Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2019:10629

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
15-03-2019
Datum publicatie
06-03-2020
Zaaknummer
C/15/286153 HA RK 19-50
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wraking, verzoek niet-ontvankelijk

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Wrakingskamer

zaaknummer / rekestnummer: C/15/286153 HA RK 19-50

Beslissing van 15 maart 2019

Op het verzoek tot wraking ingediend door:

1. [verzoeker 1] ,

wonende te Bovenkarspel,

2. [verzoeker 2] ,

3. [verzoeker 3]

verzoekers

advocaat mr. J.M.R. Vlaar te Budel (in de hoofdzaak).

Het verzoek is gericht tegen:

1. mr. P.M. Wamsteker

hierna te noemen: de rechter.

2) de rechtbank Noord-Holland.

1 Procesverloop

1.1.

Verzoekers hebben op 15 maart 2019 ter zitting de wraking verzocht van de rechter in de bij deze rechtbank, afdeling privaatrecht, sectie Handel, Kanton en Insolventie , locatie Haarlem aanhangige zaak met als zaaknummers C/15/280163/FT RK 18-1442, C/15/281027/FT RK 18-1565, C/15/282942/ FT RK 18-1799 en C/15/280793/FT RK 18-1539, Insolventienummer F 14/09/155, hierna te noemen: de hoofdzaak. Tevens hebben zij de wraking verzocht van de gehele rechtbank Noord-Holland.

1.2.

De rechter heeft niet in de wraking berust.

1.3.

Het verzoek is vervolgens behandeld ter openbare zitting van de wrakingskamer van 15 maart 2019. Verzoekers en de rechter zijn in de gelegenheid gesteld te worden gehoord. Verzoekers zijn verschenen bij monde van [verzoeker 1] .

De rechter is eveneens verschenen. Tevens zijn verschenen mr. W.S.J. Thijs, voorzitter van de meervoudige kamer waarvan de rechter bij de behandeling van de bodemzaak deel uitmaakt en mr. [curator] , curator in het faillissement van [bedrijf] .

1.4.

De rechtbank heeft na sluiting van het onderzoek ter zitting onmiddellijk mondeling beslist op het verzoek zoals hierna onder 5. is opgenomen en de beslissing gemotiveerd als volgt.

2 Het standpunt van verzoekers

2.1.

Verzoekers leggen aan hun verzoek ten grondslag dat de rechter tevens plaatsvervangend voorzitter is van de Raad van Discipline te Amsterdam, alwaar zij een collega is van de voormalig president van de rechtbank Alkmaar, mr. Van der Molen. Bovendien heeft de rechter vele collega’s die - direct of indirect - al bemoeienis hebben gehad met de behandeling van de kwestie rond de faillissementen waar de hoofdzaak betrekking op heeft. Om die reden is sprake van te veel conflicterende belangen en is van haar geen onafhankelijke, eerlijke rechtspraak in de hoofdzaak te verwachten.

3 Het standpunt van de rechter

3.1.

De rechter voert het volgende aan. Het wrakingsverzoek is heel laat - 2,5 uur na aanvang van de zitting - ingediend. De gronden voor de wraking waren blijkbaar al aan het begin van de zitting bekend. Er is geen conflicterend belang tussen haar werk voor de Raad van Discipline en de inhoudelijke behandeling van de hoofdzaak. Voorts is haar uit navraag gebleken dat mrs. [namen] - welke raadslieden eveneens direct of indirect bemoeienis zouden hebben gehad met de behandeling van de eerder vermelde kwestie -niet langer als plaatsvervangend griffier werkzaam zijn bij de Raad van Discipline.

4 De beoordeling

4.1.

Een rechter kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uitgangspunt daarbij is dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn. Daarnaast kan de vrees voor partijdigheid objectief gerechtvaardigd zijn indien sprake is van feiten of omstandigheden die, geheel afgezien van de persoonlijke instelling van de rechter in de hoofdzaak, grond geven om te vrezen dat een rechter niet onpartijdig is, waarbij ook de (te vermijden) schijn van partijdigheid van belang is.

4.2.

Ten aanzien van het wrakingsverzoek van de hele rechtbank Noord-Holland wordt als volgt geoordeeld. Omdat de wet niet voorziet in de mogelijkheid tot wraking van een rechter die geen bemoeienis heeft met de behandeling van de zaak, dienen verzoekers

niet-ontvankelijk te worden verklaard in hun verzoek tot wraking van alle rechters van de rechtbank Noord-Holland. Verwezen wordt naar het arrest van de Hoge Raad van 18 december 1998 (NJ 1999, 271).

4.3.

Ten aanzien van het wrakingsverzoek tegen de rechter wordt het volgende overwogen. Een verzoek tot wraking dient ingevolge artikel 37 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) te worden gedaan zodra de feiten of omstandigheden die aanleiding geven tot het verzoek aan de verzoeker bekend zijn geworden. Deze rechtsregel brengt mee dat niet mag worden getalmd met het indienen van een wrakingsverzoek, maar dat het verzoek moet worden gedaan zo spoedig mogelijk na het bekend worden van de relevante feiten.

Gebleken is dat verzoekers de feiten en omstandigheden die zij aan het wrakingsverzoek ten grondslag hebben gelegd reeds de dag vóór de zitting op schrift hebben gesteld. Verzoekers hebben het wrakingsverzoek evenwel pas 2,5 uur na aanvang van de zitting ingediend. Verzoekers hebben desgevraagd geen redenen aangevoerd die rechtvaardigen dat zij het wrakingsverzoek niet zo spoedig mogelijk hebben gedaan na het hen bekend worden van de feiten en omstandigheden die aanleiding vormden voor het wrakingsverzoek. Om die reden dient het verzoek tot wraking als tardief te worden beschouwd en zullen verzoekers eveneens niet-ontvankelijk worden verklaard in hun wrakingsverzoek van de rechter.

5 Beslissing

De rechtbank

5.1.

verklaart verzoekers niet-ontvankelijk in hun verzoek;

5.2.

beveelt de griffier onverwijld aan verzoekers, de rechter en de curator in de hoofdzaak een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van deze beslissing toe te zenden;

5.3.

beveelt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het verzoek en beveelt dat die zaak daartoe in handen wordt gesteld van de voorzitter van de afdeling privaatrecht, sectie Handel, Kanton en Insolventie, locatie Haarlem.

Deze beslissing is gegeven door mr. K.I. de Jong, voorzitter, mr. J.M. Janse van Mantgem en mr. L.M. Kos, leden van de wrakingskamer, in tegenwoordigheid van C. Vis-van Zanden, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 15 maart 2019.

griffier voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.