Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2019:10290

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
16-12-2019
Datum publicatie
31-01-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 2223
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Met ingang van 1 januari 2013 is artikel 6.30 van de Wet IB 2001 gewijzigd. Naar het oordeel van de rechtbank vangt de standaardstudieperiode zoals bedoeld in artikel 6.30 van de Wet IB 2001 - wegens het ontbreken van overgangsrecht - aan op het moment dat de belastingplichtige vanaf 1 januari 2013 voor het eerst meer dan € 15.000 aan scholingskosten claimt. Dat kan betekenen dat de standaardstudieperiode in totaal meer dan vijf jaar kan duren

Wetsverwijzingen
Wet inkomstenbelasting 2001 6.2a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 31-01-2020
FutD 2020-0315 met annotatie van Fiscaal up to Date
V-N Vandaag 2020/246
V-N 2020/13.2.2
Belastingadvies 2020/7.4
NTFR 2020/493
NLF 2020/0326 met annotatie van -
NLF 2020/0326 met annotatie van -
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 19/2223

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 december 2019 in de zaak tussen

[X] , wonende te [Z] , eiser

(gemachtigde: mr. F.T. Pardaan),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2016 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: ib/pvv) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil. Gelijktijdig met het vaststellen van de aanslag voor het jaar 2016 heeft verweerder de niet in aanmerking genomen (hierna ook: restant) persoonsgebonden aftrek bij beschikking ingevolge artikel 6.2a, eerste lid, van de Wet IB 2001 vastgesteld op € 70.221.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de beschikking niet in aanmerking genomen persoonsgebonden aftrek gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 november 2019 te Haarlem. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde voornoemd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T.V. van der Veen en mr. J.H. van Wier.

Overwegingen

Feiten

1. Eiser heeft van mei 2011 tot en met augustus 2013 de opleiding tot verkeersvlieger gevolgd aan de [A] . In verband met die opleiding is een bedrag in aftrek gebracht aan scholingsuitgaven van € 58.000 (2011) en € 54.000 (2012).

2. Vanaf september 2013 tot november 2016 heeft eiser geen opleiding of studie gevolgd. Nadat eiser aan de slag kon als verkeersvlieger heeft hij in november en december 2016 bij [B] een specialisatie opleiding [C] gevolgd (hierna: de opleiding). De opleiding kostte in 2016 € 23.900.

3. Tot en met 2015 bedroeg het restant persoonsgebonden aftrek € 70.055.

4. In 2016 heeft eiser inkomsten uit werk en woning genoten tot een bedrag van € 14.834. Eiser heeft in zijn aangifte een bedrag aan scholingsuitgaven opgenomen van € 23.650 (€ 23.900 minus een drempel van € 250), resulterend in een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil en een restant persoonsgebonden aftrek van € 78.871.

5. Verweerder heeft bij vaststelling van de aanslag in afwijking van de aangifte scholingsuitgaven tot een bedrag van € 15.000 in aanmerking genomen, resulterend in een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil en een restant persoonsgebonden aftrek van € 70.221.

Geschil

6. In geschil is of de beschikking restant persoonsgebonden aftrek 2016 tot het juiste bedrag is vastgesteld. Meer specifiek is in geschil of de opleiding valt binnen de standaardstudieperiode gelet op de wetswijziging per 1 januari 2013 van artikel 6.30 van de Wet IB 2001. Niet in geschil is dat de opleiding een opleiding is als bedoeld in artikel 6.27 van de Wet IB 2001. Ook is niet in geschil dat eiser in november en december 2016 de voor werkzaamheden beschikbare tijd grotendeels heeft besteed aan een opleiding met een totale studielast van een zodanige omvang dat daarnaast geen volledige werkkring mogelijk is.

7. Eiser stelt zich op het standpunt dat de scholingsuitgaven tot een bedrag van € 23.650 in aanmerking moeten worden genomen, zodat het restant persoonsgebonden aftrek moet worden vastgesteld op € 78.871. Eiser is van mening dat vanwege het ontbreken van het overgangsrecht de wet in het voordeel van eiser uitgelegd dient te worden hetgeen betekent dat hij recht heeft op aftrek van scholingsuitgaven voor vijf aaneengesloten kalenderjaren, waarbij niet van belang is dat eiser zijn studie enige tijd (onvrijwillig) heeft onderbroken. Verweerder heeft in strijd gehandeld met het motiveringsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel, onder andere door geen toepassing te geven aan de hardheidsclausule waar eiser een beroep op heeft gedaan.

8. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de scholingsuitgaven op grond van artikel 6.30 van de Wet IB 2001 tot een maximum bedrag van € 15.000 in aanmerking kunnen komen, omdat de scholingsuitgaven buiten de in voormeld artikel gedefinieerde standaardstudieperiode zijn gemaakt. Door de wetswijziging per 1 januari 2013 (zonder overgangsrecht) is de standaardstudieperiode van eiser weliswaar ingegaan per 1 januari 2013, maar omdat eiser zijn studie vanaf september 2013 tot november 2016 heeft onderbroken, heeft hij geen recht op een aftrek boven € 15.000, zo stelt verweerder. De wettelijke vereisten houden volgens verweerder vanaf 1 januari 2013 in dat (maximaal) vijf jaren aaneengesloten opleiding moet zijn gevolgd en dat de standaardstudieperiode definitief eindigt wanneer de opleiding op enig moment wordt onderbroken. Het restant persoonsgebonden aftrek voor volgende jaren is daarom terecht vastgesteld op € 70.221. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

9. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

10. Artikel 6.30 van de Wet IB 2001 is met ingang van 1 januari 2013 gewijzigd. Tot 1 januari 2013 bepaalde artikel 6.30, eerste en derde lid, van de Wet IB 2001 over de omvang van de in aanmerking te nemen scholingsuitgaven:

“1 Scholingsuitgaven komen voor aftrek in aanmerking voorzover het gezamenlijke bedrag hoger is dan € 500 en, buiten de standaardstudieperiode, vervolgens niet tot een hoger gezamenlijk bedrag dan € 15 000.

(…)

3 De standaardstudieperiode is de door de belastingplichtige aan te geven periode van niet meer dan zestien kalenderkwartalen waarin hij na het bereiken van de leeftijd van achttien jaar maar voor het bereiken van de leeftijd van 30 jaar de voor werkzaamheden beschikbare tijd grotendeels besteedt aan een opleiding met een totale studielast van een zodanige omvang dat daarnaast geen volledige werkkring mogelijk is.”

11. Vanaf 1 januari 2013 bepaalt artikel 6.30 van de Wet IB 2001 over de omvang van de scholingsuitgaven:

“1 Scholingsuitgaven komen voor aftrek in aanmerking voor zover het gezamenlijke bedrag hoger is dan € 250 en, buiten de standaardstudieperiode, vervolgens niet tot een hoger gezamenlijk bedrag dan € 15 000.

2 De standaardstudieperiode is een aaneengesloten periode van niet meer dan vijf kalenderjaren waarin de belastingplichtige voor het bereiken van de leeftijd van 30 jaar de voor werkzaamheden beschikbare tijd grotendeels besteedt aan een opleiding met een totale studielast van een zodanige omvang dat daarnaast geen volledige werkkring mogelijk is.”

12. Over de wijziging van de standaardstudieperiode is in de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 2012-2013, 33 402, nr. 3, p. 27), voor zover hier van belang, opgemerkt:

“In artikel 6.30, eerste lid, van de Wet IB 2001 is de drempel voor de aftrek van scholingsuitgaven opgenomen alsmede het plafond van de aftrek van € 15 000. In dit lid wordt slechts een technische wijziging aangebracht. In het huidige tweede en derde lid van genoemd artikel zijn uitzonderingen op voornoemd plafond opgenomen. (…). De standaardstudieperiode betreft een periode waarbinnen het plafond van € 15 000 niet geldt. De periode geldt in de huidige regeling voor personen tussen de 18 en 30 jaar voor maximaal 16 kalenderkwartalen naar keuze. Voorgesteld wordt deze periode aaneengesloten te maken om onbedoeld gebruik tegen te gaan en de regeling beter uitvoerbaar en controleerbaar te maken voor de Belastingdienst. Het plafond blijft dan tijdens een aaneengesloten periode van niet meer dan vijf kalenderjaren buiten beschouwing, zodat in deze periode – net als in de bestaande regeling het geval is – een opleiding van vier studiejaren valt. Daarnaast vervalt de minimumleeftijd van 18 jaar. (…) De standaardstudieperiode kan eenmalig per belastingplichtige worden benut en het eerder laten ingaan, betekent slechts dat de periode voor de belastingplichtige ook eerder eindigt. (…) De termijn gaat lopen vanaf het kalenderjaar waarin de belastingplichtige scholingsuitgaven claimt van meer dan € 15 000 en eindigt vier kalenderjaren later.

(…)”

13. De rechtbank stelt bij de beoordeling van de zaak voorop dat ten eerste de vraag is wanneer de standaardstudieperiode van vijf jaar voor eiser is aangevangen. Eiser heeft namelijk onder de oude definitie van de standaardstudieperiode in 2011 en 2012 al scholingsuitgaven geclaimd van meer dan € 15.000 (waarbij hij nog geen 16 kwartalen had benut). Het aanvangstijdstip van de standaardstudieperiode was toen nog niet van belang (wel het totale aantal geclaimde kwartalen en de leeftijd van de belastingplichtige). Dat is anders vanaf 1 januari 2013. De gewijzigde bepaling zelf zegt niets over het aanvangstijdstip van de standaardstudieperiode zoals dat geldt vanaf 2013. In de Memorie van Toelichting is wel opgemerkt dat de termijn van vijf jaar gaat lopen vanaf het kalenderjaar waarin de belastingplichtige scholingsuitgaven claimt van meer dan € 15.000, maar voor gevallen als het onderhavige, waarbij onder de oude regeling een deel van de standaardstudieperiode is gebruikt, heeft de wetgever geen overgangsrecht getroffen. In zo’n geval kan niet worden gezegd dat de standaardstudieperiode al eenmalig is benut. Bij ontbreken van overgangsrecht, moet worden uitgegaan van de hoofdregel van onmiddellijke werking van de gewijzigde bepaling (zie bijv. HR 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY1244). Naar het oordeel van de rechtbank betekent dit voor het onderhavige geval dat de aaneengesloten periode van vijf jaar voor het eerst kan aanvangen per 1 januari 2013. Omdat eiser onder de gewijzigde bepaling in 2016 voor het eerst meer dan € 15.000 aan scholingskosten claimt, begint voor hem de standaardstudieperiode per 1 januari 2016, en eindigt deze uiterlijk per 31 december 2020. De rechtbank realiseert zich dat de standaardstudieperiode zo in totaal meer dan vijf jaar kan duren, maar dit is een gevolg van het (al dan niet bewust) nalaten van het treffen van een overgangsbepaling door de wetgever.

14. Het betoog van verweerder dat eiser de studie van september 2013 tot november 2016 heeft onderbroken en om die reden geen recht op aftrek heeft in 2016, slaagt niet. Dit alleen al om de reden dat de aaneengesloten termijn van vijf jaar aanvangt in het kalenderjaar 2016 en dus niet ter zake doet dat eiser in de periode daarvoor zijn opleiding heeft onderbroken. Maar ook in het geval dat de vijfjaarstermijn is aangevangen per 1 januari 2013 zoals verweerder heeft bepleit, acht de rechtbank de tijdelijke onderbreking van de studie niet in de weg staan aan het doorlopen van de standaardstudieperiode. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de tekst van de wet in samenhang met de totstandkoming daarvan en de bijbehorende wetsgeschiedenis dat het woord aaneengesloten zoals dat per 1 januari 2013 in artikel 6.30, tweede lid, van de Wet IB 2001 is opgenomen, betrekking heeft op de periode waarin recht op aftrek bestaat en niet op het feitelijk aaneengesloten zijn van de opleiding. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat in de gewijzigde wettekst het woord aaneengesloten is opgenomen om aan te geven dat niet meer zoals onder de oude regeling de belastingplichtige de standaardstudieperiode naar keuze mocht verdelen over zestien kalenderkwartalen tussen het 18e en 30e levensjaar, maar dat de standaardstudieperiode werd beperkt tot een aaneengesloten termijn van vijf jaar, beginnend vanaf het kalenderjaar waarin een kwalificerende opleiding wordt gevolgd en meer dan € 15.000 aan opleidingskosten wordt geclaimd door de belastingplichtige. Deze uitleg sluit ook aan bij de bedoeling van de wetgever om de regeling beter uitvoerbaar en controleerbaar te maken voor de Belastingdienst. Het volgen van het standpunt van verweerder zou als ongewenst resultaat hebben dat een (kortdurende) studieonderbreking door bijvoorbeeld ziekte meteen tot een definitief einde van de standaardstudieperiode zou leiden, zelfs ook als de opleiding uiteindelijk binnen de vijfjaarstermijn zou worden afgerond. Naar het oordeel van de rechtbank kan dit niet de bedoeling van de wetgever zijn geweest.

15. Gelet op het voorgaande heeft eiser voor het jaar 2016 recht op aftrek van de werkelijke scholingsuitgaven en dient het beroep gegrond te worden verklaard. De rechtbank stelt de aftrek vast op € 23.650 (€ 23.900 minus de drempel van € 250) en de nog niet in aanmerking genomen persoonsgebonden aftrek voor de volgende jaren stelt de rechtbank vast op € 78.871. Omdat het gelijk op grond van het voorgaande al aan eiser is, behoeven zijn klachten voor het overige geen behandeling.

Proceskosten

16. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.024 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 512 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- stelt het bedrag van de niet in aanmerking genomen persoonsgebonden aftrek vast op € 78.891 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.024;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 47 aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H. de Jong, rechter, in aanwezigheid van mr. M.R. Marinus, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
16 december 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.