Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2019:10056

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
30-10-2019
Datum publicatie
09-12-2019
Zaaknummer
C/15/281882 / HA ZA 18-774
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vonnis in incident. Afwijzing vordering 224 Rv

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2020/25
JBPR 2020/29 met annotatie van Blaauboer, F.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

Zittingsplaats Haarlem

zaaknummer / rolnummer: C/15/281882 / HA ZA 18-774

Vonnis in incident ex artikel 224 Rv van 30 oktober 2019

in de zaak van

[eiseres/verweerster] ,

wonende te [woonplaats],

eiseres in de hoofdzaak, verweerster in het voorwaardelijke incident ex artikel 224 Rv,

advocaat: mr. J.P. Koets te Haarlem,

tegen

[gedaagde/eiser] ,

wonende te [woonplaats],

gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het voorwaardelijke incident ex artikel 224 Rv,

advocaat: mr. M.C. van Rijswijk te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiseres/verweerster] en [gedaagde/eiser] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit het vonnis in het incident van de rechtbank Den Haag van 14 november 2018, waarbij de zaak is verwezen naar deze rechtbank, en de daarin genoemde stukken.

1.2.

De zaak is op verzoek van partijen verwezen naar de parkeerrol. Op 27 september 2019 hebben partijen verzocht om voortzetting van de procedure. Vervolgens is een datum voor vonnis bepaald in het voorwaardelijke incident ex artikel 224 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).

2 Het geschil en de beoordeling daarvan in het incident ex artikel 224 Rv

in het incident

2.1.

In het vonnis van 14 november 2018 is beslist op het door [gedaagde/eiser] ingestelde incident tot onbevoegdheid, en is de beslissing in het voorwaardelijke incident ex artikel 224 Rv aangehouden, zodat laatstgenoemd incident thans ter beoordeling voorligt. In dit incident vordert [gedaagde/eiser] - samengevat - dat de rechtbank, bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. [eiseres/verweerster] veroordeelt tot het stellen van zekerheid voor de proceskosten en de schadevergoeding tot betaling waarvan [eiseres/verweerster] zou kunnen worden veroordeeld;

  2. bepaalt dat de zekerheid - op straffe van niet-ontvankelijkheid van [eiseres/verweerster] in de hoofdzaak - binnen vier weken na dit vonnis in incident dient te worden gesteld, in de vorm van een door een Nederlandse bank af te geven onherroepelijke bankgarantie conform NVB-model die ook verhaal biedt voor een proceskostenveroordeling en schadevergoedingsvordering in de hoofdzaak die uitvoerbaar bij voorraad is verklaard;

  3. het bedrag van die zekerheid bepaalt op € 100.000,-- terzake de integrale proceskosten en subsidiair op € 30.000,-- terzake de geliquideerde proceskosten, te vermeerderen met € 540.000,-- terzake de schadevergoeding bij onrechtmatige executie;

  4. het geding in de hoofdzaak schorst tot het moment dat [eiseres/verweerster] zekerheid heeft gesteld;

een en ander met veroordeling van [eiseres/verweerster] in de kosten van het incident, te vermeerderen met de nakosten en de wettelijke rente.

2.2.

[eiseres/verweerster] heeft in dit incident verweer gevoerd, dat hierna - voor zover van belang - zal worden besproken.

2.3.

[gedaagde/eiser] heeft het incident ex artikel 224 Rv ingesteld onder de voorwaarde dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft. Uit het vonnis in incident van 14 november 2018 blijkt dat de voorwaarde is vervuld.

2.4.

Op grond van artikel 224 lid 1 Rv zijn allen zonder woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland die bij een Nederlandse rechter een vordering instellen, op vordering van de wederpartij verplicht tot het stellen van zekerheid voor de proceskosten en de schadevergoeding tot betaling waarvan zij veroordeeld zouden kunnen worden.

2.5.

[eiseres/verweerster] heeft geen woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland, zodat artikel 224 Rv toepassing vindt. Tussen partijen staat voorts vast dat een uitzonderingsgrond als vermeld in artikel 224 lid 2 sub a-c Rv (inhoudende dat een verplichting tot het stellen van zekerheid verboden is door het internationaal recht, dat een proceskostenveroordeling executabel is in het woonland van eiseres, of dat het aannemelijk is dat een proceskostenveroordeling in Nederland kan worden geëxecuteerd) zich niet voordoet.

2.6.

Ten aanzien van het betoog van [eiseres/verweerster] dat partijen voormalig echtgenoten zijn, op grond waarvan de proceskosten kunnen worden gecompenseerd, overweegt de rechtbank als volgt.

In artikel 237 lid 1 Rv is bepaald dat de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten wordt veroordeeld, en dat van dit uitgangspunt mag worden afgeweken in geval van een geschil tussen (ex-)echtgenoten. Hoewel [gedaagde/eiser] er met juistheid op heeft gewezen dat de rechter op grond van dit artikel niet verplicht is de proceskosten tussen voormalige echtgenoten te compenseren, wordt in de praktijk slechts zeer zelden afgeweken van het uitgangspunt van proceskostencompensatie. Feitelijk gebeurt dit alleen als een vordering tegen beter weten in wordt ingesteld of niet is voorzien van een onderbouwing, of wanneer sprake is van misbruik van procesrecht. [gedaagde/eiser] heeft onvoldoende toegelicht dat in de onderhavige zaak redenen aanwezig zijn waarom [eiseres/verweerster] te zijner tijd zal worden veroordeeld in de proceskosten van [gedaagde/eiser] in de hoofdzaak. Het betoog van [gedaagde/eiser] dat de vordering van [eiseres/verweerster] in de hoofdzaak moet worden afgewezen omdat hij een verrekenbare tegenvordering op [eiseres/verweerster] stelt te hebben, is daartoe in ieder geval onvoldoende. De kans dat [eiseres/verweerster] zal worden veroordeeld in de proceskosten van [gedaagde/eiser] in de hoofdzaak acht de rechtbank zo verwaarloosbaar klein dat dit in het onderhavige geval reden is voor afwijzing van de incidentele vordering tot zekerheidsstelling voor de proceskosten.

2.7.

[gedaagde/eiser] heeft tevens gevorderd dat [eiseres/verweerster] zekerheid stelt voor de schade die hij zal lijden indien [eiseres/verweerster] in Nederland tot executie zal overgaan, ter hoogte van € 540.000,-- (zijnde de waarde van de te executeren woningen van [gedaagde/eiser]). Ook dit deel van de vordering zal worden afgewezen, omdat deze schade niet kan worden aangemerkt als schade die het rechtstreekse gevolg is van het opkomen van [eiseres/verweerster] in rechte, zodat deze schade buiten het bereik van artikel 224 Rv valt (vgl. Hoge Raad 30 april 1925, NJ 1925, 665).

2.8.

Gelet op het voorgaande wordt aan de beoordeling van de overige verweren van [eiseres/verweerster] (onder meer op grond van artikel 224 lid 2 sub d Rv) niet toegekomen.

2.9.

De beslissing over de kosten in het incident zal worden aangehouden tot de einduitspraak in de hoofdzaak.

in de hoofdzaak

2.10.

De hoofdzaak zal worden verwezen naar een roldatum over zes weken voor conclusie van antwoord aan de zijde van [gedaagde/eiser]. Het betoog van [eiseres/verweerster] dat [gedaagde/eiser] zijn recht om in de hoofdzaak te antwoorden heeft verspeeld door de incidenten tot onbevoegdheid en zekerheidstelling op te werpen zonder tevens te antwoorden in de hoofdzaak, wordt niet gevolgd. Het verweer dat de Nederlandse rechter geen rechtsmacht heeft, zoals [gedaagde/eiser] heeft gevoerd in het bevoegdheidsincident (en waarop in het vonnis van 14 november 2018 is beslist), moet op grond van artikel 11 Rv worden gevoerd vóór alle weren ten gronde en kan daarom afzonderlijk, dus voorafgaand aan de conclusie van antwoord, worden ingesteld (vgl. ook Kamerstukken II 1951/52, 2601, nr. 3, p. 2). Het recht van [gedaagde/eiser] om te antwoorden in de hoofdzaak is daarmee niet vervallen.

2.11.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

3 De beslissing

De rechtbank

in het incident

3.1.

wijst de vorderingen af;

3.2.

houdt de beslissing omtrent de kosten van het onderhavige incident aan;

in de hoofdzaak

3.3.

verwijst de zaak naar de rol van 11 december 2019 voor conclusie van antwoord in de hoofdzaak aan de zijde van [gedaagde/eiser];

3.4.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th.S. Röell en in het openbaar uitgesproken op 30 oktober 2019.