Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2019:10826

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
19-12-2019
Datum publicatie
09-01-2020
Zaaknummer
15/206014-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

poging tot doodslag, voorafgegaan door een poging tot afpersing.

Verdachte is met een doorgeladen vuurwapen de auto van het slachtoffer ingestapt om hem te beroven. Hierbij is aangever aan de rechterachterzijde in zijn schouder geraakt. Het met een vuurwapen schieten in de richting van het bovenlichaam van een persoon is naar de uiterlijke verschijningsvorm gericht op het veroorzaken van de dood van die persoon. De rechtbank acht het (volle) opzet van verdachte op de dood van het slachtoffer wettig en overtuigend bewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, locatie Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummers: 15-206014-19 en 13-650704-16 (tul)

Uitspraakdatum: 19 december 2019

Tegenspraak ex art. 279 Sv

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van

5 december 2019 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

zonder bekende woon of verblijfplaats hier te lande,

thans gedetineerd in [adres PI] .

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. S.J.A. Rosendahl, en van wat verdachtes raadsman, mr. R.J.A. Verhoeven, advocaat te Alkmaar, naar voren heeft gebracht. Verdachte heeft afstand gedaan van zijn recht ter terechtzitting te verschijnen.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 10 januari 2019 te Alkmaar ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet met een vuurwapen op en/of in de richting van het (boven)lichaam van die [slachtoffer] te schieten, welke poging doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten een poging tot afpersing (artikel 317 Wetboek van Strafrecht) (immers heeft verdachte toen en aldaar met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] gepoogd te dwingen tot afgifte van een geldbedrag, in elk geval enig goed), en welke poging doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden, gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan andere deelnemers aan dat feit straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

subsidiair:

hij op of omstreeks 10 januari 2019 te Alkmaar op de openbare weg op (de parkeerplaats gelegen aan) de Wendelaarsstraat en/of de Corfstraat ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] te dwingen tot afgifte van een geldbedrag, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan deze [slachtoffer] of aan een derde toebehoorde welk geweld en/of bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte

- instapte in de personenauto van die [slachtoffer] en/of

- ( vervolgens) een vuurwapen richtte in de richting van [slachtoffer] , althans aan die [slachtoffer] heeft getoond en/of

- tegen voornoemde [slachtoffer] heeft gezegd "geef geld" en/of 'kameraad, ik praat serieus. Geld of ik schiet" en/of

- ( vervolgens) (meermalen) heeft geschoten in/naar het lichaam van die [slachtoffer] ,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Beoordeling van het bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft namens verdachte vrijspraak bepleit van het primair ten laste gelegde feit, omdat geen sprake is van (voorwaardelijk) opzet om aangever van het leven te beroven. De raadsman heeft daarnaast partiële vrijspraak bepleit van het subsidiair ten laste gelegde feit en daarbij gesteld dat verdachte:

  • -

    het vuurwapen niet op [slachtoffer] heeft gericht;

  • -

    niet om geld heeft gevraagd en

  • -

    niet gericht op [slachtoffer] heeft geschoten (omdat het wapen bij de door het handelen van aangever ontstane schermutseling tussen verdachte en aangever tweemaal is afgegaan).

De subsidiair tenlastegelegde poging tot afpersing kan wel worden bewezen.

3.3.

Oordeel van de rechtbank

3.3.1

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat.

3.3.2

Bewijsmotivering

Uit de bewijsmiddelen en de verdere inhoud van het dossier zijn de volgende feiten en omstandigheden komen vast te staan.

Verdachte is met een doorgeladen vuurwapen de auto van aangever ingestapt om hem te beroven/rippen. Nadat verdachte hem het vuurwapen had getoond, heeft aangever geprobeerd om dit af te pakken. Verdachte had zijn vinger op de trekker (p. 204). Ten tijde van de schermutseling die toen ontstond is het vuurwapen, dat op dat moment was gericht op de versnellingspook (p. 53), éénmaal afgegaan, waarbij verdachte zelf in zijn onderbeen is geraakt.

Aangever heeft verklaard dat verdachte daarna vrij snel het vuurwapen wegtrok, waardoor hij moest loslaten en dat hij vervolgens zo snel mogelijk heeft geprobeerd om weg te komen door uit de auto te stappen en dat hij, toen hij net was uitgestapt (p. 21) dan wel aan het uitstappen was (p. 31), een tweede knal hoorde. Op basis van deze verklaring en de locatie van het bij aangever ontstane letsel, die daarmee overeenkomt, stelt de rechtbank vast dat verdachte bij het tweede schot gericht op de (half) weggedraaide, vluchtende aangever heeft geschoten. Aangever is immers aan de rechterachterzijde in zijn schouder geraakt. Het met een vuurwapen schieten in de richting van het bovenlichaam van een persoon, waar zich vitale organen bevinden, is naar de uiterlijke verschijningsvorm gericht op het veroorzaken van de dood van die persoon. De rechtbank acht dan ook het (volle) opzet van verdachte op de dood van aangever wettig en overtuigend bewezen.

3.4.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat

hij op 10 januari 2019 te Alkmaar ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet met een vuurwapen op het bovenlichaam van die [slachtoffer] heeft geschoten,

welke poging doodslag werd voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten een poging tot afpersing, artikel 317 Wetboek van Strafrecht, immers heeft verdachte toen en aldaar met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer] gepoogd te dwingen tot afgifte van enig goed, en welke poging doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit gemakkelijk te maken.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Wat aan verdachte primair meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het primair bewezenverklaarde levert op:

poging tot doodslag, voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit gemakkelijk te maken.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

6 Motivering van de sanctie

6.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren, met aftrek van voorarrest.

6.2

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen standpunt ingenomen met betrekking tot de strafmaat.

6.3

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte is op klaarlichte dag, op het parkeerterrein van een drukbezochte supermarkt, de auto van aangever ingestapt met een doorgeladen vuurwapen met het voornemen om hem te beroven. Tijdens de schermutseling die in de auto ontstond is het vuurwapen afgegaan en verdachte zelf in zijn onderbeen geraakt. Aangever probeerde uit de auto te vluchten, waarop de verdachte gericht op hem heeft geschoten en hem heeft geraakt in zijn schouder (aan de achterzijde van het lichaam), een kwetsbaar gewricht.

Verdachte verklaart zelf dat hij een voorliefde heeft voor (vuur)wapens, er na zijn detentie weer een zal aanschaffen en aarzelt kennelijk niet om deze ook te gebruiken, zoals in onderhavige zaak.

Om de (eventuele) gevolgen voor anderen lijkt hij zich, ondanks eerdere veroordelingen, in het geheel niet te bekommeren.

Uit het dossier en uit de ter terechtzitting voorgelezen schriftelijke slachtofferverklaring is gebleken dat aangever uiteindelijk een operatie heeft moeten ondergaan om de kogel te verwijderen en dat hij de schouder niet meer goed kan bewegen. Er is na elf maanden nog geen uitzicht op volledig herstel. Naast de hierboven genoemde fysieke ongemakken, heeft aangever ook mentaal veel last gehad van het incident. Hij is nog steeds angstig en heeft zich onlangs voor zijn angstklachten onder behandeling gesteld van een psycholoog.

Naast de door het slachtoffer ondervonden gevolgen van het schietincident, geldt dat dergelijke incidenten – zeker wanneer die overdag buiten op straat plaatsvinden – voor veel onrust zorgen in de maatschappij.

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- het op naam van verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, van

24 oktober 2019;

- het over verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport gedateerd 8 november 2019

van mevrouw [naam reclasseringswerker] als reclasseringswerkster verbonden aan Reclassering Nederland en het over verdachte uitgebrachte reclasseringsadvies in de zaak met parketnummer 15-117134-19 ten behoeve van de zitting van 27 augustus 2019;

- het rapport Psychologisch onderzoek pro justitia betreffende verdachte d.d. 25

november 2019 (weigerrapport).

Verdachte is al eerder voor geweldsdelicten en vermogensdelicten onherroepelijk tot vrijheidsbenemende en andere straffen veroordeeld. Hij liep ook nog in een proeftijd van een voorwaardelijk opgelegde straf. De rechtbank weegt deze omstandigheid ten nadele van verdachte mee bij de straftoemeting en let daarbij ook op artikel 63 Sr.

Het gemak waarmee verdachte praat over en gebruik maakt van vuurwapens acht de rechtbank zeer zorgwekkend. Hij noemt zichzelf vuurwapengevaarlijk, heeft niet meegewerkt aan een persoonlijkheidsonderzoek en de reclassering schetst een somber beeld van hem. Verdachte zit in de drugshandel en heeft bij de reclassering aangegeven dat hij in de toekomst weer een wapen wil aanschaffen. Enig besef van wat hij heeft gedaan, lijkt er niet te zijn.

De reclassering adviseert het volwassenenstrafrecht toe te passen en oplegging van een straf zonder bijzondere voorwaarden, omdat geen mogelijkheden worden gezien om met interventies of toezicht de risico's te beperken of het gedrag van verdachte te veranderen.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde vrijheidsbenemende straf van lange duur passend en geboden is.

7 Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

Namens de benadeelde partij [slachtoffer] is door mr. A. Koopsen een vordering tot schadevergoeding van € 10.740,20 ingediend wegens materiële (€ 740,20) en immateriële (€ 10.000,-) schade die hij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde materiële schade bestaat uit het eigen risico (€ 385,-) en de niet vergoede medische kosten (€ 295,20,-) en kosten voor het opvragen van medische gegevens (€ 60,-).

Ten aanzien van de materiële schade:

De rechtbank is van oordeel dat voldoende is onderbouwd (en onvoldoende is betwist) dat de materiële schade rechtstreeks voortvloeit uit het primair bewezen verklaarde feit.

Ten aanzien van de immateriële schade:

De rechtbank volgt niet de stelling van de raadsman van verdachte dat aangever (deels) zelf verantwoordelijk is voor het door hem opgelopen letsel, omdat hij zich tegen de bedreiging met het vuurwapen zou hebben verweerd. Het is immers verdachte die aangever in de situatie heeft gebracht, door met een doorgeladen vuurwapen de auto van aangever in te stappen om een - naar zijn eigen zeggen - ‘ripdeal’ te plegen. Bovendien is aangever pas door de door verdachte afgevuurde kogel geraakt toen hij aan het weggaan was. De immateriële schade is dus het gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte en kan niet (mede) worden toegerekend aan het handelen van aangever. Vergoeding van de gestelde immateriële schade tot een bedrag van € 7.500,- komt de rechtbank op basis van de thans beschikbare gegevens billijk voor, gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk in dit deel van de vordering worden verklaard.

Ten aanzien van de materiële en immateriële schade:

De vordering zal dan ook worden toegewezen tot € 8.240,20, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 10 januari 2019 tot aan de dag der algehele voldoening.

Daarnaast moet verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. Deze kosten zijn vooralsnog begroot op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel:

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder primair bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: poging tot doodslag voorafgegaan door een poging tot afpersing] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

8 Vordering tot tenuitvoerlegging

Bij vonnis van 9 mei 2017 in de zaak met parketnummer 13-650704-16 heeft de meervoudige strafkamer van de rechtbank te Amsterdam verdachte ter zake van afpersing veroordeeld tot onder meer een voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van zes maanden. Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op twee jaren bepaald onder de algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering is op 2 juni 2017 aan de verdachte toegezonden.

De bij genoemd vonnis vastgestelde proeftijd is ingegaan op 24 mei 2017 en was ten tijde van het indienen van de vordering van de officier van justitie niet geëindigd.

De officier van justitie vordert thans dat de rechtbank zal gelasten dat die voorwaardelijke straf alsnog ten uitvoer zal worden gelegd.

De rechtbank heeft bij het onderzoek ter terechtzitting bevonden dat zij bevoegd is over de vordering te oordelen en dat de officier van justitie daarin ontvankelijk is.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering moet worden toegewezen, nu uit de overige inhoud van dit vonnis blijkt dat verdachte de voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit niet heeft nageleefd. Gelet op de leeftijd verdachte en de over hem opgemaakte rapporten zal de rechtbank bepalen dat de jeugddetentie wordt tenuitvoergelegd als gevangenisstraf.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikel 36f, 45, 63 en 288 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat het primair bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) jaren.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer] geleden schade tot een bedrag van € 8.240,20, bestaande uit € 740,20 als vergoeding voor de materiële en € 7.500,- als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf

10 januari 2019 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 8.240,20, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 76 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 januari 2019 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Wijst toe de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van de in de zaak met parketnummer 13-650704-16 opgelegde voorwaardelijke straf en gelast de tenuitvoerlegging van de niet ten uitvoer gelegde jeugddetentie voor de duur van zes (6) maanden, opgelegd bij vonnis van de meervoudige strafkamer van de rechtbank te Amsterdam d.d. 9 mei 2017. Gelast dat de jeugddetentie wordt tenuitvoergelegd als gevangenisstraf.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. I.H. Lips, voorzitter,

mr. H.E.C. de Wit en E.G. van Roest, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. S.S. Clements,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 19 december 2019.

De griffier is buiten staat om dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage

De bewijsmiddelen

De hierna vermelde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

De bewijsmiddelen zijn, voor zover het geschriften als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef, onder 5°, van het Wetboek van Strafvordering betreft, telkens slechts gebezigd in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen.

Ten aanzien van het primair tenlastegelegde:

Een proces-verbaal van verhoor van verdachte (los in het dossier). Dit proces-verbaal houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in als de op 30 augustus 2019 door verdachte ten overstaan van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, afgelegde verklaring:

Ik heb afgesproken dat ik van die [slachtoffer] verdovende middelen zou kopen. Ik ben bij hem in de auto gestapt. Ik had het plan om hem te rippen. Ik heb mijn wapen op hem gericht. Hij wilde mijn wapen afpakken en toen is het afgegaan. Er is toen een kogel in mijn kuit terechtgekomen. Het klopt dat ik ook nog op [slachtoffer] heb geschoten. Ik wist niet waar ik hem had geraakt.

Een proces-verbaal van aangifte (dossierpagina’s 20-23). Dit proces-verbaal houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in als de op 10 januari 2019 door aangever [slachtoffer] ten overstaan van verbalisanten afgelegde verklaring:

Ik ben vandaag, 10 januari 2019, omstreeks 14:00 uur (in Alkmaar) door een onbekende man met een revolver bedreigd en beschoten. Eén van de afgeschoten kogels is in mijn rechterschouder terecht gekomen.

Ik wilde boodschappen doen bij de Albert Heijn XL op de Wendelaarstraat in Alkmaar. Ik heb de auto geparkeerd op de parkeerplaats aan de Corfstraat . Ineens zag ik dat iemand bij mij in de auto stapte aan de bijrijderszijde instapte en op de bijrijdersstoel ging zitten.

Ik zag dat de man gelijk in zijn rechterhand een vuurwapen vasthield en mijn kant op richtte. Hij richtte het vuurwapen niet op mij, maar meer op de versnellingspook. Maar het vuurwapen was wel heel goed zichtbaar voor mij. Ik schrok hier heel erg van. Ik hoorde dat de man zei: “geef geld”.

Ik hoorde dat de man zei: “kameraad, ik praat serieus. Geld of ik schiet.”

Ik deed toen net of ik geld wilde pakken, maar pakte het vuurwapen vast. Ik hoorde toen dat er een schot afging. We zaten toen allebei nog in mijn auto. Ik zag dat de man zijn hand met het vuurwapen snel terugtrok, waardoor ik deze losliet. Ik wilde toen alleen maar uit de auto weg. Ik maakte het portier van mijn auto open, ik wilde uitstappen. Op het moment dat ik net was uitgestapt, hoorde ik nog een harde knal.

Ik voelde mij toen niet goed en ben naar de EHBO gereden van het ziekenhuis in Alkmaar. Daar bleek dat ik in mijn rechterschouder ben geraakt door een kogel. De kogel is aan mijn rugzijde mijn schouder in gegaan en daar blijven steken.

Een proces-verbaal van bevindingen (dossierpagina’s 31 en 32). Dit proces-verbaal houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in als relaas van bevindingen en/of verrichtingen van verbalisanten dan wel een van hen:

Op 15 januari 2019 spraken wij met aangever [slachtoffer] . [slachtoffer] gaf desgevraagd aan dat hij bij het tweede schot nog wel in de auto zat, maar dat het bestuurdersportier wel open stond. [slachtoffer] gaf aan dat hij naar buiten wilde stappen en dat hij toen het tweede schot hoorde. Direct hierop stond [slachtoffer] naast zijn auto.

Een schriftelijke bescheid (dossierpagina’s 33 en 34) , inhoudende een ander geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef, onder 5°, van het Wetboek van Strafvordering, te weten een verklaring van [naam] forensisch arts, werkzaam bij GGD Hollands Noorden, Forensische Geneeskunde.

Dit geschrift houdt onder meer in:

Datum maken letselbeschrijving: 10 januari 2019

Medische informatie betreffende: [slachtoffer]

SEH diagnose:

Schotwond rechterschouder. Ingang schotwond 1 x 1cm aan laterale zijde re acromion/clavicula gewricht. Actief bloedend. Geen uitgang schotkanaal. Geen neurovasculair letsel, wel losse kogelfragmenten in weefsel en waarschijnlijk schotkanaal intra-articulair. Kogel aanwezig net onder acromion, mediaal van tuberculum majus, anterieur van bicepspeesgroeve. Schotkanaal past bij verhaal.