Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2019:10360

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
19-12-2019
Datum publicatie
20-02-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 1050
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De werkzaamheden die als trouwambtenaar worden verricht, kwalificeren niet als overheidshandeling. De vergoeding die wordt ontvangen ziet niet zozeer op het sluiten van het huwelijk (daarvoor is al leges betaald) als wel op het feit dat degene die is ingehuurd een bekende Nederlander is. Voorts geldt dat de prestatie niet als een dienst door een uitvoerend kunstenaar als zodanig kan worden aangemerkt. Het artistieke element heeft niet de overhand. Het verlaagde tarief is dus niet van toepassing.

Wetsverwijzingen
Wet op de omzetbelasting 1968 9
Ambtenarenwet 2017 1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 20-02-2020
FutD 2020-0516 met annotatie van Fiscaal up to Date
V-N Vandaag 2020/474
NTFR 2020/736 met annotatie van dr. D. Molenaar
V-N 2020/25.21.3
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 19/1050

uitspraak van de meervoudige kamer van 19 december 2019 in de zaak tussen

[X] B.V., gevestigd te [Z] , eiseres

(gemachtigden: P. Bakker en R. Vos),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft over de maand oktober 2018 omzetbelasting op aangifte voldaan.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar het tegen de voldoening gemaakte bezwaar afgewezen.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift en een aanvulling daarop ingediend.

Eiseres heeft naar aanleiding van een verzoek van de rechtbank vóór de zitting een nader stuk ingediend. Hiervan is een afschrift verstrekt aan de wederpartij.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 november 2019 te Haarlem. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigden. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door R.A. Korver, mr. H.R. Groen, Krol en Hoekstra.

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres is een op [# 1] opgerichte besloten vennootschap. Volgens het handelsregister van de Kamer van Koophandel en de statuten van eiseres zijn haar activiteiten gericht op het organiseren van evenementen, feesten, het verzorgen van boekingen voor acts en bands en het verrichten van horeca-activiteiten en acteurswerkzaamheden. Enig aandeelhouder en bestuurder van de vennootschap is de heer [A] (hierna: [A] ).

2. [A] is bekend als acteur. Hij treedt ook op als spreker. Via zijn website [@] biedt hij daarnaast zichzelf als trouwambtenaar aan. Al zijn werkzaamheden worden vanuit eiseres verricht.

3. [A] is sinds [# 2] 2015 benoemd tot bijzonder ambtenaar van de burgerlijke stand in de gemeente [B] . Via de website van die gemeente worden verschillende trouwambtenaren genoemd, waaruit een (aanstaand) bruidspaar kan kiezen. Gekozen kan worden tussen een in roosterdienst werkzame trouwambtenaar en een aantal bekende Nederlanders die als trouwambtenaar beëdigd zijn. Voor het voltrekken van het huwelijk is het bruidspaar een vergoeding verschuldigd aan de gemeente in de vorm van leges. In die leges is een vergoeding voor de trouwambtenaar begrepen. De in roosterdienst werkzame trouwambtenaar ontvangt een vergoeding van de gemeente voor de verleende diensten. Indien echter voor een bekende Nederlander als trouwambtenaar wordt gekozen, dient eerst contact met hem of haar te worden opgenomen via de internetlink bij zijn of haar naam op de website, in verband met de vaststelling van de huwelijksdatum en eventuele voorwaarden. De bekende Nederlander ontvangt geen vergoeding van de gemeente voor de diensten, doch krijgt van het bruidspaar een vergoeding.

4. Ten gevolge van zijn aanstelling in de gemeente [B] kan [A] bij andere gemeenten als buitengewone ambtenaar van de burgerlijke stand worden aangesteld, bijvoorbeeld voor één dag. Dan kan hij ook bij die gemeenten als trouwambtenaar huwelijken sluiten.

5. Als een bruidspaar heeft gekozen voor het inhuren van [A] als trouwambtenaar bij hun huwelijk, stuurt eiseres een opdrachtbevestiging toe. Zijn werkzaamheden als trouwambtenaar bestaan uit het verzamelen van achtergrondinformatie over het bruidspaar, hun vrienden en familie (onder meer door een kennismakingsgesprek en het opvragen van foto’s en verhalen), gevolgd door de voorbereidingen bestaande uit het schrijven van een script en eindigend in de presentatie (voordracht) op de bruiloft. Eiseres brengt aan het toekomstige bruidspaar een vergoeding voor de werkzaamheden in rekening.

6. Over de maand oktober 2018 heeft eiseres aangifte omzetbelasting gedaan. Daarbij heeft zij als leveringen en diensten in het binnenland belast tegen het normale respectievelijk het lage tarief € 12.633 en € 866 aangegeven. In het eerstgenoemde bedrag is aan gefactureerde vergoedingen voor trouwactiviteiten € 5.550 begrepen. Rekening houdend met in aftrek te brengen voorbelasting resulteert de aangifte in € 2.051 aan te betalen omzetbelasting.

Geschil
7. In geschil is hoe de werkzaamheden als trouwambtenaar waarvoor eiseres aan toekomstige bruidsparen vergoedingen in rekening brengt, moeten worden gekwalificeerd voor de omzetbelasting.

8. Eiseres stelt primair dat de werkzaamheden als trouwambtenaar als overheid worden verricht. Als gevolg hiervan is eiseres geen omzetbelasting verschuldigd over de werkzaamheden. Subsidiair stelt eiseres dat zij de werkzaamheden als trouwambtenaar als uitvoerend kunstenaar verricht. Als gevolg hiervan is het verlaagde tarief van 6 percent van toepassing. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep en verlaging van de verschuldigde omzetbelasting over oktober 2018.

9. Verweerder betwist de stellingen van eiseres en concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

10. Tussen partijen is niet in geschil dat, indien het primaire standpunt van eiseres juist is, zij recht heeft op een teruggaaf van de voldane omzetbelasting ad € 650, en als het subsidiaire standpunt juist is zij recht heeft op een teruggaaf van de voldane omzetbelasting ad € 330.

Beoordeling van het geschil

Primair: als overheid?

11. In artikel 1, aanhef en onderdeel a, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet OB) is bepaald dat onder de naam 'omzetbelasting' een belasting wordt geheven ter zake van leveringen van goederen en diensten, welke in Nederland door een als zodanig handelende ondernemer onder bezwarende titel worden verricht. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Wet OB is ondernemer ieder die een bedrijf zelfstandig uitoefent. Op grond van het derde lid van het laatstgenoemde artikel kan bij ministeriële regeling worden bepaald, dat publiekrechtelijke lichamen die, anders dan als ondernemer, prestaties verrichten welke uit hun aard ook door ondernemers kunnen worden verricht, met betrekking tot die prestaties als ondernemer worden aangemerkt.

12. Als ‘belastingplichtige’ wordt ingevolge art. 9, eerste lid, richtlijn 2006/112/EG (hierna: BTW-richtlijn) beschouwd een ieder die, op ongeacht welke plaats, zelfstandig een economische activiteit verricht, ongeacht het oogmerk of het resultaat van die activiteit.

Als ‘economische activiteit’ worden beschouwd alle werkzaamheden van een fabrikant, handelaar of dienstverrichter, met inbegrip van de winning van delfstoffen, de landbouw en de uitoefening van vrije of daarmede gelijkgestelde beroepen. Als economische activiteit wordt in het bijzonder beschouwd de exploitatie van een lichamelijke of onlichamelijke zaak om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen.

In artikel 13, eerste lid, van de BTW-richtlijn is, voor zover van belang, bepaald dat de staat, de regio's, de gewesten, de provincies, de gemeenten en de andere publiekrechtelijke lichamen niet als belastingplichtigen worden aangemerkt voor de werkzaamheden of handelingen die zij als overheid verrichten, ook niet indien zij voor die werkzaamheden of handelingen rechten, heffingen, bijdragen of retributies innen. Wanneer deze lichamen evenwel zodanige werkzaamheden of handelingen verrichten, moeten zij daarvoor als belastingplichtige worden aangemerkt, indien een behandeling als niet-belastingplichtige tot een verstoring van de mededinging van enige betekenis zou leiden.

13. Niet in geschil is dat sprake is van activiteiten van economische aard. Voor de vraag of eiseres ter zake van die activiteiten als belastingplichtige ondernemer moet worden aangemerkt, is van belang of zij deze ‘als overheid’ verricht. Daarbij dienen de nationale bepalingen hieromtrent te worden uitgelegd overeenkomstig de daarmee samenhangende bepalingen in de BTW-richtlijn.

14. Eiseres stelt dat eiseres haar werkzaamheden als trouwambtenaar als overheid verricht. Van een overheidshandeling is sprake indien een publiekrechtelijk lichaam in een specifiek voor haar geldend regime een handeling uitoefent. Het voltrekken van een huwelijk is een typische overheidstaak. Tijdens het voltrekken van een huwelijk, handelt de trouwambtenaar als ambtenaar in de zin van artikel 1 van de Ambtenarenwet. Dit is bevestigd in de uitspraak van 24 juni 2003, ECLI:NL:RBLEE:2002:AE9138. De vergoeding die eiseres hiervoor ontvangt, maakt onderdeel uit van de vergoeding voor een overheidshandeling. Er wordt ook een deel van de leges terugbetaald aan de gemeente, als voor een bekende Nederlander als trouwambtenaar wordt gekozen, aldus eiseres.

15. Verweerder stelt dat eiseres een vergoeding in rekening brengt indien [A] een huwelijk voltrekt. Deze vergoeding staat los van de leges die de gemeente heft. De vergoeding die eiseres in rekening brengt, kan daarom niet als vergoeding voor een overheidstaak worden aangemerkt. [A] is niet in dienst van de gemeente en ontvangt ook geen vergoeding van de gemeente. Anders dan eiseres stelt, stort de gemeente niet een deel van de verschuldigde leges terug bij keuze voor een trouwambtenaar die zelf een vergoeding aan het bruidspaar in rekening brengt. Er is sprake van twee afzonderlijke prestaties verricht door twee verschillende partijen, aldus verweerder.

16. Artikel 13, eerste lid, van de BTW-richtlijn dient naar vaste jurisprudentie eng te worden uitgelegd. De bepaling geldt slechts indien aan twee cumulatieve voorwaarden is voldaan, te weten de uitoefening van activiteiten door een openbaar lichaam, daaronder begrepen een ‘ander publiekrechtelijk lichaam’, en de uitoefening van die activiteiten als overheid.

17. Gelet op onder meer het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: HvJ EU) van 17 oktober 1989, Carpaneto Piacentino, nrs. 231/87 en 129/88, ECLI:EU:C:1989:381, moet voor de beantwoording van de vraag of een publiekrechtelijk lichaam belastingplichtig is met betrekking tot een bepaalde werkzaamheid, worden nagegaan of dat lichaam te dier zake heeft gehandeld in het kader van het specifiek voor hem geldende juridische regime. Van dergelijke activiteiten is sprake indien de activiteiten door bedoelde lichamen worden uitgeoefend in het kader van de voor hen geldende rechtsvoorschriften. Activiteiten die die lichamen onder dezelfde voorwaarden rechtens als particuliere marktdeelnemers verrichten, zijn uitgesloten. Het voorwerp of het doel van de activiteit is in dit verband irrelevant. Indien de uitoefening van de activiteit het gebruik van bevoegdheden van openbaar gezag meebrengt, is die activiteit aan een publiekrechtelijke regeling onderworpen.

18. Gelet op onder meer het arrest van het HvJ EU van 29 oktober 2015, Saudaçor - Sociedade Gestora de Recursos e Equipamentos da Saúde dos Açores SA, C-174/14, ECLI:EU:C:2015:733 (hierna: het arrest Saudaçor), kan een persoon die zelfstandig tot de bevoegdheden van de overheid behorende handelingen verricht, zonder te zijn opgenomen in de organisatie van het openbaar bestuur, niet worden aangemerkt als publiekrechtelijk lichaam in de zin van artikel 13, eerste lid, van de BTW-richtlijn. De hoedanigheid van publiekrechtelijk lichaam kan niet voortvloeien uit het enkele feit dat de betrokken activiteit bestaat in het verrichten van onder de bevoegdheden van het openbaar gezag vallende handelingen. De omstandigheid dat een lichaam op grond van het toepasselijke nationale recht over bevoegdheden van het openbaar gezag beschikt, is dus niet bepalend voor die kwalificatie. Echter, dit is wel een wezenlijke kenmerkende eigenschap van iedere overheid. Het vormt dus een aanwijzing die voor de vaststelling dat bedoeld lichaam als publiekrechtelijk orgaan moet worden aangemerkt stellig van betekenis is.

19. Uit de feiten en de door eiser aangehaalde uitspraak van de Rechtbank Leeuwarden blijkt dat eiseres, althans (via) de heer [A] , als ambtenaar werkzaam is bij het sluiten van huwelijken (daaronder begrepen partnerregistraties). [A] is, door zijn aanstelling bij de gemeente namens wie hij een huwelijk sluit, in openbare dienst als bedoeld in artikel 1 van de Ambtenarenwet. Hij is daarbij gebonden aan de op het sluiten van huwelijken van toepassing zijnde bepalingen in het Burgerlijk Wetboek, alsmede in voorkomende gevallen de gemeentelijke regelingen betreffende het sluiten van huwelijken (zoals bijvoorbeeld bij de gemeente [B] de bij het verweerschrift gevoegde instructies en werkafspraken). De werkzaamheden bestaan dus in ieder geval voor zover ze zien op het sluiten van huwelijken in het verrichten van onder de bevoegdheden van het openbaar gezag vallende handelingen.

20. Dit op zich is echter naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om artikel 13, eerste lid, van de BTW-richtlijn van toepassing te achten. De activiteiten van [A] via eiseres waarvoor de vergoedingen in rekening worden gebracht, bestaan uit meer dan het enkele sluiten van huwelijken. Aannemelijk is verder dat de vergoedingen ook niet slechts betrekking hebben op het enkele sluiten van het huwelijk, maar vooral op de omstandigheid dat [A] de persoon is die de huwelijken sluit. Bovendien is eiseres een privaatrechtelijk rechtspersoon, autonoom ten opzichte van de Nederlandse overheid. Anders dan in bijvoorbeeld het arrest Saudaçor, is zij niet opgericht in het kader van een omzetting van een decentralisatie van een bestaand overheidsorgaan, is haar kapitaal niet in handen van een overheidsorgaan en verricht zij naast de in geschil zijnde activiteiten geheel zelfstandig andere werkzaamheden. Eiseres is dus geen openbaar lichaam.

21. Eiseres heeft gesteld dat de leges die een aanstaand bruidspaar betaalt aan een gemeente waar zij in het huwelijk zullen treden, voor een deel wordt terugbetaald indien voor [A] of een andere bekende Nederlander als trouwambtenaar wordt gekozen. Dit deel zou de vergoeding zijn voor de ‘reguliere’ trouwambtenaar. Voor zover dit al relevant is, heeft te gelden dat eiseres dit niet voldoende heeft onderbouwd. Op haar rust de bewijslast en zij heeft in dat kader alleen gesteld dat dit het geval is, terwijl verweerder het gemotiveerd heeft bestreden.

22. Gelet op het voorgaande is eiseres belastingplichtige ondernemer voor de omzetbelasting.

Subsidiair: als uitvoerend kunstenaar?

23. Op grond van artikel 9, tweede lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet OB, in samenhang bezien met de bijbehorende Tabel I, post b-17, bedraagt de belasting voor het optreden door uitvoerende kunstenaars in afwijking van het eerste lid van artikel 9,

6 percent.

24. Op grond van artikel 98, eerste en tweede lid, kunnen lidstaten één of twee verlaagde tarieven toepassen op de goederenleveringen en de diensten die tot de in bijlage III genoemde categorieën behoren. Bijlage III bij de BTW-richtlijn, met als opschrift „Lijst van de leveringen van goederen en de diensten waarop (…) verlaagde tarieven mogen worden toegepast”, vermeldt bij 9: “diensten door en auteursrechten voor schrijvers, componisten en uitvoerende kunstenaars”.

25. Niet in geschil is dat de vergoedingen die eiseres in rekening brengt voor de werkzaamheden van [A] als acteur, als vergoedingen voor het optreden door een uitvoerend kunstenaar moeten worden aangemerkt. Op die vergoedingen is dus het verlaagde tarief van toepassing. De vraag is of ook de in geschil zijnde activiteiten als zodanig moeten worden aangemerkt. Daarbij dient post b-17 te worden uitgelegd overeenkomstig punt 9 van Bijlage III bij de BTW-richtlijn. De bewoordingen in punt 9 dienen naar vaste jurisprudentie van het HvJ EU volgens de gebruikelijke betekenis te worden uitgelegd.

26. Eiseres stelt dat eiseres de werkzaamheden als trouwambtenaar als uitvoerend kunstenaar verricht. [A] wordt voor zijn activiteiten als trouwambtenaar gevraagd vanwege zijn bekendheid als acteur en door zijn talent voor schrijven en acteren. Er is sprake van een samengestelde prestatie. Vanuit de perceptie van de modale consument betaalt het bruidspaar voor het voltrekken van het huwelijk twee vergoedingen, te weten de leges en de kosten voor [A] . Het gaat niet alleen om het jawoord maar juist ook om het optreden, het artistieke aspect. Het is een voordracht, een vorm van performance art. Verwezen wordt naar het Besluit van 22 december 2017, nr. 2017-16288, Toelichting Tabel I, Stcrt. 2017, 72177 (hierna: het Besluit). De huwelijksvoltrekking is openbaar en er is publiek. Niet vereist is dat toegang wordt verleend tot een uitvoering zoals bedoeld bij post b.14, onderdeel d. Een beroep wordt gedaan op het arrest van het HvJ EU van 5 september 2019, Regards Photographiques SARL, C-145/18, ECLI:EU:C:2019:668. Het optreden is voorts aan te merken als dat van een master of ceremony (ceremonieel spreker), waar het Besluit ook op ziet, aldus eiseres.

27. Verweerder stelt dat de diensten die [A] verricht naar maatschappelijke opvattingen niet worden gezien als een optreden van een uitvoerend kunstenaar. [A] treedt bij de huwelijksvoltrekking niet op als acteur. Hij wordt slechts gevraagd als trouwambtenaar vanwege zijn bekendheid als acteur. In hoofdzaak is sprake van een algemene dienst en niet een optreden van een uitvoerend kunstenaar. Er is wel een artistiek aspect maar dat bepaalt niet het hoofdkarakter van de dienst. Er is sprake van een prestatie sui generis. Verwezen wordt naar de uitspraak van Rechtbank Zeeland-West-Brabant van

26 februari 2019, ECLI:NL:RBZWB:2019:913. Ook wordt geen toegang verleend tegen vergoeding, aldus verweerder.

28. Volgens vaste rechtspraak van het HvJ EU dient, wanneer een handeling uit een reeks elementen en handelingen bestaat, rekening te worden gehouden met alle omstandigheden waarin de betrokken handeling plaatsvindt, teneinde te bepalen of het voor de toepassing van de btw om twee of meer afzonderlijke prestaties dan wel om één prestatie gaat. Normaal gesproken moet elke handeling als onderscheiden en zelfstandig worden beschouwd, en mag de handeling die economisch gezien uit één prestatie bestaat, niet kunstmatig uit elkaar worden gehaald omdat anders de functionaliteit van het btw-stelsel zou worden aangetast. Er is sprake van één enkele prestatie wanneer twee of meer elementen of handelingen die de belastingplichtige verricht voor de klant, zo nauw met elkaar verbonden zijn dat zij objectief gezien één enkele ondeelbare economische prestatie vormen, waarvan splitsing kunstmatig zou zijn. Tevens is er sprake van één enkele prestatie wanneer een of meerdere elementen moeten worden geacht de hoofdprestatie te vormen, terwijl andere elementen moeten worden beschouwd als een of meer bijkomende prestaties, die het fiscale lot van de hoofdprestatie delen. Een prestatie moet met name als bijkomend bij de hoofdprestatie worden beschouwd wanneer zij voor de klanten geen doel op zich is, maar een middel om van de hoofdprestatie van de dienstverrichter optimaal te kunnen gebruikmaken. Van belang is vast te stellen wat de kenmerkende elementen van de betrokken handeling zijn teneinde te bepalen of de belastingplichtige de consument, beschouwd als modale consument, meerdere, van elkaar te onderscheiden hoofddiensten dan wel één enkele dienst verleent (vergelijk HvJ EU 18 januari 2018, Stadion Amsterdam CV, C-463/16, ECLI:EU:C:2018:22).

29. De rechtbank stelt vast dat de werkzaamheden van eiseres als trouwambtenaar bestaan uit het voorbereiden en houden van een voordracht gevolgd door het sluiten van het huwelijk. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze werkzaamheden een samengestelde prestatie. De voordracht en het sluiten van het huwelijk zijn zo nauw met elkaar verbonden zijn dat zij objectief gezien één enkele ondeelbare economische prestatie vormen, waarvan splitsing kunstmatig zou zijn. Er is niet een element dat moet worden aangemerkt als hoofdprestatie waarvan de andere elementen het fiscale lot delen. Vanuit de modale consument gezien is sprake van een zogenoemde sui generis-prestatie. Daarbij is van belang dat, zoals de rechtbank bij het vorige geschilpunt al aannemelijk heeft geacht, de vergoeding met name ziet op het feit dat [A] als zodanig de prestatie verricht, doch het sluiten van het huwelijk niet als een bijkomend aspect van de gehele prestatie kan worden aangemerkt.

30. De rechtbank oordeelt dat de prestatie niet als een dienst door een uitvoerend kunstenaar als zodanig kan worden aangemerkt. Dat [A] in andere situaties als uitvoerend kunstenaar optreedt, is daarvoor in ieder geval onvoldoende. Dat de prestatie zijn oorsprong vindt in de bekendheid van [A] als acteur, en dus in zoverre in het verlengde ligt van zijn werkzaamheden als uitvoerend kunstenaar, is ook onvoldoende. In dit verband is van belang dat tussen partijen niet in geschil is dat de prestatie een artistiek, kunstzinnig aspect kent. Dit artistieke aspect moet, wil het gelijk aan de zijde van eiseres zijn, dusdanig overheersend zijn dat sprake is van een prestatie door een kunstenaar als zodanig. De bewijslast ter zake rust op eiseres. Hierin is zij niet geslaagd. Hetgeen vast staat over de inhoud van de werkzaamheden wijst er namelijk niet op dat sprake is van andere activiteiten dan gebruikelijk door een reguliere, goed voorbereide trouwambtenaar. De ter zitting getoonde opname van de werkzaamheden van eiseres op een bruiloft tonen ook niet aan dat de toevoeging die [A] biedt ten opzichte van een dergelijke trouwambtenaar dusdanig is dat het artistieke aspect de overhand krijgt. Ook zou bij een andersluidend oordeel te weinig waarde worden gehecht aan het formele deel van de voordracht, te weten het sluiten van het huwelijk. Ten slotte is het verband met de werkzaamheden als acteur onvoldoende om de prestatie daarin op te laten gaan. [A] verricht de prestatie niet als acteur, doch als Bekende Nederlander.

31. Eiseres heeft zich verder beroepen op het Besluit. Daarin staat voor zover van belang:

“Voor het antwoord op de vraag of sprake is van een optreden door een uitvoerende kunstenaar is bepalend of een artistieke prestatie wordt verricht.

De post is ook van toepassing op uitvoerende kunstenaars die hun diensten door middel van een rechtspersoon verlenen.

De post is in ieder geval van toepassing op optredens door kunstenaars die uitvoeringen zijn als bedoeld in post b 14, onderdeel d. Het gaat daarbij om muziekuitvoeringen en toneeluitvoeringen, daaronder begrepen opera’s, operettes, dansen, pantomimes, revues, musicals en cabarets. De toepassing van de post is echter niet beperkt tot dergelijke uitvoeringen. Ook de publieksoptredens van andere uitvoerende kunstenaars zoals komieken, goochelaars en buiksprekers vallen onder de post.

De post geldt ook voor de diensten van sneltekenaars en karikaturisten bij bedrijfsfeesten, workshops enz. voor en te midden van publiek. De post geldt niet voor het maken van sneltekeningen/karikaturen die anders dan bij wijze van een publieksoptreden worden gemaakt.

Een diskjockey, videojockey en Master of Ceremony/vocalist bezit de hoedanigheid van uitvoerend kunstenaar voor zijn optreden op dance-parties, festivals, poppodia en dergelijke.

(…)

Het verlaagde btw-tarief geldt alleen voor optredens. Daaronder moet worden verstaan: optredens die middellijk of onmiddellijk door het publiek kunnen worden beluisterd of aanschouwd. Repetities die samenhangen met en noodzakelijk zijn voor die optredens worden hieronder begrepen.(...)

Onder de post kunnen bijvoorbeeld worden gerangschikt:

(…)

–het optreden van een acteur in een (reclame)film;

(…)

–rollenspellen in het kader van cursussen gespeeld door acteurs.

Niet onder de post vallen:

–het spel van gasten van dinnergameshows die door de organisator een rol krijgen toebedeeld. De gasten zijn geen uitvoerende kunstenaars die zelf een artistieke prestatie verrichten;

–de diensten van een regisseur, geluidstechnicus of fotomodel. Deze personen zijn geen uitvoerende kunstenaars;

–diensten van schrijvers en componisten (die prestaties zijn vrijgesteld op grond van artikel 11, eerste lid, onderdeel q, van de wet).

Het deelnemen van een acteur aan een spelprogramma voor de televisie is geen optreden omdat niet wordt opgetreden als acteur. Een door een pianist verzorgde begeleiding bij ballet- of koorrepetities is ook geen optreden omdat geen sprake is van een uitvoering die middellijk of onmiddellijk door publiek wordt aanschouwd of beluisterd.”

32. Het beroep op het Besluit kan eiseres niet baten. De uitleg van post b.17 dient plaats te vinden in het licht van de bedoeling van de wetgever. Het Besluit heeft in dat verband onvoldoende belang. Eiseres heeft ter zitting op vragen van de rechtbank hierover gesteld dat voor wat betreft het standpunt over de master of ceremony een beroep wordt gedaan op de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De rechtbank begrijpt dat eiseres stelt dat de prestatie hiermee vergelijkbaar is en dat het verlaagde tarief op grond van het gelijkheidsbeginsel van toepassing is. In dat verband is van belang dat de bewijslast dat sprake is van een dergelijke schending op eiseres rust. Daarin is zij niet geslaagd. In het bijzonder heeft zij onvoldoende onderbouwd dat sprake is van feitelijk en rechtens gelijke gevallen. Daarbij wijst de rechtbank op het hiervoor genoemde formele deel van de voordracht door [A] (het sluiten van het huwelijk) en de waarde die daaraan moet worden gehecht ten behoeve van de karakterisering van de prestatie. Ook anderszins is onvoldoende aannemelijk dat sprake is van vergelijkbare prestatie als een master of ceremony zoals genoemd in het Besluit.

33. Gelet op het voorgaande is het verlaagde tarief niet van toepassing. De vraag of de voordracht door [A] het karakter van een optreden heeft, behoeft dus geen beantwoording.

34. Het beroep moet ongegrond worden verklaard.

Proceskosten

35. De rechtbank ziet geen reden om een partij te veroordelen in de proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.N. van Rijn, voorzitter, en mr. B. van Walderveen en mr. M.M.W.D. Merkx, leden, in aanwezigheid van mr. M.C. Anema, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 december 2019.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.