Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2019:10308

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
20-12-2019
Datum publicatie
17-01-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 1505
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Niet in geschil is dat eiser rechthebbende is van de door verweerder weggesleepte voertuigen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voldoende gemotiveerd dat de auto’s van eiser niet voldeden aan het bepaalde van artikel 5.5, eerste lid, van de APV en dat de staat van de auto’s zodanig slecht was dat onmiddellijk ingrijpen met het oog op de veiligheid van de weg noodzakelijk was. Verweerder heeft daartoe van belang kunnen achten dat Zaandam al geruime tijd geteisterd wordt door opzettelijke gestichte autobranden en dat in openbaar gebied geparkeerde auto’s met kapotgeslagen ramen en lekke banden een uitlokkende werking op brandstichtende vandalen kunnen hebben. Verweerder was daarom op grond van artikel 125 van de Gemeentewet en artikel 5:31 van de Awb, in combinatie met artikel 170, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wvw 1994, bevoegd om de voertuigen onmiddellijk weg te slepen en in bewaring te stellen.

Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel ook van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder had moeten afzien van handhavend optreden is de rechtbank echter niet gebleken. Dat, zoals eiser stelt, de weggesleepte auto’s al langere tijd op die plek stonden, verweerder eiser had kunnen bellen en er nog veel meer brandgevaarlijke situaties waren op het betreffende bedrijventerrein, is daartoe onvoldoende. In artikel 170 van de Wvw 1994 is namelijk een bijzondere regeling voor het wegslepen van voertuigen opgenomen, waarbij een aantal artikelen van de Awb over de last onder bestuursdwang niet van toepassing is verklaard, waaronder artikel 5:24 van de Awb. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (bijvoorbeeld de uitspraak van 26 september 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3098) volgt dat er voor verweerder, gelet op artikel 170, tweede lid, van de Wvw 1994, geen verplichting bestaat eigenaren van voertuigen te waarschuwen en dat er geen termijn behoeft te worden gesteld waarbinnen de weggebruiker het wegslepen kan voorkomen door zelf maatregelen te treffen.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994 170
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 19/1505

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 december 2019 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zaanstad, verweerder

(gemachtigden: M. van Elk en K. Duggaali).

Procesverloop

Bij besluit van 21 juni 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van de Wegenverkeerswet 1994 (Wvw 1994) spoedeisende bestuursdwang toegepast door twee voertuigen van eiser, met kentekens [# 1] en [# 2] , weg te slepen uit de [locatie] te Zaandam .

Bij besluit van 19 februari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 december 2019. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Aan het bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat, na een melding op 18 juni 2018 over een (brand)gevaarlijke situatie, op 21 juni 2018 rond 11:50 uur door een toezichthouder van de afdeling straattoezicht is geconstateerd dat twee op de [locatie] geparkeerde Volkswagens Golf in zodanige slechte staat verkeerden dat deze onmiddellijk dienden te worden verwijderd in verband met vandalisme en/of brandgevaar. Verweerder achtte dit noodzakelijk omdat Zaandam al geruime tijd geteisterd wordt door autobranden, de twee voertuigen op een openbaar toegankelijk bedrijventerrein tegen gebouwen aan stonden en in zodanige slechte staat verkeerden dat deze een uitlokkende werking op vandalen zouden kunnen hebben. Zo waren diverse ruiten van de auto’s kapot geslagen. Weliswaar waren deze op provisorische wijze weer gedicht met zeil maar dit zeil was ook alweer kapot gescheurd. Verder waren meerdere banden van beide auto’s lek en hadden de auto’s ook meerdere deuken en andere beschadigingen. Al deze omstandigheden noopten tot onmiddellijk ingrijpen. Het bieden van een begunstigingstermijn zou namelijk een te groot veiligheidsrisico met zich meebrengen voor de veiligheid rondom de geparkeerde voertuigen. Verweerder stelt dat hij daarom bevoegd was om de voertuigen onmiddellijk weg te slepen.

2. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte spoedeisende bestuursdwang heeft toegepast. Hiertoe voert eiser aan dat zijn auto’s daar al jaren geparkeerd staan en niet valt in te zien waarom ze nu opeens met spoed weg moesten. Eiser vermoedt dat de opnames voor een televisieprogramma van SBS6 over toezichthouders hierbij een rol hebben gespeeld. Verder is eiser van mening dat het optreden in strijd is met het gelijkheidsbeginsel en zelfs duidt op willekeur nu er op de betreffende locatie ook andere auto’s staan van eiser waar enkel een sticker op is geplakt en er daarnaast nog meer brandgevaarlijke situaties zijn, zoals een stapel autobanden en een grote kartonnen doos tegen de gevel vol met afval en olie, waar verweerder niets aan heeft gedaan. Eiser voert verder nog aan dat de belabberde staat waarin de auto’s verkeren te wijten is aan een kwaadwillende buur die de autoruiten en autobanden telkenmale weer vernielt in de hoop dat eiser zijn auto’s weghaalt. Eiser heeft ook aangifte gedaan bij de politie van de vernielingen maar de politie zegt niets te kunnen doen. Tot slot stelt eiser zich op het standpunt dat het niet juist kan zijn dat verweerder eerst zou hebben aangeklopt bij zijn bedrijfspand, dan wel anderszins contact met hem zou hebben geprobeerd te leggen alvorens de auto’s weg te slepen. De politie Zaanstand is namelijk bekend met zijn telefoonnummer en huisadres. Indien verweerder daadwerkelijk contact met hem had willen opnemen, had dat dus gekund, aldus eiser.

3. Op grond van artikel 170, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wvw 1994 behoort tot de bevoegdheid van burgemeester en wethouders tot oplegging van een last onder bestuursdwang als bedoeld in artikel 125 van de Gemeentewet, de bevoegdheid tot het overbrengen en in bewaring stellen van een op een weg staand voertuig, indien met het voertuig een bij of krachtens deze wet vastgesteld voorschrift wordt overtreden en bovendien verwijdering van het voertuig noodzakelijk is in verband met het belang van de veiligheid van de weg.

Op grond van het tweede lid zijn de artikelen 5:24, 5:25, tweede tot en met vierde lid, 5:29, vijfde lid, 5:30, derde lid, en 5:31 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet van toepassing en treedt bij de toepassing van artikel 5:25 van de Awb de rechthebbende die het voertuig afhaalt, in de plaats van de overtreder.

Op grond van artikel 5:31 van de Awb kan een bestuursorgaan dat bevoegd is om een last onder bestuursdwang op te leggen in spoedeisende gevallen besluiten dat bestuursdwang zal worden toegepast zonder voorafgaande last.

Volgens artikel 5.5, eerste lid, van de Algemene plaatselijke verordening Zaanstad 2013 (APV) is het verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert op of aan de weg te parkeren,

4. De rechtbank overweegt als volgt.

4.1.

Niet in geschil is dat eiser rechthebbende is van de door verweerder weggesleepte voertuigen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voldoende gemotiveerd dat de auto’s van eiser niet voldeden aan het bepaalde van artikel 5.5, eerste lid, van de APV en dat de staat van de auto’s zodanig slecht was dat onmiddellijk ingrijpen met het oog op de veiligheid van de weg noodzakelijk was. Verweerder heeft daartoe van belang kunnen achten dat Zaandam al geruime tijd geteisterd wordt door opzettelijke gestichte autobranden en dat in openbaar gebied geparkeerde auto’s met kapotgeslagen ramen en lekke banden een uitlokkende werking op brandstichtende vandalen kunnen hebben. Verweerder was daarom op grond van artikel 125 van de Gemeentewet en artikel 5:31 van de Awb, in combinatie met artikel 170, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wvw 1994, bevoegd om de voertuigen onmiddellijk weg te slepen en in bewaring te stellen.

4.2.

Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel ook van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

4.3

Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder had moeten afzien van handhavend optreden is de rechtbank echter niet gebleken. Dat, zoals eiser stelt, de weggesleepte auto’s al langere tijd op die plek stonden, verweerder eiser had kunnen bellen en er nog veel meer brandgevaarlijke situaties waren op het betreffende bedrijventerrein, is daartoe onvoldoende. In artikel 170 van de Wvw 1994 is namelijk een bijzondere regeling voor het wegslepen van voertuigen opgenomen, waarbij een aantal artikelen van de Awb over de last onder bestuursdwang niet van toepassing is verklaard, waaronder artikel 5:24 van de Awb. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (bijvoorbeeld de uitspraak van 26 september 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3098) volgt dat er voor verweerder, gelet op artikel 170, tweede lid, van de Wvw 1994, geen verplichting bestaat eigenaren van voertuigen te waarschuwen en dat er geen termijn behoeft te worden gesteld waarbinnen de weggebruiker het wegslepen kan voorkomen door zelf maatregelen te treffen.

5. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.D. Gunster, rechter, in aanwezigheid van mr. P.C. van der Vlugt, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 december 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.