15, eerste lid, van de wet worden aangewezen:

c. kauw (Corvus monedula);

f. zwarte kraai (Corvus corone corone).

Artikel 3.9

1. Als middelen als bedoeld in artikel 3.3, vijfde lid, onderdeel a, van de wet worden aangewezen:

a. geweren;

e. vangkooien.

2 Als methoden als bedoeld in artikel 3.3, vijfde lid, onderdeel a, van de wet worden aangewezen:

c. het vangen of doden met gebruikmaking van lokvogels;

e. het doden met gebruikmaking van een geweer, waarbij wordt gehandeld in afwijking van de regels, gesteld in de artikelen 3.12, 3.13, 3.14, 3.15 of 3.16, inzake:

4°. het gebruik van het geweer:

– binnen de afpalingskring van een eendenkooi als bedoeld in artikel 3.21, eerste lid, onderdeel d, van de wet.

Artikel 3.16

1. Het is verboden een geweer ter uitoefening van het bepaalde bij of krachtens de wet te gebruiken:

c. binnen de afpalingskring van een eendenkooi als bedoeld in artikel 3.21, eerste lid, onderdeel d, van de wet.

Regeling natuurbescherming (voor zover van belang)

Artikel 3.1

Van de verboden, bedoeld in artikel 3.1 van de wet, wordt vrijstelling verleend aan grondgebruikers voor de bestrijding van Canadese ganzen, houtduiven, kauwen en zwarte kraaien.

Artikel 3.3

1. Als middelen als bedoeld in de artikelen 3.3, vijfde lid, onderdeel a, en 3.25, tweede lid, van de wet, die mogen worden gebruikt ter uitvoering van de vrijstelling, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, worden aangewezen:

a. geweren.

2 Als methoden als bedoeld in artikel 3.3, vijfde lid, onderdeel a, van de wet, die mogen worden gebruikt ter uitvoering van de vrijstelling, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, worden aangewezen:

a. het vangen of doden met gebruikmaking van niet-levende lokvogels.