Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2019:10609

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
15-11-2019
Datum publicatie
13-02-2020
Zaaknummer
AWB - 18 _ 3428
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

planschade

De rechtbank stelt voorop dat, nu geen hoger beroep is ingesteld tegen de uitspraak van 28 februari 2018, deze uitspraak in rechte vaststaat en daarmee dus ook dat de schade als gevolg van waardevermindering van de woning van eiser is vastgesteld op € 10.000,-.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening 6.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 18/3428

uitspraak van de meervoudige kamer van 15 november 2019 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hollands Kroon, verweerder

(gemachtigde: mr. R. Bergman).

Procesverloop

Bij besluit van 12 mei 2015, verzonden 20 mei 2015, (het primaire besluit) heeft verweerder eisers verzoek om een tegemoetkoming in planschade op basis van artikel 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) afgewezen.

Bij besluit van 2 februari 2016 heeft verweerder eisers bezwaar tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het besluit van 2 februari 2016 beroep ingesteld.

De rechtbank heeft in de uitspraak van 28 februari 2018 (HAA 16/1273) het beroep van eiser gegrond verklaard, het besluit van 2 februari 2016 vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van de uitspraak.

Bij besluit van 4 juli 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het primaire besluit herroepen en eiser een tegemoetkoming in de planschade toegekend van € 1.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 oktober 2019. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1

Eiser is eigenaar van het perceel [perceel] te [woonplaats] dat ten zuiden ligt van de windturbine aan de Zwinweg 38 en ten zuidoosten van de windturbine aan de Veerweg 26 te Anna Paulowna .

1.2

Op 9 juli 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Anna Paulowna, rechtsvoorganger van verweerder, op grond van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) vrijstelling verleend van het bestemmingsplan voor het oprichten van een windturbine ter vervanging van de af te breken windturbine aan de Zwinweg 38 te Anna Paulowna (vrijstelling I). De vergunde windturbine heeft een ashoogte van 60 meter en komt op een afstand van 330 meter van het perceel van eiser. Deze windturbine vervangt een windturbine met een toegestane ashoogte van 40 meter die op 370 meter afstand van het perceel van eiser was geplaatst.

1.3

Op 4 november 2008 heeft de rechtsvoorganger van verweerder op grond van artikel 19, eerste lid, van de WRO vrijstelling van het bestemmingsplan verleend voor het oprichten van een windturbine ter vervanging van de af te breken windturbine aan de Veerweg 26 te Anna Paulowna (vrijstelling II). De vergunde windturbine heeft een ashoogte van 73 meter en komt op een afstand van 740 meter van het perceel van eiser. Deze windturbine vervangt een bestaande windturbine met een toegestane ashoogte van 40 meter die op 850 meter afstand van het perceel van eiser was geplaatst.

1.4

Op 25 juli 2013 heeft eiser een verzoek om een tegemoetkoming in planschade van € 116.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente, ingediend wegens waardevermindering van zijn woning door de bovengenoemde vrijstellingen.

1.5

Verweerder heeft bij het primaire besluit het verzoek van eiser afgewezen en heeft daaraan het advies van Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (SAOZ) ten grondslag gelegd. Volgens dat advies hebben de vrijstellingen voor eiser niet geleid tot voor tegemoetkoming vatbare schade. Bij het besluit van 2 februari 2016 heeft verweerder de afwijzing gehandhaafd.

1.6

In het kader van het beroep tegen het besluit van 2 februari 2016 heeft de rechtbank de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (de StAB) verzocht om te onderzoeken of de vrijstellingen hebben geleid tot vermindering van de waarde van eisers woning en, zo ja, hoe groot dat nadeel is. Op 19 juli 2017 heeft de StAB een verslag op grond van artikel 8:47 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitgebracht. Volgens dat verslag heeft alleen vrijstelling I tot vermindering van de waarde van eisers woning geleid en bedraagt de waardevermindering € 10.000,-. Op 13 november 2017 heeft de StAB een aanvullend verslag uitgebracht, waarbij de StAB geen aanleiding heeft gezien om de conclusies van haar eerdere verslag aan te passen. In haar verslagen is de StAB niet ingegaan op de vraag in hoeverre de schade tot het normaal maatschappelijk risico behoort en daarom niet voor vergoeding in aanmerking komt. De rechtbank heeft in de uitspraak van 28 februari 2018 de conclusies van de StAB gevolgd en de schade als gevolg van waardevermindering van de woning van eiser vastgesteld op € 10.000,-. Omdat de vaststelling van de omvang van het normaal maatschappelijk risico in de eerste plaats aan het bestuursorgaan is, heeft de rechtbank verweerder opgedragen bij een nieuw besluit op het bezwaar van eiser daarover een standpunt in te nemen.

1.7

Tegen de uitspraak van de rechtbank van 28 februari 2018 is geen hoger beroep ingesteld.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard en het primaire besluit herroepen. Verweerder heeft de door de rechtbank vastgestelde planschade van € 10.000,- ten grondslag gelegd aan het bestreden besluit. Voorts heeft verweerder het normaal maatschappelijk risico vastgesteld op 2% van de waarde van het perceel vóór inwerkingtreding van het schadeveroorzakende besluit. Verweerder heeft hiertoe aanleiding gezien omdat in het kader van eerdere planschadebesluiten die ook betrekking hadden op de opschaling van de windturbines aan de Veerweg 26 en Zwinweg 38 in Anna Paulowna het drempelpercentage van 2% is gehanteerd. Verweerder ziet geen aanknopingspunten om een hoger percentage dan 2% te hanteren. Uitgaande van de door de StAB vastgestelde waarde van het perceel [perceel] vóór de peildatum (€ 450.000,-), komt toepassing van dat percentage neer op € 9.000,-. Dit resulteert per saldo in een tegemoetkoming in de planschade van € 1.000,-.

3.1

Eiser betoogt dat een tegemoetkoming in de planschade van € 1.000,- onredelijk is. Dit bedrag komt de geleden schade en overlast van de windturbines niet tegemoet. De WOZ-waarde is van € 483.000,- verminderd naar € 386.000,- in 2018 en naar € 385.000,- in 2019. In het licht daarvan is het onredelijk dat verweerder in het bestreden besluit niet is uitgegaan van een waardevermindering van ten minste € 97.000,-. Eiser betoogt voorts dat het, gezien de omvang van de waardevermindering, onredelijk is om 2% van de oude waarde van de woning als normaal maatschappelijk risico voor zijn rekening te laten.

3.2

Gelet op vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), bijvoorbeeld de uitspraak van 6 augustus 2003 (ECLI:NL:RVS:2003:AI0801), de zogenaamde Brummen-leer, heeft het niet instellen van hoger beroep tegen een eerdere uitspraak van de rechtbank waarbij de rechtbank een eerder besluit heeft vernietigd, tot gevolg dat, indien in beroep tegen het nieuwe besluit beroepsgronden worden aangevoerd die door de rechtbank in die eerdere uitspraak uitdrukkelijk en zonder voorbehoud zijn verworpen, de rechtbank van de juistheid van het eerder gegeven oordeel over die beroepsgronden heeft uit te gaan. Uit de uitspraak van de Afdeling van 14 juni 2007 (ECLI:NL:RVS:2007:BA7794) volgt verder dat slechts nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden een hernieuwde beoordeling van een eerder verworpen beroepsgrond kunnen rechtvaardigen.

3.3

De rechtbank stelt voorop dat, nu geen hoger beroep is ingesteld tegen de uitspraak van 28 februari 2018, deze uitspraak in rechte vaststaat en daarmee dus ook dat de schade als gevolg van waardevermindering van de woning van eiser is vastgesteld op € 10.000,-.

3.4

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de in 2018 en 2019 vastgestelde WOZ-waarden een hernieuwde beoordeling van de schade rechtvaardigen en overweegt hierover als volgt. Aan de daling van de WOZ-waarde in 2018 liggen blijkens het desbetreffende besluit van 21 juni 2018 de voorzieningen ter plaatse en de aanwezigheid van windmolens ten grondslag. Niet is gebleken dat hierbij een vergelijking is gemaakt tussen de maximale mogelijkheden van het planologisch regime vóór en na de data die als peildata gelden in het kader van het verzoek om een tegemoetkoming in planschade, namelijk de data waarop vrijstelling I en vrijstelling II in werking zijn getreden. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat de aanwezigheid van windmolens in zijn algemeenheid heeft geleid tot vermindering van de WOZ-waarde en dat de vrijstellingen hierbij niet in acht zijn genomen. Voorts heeft verweerder aangegeven dat de WOZ-waarde niet enkel is verminderd vanwege de aanwezigheid van windmolens maar ook vanwege de gebrekkige voorzieningen ter plaatse. Verder is van belang dat de in 2018 en 2019 vastgestelde WOZ-waarden zijn gebaseerd op de respectievelijke peildata 1 januari 2017 en 1 januari 2018. Deze data liggen ver na de data die als peildata gelden in het kader van het verzoek om een tegemoetkoming in planschade. Gelet hierop, ziet de rechtbank geen reden om aan te nemen dat uit de in 2018 en 2019 vastgestelde WOZ-waarden volgt dat de waardevermindering in het kader van de planschadebeoordeling te laag is vastgesteld. Er zijn dan ook geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden die een hernieuwde beoordeling van de vastgestelde planschade rechtvaardigen. Verweerder mocht dus uitgaan van schade als gevolg van waardevermindering van de woning van € 10.000,-. De beroepsgrond slaagt niet.

3.5

Het betoog dat het onredelijk is om 2% van de oude waarde van de woning voor rekening van eiser te laten, slaagt evenmin. Artikel 6.2, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wro schrijft voor dat van schade in de vorm van vermindering van de waarde van een onroerende zaak in ieder geval een bepaald gedeelte voor rekening van de aanvrager blijft, namelijk twee procent van de waarde van de onroerende zaak onmiddellijk voor het ontstaan van de schade. Verweerder had daarom niet de vrijheid dit gedeelte van de schade aan eiser te vergoeden (zie onder andere de uitspraak van de Afdeling van 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2582).

4. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. de Vries, voorzitter, en mr. E.B. de Vries - van den Heuvel en mr. J.J. Maarleveld, leden, in aanwezigheid van mr. L. Smit, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 november 2019.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.