Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2019:10612

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
20-11-2019
Datum publicatie
20-02-2020
Zaaknummer
AWB - 18 _ 3421
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

planschade

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening 6.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 2020-0036
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 18/3421

uitspraak van de meervoudige kamer van 20 november 2019 in de zaak tussen

[eiseres] v.o.f. Aannemingsbedrijf [naam] en Handelsmaatschappij, te [plaats] , eiseres

(gemachtigde: [gemachtigde] ),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Schagen, verweerder

(gemachtigde: J.H. Moraal).

Procesverloop

Bij besluit van 22 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiseres om toekenning van een tegemoetkoming in planschade afgewezen.

Bij besluit van 2 juli 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 oktober 2019. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Op 17 oktober 2019 ontving de rechtbank een aanvullend schrijven van eiseres. Dit na sluiting van het onderzoek binnengekomen stuk blijft buiten beschouwing, aangezien het stuk geen aanleiding geeft tot heropening van het onderzoek.

Overwegingen

1. Eiseres is sinds 1993 gevestigd in het bedrijfsgebouw op het perceel [adres] . Op het perceel geldt met ingang van 30 augustus 2012 het bestemmingsplan “Dorpen langs de Groote Sloot” (hierna: het nieuwe bestemmingsplan). Daarvoor gold het bestemmingsplan “Buitengebied 1989, tweede herziening” (hierna: het oude bestemmingsplan). Op 12 mei 2017 heeft eiseres verweerder verzocht om een tegemoetkoming in planschade op grond van artikel 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Eiseres stelt schade te lijden, bestaande uit inkomensderving en waardevermindering van het perceel, omdat de bouwmogelijkheden op haar perceel zijn afgenomen als gevolg van de inwerkingtreding van het nieuwe bestemmingsplan.

2. Op grond van artikel 6.1, eerste lid, van de Wro kent het college van burgemeester en wethouders degene die in de vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van een in het tweede lid genoemde oorzaak, op aanvraag een tegemoetkoming toe, voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en de tegemoetkoming niet voldoende anderszins is verzekerd. Het tweede lid bepaalt dat een bepaling van een bestemmingsplan een oorzaak is als bedoeld in het eerste lid.

Ingevolge artikel 6.3, aanhef en onder a, van de Wro betrekt het college van burgemeester en wethouders met betrekking tot de voor tegemoetkoming in aanmerking komende schade bij zijn beslissing op de aanvraag in ieder geval de voorzienbaarheid van de schadeoorzaak.

3.1

Verweerder heeft naar aanleiding van het verzoek van eiseres mr. T.A.P. Langhout (hierna: Langhout) van Langhout & Wiarda bestuursschade- en omgevingsrecht deskundigen, benoemd als onafhankelijk (planschade-)adviseur. In het advies van 18 december 2017 van Langhout wordt geconcludeerd dat de bebouwingsmogelijkheden op het perceel van eiseres onder het nieuwe planologische regime in relevante mate zijn afgenomen. In het advies wordt vastgesteld dat door eiseres voorafgaand aan de planologische wijziging geen aanvraag ter verkrijging van een omgevingsvergunning is ingediend. Uit informatie verstrekt door de gemeente volgt dat de op handen zijnde planologische wijziging in ieder geval was te voorzien vanaf 10 maart 2011. Op deze datum werd het voorontwerpbestemmingsplan “Dorpen langs de Groote Sloot” ter inzage gelegd voor inspraak. Er golden op dat moment geen juridische beletselen om de bebouwingsmogelijkheden te benutten. Op 3 november 2011 werd vervolgens het ontwerpbestemmingsplan “Dorpen langs de Groote Sloot” ter inzage gelegd, waarbij de voorbereidingsbescherming met betrekking tot het bouwen in werking is getreden. De periode van bijna 8 maanden tussen 10 maart 2011 en 3 november 2011 kan, bezien vanuit de positie van een redelijk denkende en handelende vennootschap volgens Langhout in redelijkheid niet te kort worden geacht om een aanvraag om een omgevingsvergunning in te dienen. Langhout heeft daarom geconcludeerd dat sprake is van passieve risicoaanvaarding en verweerder geadviseerd de aanvraag van eiseres op die grond af te wijzen.

3.2

Verweerder heeft het advies van Langhout aan het primaire besluit ten grondslag gelegd en het verzoek om toekenning van een tegemoetkoming in planschade afgewezen.

4. Met het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar, in navolging van het advies van de commissie van advies voor de bezwaarschriften van 21 juni 2018, ongegrond verklaard.

5. Niet in geschil is dat eiseres door de inwerkingtreding van het nieuwe bestemmingsplan in een planologisch nadeliger positie is komen te verkeren, omdat de bouwmogelijkheden op haar perceel hierdoor zijn beperkt. In geschil is of verweerder zich onder verwijzing naar het advies van Langhout terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres dit nadeel passief heeft aanvaard.

6.1

Eiseres betoogt dat verweerder het advies van 18 december 2017 niet aan het bestreden besluit ten grondslag heeft mogen leggen omdat is gehandeld in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. Tijdens de totstandkoming van het advies is namelijk onvoldoende hoor en wederhoor toegepast. Ter zitting heeft eiseres toegelicht dat zij aan Langhout een e-mailbericht heeft gestuurd met daarin het verzoek om haar standpunten te mogen overleggen. Hierop heeft Langhout niet gereageerd ondanks meerdere verzoeken van eiseres om antwoord te geven op haar e-mailbericht. Daarop heeft eiseres hem gesommeerd antwoord te geven. Langhout heeft in het advies alleen vermeld dat eiseres hem gesommeerd heeft antwoord te geven. Niet is vermeld dat eiseres daarvoor meermalen tevergeefs gevraagd heeft antwoord te geven.

6.2

De rechtbank stelt vast dat Langhout op 20 juli 2017 eiseres in de gelegenheid heeft gesteld om een toelichting te geven op haar aanvraag. Voorts heeft Langhout op 10 oktober 2017 het conceptadvies aan eiseres verzonden met de vraag om eventuele zienswijzen daartegen bekend te maken. Eiseres heeft derhalve de mogelijkheid gehad om een zienswijze in te dienen en zij heeft daarvan ook gebruik gemaakt. Hiermee is sprake van voldoende hoor en wederhoor. Dat Langhout niet heeft gereageerd op de e-mailberichten van eiseres doet daar niet aan af, omdat met de mogelijkheden een toelichting op de aanvraag en een zienswijze te geven op het conceptadvies het beginsel van hoor en wederhoor reeds is gewaarborgd. De beroepsgrond slaagt niet.

7.1

Eiseres betoogt dat geen sprake is van passieve risicoaanvaarding. Daartoe heeft eiseres aangevoerd dat de nadelige planologische ontwikkelingen niet voorzienbaar waren. Verweerder heeft een flyer verspreid waarin staat dat: “het voorontwerp bestemmingsplan voor de dorpskernen van Oudesluis, Schagerbrug, Sint Maartensbrug, Sint Maartensvlotbrug en Burger(vlot)brug klaar is”. Deze flyer is misleidend, omdat hierin is opgenomen dat het voorontwerp bestemmingsplan geldt voor de dorpskernen, aldus eiseres. Eiseres verkeerde daardoor in de veronderstelling dat het nieuwe bestemmingsplan niet op haar perceel van toepassing was, omdat haar perceel in het buitengebied was gelegen, zoals blijkt uit het oude bestemmingsplan, en niet in de dorpskern. Uit de flyer blijkt volgens eiseres ook niet dat de nieuwe ontwikkelingen een verslechtering van de planologische mogelijkheden inhouden. Dat was, gelet op de lokale bedrijven visie 2006, ook niet voorzienbaar.

7.2

Verweerder stelt zich op het standpunt dat van misleiding door de flyer geen sprake is. Uit de flyer bleek voldoende dat het nieuwe bestemmingsplan ook het perceel van eiser betrof. Het perceel is immers gelegen binnen de dorpskern Schagerbrug. Het had op de weg van eiseres gelegen om informatie in te winnen naar aanleiding van de publicatie over het voorontwerp en de flyer over het nieuwe bestemmingsplan. Aangezien eiseres heeft nagelaten informatie te vergaren over het nieuwe bestemmingsplan heeft zij een bewust risico genomen. Verweerder verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 10 april 2013 (201208017/6/R1) waarin wordt overwogen dat het op de weg lag van [eiseres] V.O.F. om zelf na te gaan of het ontwerpplan voor haar relevant was en mede betrekking had op het industrieterrein in het dorp Schagerbrug. Dat sprake zou zijn van een nadelige situatie bleek uit het voorontwerp van het nieuwe bestemmingsplan dat op juiste wijze is bekendgemaakt. Voor eiseres was er geen belemmering om kennis te nemen van het nieuwe regime op haar perceel. Zij had dan ook kunnen weten dat zij beperkt zou worden in haar bouwmogelijkheden en zij had daarop kunnen handelen. Dat heeft zij niet gedaan. Daardoor is sprake van passieve risicoaanvaarding.

7.3

De rechtbank overweegt als volgt. Voor een bevestigend antwoord op de vraag of eiseres het risico dat de onder het oude planologische regime bestaande bouw- of gebruiksmogelijkheden van haar onroerende zaak zouden vervallen passief heeft aanvaard, moet de planologisch nadelige wijziging voorzienbaar zijn geweest en eiseres geen concrete pogingen hebben gedaan tot realisering van de bestaande bouw- of gebruiksmogelijkheden. Voor voorzienbaarheid is voldoende dat, bezien vanuit de positie van een redelijk denkende en handelende vennootschap aanleiding bestond rekening te houden met de kans dat de planologische situatie ter plaatse zou gaan veranderen in een voor haar ongunstige zin. Daarbij dient rekening te worden gehouden met concrete beleidsvoornemens die openbaar zijn gemaakt. Voor voorzienbaarheid is niet vereist dat een dergelijk beleidsvoornemen een formele status heeft. Een voorontwerpbestemmingsplan is een concreet beleidsvoornemen. Voorts is niet vereist dat het bewustzijn van een nadelige planologische wijziging daadwerkelijk bij eiseres aanwezig was. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraken van de Afdeling van 14 april 2004 (ECLI:NL:RVS:2004:AO7467) en 28 augustus 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:923).

7.4

Niet in geschil is dat het voorontwerpbestemmingsplan “Dorpen langs de Groote Sloot” ter inzage is gelegd vanaf 10 maart 2011 en dat verweerder voorafgaand daaraan flyers heeft verspreid om het voorontwerp van het nieuwe bestemmingsplan onder de aandacht te brengen.

7.5

De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat de flyer waarin het voorontwerp van het nieuwe bestemmingsplan is aangekondigd niet misleidend is. De vermelding in de flyer dat het voorontwerp bestemmingsplan “Dorpen langs de Groote Sloot” voor de dorpskernen van Oudesluis, Schagerbrug, Sint Maartensbrug, Sint Maartensvlotbrug en Burger(vlot)brug klaar is, leidt namelijk niet tot de conclusie dat van misleiding sprake is. In de flyer is ook vermeld dat het voorontwerp van het nieuwe bestemmingsplan betrekking heeft op het bestaande dorpsgebied van de genoemde dorpen en dat de rechten en plichten voor de burgers in alle vier de dorpen gelijk worden. Als eiseres er al in gevolgd zou kunnen worden dat haar perceel op dat moment niet binnen de dorpskern van Schagerbrug viel, had eiseres uit de flyer dus kunnen opmaken dat het voorontwerp bestemmingsplan niet alleen zag op de dorpskernen van de genoemde dorpen, maar op de dorpen in hun geheel en dus ook op haar perceel. Het gebruik van het woord ‘dorpskernen’ in de flyer is naar het oordeel van de rechtbank dus niet misleidend. Dat, zoals verweerder ook wel heeft erkend, het gebruik van het woord ‘dorpskernen’ verwarrend kan hebben gewerkt, is onvoldoende voor een andere conclusie.
De stelling van eiseres dat in de flyer geen gewag wordt gemaakt van planologische verslechtering leidt evenmin tot de conclusie dat sprake is van misleiding. Niet gebleken is dat de mededelingen op dit punt in de flyer, die algemeen van aard zijn, onjuist zijn, laat staan misleidend zijn. Uit de flyer blijkt ook verder niet dat het nieuwe bestemmingsplan niet op het perceel van eiseres van toepassing is. Als overwogen, is niet vereist dat het bewustzijn van een nadelige planologische wijziging daadwerkelijk bij eiseres aanwezig was. Het lag dus op de weg van eiseres om kennis te nemen van het voorontwerp van het nieuwe bestemmingsplan. Daarin had zij kunnen lezen dat de wijziging voor haar een planologische verslechtering inhield. Dat eiseres dat niet gedaan heeft, komt voor haar risico.

7.6

De rechtbank stelt verder vast dat niet in geschil is dat eiseres voor 3 november 2011 geen concrete pogingen heeft gedaan tot realisering van de tot dat moment bestaande bouw- en gebruiksmogelijkheden. Verweerder heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat sprake is van passieve risicoaanvaarding. De beroepsgrond slaagt niet.

8. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.B. de Vries - van den Heuvel, voorzitter, en mr. J.J. Maarleveld en mr. J. de Vries, leden, in aanwezigheid van mr. L. Smit, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 november 2019.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.