Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2019:1013

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
08-02-2019
Datum publicatie
19-02-2019
Zaaknummer
HAA 18/2246
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres verzoekt in 2018 om immateriële schadevergoeding over een procedure van 2002 tot en met 2008. Het afgewezen verzoek is niet een ingevolge de belastingwet genomen besluit. De belastingrechter noch de algemene bestuursrechter zijn bevoegd. Verwijzing naar de burgerlijke rechter.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 26
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 20-02-2019
V-N Vandaag 2019/389
FutD 2019-0524
NTFR 2019/685 met annotatie van Mr.drs. A.J. Meijer
V-N 2019/20.2.7
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 18/2246

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 februari 2019 in de zaak tussen

[X] , wonende te [Z] , eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft verweerder bij e-mailbericht van 16 maart 2018 verzocht om vergoeding van immateriële schade over de periode 16 augustus 2002 tot en met 20 oktober 2008 in verband met de afwikkeling van de navorderingsaanslag vermogensbelasting (vb) 1998.

Verweerder heeft dit verzoek bij brief van 4 april 2018 afgewezen.

Eiseres heeft bij e-mailbericht van 9 april 2018 nogmaals verzocht om vergoeding van voornoemde immateriële schade.

Verweerder heeft het e-mailbericht van 9 april 2018 aangemerkt als bezwaarschrift en bij brief van 2 mei 2018 het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard.

Eiseres heeft bij brief van 14 mei 2018 nogmaals verzocht om vergoeding van immateriële schade.

Verweerder heeft de brief van 14 mei 2018 aangemerkt als beroepschrift en op grond van artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) doorgestuurd naar deze rechtbank.

Eiseres heeft bij brieven van 8 juni en 13 juni 2018 nadere gronden ingediend bij de rechtbank.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiseres en verweerder hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn steeds in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 januari 2019 te Haarlem.

Eiseres is verschenen, vergezeld door haar echtgenoot [A] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door J.P. Bloos en F.H.M. van Hooff.

Overwegingen

Feiten

1. Inzake na te vorderen bedragen aan inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (ib/pvv) over de jaren 1995-2000 en na te vorderen bedragen aan vb over de jaren 1996-2000 is een vaststellingsovereenkomst gesloten tussen eiseres en verweerder. Deze vaststellingsovereenkomst zag op een verzwegen buitenlandse bankrekening bij de Kredietbank Luxembourg te Luxemburg. Eiseres heeft over deze vaststellingsovereenkomst geprocedeerd. De Hoge Raad heeft bij arrest van 16 november 2007 bepaald dat de vaststellingsovereenkomst niet rechtsgeldig tot stand was gekomen en de zaak verwezen naar het Gerechtshof ’s-Gravenhage. Gerechtshof ’s-Gravenhage heeft bij uitspraak van 15 juli 2008 het beroep van eiseres gegrond verklaard. Tegen deze uitspraak is geen cassatie ingesteld.

2. Tijdens bovengenoemde procedure heeft eiseres geen vergoeding van immateriële schade gevorderd.

3. Na afloop van deze procedure zijn navorderingsaanslagen ib/pvv over de jaren 1995-2000 en navorderingsaanslagen vb over de jaren 1996, 1997, 1999 en 2000 opgelegd. In verband met de lange behandelperiode hiervan is over de periode 2008 tot 2017 aan eiseres bij besluit van 3 mei 2017 een vergoeding voor immateriële schade toegekend van € 7.000.

4. Eiseres heeft bij e-mailbericht van 16 maart 2018 verzocht om vergoeding van immateriële schade over de periode 16 augustus 2002 tot en met 20 oktober 2008.

Geschil
5. In geschil is of het bezwaar van eiseres terecht niet-ontvankelijk is verklaard.

6. Eiseres stelt dat het bezwaar ontvankelijk verklaard had moeten worden. Eiseres stelt dat de gehele periode dat zij met verweerder van mening verschilde over navordering van ib/pvv over 1995-2000 en vb 1996-2000 als één procedure dient te worden aangemerkt. Tijdens deze procedure heeft zij verzocht om vergoeding van immateriële schade. Per abuis heeft zij dat verzoek in eerste instantie enkel voor het tweede gedeelte van de procedure gedaan. Gelet op de toekenning van de immateriële schadevergoeding voor het laatste gedeelte van de procedure staat volgens eiseres vast dat zij ook recht heeft op immateriële schadevergoeding voor het eerste gedeelte van de procedure.

7. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en toekenning van een vergoeding voor immateriële schade tot een bedrag van € 6.000.

8. Verweerder concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring dan wel ongegrondverklaring van het beroep.

9. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

10. Het besluit van de verweerder betreft naar het oordeel van de rechtbank niet een ingevolge de belastingwet genomen besluit als bedoeld in artikel 26 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr), zodat de in artikel 26 van de Awr gegeven afwijking van artikel 8:1 van de Awb niet van toepassing is en de belastingrechter van de rechtbank niet bevoegd is om over dit besluit te oordelen. Aan het voorgaande kan niet afdoen dat volgens de in het bestuursrecht geldende jurisprudentie de rechtmatigheid van een schadebesluit dient te worden beoordeeld aan de hand van de regels die gelden voor de beoordeling van de rechtmatigheid van het schadeveroorzakende besluit. Deze jurisprudentie creëert echter bij de belastingrechter geen rechtsingang en schept geen bevoegdheid tot het voeren van een rechtsgeding ten overstaan van de belastingrechter in een geschil omtrent een verzoek tot vergoeding van immateriële schade als hier aan de orde.

11. In dit geval staat evenmin beroep open bij de algemene bestuursrechter. Het enkele feit dat het gaat om een verzoek tot vergoeding van immateriële schade maakt op zichzelf niet dat de algemene bestuursrechter bevoegd is om kennis te nemen van een beroep tegen de beslissing op dat verzoek. De algemene bestuursrechter is slechts bevoegd kennis te nemen van een beroep tegen die beslissing indien hij ook bevoegd zou zijn te oordelen over een beroep tegen de uitoefening van de publiekrechtelijke bevoegdheid zelf die de gestelde schade veroorzaakt, in dit geval de navorderingsaanslagen ib/pvv en vb. Ingevolge artikel 26 van de Awr is de belastingrechter en derhalve niet de algemene bestuursrechter bevoegd te oordelen over een beroep inzake navorderingsaanslagen ib/pvv en vb. Vergelijk de uitspraak van rechtbank Den Haag van 25 september 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:11375, welke uitspraak door het Gerechtshof Den Haag op 30 maart 2018 is bevestigd, ECLI:NL:GHDHA:2018:650, gevolgd door het arrest van de Hoge Raad van 23 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2184.

12. Uit het voorgaande volgt dat noch de belastingrechter noch de algemene bestuursrechter bevoegd is kennis te nemen van een beslissing inzake een verzoek om vergoeding van immateriële schade zoals dat hier voorligt. Ook in onderhavig geval is immers sprake van schade die zou zijn veroorzaakt door beslissingen genomen op grond van de belastingwetgeving.

13. Gelet op het voorstaande dient de rechtbank zich onbevoegd te verklaren. Dit zo zijnde, komt de rechtbank niet toe aan (inhoudelijke) beoordeling van het besluit van verweerder van 2 mei 2018. Indien eiseres dat besluit in rechte wil aanvechten, dient zij zich te wenden tot de burgerlijke rechter.

Proceskosten

14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart zich onbevoegd.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.K.A. Efstratiades, rechter, in aanwezigheid van

mr. B. Schaafsma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 februari 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.