Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2018:9894

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
02-11-2018
Datum publicatie
14-11-2018
Zaaknummer
7087544 \ AO VERZ 18-112
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht. De kantonrechter is van oordeel dat in het onderhavige geval het verzwijgen van het faillissement en het niet naar waarheid invullen van het screeningsformulier bestemd om een VGB te verkrijgen, een dringende reden oplevert in de zin van artikel 7:677 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2018-1287
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 7087544 \ AO VERZ 18-112

Uitspraakdatum: 2 november 2018

Beschikking in de zaak van:

[werknemer] ,

wonende te [woonplaats]

verzoekende partij in het verzoek

verwerende partij in het tegenverzoek

verder te noemen: [werknemer]

voormalige gemachtigde: mr. Y. Tanir (onttrokken)

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Menzies Aviation (LCC) B.V.,

gevestigd te Schiphol

verwerende partij in het verzoek

verzoekende partij in het tegenverzoek

verder te noemen: Menzies

gemachtigde: mr. L.M. van der Sluis

1 Het procesverloop

1.1.

[werknemer] heeft een verzoek gedaan, primair om de opzegging van de arbeidsovereenkomst door Menzies te vernietigen en subsidiair onder meer om ten laste van Menzies een billijke vergoeding toe te kennen.

1.2.

Menzies heeft een verweerschrift ingediend en een tegenverzoek gedaan tot (voorwaardelijke) ontbinding van de arbeidsovereenkomst.

1.3.

Op 5 oktober 2018 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Voorafgaand aan de zitting is namens [werknemer] een gewijzigd verzoekschrift ingediend. [werknemer] heeft ter zitting pleitaantekeningen overgelegd.

2 De feiten

2.1.

[werknemer] is bij vonnis van 29 maart 2017 van de rechtbank Amsterdam in staat van faillissement verklaard waarbij mr. M. van Bommel als curator is benoemd.

2.2.

[werknemer] is op 12 februari 2018 in dienst getreden bij Menzies als Financial Controller met een salaris van € 4.300,- all in exclusief 8% vakantietoeslag. De arbeidsovereenkomst is aangegaan voor de duur van 12 maanden tot 12 februari 2019.

2.3.

De functie van Financial controller is een vertrouwensfunctie waarvoor de werknemer dient te beschikken over een Verklaring van Geen Bezwaar (VGB). Hiervoor dient de werknemer een formulier Aanmelding Veiligheidsonderzoek Burgerluchtvaart in te vullen (hierna: screeningsformulier).

2.4.

Artikel 11 van de arbeidsovereenkomst vermeldt:

1. Een verzwijging of een onware mededeling van Werknemer zal gelden als ontbindende voorwaarde indien redelijkerwijs aangenomen kan worden dat bij niet-verzwijging of juiste mededeling van Werknemer de arbeidsovereenkomst door werkgever niet of niet op dezelfde voorwaarden zou zijn aangegaan. (…)

4. Werknemer dient te allen tijde in het bezit te zijn en te blijven van of te kunnen komen van een Schipholpas. In verband met terugkerend antecedentenonderzoek dient de werknemer zorg te dragen dat de “Verklaring van geen bezwaar” niet wordt ingetrokken. Deze “Verklaring van geen bezwaar” is namelijk benodigd bij het aanvragen, behouden of verlengen van de Schipholpas. De Werknemer zal tijdens de duur van de arbeidsovereenkomst de Werkgever onmiddellijk deugdelijk in kennis moeten stellen van feiten en omstandigheden waardoor het behouden of verkrijgen van de Schipholpas ter discussie kan komen te staan. Verzwijging hiervan kan voor de werkgever reden zijn om de arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang te beëindigen zoals bedoeld in artikel 7:677 en 7:678 BW. (…)”

2.5.

Bij punt 6 van het screeningsformulier “Bijzondere omstandigheden” heeft [werknemer] “nee” aangevinkt. Als toelichting bij de vraag staat:
“Zijn er nog feiten, omstandigheden of bijzonderheden in uw werk- of uw privé-omgeving die in verband met de vervulling van de vertrouwensfunctie relevant zijn? Denk aan mogelijke verslaving, financiële problemen of andere feiten en/of omstandigheden die u kwetsbaar maken voor bijvoorbeeld chantage en/of manipulatie*”

2.6.

Aan [werknemer] is een VGB verstrekt.

2.7.

Op 18 mei 2018 heeft de curator Menzies verzocht het totaal netto-inkomen minus de beslagvrije voet met betrekking tot de maand mei over te maken naar de faillissementsrekening.

2.8.

Op 22 mei 2018 is [werknemer] verzocht een reactie te geven. Hierna is [werknemer] op staande voet ontslagen. In de ontslagbrief van 23 mei 2018 is het volgende vermeld:
“ (…) Via uw curator hebben wij begrepen dat u op 29 maart 2017 in staat van faillissement bent verklaard. Dit heeft u noch in uw sollicitatiegesprek aangegeven noch op het screeningsformulier (Opgave persoonlijke gegevens Veiligheidsonderzoek B - Burgerluchtvaart). Deze vraag heeft u beantwoord met “nee”. Een verzwijging/onware mededeling van dien aard beschouwen wij als ontbindende voorwaarde. Wij verwijzen u naar artikel 11 van uw arbeidsovereenkomst. (…) Wij vinden uw handelwijze een dermate ernstige inbreuk in het vertrouwen dat wij in u menen te mogen stellen, dat wij hebben besloten u per bovenvermelde datum op staande voet te ontslaan. (…)”

3 Het verzoek

3.1.

[werknemer] verzoekt primair het ontslag op staande voet te vernietigen en hem in staat te stellen de gebruikelijke werkzaamheden te verrichten. Aan dit verzoek legt [werknemer] ten grondslag – kort weergegeven – dat geen sprake is van een dringende reden voor ontslag op staande voet. [werknemer] ontkent dat hij de vragen op het screeningsformulier onjuist heeft beantwoord. Hij ervaart geen financiële problemen. De AIVD had gemakkelijk kunnen raadplegen dat er sprake was van een faillissement. [werknemer] heeft samen met een HR-medewerker het screeningsformulier ingevuld. Deze medewerker gaf aan dat het niet nodig was in te vullen dat er sprake was van bijzondere omstandigheden.

3.2.

Subsidiair heeft [werknemer] een verzoek gedaan om ten laste van Menzies een billijke vergoeding toe te kennen op grond van artikel 7:681 lid 1 BW te vermeerderen met de wettelijke rente. Volgens [werknemer] moet een billijke vergoeding worden toegekend, omdat geen sprake is van een dringende reden voor ontslag op staande voet en het ontslag dus in strijd is met artikel 7:671 BW.

3.3.

Alsook heeft [werknemer] een verzoek gedaan om Menzies te veroordelen tot betaling van een vergoeding wegens onregelmatige opzegging, te vermeerderen met de wettelijke rente. Volgens [werknemer] is Menzies op grond van artikel 7:672 lid 10 BW een vergoeding wegens onregelmatige opzegging verschuldigd, gelijk aan het bedrag aan loon over de opzegtermijn.

3.4.

Ook heeft [werknemer] een verzoek gedaan om Menzies te veroordelen om schriftelijke en deugdelijke netto/bruto specificaties te verstrekken waarin de bedragen en betalingen zijn verwerkt van de hiervoor genoemde vergoedingen op straffe van een dwangsom.

3.5.

Zowel primair als subsidiair heeft [werknemer] verzocht om doorbetaling van het loon van € 4.300,- bruto per maand vermeerderd met de vakantietoeslag en emolumenten vanaf
22 mei 2018 onder verstrekking van de salarisspecificaties vanaf 22 mei 2018 op straffe van een dwangsom, alsmede betaling van de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW en te vermeerderen met de wettelijke rente. Voorts vordert [werknemer] betaling van de buitengerechtelijke incassokosten.

4 Het verweer en het (voorwaardelijk) tegenverzoek

4.1.

Menzies verweert zich tegen het verzoek. Zij voert aan – samengevat – dat zij [werknemer] terecht op staande voet heeft ontslagen vanwege diens verzwijging/onware mededeling over zijn faillissement. Deze informatie is relevant voor de vertrouwensfunctie die [werknemer] bekleedt als Financial Controller, als ook dat voor het verkrijgen van de VGB naar waarheid moet worden geïnformeerd. [werknemer] had zich dat moeten realiseren en Menzies moeten informeren. Menzies heeft voorafgaand aan het ontslag op staande voet met de curator contact gehad en die heeft laten weten dat [werknemer] niet goed meewerkt. Er is geen enkel vertrouwen in [werknemer] , hetgeen nodig is voor de uitoefening van zijn functie.

4.2.

In de zaak van het (voorwaardelijk) tegenverzoek wordt door Menzies verzocht de arbeidsovereenkomst met [werknemer] te ontbinden op grond van artikel 7:671b lid 1, onderdeel a, BW, primair in verbinding met artikel 7:669 lid 3, onderdeel e BW en subsidiair in verbinding met artikel 7:669 lid 3, onderdeel f BW en meer subsidiair in verbinding met artikel 7:669 lid 3, onderdeel h BW. Het verzoek is voorwaardelijk, namelijk voor het geval het ontslag op staande voet vernietigd wordt.

5. De beoordeling

het verzoek

5.1.

Het gaat in deze zaak om de vraag of het ontslag op staande voet moet worden vernietigd en of Menzies moet worden veroordeeld tot doorbetaling van loon dan wel of aan [werknemer] een billijke vergoeding moet worden toegekend. Daarnaast is aan de orde de vraag of Menzies moet worden veroordeeld tot betaling van een vergoeding wegens onregelmatige opzegging.

5.2.

[werknemer] heeft het verzoek tijdig ingediend, omdat het is ontvangen binnen twee maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd.

5.3.

Vastgesteld zal moeten worden of sprake is van een dringende reden voor een ontslag op staande voet. Op grond van artikel 7:678 lid 1 BW worden als dringende reden in de zin van lid 1 van artikel 7:677 BW beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die tot gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet verlangd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.

5.4.

De kantonrechter is van oordeel dat in het onderhavige geval het verzwijgen van het faillissement en het niet naar waarheid invullen van het screeningsformulier bestemd om een VGB te verkrijgen, een dringende reden oplevert in voornoemde zin. Hiertoe wordt overwogen dat de functie van Financial Controller een vertrouwensfunctie betreft en [werknemer] wist en ook niet bestrijdt dat Menzies hem zonder VGB niet te werk kon stellen. Het verkrijgen van een VGB is noodzakelijk voor het uitoefenen van de functie. Dit volgt ook uit de arbeidsovereenkomst. Gelet op de toelichting bij vraag 6 op het screeningsformulier had [werknemer] , mede gelet op zijn opleidingsniveau (HBO/WO-niveau) en ervaring, moeten begrijpen dat een faillissement valt onder ‘financiële problemen’ en dus een bijzondere omstandigheid betreft als bedoeld bij vraag 6 van het screeningsformulier. [werknemer] had het faillissement minstgenomen aan Menzies moeten voorleggen, zodat zij eventueel informatie bij de curator konden opvragen over de betrouwbaarheid van [werknemer] . Aangezien hij te werk werd gesteld als Financial Controller betreft dit een relevante omstandigheid voor de uitoefening van die vertrouwensfunctie. [werknemer] heeft er voor gekozen om te verzwijgen dat er sprake was van een faillissement. Dat [werknemer] zelf vindt dat hij geen financiële problemen ervaart, vormt hiervoor geen rechtvaardiging. Het is aan Menzies om te bepalen of zij [werknemer] vertrouwt. Dat het formulier is ingevuld in aanwezigheid van een HR-medewerker van Menzies maakt het voorgaande ook niet anders. Gesteld noch gebleken is immers dat [werknemer] aan deze medewerker melding heeft gedaan van het faillissement en dat deze medewerker [werknemer] heeft geadviseerd om het faillissement niet te vermelden. Dat het faillissement openbaar is en makkelijk zou zijn te raadplegen door de AIVD kan hem evenmin baten. [werknemer] heeft het formulier ingevuld en het faillissement niet vermeld, terwijl hij wist althans kon begrijpen dat dit relevante informatie was voor Menzies en voor het verkrijgen van het VGB.

Menzies is op vrijdag 18 mei 2018 door de curator op de hoogte gesteld van het faillissement, zodat de arbeidsovereenkomst onverwijld is opgezegd. Dat Menzies eerder op de hoogte was van het faillissement, zoals [werknemer] stelt, is gemotiveerd betwist. [werknemer] heeft zijn stelling niet nader onderbouwd.

5.5.

Uit het voorgaande volgt dat het verzoek van [werknemer] om vernietiging van het ontslag dient te worden afgewezen. De arbeidsovereenkomst is op 22 mei 2018 rechtsgeldig geëindigd.

5.6.

Volgens [werknemer] moet een billijke vergoeding worden toegekend, omdat geen sprake is van een dringende reden voor ontslag op staande voet, en het ontslag dus in strijd is met artikel 7:671 BW. Uit artikel 7:681 lid 1, onderdeel a, BW volgt dat de kantonrechter op verzoek van de werknemer een billijke vergoeding kan toekennen, indien de werkgever heeft opgezegd in strijd met artikel 7:671 BW. Nu hiervoor is geoordeeld dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is, zal het verzoek van [werknemer] om toekenning van die billijke vergoeding worden afgewezen.

5.7.

Ook de gevorderde vergoeding wegens onregelmatige opzegging is niet toewijsbaar nu het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven.

5.8.

Gelet op het voorgaande zal ook het verzoek van [werknemer] om schriftelijke en deugdelijke bruto/netto specificaties van de gevorderde vergoeding te verstrekken, worden afgewezen.

5.9.

Omdat het ontslag op staande voet niet wordt vernietigd heeft [werknemer] geen recht op loondoorbetaling en moet ook zijn vordering tot wedertewerkstelling worden afgewezen.

5.10.

De proceskosten komen voor rekening van [werknemer] , omdat hij ongelijk krijgt.

het tegenverzoek

5.11.

Hiervoor is geoordeeld dat het verzoek van [werknemer] tot vernietiging van het ontslag op staande voet wordt afgewezen en dat dit ontslag dus niet wordt vernietigd. Dat betekent dat de voorwaarde waaronder Menzies het verzoek om ontbinding van de arbeidsovereenkomst heeft gedaan, niet is vervuld, zodat dit verzoek in zoverre niet hoeft te worden beoordeeld.

6 De beslissing

De kantonrechter:

het verzoek

6.1.

wijst het verzoek af;

6.2.

veroordeelt [werknemer] tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van Menzies tot en met vandaag vaststelt op € 600,00 salaris gemachtigde;

6.3.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gewezen door mr. L.M. de Vries, kantonrechter en op 2 november 2018 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter