Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2019:10644

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
24-12-2019
Datum publicatie
24-12-2019
Zaaknummer
19/005737, 19/005740, 19/005742, 19/005747
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Beschikking ex artikel 552a Sv.

Klaagschrift strekt tot opheffing van het daarop gelegde beslag met last tot teruggave aan de Centrale Bank van Suriname van een geldbedrag van € 19.500.000.

De rechtbank is van oordeel dat het strafvorderlijk beslag dat op 17 april 2018 is gelegd op een geldzending van voornoemd geldbedrag uit Suriname, met eindbestemming Hong Kong, moet worden opgeheven. De Centrale Bank van Suriname geniet immuniteit van het strafvorderlijke beslag. Het beslag is daarmee in strijd met het internationaal publiekrecht (volkenrecht) gelegd.

De rechtbank verklaart het klaagschrift gegrond, heft het beslag op en gelast de teruggave van € 19.500.000 aan de Centrale Bank van Suriname.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, locatie Haarlemmermeer

Meervoudige raadkamer

Registratienummers: 19/005737, 19/005740, 19/005742, 19/005747

Parketnummer: 15/870866-18 (onderzoek JUNO)

Datum: 24 december 2019

Beschikking ex artikel 552a Sv

1 Procesverloop

Op 28 juni 2019 is op de griffie van de rechtbank Noord-Holland ingekomen een gezamenlijk klaagschrift op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv), gedateerd

28 juni 2019, van onderstaande rechtspersonen, ingediend door hun hierna vermelde

advocaat-gemachtigden:

Centrale Bank van Suriname,

gevestigd te Paramaribo (Suriname) op het adres Waterkant 20 ,

domicilie kiezende te Den Haag en Amsterdam, ten kantore van

mr. drs. A.J.F. Gonesh en mr. D.A. Evertsz, advocaten,

[bank 1] ,

gevestigd te [adres 1] ,

domicilie kiezende te Amsterdam, ten kantore van

mr. A. Verbruggen en mr. J.B.S. Dorant, advocaten,

[bank 2] ,

gevestigd te [adres 2] ,

domicilie kiezende te Den Haag, ten kantore van

mr. R. de Bree en mr. F.H.H. Sijbers, advocaten,

[bank 3] ,

gevestigd te [adres 3] ,

domicilie kiezende te Den Haag, ten kantore van

mr. R. de Bree en mr. F.H.H. Sijbers, advocaten.

Klaagsters zullen hierna afzonderlijk worden aangeduid als “ Centrale Bank van Suriname ” of (afgekort) CBvS , “ [bank 1] ”, “ [bank 2] ” en “ [bank 3] ” en gezamenlijk als klaagsters.

Het klaagschrift strekt tot opheffing van het daarop gelegde beslag - zo nodig onder zekerheid in de vorm van een borgstelling door de Centrale Bank van Suriname - met last tot teruggave aan de Centrale Bank van Suriname van een (giraal) geldbedrag van € 19.500.000.

Op 5 november 2019 is dit klaagschrift in het openbaar in raadkamer behandeld.

Daarbij waren aanwezig de officieren van justitie mr. D. Sarian en mr. drs. J.J. van Bree.

Namens klaagsters zijn verschenen:

  • -

    mr. A. Sennef, advocaat te Utrecht (opvolger van mr. Gonesh), en mr. Evertsz, voornoemd, als advocaat-gemachtigden van de Centrale Bank van Suriname ;

  • -

    mr. Verbruggen en mr. Dorant, beiden voornoemd, als advocaat-gemachtigden van de [bank 1] ;

  • -

    mr. De Bree en mr. Sijbers, beiden voornoemd, als advocaat-gemachtigden van [bank 2] en de [bank 3] .

Na afloop van deze behandeling is het onderzoek in raadkamer geschorst tot 10 december 2019 teneinde klaagsters en de officieren van justitie in de gelegenheid te stellen een schikking te beproeven waardoor een beoordeling van het klaagschrift door de rechtbank overbodig zou zijn. Daarbij heeft de rechtbank bepaald dat als op 10 december 2019 het bericht is/wordt ontvangen dat geen overeenstemming is bereikt, op 24 december 2019 een beschikking zal worden gegeven.

Bij e-mailbericht van 10 december 2019 heeft officier van justitie mr. Van Bree, mede namens zijn ambtgenoot mr. Sarian, de rechtbank bericht dat zij niet tot een overeenstemming met klaagsters zijn gekomen.

2 Stukken

2.1

De rechtbank heeft kennis genomen van de op de zaak betrekking hebbende stukken, waaronder in het bijzonder:

  • -

    de door de officieren van justitie overgelegde stukken uit het onderzoek JUNO, bestaande uit ambtshandelingen, documenten en kennisgevingen van inbeslagneming;

  • -

    het klaagschrift van 28 juni 2019 (met twaalf bijlagen);

  • -

    de reactie van het Openbaar Ministerie op het klaagschrift (met vier bijlagen), ingezonden op 1 november 2019 en voorgedragen in raadkamer op 5 november 2019;

  • -

    de toelichting op het klaagschrift (met zeven bijlagen), voorgedragen in raadkamer van

5 november 2019.

2.2

Bij het onder 1 vermelde e-mailbericht van officier van justitie mr. Van Bree van 10 december 2019 was een brief met twee bijlagen gevoegd, eveneens gedateerd 10 december 2019, van de officieren van justitie aan de (voorzitter van de) raadkamer, met vermelding dat de brief in afschrift aan de advocaten van klaagsters is gezonden.

Bijlage 1 betreft een brief van de officieren van justitie aan de advocaten van klaagsters van

6 december 2019 met als onderwerp “Zekerheidstelling door bankgarantie”.

Bijlage 2 betreft een overzicht “Stortingen handelsbanken”.

2.3

De rechtbank heeft geconstateerd dat in deze brief met bijlagen een nadere inhoudelijke reactie op het klaagschrift wordt gegeven naar aanleiding van de behandeling op 5 november 2019, terwijl het onderzoek in raadkamer niet met het oog daarop was geschorst.

De inhoudelijke behandeling van het klaagschrift heeft plaatsgevonden op 5 november 2019 en het onderzoek in raadkamer is toen enkel geschorst, omdat partijen mogelijkheden zagen om tot een vergelijk te komen. Zoals de (voorzitter van de) raadkamer partijen heeft geïnformeerd, past hierbij niet - indachtig de beginselen van hoor en wederhoor en openbaarheid - dat de officieren van justitie opnieuw inhoudelijk op de zaak ingaan.

De rechtbank zal dan ook geen acht slaan op de brief met bijlagen van 10 december 2019.

3 Feiten en omstandigheden

3.1

Project “Vespasianus”

Naar aanleiding van de opdracht van voormalig plaatsvervangend hoofdofficier van justitie van het arrondissementsparket Noord-Holland, mr. J. Steenbrink, om onderzoek te doen naar onregelmatigheden in zendingen contant geld via de vrachtlijnen van de luchthaven Schiphol is het project “Vespasianus” opgestart. Bij dit project zijn de ketenpartners Douane, Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (FIOD), Openbaar Ministerie en Koninklijke Marechaussee betrokken. Het onderzoek behelst ook het beschrijven van strafrechtelijk relevante indicatoren ten aanzien van deze zendingen.

Volgens het proces-verbaal AMB-002 zijn deze indicatoren opgesteld aan de hand van onder andere interviews met stakeholders binnen het proces van transport van contanten in de vracht en door onderzoek te doen in relevante publicaties van intergouvernementele organisaties, waaronder de Financial Action Task Force (FATF) en Europol. De publicaties die in dit proces-verbaal worden genoemd zijn:

  • -

    ‘Money Laundering Through the Physical Transportation of Cash’ (FATF, oktober 2015) en

  • -

    ‘Why is cash still king? A strategic report on the use of cash by criminal groups as a facilitator for money laundering’ (Europol, 2015).

Het proces-verbaal AMB-002 houdt over deze publicaties het volgende in:

“Uit de rapporten komt onder andere naar voren dat grensoverschrijdend vervoer van liquide middelen een veel gebruikte manier is om de criminele herkomst van geld te verhullen. Het FATF-rapport signaleert dat criminele organisaties mogelijk een manier hebben gevonden om het legitieme bank-naar-bank contanten geld transportsysteem te misbruiken. Uit het rapport komt verder naar voren dat zolang crimineel geld op dezelfde wijze als legaal contant geld wordt vervoerd, het verschil tussen beide moeilijk te onderkennen is.

Derhalve verdient het grensoverschrijdende vervoer van contant geld extra aandacht.

Het Europol-rapport onderschrijft dat in het criminele circuit contante betalingen nog steeds de belangrijkste wijze van betaling is. Daar het karakter van georganiseerde criminaliteit voor een belangrijk deel internationaal is, zijn ook de daarmee samenhangende geldstromen vaak grensoverschrijdend. Voorts komt naar voren dat Nederland een relatief aantrekkelijke witwasbestemming is voor crimineel geld uit het buitenland. Oorzaken hiervan zijn de hier aanwezige stabiele situatie en een betrouwbaar financieel stelsel. Tevens speelt hierbij mee de geografische ligging, de aanwezige zee- en luchthavens, migratiestromen en handelsrelaties.”

3.2

Geldzendingen

In het kader van het project Vespasianus viel het de Douane op dat contante geldzendingen plaatsvonden vanuit Suriname via de luchthaven Schiphol naar Hong Kong.

Zendingen 1 tot en met 4

Op achtereenvolgens 15 december 2017, 10 januari 2018, 26 januari 2018 en 31 januari 2018 heeft de Douane een dergelijke geldzending - in de stukken aangeduid als zendingen 1 tot en met 4 - aan een controle onderworpen. Bij elk van deze zendingen stond op de bijgevoegde vrachtpapieren als “shipper” vermeld: Centrale Bank van Suriname .

In het kader van deze controles hebben er geen inbeslagnemingen plaatsgevonden.

Zending 5

Op 13 april 2018 heeft de Douane een vijfde geldzending aan een controle onderworpen.

Deze zending was afkomstig uit Suriname (vluchtnummer KL 0714) en had als bestemming Hong Kong. Volgens de vrachtpapieren bestond de zending uit 24 colli met “bank notes” met een gewicht van 553 kilogram. Op de vrachtpapieren stond als “shipper” vermeld: Centrale Bank van Suriname . Bij de vrachtpapieren was verder documentatie gevoegd inzake de inhoud van de zending.

Volgens deze documentatie betrof de totale inhoud € 19.500.000 afkomstig van:

[bank 2]

500 stuks 500 Euro = 500.000 Euro

500 stuks 200 Euro = 100.000 Euro

51.000 stuks 50 Euro = 2.550.000 Euro

92.000 stuks 20 Euro = 1.840.000 Euro

23.000 stuks 10 Euro = 230.000 Euro

6.000 stuks 5 Euro = 30.000 Euro

[bank 3]

360 stuks 500 Euro = 180.000 Euro

350 stuks 200 Euro = 70.000 Euro

7.400 stuks 100 Euro = 740.000 Euro

46.900 stuks 50 Euro = 2.345.000 Euro

48.900 stuks 20 Euro = 978.000 Euro

16.300 stuks 10 Euro = 163.000 Euro

4.800 stuks 5 Euro = 24.000 Euro

[bank 1]

1.000 stuks 500 Euro = 500.000 Euro

5.000 stuks 100 Euro = 500.000 Euro

134.000 stuks 50 Euro = 6.700.000 Euro

95.000 stuks 20 Euro = 1.900.000 Euro

36.000 stuks 10 Euro = 360.000 Euro

8.000 stuks 5 Euro = 40.000 Euro

3.3

Stopzetting geldzending

In het door hen opgemaakte overzicht proces-verbaal AMB-001 relateren verbalisanten

[verbalisant 1] en [verbalisant 2] , ambtenaren van de Belastingdienst, bevoegd inzake douane en tevens buitengewoon opsporingsambtenaren, dat zij op 13 april 2018 een fysieke controle van de zending hebben uitgevoerd, althans daar een begin mee hebben gemaakt.

Verder houdt dit proces-verbaal in:

“Ik, verbalisant [verbalisant 1] , heb aan de hand van de indicatorenlijst onze bevindingen en de eerder opgedane bevindingen in het kort beoordeeld. Ik (…) heb ook omwille van de tijdsdruk van de fysieke controle op dat moment besloten dat het raadzaam was om deze zending douane-technisch stop te zetten voor verder onderzoek en wellicht nog ontvangen van aanvullende documentatie.”

Uit het overzicht proces-verbaal AMB-001 en de daarbij gevoegde bijlagen 5 en 6 – alsmede uit de e-mailcorrespondentie die door klaagsters als bijlage 2 van de bij het klaagschrift gevoegde brief van 22 augustus 2018 is overgelegd – blijkt dat hierna per e-mail is gecorrespondeerd tussen de Douane, in de persoon van verbalisant [verbalisant 1] , en de Centrale Bank van Suriname , in de persoon van [persoon] (‘Head Foreign Department’). Daarbij heeft de Douane CBvS diverse vragen gesteld en om documenten gevraagd. CBvS heeft daarop gereageerd.

De Douane heeft vervolgens haar bevindingen, voorzien van een opgestelde indicatorenlijst, overgedragen aan de FIOD en deze opsporingsinstantie heeft de zending op 17 april 2018 strafrechtelijk in beslag genomen. Vervolgens is de douane-technische stopzetting opgeheven.

3.4

Inbeslagneming

De handgeschreven kennisgevingen van inbeslagneming zijn opgemaakt op 17 april 2018 (IBN-001-01). Deze kennisgevingen houden in dat in het dossier met nummer 62764 de volgende voorwerpen zijn in beslag genomen (met tussen haakjes de codenummers):

  • -

    12 plastic zakken inhoudende vermoedelijk geld voorzien van seals ( [bank 1] );

  • -

    7 plastic zakken inhoudende vermoedelijk geld voorzien van seals ( [bank 2] );

  • -

    5 plastic zakken inhoudende vermoedelijk geld voorzien van seals ( [bank 3] ).

De later, op 28 mei 2018, geregistreerde kennisgevingen van inbeslagneming (IBN-A-001 tot en met IBN-A-003) houden in dat op 17 april 2018 onder de hierna vermelde beslagenen de volgende voorwerpen zijn inbeslaggenomen:

beslagene [bank 3] :

- een totaal contant geldbedrag van € 4.500.000

- grondslag: artikel 94 Sv – Waarheid aan de dag te brengen / Wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen.

(De rechtbank stelt vast dat de samenstelling van het contant geldbedrag overeenkomstig

de documentatie bij de vrachtbrieven is.)

beslagene [bank 1] :

- een totaal contant geldbedrag van € 10.000.000

- grondslag: artikel 94 Sv – Waarheid aan de dag te brengen / Wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen.

(De rechtbank stelt vast dat de samenstelling van het contant geldbedrag overeenkomstig

de documentatie bij de vrachtbrieven is.)

beslagene [bank 2] :

- een contant geldbedrag van € 4.999.000

- grondslag: artikel 94 Sv – Waarheid aan de dag te brengen / Wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen.

(De rechtbank stelt vast dat de samenstelling van het contant geldbedrag - afgezien van

twee biljetten van 500 Euro - overeenkomstig de documentatie bij de vrachtbrieven is.)

beslagene [bank 2] :

- twee valse coupures van 500 Euro

- grondslag: artikel 94 Sv – Vatbaarheid voor onttrekking aan het verkeer.

3.5

De telling van de geldzending heeft plaatsgevonden bij De Nederlandsche Bank (DNB).

Op 1 juni 2018 werd door DNB een bedrag ter grootte van in totaal € 19.499.000 gestort op een bankrekening ten name van de Belastingdienst.

4 Standpunt officieren van justitie

4.1

Onder verwijzing naar het aanvangsproces-verbaal AMB-002 en het proces-verbaal van verdenking AMB-002B stellen de officieren van justitie zich op het standpunt dat sprake is van een (ernstig) vermoeden van witwassen. Gelet op de in deze processen-verbaal vermelde indicatoren en naar aanleiding van (onderzoek aan) de van de [bank 1] , [bank 2] en de [bank 3] - hierna gezamenlijk ook als handelsbanken aan te duiden - verkregen informatie, bestaat het (ernstig) vermoeden dat een groot gedeelte van het inbeslaggenomen geldbedrag (on)middellijk van misdrijf afkomstig is.

De handelsbanken, de rechthebbenden op de gelden, hebben inmiddels de verdachten-status, evenals een vijftal in Suriname gevestigde “Cambio’s” (wisselkantoren). Een groot deel van de gelden zou afkomstig zijn van deze Cambio’s. Op grond van de verkregen informatie zou wat betreft de [bank 1] € 9.352.893, wat betreft [bank 2] € 1.181.786 en wat betreft de [bank 3] € 1.550.000 van de inbeslaggenomen gelden van de Cambio’s afkomstig zijn. De officieren van justitie plaatsen, kort gezegd, de nodige vraagtekens bij de herkomst van die gelden. Verder is een deel van de gelden van de handelsbanken afkomstig van contante stortingen bij deze banken door natuurlijke personen en bedrijven. Daarbij gaat het ook om grote geldbedragen. Zo blijkt uit informatie van de [bank 3] dat één natuurlijke persoon binnen twee dagen in totaal een geldbedrag van één miljoen euro contant bij deze bank heeft gestort. De officieren van justitie plaatsen ook vraagtekens bij de herkomst van deze gelden, zoals nader uiteengezet in de vermelde processen-verbaal.

Op pagina 4 van het proces-verbaal van verdenking AMB-002B is verwoord dat het beeld is ontstaan dat verdachten (de handelsbanken en de Cambio’s) geen of onvoldoende toezicht hebben gehouden op de daadwerkelijke herkomst van de contante gelden. “De door verdachten uitgeoefende manier van toezicht houden maakt het witwassen van crimineel geld dan wel het faciliteren ervan mogelijk, en het is zeer waarschijnlijk dat dit ook heeft plaatsgevonden”, aldus dit proces-verbaal.

4.2

De officieren van justitie hebben in raadkamer toegelicht dat het beslag nog altijd is gegrond op artikel 94 Sv, maar thans met het oog op een mogelijke verbeurdverklaring van het geldbedrag. De officieren van justitie hebben zich gemotiveerd verzet tegen opheffing van het beslag. Op de argumenten van de officieren van justitie zal, zo nodig, hierna bij de beoordeling worden ingegaan.

5 Standpunt klaagsters

5.1

Klaagsters hebben in de eerste plaats aandacht gevraagd voor de achtergrond van de contante geldzendingen vanuit Suriname via de luchthaven Schiphol naar Hong Kong, zoals die achtergrond ook eerder richting de Douane, de FIOD en het Openbaar Ministerie is geschetst. Het klaagschrift houdt hierover het volgende in:

“Sinds jaar en dag komen meer contante euro’s (‘EUR’) Suriname binnen dan het land (spontaan) verlaten. Hoewel de euro, naast de officiële Surinaamse munteenheid, de Surinaamse dollar (‘SRD’), en de Amerikaanse dollar (‘USD’) een niet-ongebruikelijk betaalmiddel is in Suriname, overstijgen de instroom en het aanbod de hoeveelheid die benodigd is om die functie te vervullen. De overtollige contante euro’s komen - hetzij direct, hetzij door tussenkomst van lokale wisselkantoren (cambio’s) - terecht bij de banken.

Om die contante middelen weer op bruikbare wijze toe te voegen aan de liquide middelen van de bank, dienen deze giraal te worden gemaakt. Dit vond decennialang plaats doordat de banken deze contanten in het kader van een banknote trading agreement overbrachten naar een bank in het eurogebied, waarna de rekening die de Surinaamse banken aanhielden bij die bank, werd gecrediteerd. Toen veel banken in het eurogebied de banknote trading agreements met de Surinaamse banken beëindigden in het kader van ‘de-risking’, werd het vervoer van de cash euro’s gecentraliseerd. De Centrale Bank van Suriname (‘ CBvS ’) nam, gelet op het belang van de omwisseling voor een stabiele, monetaire economie, die coördinerende rol op zich met ingang van 2014. Zij sloot daartoe een overeenkomst met de Bank of China (‘BOC’) te Hong Kong, die bereid was de contante euro’s van CBvS in ontvangst te nemen. Zo vonden er sinds 2014 vele transporten van cash euro’s plaats.

Directe vluchten vanuit Suriname naar Hong Kong zijn er (uiteraard) niet. Schiphol is de enige Europese bestemming waarop vanuit Paramaribo wordt gevlogen. Steevast wordt dus hier een tussenlanding gemaakt, waarna de euro’s verder worden vervoerd naar Hong Kong. Al die jaren vond dit zonder enig (noemenswaardig) probleem plaats.”

Het klaagschrift vervolgt ermee dat dit drastisch veranderde toen het Openbaar Ministerie medio april 2018 zonder enige concrete aanleiding - laat staan een valide reden of titel -beslag legde op een partij van € 19.500.000, toebehorende aan de [bank 1] , [bank 2] en de [bank 3] . Volgens klaagsters werd deze geldzending onder verantwoordelijkheid van CBvS op de gebruikelijke wijze vervoerd, was deze zending voorzien van alle benodigde papieren en week deze zending in niets af van de vele eerdere geldzendingen.

5.2

Klaagsters voeren primair aan dat met de inbeslagname inbreuk is gemaakt op de immuniteit van de Centrale Bank van Suriname als staatsorgaan. Op dit punt zal hierna onder 6.2 worden ingegaan.

5.3

Klaagsters betwisten verder gemotiveerd dat er sprake is van een vermoeden van witwassen. Volgens klaagsters zijn de door Douane, FIOD en Openbaar Ministerie gehanteerde witwasindicatoren niet van toepassing op een geldzending als de onderhavige, afkomstig van bonafide banken, en ontbreken ook overigens (voldoende) aanwijzingen voor een witwasvermoeden. Klaagsters stellen zich op het standpunt dat het beslag onrechtmatig is (gelegd), alsmede disproportioneel en vexatoir is, en per direct moet worden opgeheven.

6 Oordeel rechtbank

6.1

Ontvankelijkheid CBvS

6.1.1

De officieren van justitie hebben - op de gronden zoals vermeld op pagina’s 7-10 van de reactie van het Openbaar Ministerie op het klaagschrift - betoogd dat de Centrale Bank van Suriname niet als belanghebbende in de zin van artikel 552a, eerste lid, Sv kan worden aangemerkt, en daarom niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar beklag.

Volgens de officieren van justitie is CBvS , anders dan de handelsbanken (de andere klaagsters), geen beslagene en geen (gesteld) rechthebbende op de gelden. Dat, zoals in het klaagschrift wordt aangevoerd, CBvS als gevolmachtigde van de drie handelsbanken heeft gehandeld, naast die banken (ook) beschikkingsbevoegd is, en bovendien twee banken ( [bank 3] en [bank 1] ) ná de inbeslagname van liquiditeit heeft voorzien onder de voorwaarde (kort gezegd) dat als de gelden worden teruggegeven CBvS wordt gecrediteerd, betekent niet dat CBvS daardoor belanghebbende is in de zin van artikel 552a Sv. De officieren van justitie stellen zich op het standpunt dat CBvS niet meer is (geweest) dan ‘houder’ van de gelden. Uit de Aanwijzing inbeslagneming van het Openbaar Ministerie en vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (HR) volgt dat een houder niet als belanghebbende in de klaagschriftprocedure kan worden ontvangen (HR 18 september 1995, DD 1996/027).

6.1.2

Klaagsters hebben in hun toelichting op het klaagschrift - vanaf punt 2.59 - op dit betoog van de officieren van justitie gereageerd en geconcludeerd dat CBvS , gelet op de concrete feiten en omstandigheden, wel degelijk als belanghebbende moet worden aangemerkt.

6.1.3

De rechtbank overweegt het volgende.

Wat er ook zij van de door de officieren van justitie en klaagsters aangevoerde argumenten, de rechtbank stelt - gelet op de hiervoor onder 3 weergegeven feiten en omstandigheden en de onder 5.1 door klaagsters geschetste routing van de gelden - vast dat de gelden op 17 april 2018 feitelijk onder CBvS in beslag zijn genomen.

CBvS stond als “shipper” op de vrachtbrieven van de betreffende geldzending vermeld.

De Douane heeft, blijkens de onder 3.3 genoemde e-mailcorrespondentie, op 13 april 2018 aan CBvS bericht dat de geldzending douane-technisch is stopgezet. De Douane heeft vervolgens (alleen) CBvS om de achterliggende bescheiden van de zending verzocht en vragen gesteld. In antwoord op die vragen heeft [persoon] , ‘Head Foreign Department’ van CBvS , medegedeeld dat de lokale commerciële banken (de rechtbank begrijpt: de handelsbanken) hun bankpapier aan CBvS aanbieden en dat CBvS zorgt voor de verscheping naar Bank of China.

In zijn e-mailbericht van 13 april 2018 om 19.42 uur, gericht aan verbalisant [verbalisant 1] , vraagt [persoon] : “Is onze zending aangehouden? Wat moeten wij nu doen?”. Verbalisant [verbalisant 1] reageert: “Nee, niet aangehouden maar is opgehouden voor controle! (…) Zodra ik meer weet dan hoort u dat van mij.”. In zijn e-mails van 15, 16, 17 en 18 april 2018 informeert [persoon] naar “onze geldzending” en of deze al is “vrijgegeven voor verder transport naar China”. Op 19 april 2018 reageert verbalisant [verbalisant 1] met de mededelingen, dat de Douane de stopzetting heeft opgeheven, dat de zending echter onder leiding van het Openbaar Ministerie Noord-Holland in beslag is genomen en dat [persoon] zich voor informatie tot deze instantie kan wenden.

6.1.4

Nu de gelden aldus onder CBvS in beslag zijn genomen, moet CBvS als beslagene worden aangemerkt. Hieraan doet niet af dat CBvS niet als beslagene op de kennisgevingen van inbeslagneming is vermeld. De feitelijke situatie is naar het oordeel van de rechtbank doorslaggevend. Daarbij acht de rechtbank mede van belang dat op de handgeschreven kennisgevingen van 17 april 2018 in het geheel geen beslagene(n) is (zijn) vermeld. De later geregistreerde kennisgevingen zijn eerst op 28 mei 2018 opgemaakt en duidelijk is dat daarin informatie is verwerkt die eerst ná de datum van inbeslagneming is verkregen. Zo houdt één van de twee kennisgevingen van inbeslagneming ten aanzien van [bank 2] in dat op 17 april 2018 twee valse coupures van 500 euro in beslag zijn genomen op grond van artikel 94 Sv wegens “vatbaarheid voor onttrekking aan het verkeer”, terwijl eerst op 24/25 mei 2018 (tijdens de telling bij DNB) is gebleken dat in de gelden van [bank 2] twee valse coupures van 500 euro zaten (AMB-004).

De rechtbank stelt verder vast dat de officieren van justitie in hun brief aan de advocaten van klaagsters van 28 december 2018 (bijlage 6 bij het klaagschrift) CBvS ook als beslagene hebben aangemerkt. In deze brief is immers vermeld (pagina 2, boven): “De betreffende gelden zijn inbeslaggenomen onder de Centrale Bank van Suriname , zodat de betrokkenheid van deze partij als beslagene duidelijk is. De handelsbanken zijn in een later stadium bij de onderhandelingen aangesloten (…).” De opmerking van de officieren van justitie in noot 11 van de reactie van het Openbaar Ministerie op het klaagschrift dat dit abusievelijk is gedaan, overtuigt niet.

Gelet op het bepaalde in artikel 116, eerste lid, Sv moet de beslagene als belanghebbende in de zin van artikel 552a, eerste lid, Sv worden aangemerkt. CBvS kan dan ook in haar beklag worden ontvangen.

6.2

Beroep op (staats)immuniteit

6.2.1

Klaagsters hebben betoogd dat aan de Centrale Bank van Suriname als staatsorgaan (absolute) immuniteit toekomt ten aanzien van (ook) de onderhavige geldzending van

€ 19.500.000 die vanuit Suriname via Nederland naar de Bank of China in Hong Kong werd vervoerd. Hiertoe hebben klaagsters een beroep gedaan op het (nog niet in werking getreden) Verdrag van de Verenigde Naties van 2 december 2014 inzake de immuniteit van rechtsmacht van staten en hun eigendommen (VN-Verdrag), in het bijzonder de artikelen 18 tot en met 21 van dat verdrag. Klaagsters hebben aangevoerd dat CBvS de geldzending ter uitvoering van een wettelijke taak heeft verricht en dat met deze zending een publiek belang is gediend. Klaagsters stellen zich op het standpunt dat met de inbeslagneming van de

€ 19.500.000 het volkenrechtelijke beginsel van de staatsimmuniteit is geschonden. “Met de beslaglegging door het OM op gelden die CBvS als staatsorgaan van Suriname onder zich had, heeft Nederland Suriname (…) zonder grondslag aan zijn rechtsmacht onderworpen. Dit is in strijd met de soevereine gelijkheid van staten”, aldus het klaagschrift onder punt 21.

6.2.2

De officieren van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat CBvS als staatsorgaan van Suriname weliswaar immuniteit geniet, maar alleen ten aanzien van staatseigendommen en voor zover deze goederen een publieke, niet-commerciële bestemming hebben. Aan die twee vereisten is in deze zaak niet voldaan. Het inbeslaggenomen geld behoort immers toe aan de handelsbanken en is geen eigendom van CBvS . Verder volgt uit artikel 16.3 van de tussen CBvS en de Bank of China gesloten overeenkomst (‘Banknotes Trading Agreement’) - overgelegd bij het klaagschrift, als bijlage 5 bij de brief van 22 augustus 2018 - dat de overeenkomst en de ter uitvoering daarvan verrichte geldzendingen een commercieel doel dienden (‘private commercial purposes’). Bovendien hebben CBvS en Bank of China in deze bepaling afstand gedaan van aan hen toekomende immuniteiten. Ook los van deze overeenkomst, is volgens de officieren van justitie duidelijk dat met de geldzending niet een publiek belang wordt gediend, omdat dergelijke geldzendingen ook door andere, commerciële banken kunnen en in de praktijk ook worden verricht. De officieren van justitie hebben gevorderd het beroep op (staats)immuniteit af te wijzen.

6.2.3

De rechtbank overweegt het volgende.

Onder 6.1 is vastgesteld dat het beslag is gelegd onder de Centrale Bank van Suriname .

Deze rechtspersoon is ingesteld bij Wet van 10 oktober 1956, tot regeling van het Centrale Bankwezen in Suriname (G.B. 1956 No. 97) (hierna: Surinaamse Bankwet 1956) en moet als officieel staatsorgaan van de staat Suriname worden aangemerkt. De FIOD heeft dus beslag gelegd onder een andere staat, namelijk Suriname.

Zoals de officieren van justitie in raadkamer hebben toegelicht, is het (klassieke) beslag op grond van artikel 94 Sv gelegd met het oog op de waarheidsvinding, maar wordt het thans door het Openbaar Ministerie gehandhaafd met het oog op een mogelijke verbeurdverklaring van het geldbedrag. Verbeurdverklaring is een bijkomende straf, waarbij het te verbeurd verklaren voorwerp vervalt aan de (Nederlandse) Staat.

6.2.4

Artikel 8d van het Wetboek van Strafrecht bepaalt dat de toepasselijkheid van de Nederlandse strafwet wordt beperkt door de uitzonderingen in het volkenrecht erkend. Deze bepaling heeft een strekking gelijk aan artikel 13a van de Wet Algemene Bepalingen (Wet AB) en bevat een wettelijke erkenning van aan het volkenrecht ontleende immuniteit van jurisdictie. Wat die laatste bepaling betreft, heeft de (civiele kamer van de) Hoge Raad in zijn prejudiciële beslissing van 30 september 2016 in de zaak Morning Star/Gabon en Staat (ECLI:NL:HR:2016:2236) het volgende overwogen:

3.4.2

De uitvoerbaarheid van rechterlijke uitspraken wordt beperkt door de uitzonderingen in het volkenrecht erkend (art. 13a Wet AB). Voor zover hierin niet is voorzien in een verdrag, zoals in de verhouding tussen Gabon en Nederland, gaat het daarbij om ongeschreven internationaal publiekrecht.

3.4.3

Naar de thans in Nederland als ongeschreven internationaal publiekrecht geldende regels genieten vreemde staten immuniteit van executie, maar is deze niet absoluut. Staatseigendommen met een publieke bestemming zijn echter in elk geval niet vatbaar voor gedwongen executie (vgl. HR 11 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD1387, NJ 2010/525 (Azeta/JCR en Staat), en HR 28 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:45, NJ 2014/453 (Ahmad/Staat)).

3.4.4

In het arrest Ahmad/Staat is overwogen dat het hiervoor in 3.4.3 vermelde oordeel steun vindt in de op 2 december 2004 door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties aangenomen, maar door Nederland niet geratificeerde en nog niet in werking getreden Convention on Jurisdictional Immunities of States and their Property (hierna: VN-Verdrag) en dat dit verdrag een codificatie behelst van het internationale gewoonterecht met betrekking tot de immuniteit van jurisdictie en de immuniteit van executie en de aan een en ander gestelde grenzen. (…)

Uit het voorgaande volgt niet dat alle bepalingen van het VN-Verdrag als internationaal gewoonterecht kunnen worden aangemerkt. In dit verband is van belang dat het arrest Ahmad/Staat moet worden gelezen in de context van de daarin aan de orde zijnde vraag of beslag op eigendommen met een publieke bestemming is uitgesloten. Daarbij ging het om eigendommen als bedoeld in art. 21 VN-Verdrag, welke bepaling in deze zaak niet speelt.

3.4.5

De immuniteit van staten is geregeld in de art. 18 en 19 van het VN-Verdrag. Art. 19 sluit executiemaatregelen tegen eigendommen van een vreemde staat uit, tenzij en voor zover (onderdeel a) de staat op de daar vermelde wijze uitdrukkelijk heeft ingestemd met het nemen van zodanige maatregelen, (onderdeel b) de staat eigendommen heeft aangewezen of gereserveerd ter voldoening van de desbetreffende vordering, of (onderdeel c) vastgesteld is dat de eigendommen in het bijzonder worden gebruikt of beoogd zijn voor gebruik door de staat voor andere dan niet-commerciële overheidsdoeleinden en zich bevinden op het grondgebied van het forum (met dien verstande dat executiemaatregelen uitsluitend mogen worden getroffen tegen eigendommen die verband houden met de entiteit waartegen het geding zich richtte).

Art. 18 VN-Verdrag maakt conservatoire maatregelen in de hiervoor genoemde, in art. 19 onderdelen a en b VN-Verdrag vermelde gevallen van instemming door de vreemde staat mogelijk. De hiervoor genoemde, in art. 19 onderdeel c VN-Verdrag vermelde uitzondering ontbreekt evenwel in art. 18 VN-Verdrag.

3.4.6

Zoals volgt uit de hiervoor in de aanvang van 3.4.4 vermelde overweging van het arrest Ahmad/Staat, kan art. 19 VN-Verdrag als vastlegging van internationaal gewoonterecht worden aangemerkt. In deze zaak kan in het midden blijven of dit ook geldt voor het zogenoemde samenhangvereiste dat aan het slot van onderdeel c van die bepaling wordt gesteld en dat hiervoor in 3.4.5 tussen haakjes is weergegeven.

3.4.7

Art. 18 VN-Verdrag kan echter, voor zover daarin de in art. 19 VN-Verdrag onderdeel c vermelde uitzondering ontbreekt, niet als vastlegging van internationaal gewoonterecht worden aangemerkt, nu in veel staten het treffen van conservatoire maatregelen tegen een vreemde staat in de in art. 19 onderdeel c bedoelde situatie toelaatbaar wordt geacht.

(…)

3.4.8

Gelet op het voorgaande, wordt de uitvoerbaarheid in Nederland van zowel conservatoire als executoriale maatregelen ingevolge art. 13a Wet AB door het internationaal publiekrecht beperkt in die zin dat dergelijke maatregelen zijn uitgesloten tenzij en voor zover sprake is van een geval als bedoeld in art. 19 onderdelen a-c VN-Verdrag (…)

(…)

3.5.2

Het is in overeenstemming met de - op het respecteren van de soevereiniteit van vreemde staten gerichte - strekking van de immuniteit van executie om tot uitgangspunt te nemen dat eigendommen van vreemde staten niet vatbaar zijn voor beslag en executie tenzij en voor zover is vastgesteld dat deze een bestemming hebben die daarmee niet onverenigbaar is. Dit strookt met art. 19 onderdeel c VN-Verdrag dat, zoals hiervoor in 3.4.6 is overwogen, op dit punt valt aan te merken als een regel van internationaal gewoonterecht. Het past voorts bij de vermelde strekking van de immuniteit van executie dat vreemde staten niet gehouden zijn om gegevens aan te dragen waaruit volgt dat hun eigendommen een bestemming hebben die zich tegen beslag en executie verzet.

3.5.3

Met het hiervoor in 3.5.2 overwogene strookt dat de stelplicht en bewijslast met betrekking tot de vatbaarheid voor beslag en executie rusten op de schuldeiser die beslag legt of wil leggen op goederen van de vreemde staat en dat, ook indien de vreemde staat in rechte verstek laat gaan, steeds vastgesteld moet worden dat de desbetreffende goederen vatbaar zijn voor beslag. De schuldeiser zal derhalve steeds gegevens moeten aandragen aan de hand waarvan kan worden vastgesteld dat de goederen door de vreemde staat worden gebruikt of zijn bestemd voor, kort gezegd, andere dan publieke doeleinden.

Deze beslissing van de Hoge Raad is gewezen in een civiele zaak over een op grond van de bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering gelegd (conservatoir) (derden)beslag. De rechtbank ziet zich dan ook in de eerste plaats gesteld voor de vraag of de overwegingen uit deze beslissing ook van toepassing zijn in de onderhavige strafrechtelijke procedure.

6.2.5

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de totstandkomingsgeschiedenis van het VN-Verdrag dat de bepalingen uit dit verdrag geen betrekking hebben op strafrechtelijke procedures. De rechtbank wijst in dit verband met name op:

- Resolutie 59/38 van 2 december 2004 van de ‘General Assembly’1, voor zover inhoudende:

“The General Assembly

(…)

Taking into account the statement of the Chairman of the Ad Hoc Committee introducing the report of the Ad Hoc Committee,

(…)

2. Agrees with the general understanding reached in the Ad Hoc Committee that the United Nations Convention on Jurisdictional Immunities of States and Their Property does not cover criminal proceedings”;

- De samenvatting van de (dertiende) vergadering van de ‘Sixth Committee’ van 25 oktober 2004 (A/C.6/59/SR.13) met betrekking tot agenda item 142: Convention on jurisdictional immunities of States and their property (A/59/22).2

Ook de door klaagsters ingeschakelde deskundige, prof. dr. C.M.J. Ryngaert, hoogleraar internationaal publiekrecht aan de Universiteit Utrecht, geeft in zijn bericht van 19 juni 2019 (bijlage 7 bij het klaagschrift) aan dat wordt uitgegaan van een ‘general understanding’ dat het Verdrag in beginsel geen betrekking heeft op strafzaken (pagina 4, tweede alinea).

6.2.6

Naast het VN-Verdrag, dat dus als zodanig niet op strafrechtelijke procedures van toepassing is, zijn er ook geen andere verdragen die betrekking hebben op het leggen van strafvorderlijk beslag door de ene staat onder de andere staat.

Diverse internationale verdragen bevatten daarentegen wel regels omtrent de immuniteit die bepaalde staatsfunctionarissen genieten tegen strafrechtelijke procedures in andere dan hun eigen, dat wil zeggen vreemde staten (vgl. het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer (18 april 1961, Trb. 1962, 101 en 159) en het Verdrag van Wenen inzake de consulaire betrekkingen (24 april 1963, Trb. 1965, 40 en Trb. 1981, 143)).

6.2.7

Het feit dat er - anders dan voor civiele procedures - voor strafrechtelijke procedures geen verdrag is dat in algemene zin de immuniteit van staatsorganen tegen de rechtsmacht van een vreemde staat regelt, betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat een staatsorgaan als CBvS geen immuniteit kan genieten tegen strafrechtelijke acties ondernomen door een vreemde staat. De vraag of en zo ja, in hoeverre dit het geval is, moet worden beantwoord aan de hand van publieke opvattingen die volgens het internationaal gewoonterecht gelden.

6.2.8

Het internationaal recht kent hoofdzakelijk twee vormen van immuniteit tegen strafrechtelijk optreden door vreemde staten, te weten: ‘immuniteit ratione personae’ (persoonlijke immuniteit) en ‘immuniteit ratione materiae’ (functionele immuniteit).3 Voor beide vormen geldt dat de toegekende immuniteit niet een persoonlijk voorrecht is, maar ertoe strekt te waarborgen dat de betrokken persoon of het betrokken orgaan zijn functie op een effectieve manier kan uitoefenen ten behoeve van zijn staat.4

Immuniteit ratione personae wordt vaak aangemerkt als ‘absoluut’, omdat deze zich niet beperkt tot handelingen verricht in het kader van de officiële functie-uitoefening, maar zich uitstrekt tot alle handelingen, inclusief privéhandelingen.5 Deze immuniteit komt thans enkel nog toe aan een gelimiteerd aantal staatsfunctionarissen, te weten: aan staatshoofden, regeringsleiders en ministers van buitenlandse zaken (allen op grond van internationaal gewoonterecht), als ook aan diplomaten, vertegenwoordigers van zendstaten in speciale missies en het hoofd van een missie en de leden van de diplomatieke staf in missies van een internationale, universele organisatie (allen op grond van verdragen).6

Immuniteit ratione materiae strekt minder ver en beperkt zich tot handelingen verricht in de uitoefening van de publieke functie.7

De immuniteit tegen strafrechtelijk optreden door vreemde staten heeft zich de afgelopen eeuw ontwikkeld van een absolute immuniteit tot een relatieve, functionele immuniteit.8

6.2.9

Met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen en toegespitst op de onderhavige zaak heeft naar het oordeel van de rechtbank in Nederland als ongeschreven regel van internationaal publiekrecht (volkenrecht) te gelden dat vreemde staten, in deze zaak Suriname, immuniteit van strafvorderlijk beslag genieten voor zover dat beslag betrekking heeft op voorwerpen die de vreemde staat onder zich heeft ten behoeve van de uitoefening van haar publieke taak.

6.2.10

De Centrale Bank van Suriname , zoals reeds opgemerkt een officieel staatsorgaan van de staat Suriname, heeft op grond van artikel 9 van de Surinaamse Bankwet 1956 tot taak:

a. het bevorderen van de stabiliteit in de waarde van de geldeenheid van Suriname;

b. het verzorgen van de geldsomloop in Suriname, voor zover uit bankbiljetten bestaande, alsmede het vergemakkelijken van het girale betalingsverkeer;

c. het bevorderen van de ontwikkeling van een gezond bank- en kredietwezen in Suriname;

d. (…);

e. het bevorderen en vergemakkelijken van het betalingsverkeer van Suriname met het buitenland;

f. het bevorderen van een evenwichtige sociaaleconomische ontwikkeling van Suriname.

6.2.11

Klaagsters hebben aangevoerd dat CBvS ter uitvoering van deze, bij wet aan haar opgedragen taak de onderhavige geldzending heeft verricht en dat die zending een publiek belang diende. De rechtbank volgt klaagsters in die opvatting.

Uit hetgeen door klaagsters in het klaagschrift en de toelichting daarop in raadkamer, met stukken onderbouwd, naar voren is gebracht blijkt genoegzaam dat bestaande overschotten aan contante euro’s in Suriname die (uiteindelijk), al dan niet via wisselkantoren, terechtkomen bij de diverse handelsbanken, giraal moeten worden gemaakt om deze weer op een bruikbare wijze aan de liquide middelen van een bank toe te voegen. Waar dit voorheen gebeurde via zogeheten ‘banknote trading agreements’ van de handelsbanken met banken in het eurogebied, heeft vanaf 2014 CBvS die taak op zich genomen omdat veel banken in eurolanden deze overeenkomsten met Surinaamse handelsbanken beëindigden in het kader van de-risking. Klaagsters hebben naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk gemaakt dat CBvS vanaf 2014 geldzendingen als de onderhavige verzorgt in de uitoefening van haar wettelijke taken als centrale bank, te weten ‘het verzorgen van de geldsomloop in Suriname, voor zover uit bankbiljetten bestaande, alsmede het vergemakkelijken van het girale betalingsverkeer’ (b),‘het bevorderen en vergemakkelijken van het betalingsverkeer van Suriname met het buitenland’ (e) en ‘het bevorderen van een evenwichtige sociaaleconomische ontwikkeling van Suriname’ (f).

6.2.12

Dat, naar de officieren van justitie hebben aangevoerd, in artikel 16.3 van de tussen CBvS en de Bank of China gesloten overeenkomst (‘Banknotes Trading Agreement’) is vermeld dat de overeenkomst “is entered into for private commercial purposes” en waarbij partijen afstand doen van immuniteit op grond van soevereiniteit (“irrevocably waives (…) all immunity on the grounds of sovereignty of similar ground”), brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel.

Klaagsters hebben in raadkamer, desgevraagd, toegelicht dat het gaat om een contractuele bepaling die alleen tussen CBvS en Bank of China geldt en op initiatief van de Bank of China aldus in de tussen partijen gesloten overeenkomst is opgenomen omdat zij (kort gezegd) bij een geschil tussen partijen niet met lege handen wenste te staan. Die toelichting overtuigt. Daarmee doet deze contractuele bepaling niet af aan het feit dat CBvS met het verrichten van de geldzendingen een publiek belang diende (ten aanzien waarvan zij zich ten opzichte van anderen dan de Bank of China op immuniteit mag beroepen).

6.2.13

Ook het argument van de officieren van justitie dat de geldzending niet een publiek belang dient, omdat dergelijke geldzendingen ook door andere, commerciële banken kunnen en worden verricht, leidt niet tot een ander oordeel. De enkele omstandigheid dat onderhavig geldtransport ook door een commerciële bank verricht had kunnen worden, betekent immers niet dat om die reden CBvS het geldtransport in dit geval niet in de uitoefening van haar publieke taken heeft verricht. Zoals hiervoor is overwogen, heeft CBvS voldoende aannemelijk gemaakt dat zij onderhavige geldzending in het kader van de uitoefening van haar wettelijke taken als bedoeld in de Surinaamse Bankwet 1956 heeft verricht.

6.2.14

Uit het bovenstaande volgt dat, op grond van de hiervoor onder 6.2.9 geformuleerde rechtsregel van internationaal (gewoonte)recht, CBvS in beginsel immuniteit geniet van het onderhavige, strafvorderlijk beslag.

6.2.15

De omstandigheid dat CBvS door het Openbaar Ministerie niet als verdachte is aangemerkt in het (strafrechtelijk) onderzoek, staat er naar het oordeel van de rechtbank niet aan in de weg dat zij een beroep kan doen op immuniteit voor de handelingen die zij in de uitoefening van haar publieke taken (heeft) verricht. Algemeen aanvaard in het internationaal recht is dat de immuniteit van een staatsorgaan zich ook uitstrekt over machtsuitoefening door de autoriteiten van een vreemde staat, terwijl dat staatsorgaan niet de (directe) verdachte is van een strafbaar feit. Enkel “voluntary invitations to give evidence” zijn acceptabel onder internationaal recht, hetgeen betekent dat “binding orders” als dwangmiddelen, zoals een doorzoeking of een inbeslagneming, niet toelaatbaar zijn.9

6.2.16

De officieren van justitie hebben nog aangevoerd dat CBvS geen beroep op immuniteit toekomt, aangezien het inbeslaggenomen geld eigendom is van de - inmiddels als verdachten aangemerkte - handelsbanken en CBvS hooguit als (middellijk) houder van het geld kan worden beschouwd. Het gaat hier niet om staatseigendommen, aldus de officieren van justitie. De rechtbank volgt de officieren van justitie hierin niet. De vraag welke voorwerpen de immuniteit van het strafvorderlijk beslag omvat, moet worden beantwoord op een wijze die in overeenstemming is met het doel en de strekking van (gecodificeerde en niet-gecodificeerde) regels waaraan staten (en burgers) zich in het internationale (publieke) rechtsverkeer hebben te houden. Hoewel de inbeslaggenomen gelden naar het nationale (civiele) recht van Suriname eigendom zijn van de drie handelsbanken, stelt de rechtbank vast dat het onder zich nemen en houden door CBvS van deze gelden inherent is aan de handeling(en) die zij in de vervulling van haar publieke taken verricht. Doel en strekking van immuniteit is, zoals hiervoor onder 6.2.8 weergegeven, het waarborgen dat een staatsorgaan zijn taken en bevoegdheden namens zijn staat op effectieve wijze kan uitoefenen. Toepassing van het strafvorderlijke dwangmiddel van inbeslagneming tegen in dit geval (onder meer) CBvS - wat erop neer is gekomen dat de gelden aan de feitelijke beschikkingsmacht van CBvS zijn onttrokken - kan de rechtbank niet anders bestempelen dan “having the effect of directly hampering his ability to continue to perform his duties”10 en is daarom in strijd met de door Nederland te eerbiedigen immuniteit van CBvS .

6.2.17

Dit alles brengt de rechtbank tot de conclusie dat CBvS immuniteit geniet van het gelegde strafvorderlijk beslag. Het beslag is daarmee in strijd met het internationaal publiekrecht (volkenrecht). Aan bespreking van al hetgeen partijen overigens nog hebben aangevoerd, komt de rechtbank dan ook niet meer toe.

6.3

Slotsom

Hetgeen onder 6.2 is overwogen, leidt tot de slotsom dat het klaagschrift gegrond moet worden verklaard en dat het beslag moet worden opgeheven zoals hierna onder 7 is vermeld.

Klaagsters hebben in de toelichting op het klaagschrift vermeld dat teruggave van de (girale) gelden kan geschieden door overboeking van de gelden naar de rekening die CBvS bij DNB aanhoudt.

De rechtbank heeft het klaagschrift opgevat als een gezamenlijk klaagschrift van klaagsters.

Voor zover de [bank 1] , [bank 2] en de [bank 3] hebben beoogd om ieder ook een afzonderlijk klaagschrift in te dienen - hetgeen na ontvangst op de griffie van de rechtbank op die manier is geregistreerd door toekenning van aparte registratienummers - zal de rechtbank hen daarin niet-ontvankelijk verklaren wegens gebrek aan belang bij een beslissing daarop.

7 Beslissing

De rechtbank:

verklaart het klaagschrift gegrond, heft op het beslag op € 19.499.000 en twee valse coupures van 500 euro en gelast de teruggave daarvan aan de Centrale Bank van Suriname , waarbij teruggave van eerstgenoemd bedrag kan geschieden door overboeking naar de rekening van CBvS bij DNB;

verklaart, voor zover deze banken ook een afzonderlijk klaagschrift hebben willen indienen, de [bank 1] , [bank 2] en de [bank 3] niet-ontvankelijk in dat klaagschrift.

Samenstelling raadkamer en uitspraakdatum

Deze beschikking is gegeven door

mr. M. Hoendervoogt, voorzitter,

mr. S. Jongeling en mr. P.S. Lambertina, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Z.T. Pronk, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op 24 december 2019.

griffier voorzitter

Tegen deze beschikking staat voor de officieren van justitie beroep in cassatie bij de Hoge Raad open,

in te stellen bij de griffie van deze rechtbank, binnen veertien (14) dagen na dagtekening van deze beschikking.

1 Te raadplegen via: https://legal.un.org/ilc/texts/instruments/english/conventions/4_1_2004_resolution.pdf

2 Te raadplegen via: https://undocs.org/A/C.6/59/SR.13

3 Zie p. 52-115 van het rapport van ‘UN General Assembly’ (Sixtieth session, 5 May-6 June and 7 July-8 August 2008), document A/CN.4/596. Zie ook par. 2.1-2.2 van het Advies inzake de immuniteit van buitenlandse ambtsdragers dat in 2011 is uitgebracht door de Commissie van Advies inzake Volkenrechtelijke Vraagstukken).

4 Zie p. 53-54 van het rapport van ‘UN General Assembly’ (Sixtieth session, 5 May-6 June and 7 July-8 August 2008), document A/CN.4/596.

5 Zie p. 89-90 en 101 van het rapport van ‘UN General Assembly’ (Sixtieth session, 5 May-6 June and 7 July-8 August 2008), document A/CN.4/596. Zie ook p. 5-6 en 10 van het Advies inzake de immuniteit van buitenlandse ambtsdragers dat in 2011 is uitgebracht door de Commissie van Advies inzake Volkenrechtelijke Vraagstukken).

6 Zie p. 58 van het rapport van ‘UN General Assembly’ (Sixtieth session, 5 May-6 June and 7 July-8 August 2008), document A/CN.4/596. Zie ook p. 30 e.v. van het Advies inzake de immuniteit van buitenlandse ambtsdragers dat in 2011 is uitgebracht door de Commissie van Advies inzake Volkenrechtelijke Vraagstukken).

7 Vgl. voetnoot 4.

8 Zie p. 10 van het Advies inzake de immuniteit van buitenlandse ambtsdragers dat in 2011 is uitgebracht door de Commissie van Advies inzake Volkenrechtelijke Vraagstukken).

9 Zie p. 154-161 van het rapport van het ‘UN General Assembly’ (Sixtieth session, 5 May-6 June and 7 July-8 August 2008), document A/CN.4/596.

10 Zie p. 54 e.v. van het rapport van het ‘UN General Assembly’ (Sixtieth session, 5 May-6 June and 7 July-8 August 2008), document A/CN.4/596.