Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2019:1009

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
18-01-2019
Datum publicatie
27-02-2019
Zaaknummer
15/130069-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bewijsverweer bewijsuitsluiting na vormverzuim (stelselmatige observatie) verworpen.

Schakelbewijs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/130069-18 (P)

Uitspraakdatum: 18 januari 2019

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 4 januari 2019 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

niet ingeschreven in de basisregistratie personen,

met als opgegeven verblijfadres [adres 1] ,

thans gedetineerd in Justitieel Complex Zaanstad.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. B.J.G. Leeuw, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. H. Blaauw, advocaat te Haarlem, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering (Sv), ten laste gelegd dat hij:

feit 1 (zaak 1)

op of omstreeks 11 mei 2018 te Bergen (NH) in/uit een woning aan de [adres 2] een geldbedrag van ongeveer 900 euro en/of een bankpas, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [benadeelde 1] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

feit 2 (zaak 1)

op of omstreeks 11 mei 2018 te Bergen (NH) een geldbedrag van 250 euro, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat weg te nemen geldbedrag onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door dat geldbedrag te pinnen met een weggenomen pinpas;

feit 3 (zaak 2)

op of omstreeks 18 mei 2018 te Bergen (NH) in/uit een woning aan de [adres 3] een of meerdere sieraden en/of een portemonnee met een geldbedrag van ongeveer 800 euro en/of een creditcard (VISA), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [benadeelde 4] en/of [benadeelde 5] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

feit 4 (zaak 2)

op of omstreeks 18 mei 2018 te Bergen (NH) een geldbedrag van 2.000 euro, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [benadeelde 5] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat weg te nemen geldbedrag onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door dat geldbedrag te pinnen met een weggenomen creditcard;

feit 5 (zaak 3)

op of omstreeks 30 mei 2018 te Koedijk, gemeente Alkmaar, in/uit een woning aan de [adres 4] een kluis en/of een of meerdere testamenten en/of aankooppapieren van de woning en/of een of meerdere diploma(s) en/of een trouwboekje en/of een of meerdere sieraden en/of een of meerdere creditcard(s) en/of een of meerdere paspoort(en) en/of een autosleutel(s) en/of huissleutel(s), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [benadeelde 6] en/of [benadeelde 7] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

feit 6 (zaak 3)

op of omstreeks 30 mei 2018 te Koedijk, gemeente Alkmaar en/of gemeente Heiloo, een personenauto (merk Mercedes, type C320 CDI, kenteken [kenteken] ) en/of een geldbedrag van ongeveer 2.000 euro, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [benadeelde 6] en/of [benadeelde 7] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die weg te nemen auto onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door de auto weg te nemen met een weggenomen sleutel en/of door dat geldbedrag te pinnen met een weggenomen creditcard;

feit 7 (zaak 4)

op of omstreeks 30 mei 2018 te Koedijk in/uit een woning aan de [adres 5] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om geld en/of goederen, in elk geval enig goed. dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [benadeelde 8] , weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, een keukenraam heeft opengebroken en/of de woning heeft doorzocht, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

feit 8 (zaak 8)

op of omstreeks 18 juni 2018 te Zuid-Scharwoude, gemeente Langedijk in/uit een woning aan de [adres 6] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om geld en/of goederen, in elk gevat enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [benadeelde 9] , weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen een raam heeft opengebroken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

feit 9 (zaak 9)

op of omstreeks 3 juli 2018 te Alkmaar een of meer wapens van categorie 1, onder 7, te weten een pistool, voorhanden heeft gehad.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Beoordeling van het bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 tot en met 9 ten laste gelegde feiten. Hij heeft daartoe, kort samengevat, het volgende betoogd.

Op grond van de inhoud van het dossier kan worden bewezen dat verdachte zich in de periode van 11 mei 2018 tot en met 18 juni 2018 heeft schuldig gemaakt aan twee woninginbraken (feiten 1 en 5), twee pogingen daartoe (feiten 7 en 8) en een insluiping (feit 3). Ook heeft verdachte in diezelfde periode diefstallen door middel van een valse sleutel gepleegd, door een Mercedes personenauto weg te nemen met een gestolen autosleutel en onbevoegd geldbedragen te pinnen met een gestolen bankpas dan wel creditcards (feiten 2, 4 en 6). De officier van justitie heeft verwezen naar onder meer de resultaten van het forensisch onderzoek, namelijk het aantreffen van het DNA-materiaal van verdachte op een in de gestolen Mercedes aangetroffen blikje en in de door een gevluchte inbreker achtergelaten jas c.q. vest en Adidas broek, en de conclusie dat schoensporen zijn gemaakt met schoenen soortgelijk aan een paar schoenen dat in de slaapkamer van verdachte is aangetroffen en waarin zijn DNA-materiaal is aangetroffen. De officier van justitie heeft ook verwezen naar herkenningen door verbalisanten van verdachte als de pinner met gestolen bankpassen en het feit dat verdachte in de bovengenoemde periode evenals de pinner gebruik heeft gemaakt van een fiets met ossenkopstuur en een Adidas broek soortgelijk aan die bij een poging tot een inbraak is aangetroffen en waarin DNA-materiaal van verdachte is aangetroffen.

Op grond van het dossier acht de officier van justitie ook bewezen dat verdachte op of omstreeks 3 juli 2018 een modelpistool voorhanden heeft gehad (feit 9), waarop het DNA-materiaal van verdachte is aangetroffen.

De officier van justitie heeft met betrekking tot de observaties van verdachte in juni 2018 betoogd dat geen sprake is geweest van stelselmatige observatie voordat daartoe een bevel was gegeven op 26 juni 2018 en dus ook geen sprake is van een vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv. Weliswaar is verdachte vóór 26 juni 2018 op grond van de algemene politietaak geobserveerd, maar daarmee is geen min of meer compleet beeld van aspecten van zijn leven verkregen.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat gedurende het onderzoek naar verdachte sprake is geweest van een stelselmatige observatie, terwijl het vereiste bevel daartoe van de officier van justitie ontbrak. Door dit onherstelbare vormverzuim in het voorbereidend onderzoek is een dusdanig ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van verdachte, dat als gevolg hiervan de resultaten van deze observaties, waaronder het plaatsen van een peilbaken op de fiets en het forensisch onderzoek naar de jas en de Adidas broek, van het bewijs moeten worden uitgesloten. Voor zover de rechtbank aan dit verweer voorbijgaat, heeft de raadsman verzocht te laten onderzoeken of volledig verslag is gedaan van de observaties van verdachte voordat het vereiste bevel door de officier van justitie was gegeven en of alle processen-verbaal van observatie in het dossier zijn gevoegd.

De raadsman heeft daarnaast bepleit dat verdachte integraal van de aan hem ten laste gelegde feiten moet worden vrijgesproken. Het dossier bevat namelijk onvoldoende bewijs op basis waarvan kan worden geconcludeerd dat het verdachte is geweest die zich heeft schuldig gemaakt aan de onder 1 tot en met 8 ten laste gelegde feiten. De herkenningen door de verbalisanten en de resultaten omtrent de schoensporen en het DNA-onderzoek zijn daarvoor onvoldoende. Ook ontbreekt het bewijs dat verdachte het modelpistool voorhanden heeft gehad, zoals hem onder 9 ten laste is gelegd. Verdachte erkent dat hij dat pistool een keer heeft vastgehouden, echter dat is onvoldoende om tot een bewezenverklaring te komen van het voorhanden hebben van dat wapen.

Verder heeft de raadsman met betrekking tot de onder 5 ten laste gelegde woninginbraak gewezen op het feit dat het forensisch onderzoek in die zaak onvolledig is geweest. In de woning aan de [adres 4] in Koedijk is een donkerkleurige haar aangetroffen, die volgens de politie vermoedelijk van de dader afkomstig is. Het betreft volgens de raadsman een daderspoor dat wijst in de richting van een ander dan verdachte, aangezien verdachte lichtgekleurd kort haar heeft.
Voor het geval dat de rechtbank het niet op voorhand aannemelijk zou achten dat de haar niet van verdachte afkomstig is, heeft de raadsman verzocht om alsnog DNA-onderzoek te laten verrichten naar deze haar.

3.3.

Oordeel van de rechtbank

3.3.1.

Bewijsverweer: bewijsuitsluiting na een vormverzuim (stelselmatige observatie)


Het verweer van de raadsman, inhoudende dat bewijsuitsluiting moet volgen in verband met een onherstelbaar vormverzuim ex artikel 359a Sv, wordt door de rechtbank verworpen. De rechtbank overweegt hierover het volgende.

Van stelselmatige observatie in de zin van artikel 126g Sv is sprake als de observaties in verband met de plaats waar zij zijn uitgevoerd, de duur, het doel, de intensiteit en frequentie daarvan, alsmede het gebruik van technische hulpmiddelen, geschikt zijn om een min of meer compleet beeld te verkrijgen van bepaalde aspecten van het persoonlijke leven van een verdachte. Als dat niet het geval is, dan kan de met het observeren samenhangende inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte als zo beperkt worden beschouwd, dat de algemene taakomschrijving van de politie, neergelegd in artikel 3 van de Politiewet en de artikelen 141 en 142 Sv, daarvoor voldoende legitimatie biedt (ECLI:NL:HR:2018:2050 en ECLI:NL:HR:2012:BW9338).

Uit het dossier volgt dat verdachte op 13 juni 2018, 19 juni 2018 en 20 juni 2018 op grond van de algemene politietaak is geobserveerd, met als doel het verblijfadres van verdachte vast te stellen alsmede vast te stellen op welke wijze verdachte zich verplaatste en – volgens het proces-verbaal van 19 juni 2018 – om waar te nemen of hij strafbare feiten pleegde. Daarbij is een niet-registrerend peilbaken ingezet. Dat peilbaken is op 13 juni 2018 geplaatst onder een fiets waarvan werd vermoed dat deze bij verdachte in gebruik was.

Daarnaast heeft de officier van justitie op 26 juni 2018 een bevel tot stelselmatige observatie ex artikel 126g Sv gegeven. Daarna is verdachte geobserveerd op 26 juni 2018 en 27 juni 2018 en is op laatstgenoemde datum een tweede peilbaken op een fiets geplaatst.

De rechtbank is van oordeel dat de observaties op 13 juni 2018, 19 juni 2018 en 20 juni 2018, gelet op de beperkte duur, intensiteit en frequentie daarvan, niet geschikt zijn geweest om van bepaalde aspecten van het persoonlijke leven van verdachte een min of meer compleet beeld te verkrijgen. Weliswaar is een peilbaken ingezet, maar het betreft hier een niet-registrerend peilbaken, dat slechts enkele dagen onder de fiets heeft gezeten en alleen is gevolgd bij reisbewegingen van die fiets. De rechtbank is dan ook van oordeel dat er geen sprake is geweest van stelselmatige observatie van verdachte. De met de observaties samenhangende inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van verdachte kan in dit geval als zo beperkt worden beschouwd, dat daarvoor nog geen bevel van de officier van justitie nodig was en dat de algemene politietaak daarvoor toereikende grondslag bood.

Voorwaardelijk verzoek

Het eerst ter terechtzitting gedane voorwaardelijke verzoek om nader onderzoek te laten verrichten naar de omvang van de observaties van verdachte in juni en juli 2018 en de verslaglegging daarvan, wordt afgewezen. Voor de beoordeling van het verzoek is van belang of het door de raadsman voorgestelde onderzoek noodzakelijk is met het oog op de volledigheid van het onderzoek naar de ten laste gelegde feiten. Naar het oordeel van de rechtbank zijn door de verdediging geen feiten en omstandigheden naar voren gebracht, die het verrichten van onderzoek naar de observaties en verslaglegging daarvan noodzakelijk maken. De rechtbank ziet in het dossier geen aanknopingspunten om te vermoeden dat de politie vaker en langer heeft geobserveerd dan is geverbaliseerd. Evenmin zijn redenen aangevoerd om te twijfelen aan de verslaglegging daarvan in het dossier.

3.3.2.

Redengevende feiten en omstandigheden feiten 1-6 en 8

3.3.2.1. Feiten 3, 4 en 8

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 3, 4 en 8 ten laste gelegde feiten op grond van de redengevende feiten en omstandigheden in de bewijsmiddelen, die in de bijlage bij dit vonnis zijn opgenomen. De rechtbank overweegt hierover het volgende.

Feit 8

Op 13 juni 2018 is verdachte door de politie geobserveerd, vanwege het vermoeden dat hij zich schuldig had gemaakt aan verschillende (pogingen tot) woninginbraken en insluipingen, en is een peilbaken geplaatst onder een fiets met een ossenkopstuur (ook wel als vlinderstuur aangeduid) die meermalen was waargenomen op camerabeelden tijdens pintransacties met gestolen passen en van welke fiets werd vermoed dat verdachte zich hierop voortbewoog. Diezelfde dag is waargenomen dat verdachte inderdaad reed op de betreffende fiets met ossenkopstuur.

Enkele dagen later, op 18 juni 2018, ontving verbalisant [verbalisant 1] ‘s nachts een sms-bericht over reisbewegingen van het peilbaken. De verbalisant heeft de reisbewegingen gevolgd naar de Dorpsstraat in Zuid-Scharwoude. Daar zag hij dat omstreeks 02.30 uur twee mannen rennend de tuin van de woning aan de [adres 6] verlieten. Het bleek dat was geprobeerd om bij deze woning in te breken. Eén van de vluchtende mannen pakte een fiets en reed daarmee weg. De verbalisant heeft deze fiets herkend als de fiets waaronder eerder het peilbaken was geplaatst en moest bij het zien van de bestuurder van de fiets meteen denken aan de hem ambtshalve bekende verdachte.

Verschillende politie-eenheden hebben daarna de reisbewegingen van het peilbaken gevolgd naar een woning aan de [adres 7] in Oudkarspel. Nabij deze woning werden twee fietsen aangetroffen, waaronder de fiets met het peilbaken, van het merk Koga Miyata. In een sloot naast de tuin van de woning konden eenheden vervolgens één vluchtende man aanhouden, namelijk [medeverdachte] . De tweede man kon ontkomen.

Achterop de bagagedrager van de Koga Miyata fiets zaten drie plastic tassen. In twee tassen bleken diverse (inbrekers)gereedschappen te zitten. In de derde tas zaten een grijze jas en een zwarte Adidas broek met drie gele strepen over de beenlengte. Op de binnenzijde van deze jas en broek zijn DNA-mengprofielen aangetroffen, waarvan het DNA-hoofdprofiel in beide gevallen afkomstig kan zijn van verdachte, met de zeer sterke matchkans van kleiner dan één op één miljard.

De rechtbank is van oordeel dat deze feiten en omstandigheden, namelijk het peilbaken op de fiets, de waarneming van de verbalisant en het DNA-materiaal van verdachte op de aangetroffen kledingstukken, in onderling verband en samenhang bezien, het wettig en overtuigend bewijs opleveren dat het verdachte is geweest die zich op 18 juni 2018 in vereniging heeft schuldig gemaakt aan een poging tot diefstal.

Feiten 3 en 4

In de ochtend van 18 mei 2018 zijn de bewoners van de woning aan de [adres 3] in Bergen tussen 9.00 en 13.00 uur het slachtoffer geworden van een insluiping. De dader heeft zich via de keukendeur toegang verschaft tot de woning en vervolgens sieraden, een portemonnee met geld en een creditcard weggenomen. Met de gestolen creditcard is diezelfde dag omstreeks 12.20 uur een bedrag van € 2.000,- contant opgenomen bij de pinautomaat aan het Plein in Bergen. Op 19 mei 2018 omstreeks 00.20 uur is geprobeerd om met dezelfde creditcard bij de pinautomaat aan de Vondelstaat in Alkmaar nog meer geld op te nemen, maar dat is niet gelukt.

De rechtbank stelt voorop dat zij, gelet op het korte tijdsbestek tussen de insluiping en de geldopname in Bergen, ervan uitgaat dat de man die op het Plein in Bergen heeft gepind, ook de dader van de kort daarvoor gepleegde insluiping is geweest. Uit de camerabeelden van de pinautomaten op het plein in Bergen en de Vondelstraat in Alkmaar volgt dat de pinner in beide gevallen dezelfde persoon is geweest. Verbalisant [verbalisant 2] – die al jaren ambtshalve bekend is met verdachte – heeft op een print van de camerabeelden van de pinautomaat aan de Vondelstraat in Alkmaar de man die probeerde om geld te pinnen in de nacht na de inbraak onmiddellijk herkend als zijnde verdachte. Verdachte draagt hier een rode baseballpet.

Op beelden van de beveiligingscamera van de buurman van de aangevers is verder te zien dat op 18 mei 2018 omstreeks 11.55 uur een man voorbij fietste, die wat betreft signalement overeenkomt met de pinner in Bergen. Het gaat in beide gevallen om een man die onder andere een rode baseballpet droeg en een donkere broek met aan de zijkant gele strepen over de beenlengte en die reed op een herenfiets met een ossenkopstuur en met op de bagagedrager een plastic tas van de Albert Heijn. Zoals hierboven onder feit 8 is overwogen, is een maand later een soortgelijke broek met het DNA-materiaal van verdachte in beslag genomen en maakte verdachte in die periode gebruik van een herenfiets met ossenkopstuur.

De rechtbank is van oordeel dat deze feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, het wettig en overtuigend bewijs opleveren dat verdachte zich op 18 mei 2018 heeft schuldig gemaakt aan een onder 3 ten laste gelegde insluiping en onder 4 ten laste gelegde diefstal door middel van een valse sleutel.

3.3.2.2. Feiten 1, 2, 5 en 6

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1, 2, 5 en 6 ten laste gelegde feiten op grond van het volgende.

Feiten 1 en 2
Op 11 mei 2018 is tussen 11.30 uur en 12.00 uur ingebroken in de woning aan de [adres 2] in Bergen. De dader heeft zich via een opengebroken raam toegang tot de woning verschaft en heeft vervolgens een contant geldbedrag en een bankpas weggenomen. Met de gestolen bankpas is diezelfde dag om 12.13 uur een bedrag van € 250,- opgenomen bij de pinautomaat aan het Plein in Bergen. Uit de analyse van de camerabeelden van de pinautomaat volgt, dat de pinner de onderkant van zijn gezicht bedekte en reed op een fiets met ossenkopstuur met onder de bagagedrager een AH boodschappentas. Volgens verbalisant [verbalisant 3] gaat het meer dan vermoedelijk om verdachte.

Onder het inklimraam van de woning is verder een schoenspoor met een wolkje in de zool veiliggesteld. Op 3 juli 2018 is bij de doorzoeking van het verblijfadres van verdachte, in de woning aan het [verblijfadres] in Alkmaar, in zijn slaapkamer een paar zwarte schoenen in beslag genomen met een wolkje in de zool. In deze schoenen is het DNA-profiel van één man aangetroffen. Dat DNA-profiel kan afkomstig zijn van verdachte, met een matchkans van kleiner dan één op één miljard. Op grond van vergelijkend onderzoek is geconcludeerd dat het veiliggestelde schoenspoor is veroorzaakt met schoenen soortgelijk aan deze in beslag genomen schoenen.

Feiten 5 en 6

Op 30 mei 2018 is tussen 12.30 uur en 13.30 uur ingebroken in de woning aan de [adres 4] in Koedijk. De dader heeft zich toegang tot de woning verschaft door de woning binnen te klimmen via een open raam op de eerste verdieping. Vervolgens heeft de dader onder andere sieraden, creditcards en autosleutels van de Mercedes personenauto van de bewoners weggenomen. Ook de Mercedes personenauto zelf, die geparkeerd stond naast de woning, is weggenomen. Met de gestolen creditcards is diezelfde dag omstreeks 13.45 uur een totaalbedrag van € 2.000,- contant opgenomen bij de pinautomaat aan de Heerenweg in Heiloo. Uit een beschrijving van de camerabeelden van de pinautomaat volgt dat de pinner een blanke man betrof, die een rode baseballpet, zwarte schoenen en een zwarte broek met aan de zijkant gele strepen over de beenlengte droeg. Op 10 juli 2018 is de Mercedes personenauto teruggevonden en vervolgens onderzocht in de loods van een sleepbedrijf in Haarlem. Onder de bestuurdersstoel van de auto is een geopend blikje Bacardi aangetroffen. Op dit blikje is het DNA-profiel van één man aangetroffen. Dat DNA-profiel kan afkomstig zijn van verdachte, met een matchkans van kleiner dan één op één miljard.

Schakelbewijs feiten 1, 2, 5 en 6

De rechtbank stelt voorop dat zij, gelet op het korte tijdsbestek tussen de onder 1 respectievelijk onder 5 ten laste gelegde woninginbraak en de onder 2 respectievelijk onder 6 ten laste gelegde geldopname, ervan uitgaat dat de pinner ook de dader van de kort daarvoor gepleegde woningbraken is geweest. Ook gaat de rechtbank ervan uit dat de dader van de woninginbraak aan de [adres 4] in Koedijk met de uit die woning weggenomen autosleutels de Mercedes personenauto van de bewoners heeft weggenomen, zoals onder 6 is ten laste gelegd.

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (11 januari 2000, NJ 2000, 194) is het gebruik van aan andere bewezen verklaarde, soortgelijke, feiten ten grondslag liggende bewijsmiddelen als ondersteunend schakelbewijs toegelaten. Daarbij moet het gaan om bewijsmateriaal van dat andere feit dat op essentiële punten belangrijke overeenkomsten vertoont met het bewijsmateriaal van de te bewijzen feiten en dat duidt op een specifiek patroon in het gedrag van een verdachte, welk patroon herkenbaar aanwezig is in de voor het te bewijzen feit voorhanden zijnde bewijsmiddelen.

De rechtbank stelt vast dat de onder 1 tot en met 6 en onder 8 ten laste gelegde feiten telkens gekwalificeerde diefstallen betreffen, dan wel een poging daartoe, die wat betreft de manier van handelen en/of het signalement van de dader een aanzienlijke mate van overeenkomst met elkaar vertonen. De rechtbank stelt voorts vast dat uit de stukken die mede het bewijs vormen voor het begaan van de onder 1, 2, 5 en 6 ten laste gelegde feiten blijkt van een patroon in het gedrag van de dader en een signalement dat op essentiële punten overeenkomt en dat past bij de feitelijke gang van zaken bij de onder 3, 4 en 8 ten laste gelegde en hierboven als bewezen geoordeelde feiten.
De rechtbank zal daarom de bewijsmiddelen, welke zijn gebezigd bij de feiten 3, 4 en 8, voor zover van toepassing ook gebruiken bij de bewijsconstructie die ten grondslag ligt aan de bewezenverklaring van de feiten 1, 2, 5 en 6.

De rechtbank acht voor het bewijs redengevend dat het signalement van de pinners op 11 mei 2018 en 30 mei 2018 aan aantal overeenkomsten vertoont met het signalement van de pinner op 18 mei 2018, waarvan de rechtbank onder 3.3.2.1. bewezen heeft geacht dat dit verdachte is geweest. Uit het dossier volgt dat de pinner op 11 mei 2018 een pet droeg en zich verplaatste met een fiets met ossenkopstuur met op de bagagedrager een plastic tas van Albert Heijn. Op 18 mei 2018 draagt de pinner een broek met gele strepen aan de zijkant maakt gebruik van een fiets met ossenkopstuur met op de bagagedrager een plastic tas van Albert Heijn. Ook is vastgesteld dat verdachte zich in de periode daarna heeft voortbewogen op een fiets met ossenkopstuur. Daarnaast acht de rechtbank van belang dat de pinner op beide data de camera van de pinautomaten heeft afgeschermd, zodat niet alle verrichtte handelingen op camera zijn vastgelegd, en daarbij de onderkant van zijn gezicht, namelijk zijn onderkaak, kin en mond, met zijn jas dan wel vest heeft bedekt, waardoor alleen zijn neus, ogen, oren en een deel van zijn voorhoofd goed te zien zijn. Verder blijkt uit het signalement van de pinner op 30 mei 2018 dat hij een rode baseballpet en zwarte broek droeg met aan de zijkant gele strepen over de beenlengte, wat overeenkomt met de kleding die verdachte op 18 mei 2018 droeg.

De rechtbank acht voor het specifieke gedragspatroon tevens redengevend dat de onder 1, 3, 5 en 8 ten laste gelegde feiten zijn gepleegd in een relatief korte periode van ongeveer één maand in Bergen en Koedijk, welke plaatsen op fietsafstand van het verblijfadres van verdachte liggen. De onder 1, 3 en 5 ten laste gelegde woninginbraken en insluiping zijn steeds overdag begaan.

De rechtbank komt, gelet op wat zij hiervoor heeft overwogen, tot de conclusie dat het niet anders kan zijn dan dat het verdachte is geweest die ook de onder 1, 2, 5 en 6 ten laste gelegde feiten heeft begaan. Naast de redengevende feiten en omstandigheden, weergegeven in de bewijsmiddelen ter zake van die feiten die in de bijlage zijn opgenomen, berust dit oordeel, zoals boven overwogen, mede op het schakelbewijs, bestaande uit de bewijsmiddelen die ten grondslag liggen aan de bewezenverklaring van de onder 3, 4 en 8 ten laste gelegde feiten. De omstandigheid dat het DNA-materiaal van verdachte op het blikje Bacardi pas ruim een maand na de diefstal van de Mercedes personenauto is aangetroffen maakt dit oordeel niet anders, gezien de samenhang met de overige bewijsmiddelen.

Voorwaardelijk verzoek

Het ter terechtzitting gedane voorwaardelijke verzoek om forensisch onderzoek te laten verrichten naar de in beslag genomen haar uit de woning aan de [adres 4] in Koedijk (onder 5 ten laste gelegd), wordt afgewezen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verdediging geen feiten en omstandigheden naar voren gebracht, die het verrichten van DNA-onderzoek naar de haar noodzakelijk maken. De enkele stelling van de verdediging dat verdachte kort donkerblond haar heeft maakt niet dat op voorhand kan worden uitgesloten dat de haar van verdachte afkomstig is.

Daarnaast zou een mogelijke uitkomst van het forensisch onderzoek, inhoudende dat de haar van een ander dan verdachte afkomstig zou zijn, evenmin uitsluiten dat verdachte in de woning van aangevers is geweest. De rechtbank acht nader onderzoek naar de haar dan ook niet noodzakelijk voor enige door haar te nemen beslissing.

3.3.3.

Redengevende feiten en omstandigheden feit 7

De rechtbank komt op grond van de redengevende feiten en omstandigheden in de bewijsmiddelen, die in de bijlage bij dit vonnis zijn opgenomen, tevens tot bewezenverklaring van het onder 7 ten laste gelegde feit. De rechtbank overweegt hierover het volgende.

Op 30 mei 2018 is overdag ingebroken in de woning aan de [adres 5] in Koedijk. De dader heeft zich via een opengebroken raam toegang verschaft tot de woning en heeft die woning doorzocht, maar vervolgens niets weggenomen. Onder het inklimraam van de woning is een schoenspoor met een wolkje in de zool veiliggesteld. Dat schoenspoor is veroorzaakt met schoenen soortgelijk aan de op naam van verdachte in beslag genomen schoenen, waarin zijn DNA-materiaal is aangetroffen. De rechtbank verwijst in dit verband naar wat hiervoor onder 3.3.2.2. (feit 1 en 2) is overwogen.

De rechtbank komt op basis van deze feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien met het feit dat verdachte zich op diezelfde dag in diezelfde straat aan de onder 5 ten laste gelegde woninginbraak heeft schuldig gemaakt, tot de conclusie dat het niet anders kan zijn dan dat het verdachte is geweest die zich op 30 mei 2018 ook heeft schuldig gemaakt aan de onder 7 ten laste gelegde poging tot woninginbraak.

3.3.4.

Redengevende feiten en omstandigheden feit 9

De rechtbank komt tenslotte tot bewezenverklaring van het onder 9 ten laste gelegde feit op grond van het volgende.

Uit de bewijsmiddelen, die in de bijlage bij dit vonnis zijn opgenomen, volgt dat bij een doorzoeking van het verblijfadres van verdachte een modelpistool is aangetroffen. Dat modelpistool zat in een kussensloop, dat in een tas hing aan de kapstok tegenover de slaapkamer van verdachte. De hoofdbewoner van de woning heeft ontkend dat het modelpistool van hem is. Het pistool behoort volgens hem toe aan verdachte. Op het modelpistool is een DNA-mengprofiel aangetroffen, waarvan het DNA-hoofdprofiel afkomstig kan zijn van verdachte, met een matchkans van kleiner dan één op één miljard. De verklaring van verdachte, eerst ter terechtzitting gegeven en inhoudende dat hij het wapen eenmalig kort heeft vastgehad, kan naar het oordeel van de rechtbank de aanwezigheid van ‘zijn’ DNA als hoofd DNA-profiel op het pistool niet voldoende verklaren.

De rechtbank is van oordeel dat deze feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, alsmede het feit dat in de slaapkamer van verdachte munitie is aangetroffen, het wettig en overtuigend bewijs opleveren dat verdachte zich op of omstreeks 3 juli 2018 heeft schuldig gemaakt aan het onder 9 ten laste gelegde wapenbezit.

3.4.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 tot en met 9 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat hij:

feit 1

op 11 mei 2018 te Bergen (NH) uit een woning aan de [adres 2] een geldbedrag van ongeveer 900 euro en een bankpas, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

feit 2

op 11 mei 2018 te Bergen (NH) een geldbedrag van 250 euro, dat toebehoorde aan [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte dat weg te nemen geldbedrag onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door dat geldbedrag te pinnen met een weggenomen pinpas;

feit 3

op 18 mei 2018 te Bergen (NH) uit een woning aan de [adres 3] sieraden en een portemonnee met een geldbedrag van ongeveer 800 euro en een creditcard (VISA), die toebehoorden aan [benadeelde 4] en/of [benadeelde 5] , heeft weggenomen met het oogmerk om zich deze wederrechtelijk toe te eigenen;

feit 4

op 18 mei 2018 te Bergen (NH) een geldbedrag van 2.000 euro, dat toebehoorde [benadeelde 5] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte dat weg te nemen geldbedrag onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door dat geldbedrag te pinnen met een weggenomen creditcard;

feit 5

op 30 mei 2018 te Koedijk, gemeente Alkmaar, uit een woning aan de [adres 4] een kluis en testamenten en aankooppapieren van de woning en diploma‘s en een trouwboekje en sieraden en creditcards en paspoorten en autosleutels en een huissleutel, die toebehoorden aan [benadeelde 6] en/of [benadeelde 7] , heeft weggenomen met het oogmerk om zich deze wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van inklimming;

feit 6

op 30 mei 2018 te Koedijk, gemeente Alkmaar, en Heiloo een personenauto (merk Mercedes, type C320 CDI, kenteken [kenteken] ) en een geldbedrag van 2.000 euro, dat toebehoorde aan [benadeelde 6] en/of [benadeelde 7] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte die weg te nemen auto en dat geldbedrag onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door de auto weg te nemen met een weggenomen sleutel en door dat geldbedrag te pinnen met een weggenomen creditcard;

feit 7

op 30 mei 2018 te Koedijk, gemeente Alkmaar, uit een woning aan de [adres 5] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om geld en/of goederen, dat aan een ander toebehoorde, weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen door middel van braak, een keukenraam heeft opengebroken en de woning heeft doorzocht, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

feit 8

op 18 juni 2018 te Zuid-Scharwoude, gemeente Langedijk, uit een woning aan de [adres 6] tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om geld en/of goederen, dat aan een ander dan aan verdachte en zijn mededader toebehoorde, weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, een raam heeft opengebroken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

feit 9

op of omstreeks 3 juli 2018 te Alkmaar een wapen van categorie 1, onder 7, te weten een pistool, voorhanden heeft gehad.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte onder deze feiten meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. Hij moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1

diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

feiten 2, 4 en 6

telkens: diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel;

feit 3

diefstal;

feit 5

diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van inklimming;

feit 7

poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

feit 8

poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen;

feit 9

handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6 Motivering van de sanctie

6.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte, gezien de ernst van de door hem bewezen geachte feiten en de richtlijnen van het Openbaar Ministerie en de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS), zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

6.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om bij de strafoplegging acht te slaan op de LOVS oriëntatiepunten en de eis van de officier van justitie te matigen.

6.3.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van één en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt een aantal woninginbraken, pogingen daartoe en een insluiping. Eén poging tot woninginbraak heeft verdachte gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd gepleegd. De andere – niet in vereniging gepleegde – feiten heeft hij overdag begaan. Bij de woninginbraken en de insluiping heeft verdachte meerdere goederen weggenomen, waaronder geld, sieraden, bankpassen en autosleutels. Met de gestolen bankpassen heeft verdachte geldbedragen contant opgenomen. Met gestolen autosleutels heeft verdachte een personenauto weggenomen. Het handelen van verdachte was kennelijk steeds enkel gericht op eigen geldelijk gewin, zonder dat hij zich rekenschap heeft gegeven van de gevolgen ervan voor de slachtoffers. Hij heeft een inbreuk gemaakt op de beschermde leefomgeving van de slachtoffers, hun eigendomsrecht geschonden en hun gevoel van veiligheid aangetast. Bij de poging die verdachte gedurende de nacht heeft gepleegd, lagen de slachtoffers nietsvermoedend op de bovenverdieping te slapen. Ook tijdens de insluiping, die verdachte overdag heeft begaan, waren de hoogbejaarde slachtoffers in de woning aanwezig. Zij zijn hardhorend en hebben niet meegekregen dat verdachte hun woning via de keukendeur was binnengekomen. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dergelijke strafbare feiten zich nog lang onveilig kunnen voelen in hun eigen woning. Uit de ter zitting gegeven toelichting op de vordering van laatstgenoemde benadeelden blijkt dat ook bij deze slachtoffers in hoge mate het geval te zijn. De gepleegde feiten kunnen bovendien gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving teweegbrengen.

Verdachte heeft zich ook schuldig gemaakt aan wapenbezit en daarmee de Wet wapens en munitie overtreden. Weliswaar was het niet mogelijk om met het modelpistool patronen of projectielen af te vuren, maar het pistool was wel geschikt voor bedreiging en afdreiging. Het ongecontroleerde bezit van een dergelijke pistool brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen mee en is daarom bij wet verboden.

Uit het op zijn naam staand Uittreksel Justitiële Documentatie van 31 augustus 2018 blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld vanwege overtreding van de Wet wapen en munitie. Ook is hij in het verleden al veelvuldig voor gekwalificeerde diefstallen veroordeeld tot taakstraffen en (deels voorwaardelijke) gevangenisstraffen. Op 24 augustus 2018 is verdachte vanwege meerdere (pogingen tot) woninginbraken veroordeeld tot een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden. Gelet op deze veroordeling en de rest van zijn documentatie moet verdachte als een recidivist worden aangemerkt en is sprake van veelvuldige recidive. De rechtbank heeft dit in strafverzwarende zin bij de straftoemeting betrokken.

De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij ondanks eerdere veroordelingen tot nieuw strafbaar gedrag is gekomen. Kennelijk heeft ook de lange recente detentie van verdachte er niet toe geleid dat hij zijn leven over een andere boeg wil gooien. Ook het voorwaardelijk opgelegde strafdeel, dat verdachte nog boven het hoofd hing, heeft hem er niet van weerhouden opnieuw in de fout te gaan. Ook dit heeft de rechtbank strafverzwarend meegewogen.

Bij de keuze voor de op te leggen straf en het bepalen van de hoogte daarvan heeft de rechtbank tot uitgangspunt genomen wat doorgaans wordt opgelegd voor insluiping in een woning en woninginbraken. De LOVS oriëntatiepunten noemen voor insluiping in een woning in het geval van veelvuldige recidive, als strafmaat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden. Voor een woninginbraak noemen de oriëntatiepunten in het geval van veelvuldige recidive, als strafmaat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden.

Gelet op het aantal bewezen verklaarde feiten en de ernst daarvan, de genoemde strafverzwarende omstandigheden alsmede gelet op het gegeven dat verdachte niet gemotiveerd is voor reclasseringstoezicht en gedragsverandering, is naar het oordeel van de rechtbank oplegging van geen andere straf gerechtvaardigd dan een lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf. In de persoonlijke omstandigheden van verdachte heeft de rechtbank geen reden gezien voor strafmatiging of oplegging van een voorwaardelijk strafdeel.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van de tijd die in voorarrest is doorgebracht, op zijn plaats is.

7 Beslissing omtrent het beslag

Gedurende het onderzoek naar verdachte is op zijn naam een zwart paar schoenen in beslag genomen (goednummer 905555 op de beslaglijst). De rechtbank is, met de officier van justitie en raadsman, van oordeel dat deze schoenen aan verdachte moeten worden teruggegeven.

8 Vorderingen benadeelde partij en oplegging schadevergoedingsmaatregel

8.1.

Vordering benadeelde partij van [benadeelde 4]

De benadeelde partij [benadeelde 4] heeft tegen verdachte een vordering ingediend tot betaling van € 5.000,- schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag, wegens materiële schade die hij en zijn echtgenote [benadeelde 5] als gevolg van het onder 3 ten laste gelegde feit zouden hebben geleden. Ter terechtzitting hebben de gemachtigden van de benadeelde partij de vordering bijgesteld naar een bedrag van € 2.550,-, bestaande uit € 2.500,- vergoeding voor de weggenomen en niet vergoede sieraden en € 50,- eigen risico.

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schade rechtstreeks voortvloeit uit het onder 3 bewezen verklaarde feit. Blijkens een toelichting van de gemachtigden ter terechtzitting is de waarde van de bij de woninginbraak weggenomen sieraden door een expert van de verzekering geschat op een bedrag van € 5.000,-, waarvan de helft door de verzekering is vergoed. De verzekering heeft daarbij het eigen risico van € 50,- in rekening gebracht, zodat per saldo een bedrag van € 2.450,- is vergoed. De vordering zal dan ook tot na te noemen bedrag worden toegewezen. Verdachte wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 2.550,- aan de benadeelde partij, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf 18 mei 2018 tot aan de dag der algehele voldoening.

Tevens wordt verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

8.2.

Vordering benadeelde partij van [benadeelde 6]

De benadeelde partij [benadeelde 6] heeft tegen verdachte een vordering ingediend tot betaling van € 2.040,- schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag, wegens materiële schade die zij en haar echtgenoot [benadeelde 7] als gevolg van het onder 6 ten laste gelegde feit zouden hebben geleden. De gestelde schade bestaat uit vergoeding van het gepinde geldbedrag van € 2.000,- met de weggenomen creditcards en de transactiekosten van € 40,, die in rekening zijn gebracht in verband met de contante opnames met de creditcard.

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schade rechtstreeks voortvloeit uit het onder 6 bewezen verklaarde feit. Uit de vordering blijkt dat de verzekering de door de benadeelde partij geleden schade niet heeft vergoed. De vordering zal dan ook tot nagenoemd bedrag worden toegewezen. Verdachte wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 2.040,- aan de benadeelde partij, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf 30 mei 2018 tot aan de dag der algehele voldoening.

Tevens wordt verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

8.3.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet, gelet op wat zij hiervoor onder 8.1. en 8.2. heeft overwogen, aanleiding om in het belang van de benadeelde partijen, als extra waarborg voor betaling, de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De wetsartikelen die van toepassing zijn, zijn de artikelen 36f, 45, 57, 310, 311 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 13 en 55 van de Wet wapens en munitie.

10 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte de onder 1 tot en met 9 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder deze feiten meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de onder 1 tot en met 9 bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 (zesendertig) maanden.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde straf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde 4] geleden schade tot een bedrag van € 2.550,- (vijfentwintighonderdvijftig euro), bestaande uit vergoeding voor materiële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 18 mei 2018 tot aan de dag der algehele voldoening, aan de benadeelde partij, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [benadeelde 4] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 2.550,- (vijfentwintighonderdvijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 18 mei 2018 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 35 (vijfendertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van deze vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde 6] geleden schade tot een bedrag van € 2.040,- (tweeduizendveertig euro), bestaande uit vergoeding voor materiële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 30 mei 2018 tot aan de dag der algehele voldoening, aan de benadeelde partij, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [benadeelde 6] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 2.040,- (tweeduizendveertig euro), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 30 mei 2018 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van deze vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partijen [benadeelde 4] en [benadeelde 6] in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partijen.

Gelast de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen schoenen (goednummer 905555).

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. P.H.B. Littooy, voorzitter,

mr. M. Goedhuis-Visser en mr. M.H. Affourtit-Kramer, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier, mr. P.H. Boersma,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 18 januari 2019.

De oudste rechter, mr. M. Goedhuis-Visser, is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.