Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2018:9860

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
14-11-2018
Datum publicatie
03-05-2019
Zaaknummer
AWB - 17 _ 3474
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2020:492, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning verleend voor project bestaande uit meerdere gebouwen. In beroep daartegen onder meer de vaststelling van het peil en de parkeerbehoefte aan de orde gesteld. Bij vaststelling parkeerbehoefte aanwezigheidspercentages CROW betrokken.

Wetsverwijzingen
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: HAA 17/3474 en 18/2806

uitspraak van de meervoudige kamer van 14 november 2018 in de zaken tussen

1. [eiser 1] ,

2. [eiser 2] ,

3. [eiser 3] ,

4. [eiser 4] ,

5. [eiser 5] ,

6. [eiser 6] ,

allen te Haarlem,

eisers,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem, verweerder,

(gemachtigde: mr. D.S.P. Roelands-Fransen).

Tevens hebben als derde-partij aan het geding deelgenomen:

Plaza West Haarlem B.V.,

(gemachtigde: mr. V.J. Leijh),

en

Stichting Rabobank Pensioenfonds en Stichting Achmea Dutch Residential Fund,

(gemachtigde: mr. I.L. Haverkate).

Procesverloop

zaaknummer 17/3474

Bij besluiten van 17 januari 2017 (primaire besluiten I) heeft verweerder aan Plaza West Haarlem B.V. (hierna: vergunninghouder) een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van 105 appartementen en een parkeerkelder (gebouw I Plaza West, hierna: gebouw I), het bouwen van 105 appartementen en een parkeerkelder (gebouw VI Plaza West, hierna: gebouw VI) en het bouwen van 96 appartementen, commerciële ruimte en een parkeerkelder (gebouw V Plaza West, hierna: gebouw V) op het perceel plaatselijk bekend [perceel] . De omgevingsvergunningen zijn verleend voor de activiteiten 'bouwen' en 'gebruik in strijd met bestemmingsplan'.

Het bezwaar van eisers tegen de primaire besluiten heeft verweerder bij besluit van 27 juni 2017 (het bestreden besluit I-A) ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit I-A beroep ingesteld.

Vergunninghouder heeft voor gebouw I en gebouw VI op 4 augustus 2017 een gewijzigde aanvraag ingediend.

Bij besluiten van 9 januari 2018 heeft verweerder voor gebouw I en gebouw VI gewijzigde omgevingsvergunningen afgegeven. Deze besluiten vervangen het bestreden besluit I-A voor zover dat ziet op gebouw I en gebouw VI (de bestreden besluiten I-B).

Eisers hebben in reactie hierop aangegeven hun beroep te handhaven.

zaaknummer 18/2806

Bij besluit van 13 maart 2017 (het primaire besluit II) heeft verweerder aan Plaza West Haarlem B.V. een omgevingsvergunning verleend voor het verbouwen en uitbreiden van het bestaande EKP-gebouw op het perceel [perceel] en andere percelen (gebouw VIII Plaza West, hierna: gebouw VIII). De omgevingsvergunning is verleend voor de activiteiten 'bouwen' en 'gebruik in strijd met bestemmingsplan'. Eisers hebben tegen het primaire besluit II bezwaar gemaakt.

Vergunninghouder heeft voor gebouw VIII op 10 augustus 2017 een gewijzigde aanvraag ingediend.

Verweerder heeft bij besluit van 13 februari 2018 op het bezwaar van eisers beslist (het bestreden besluit II). Daarbij is, voor zover van belang, de verleende omgevingsvergunning conform de gewijzigde aanvraag gewijzigd en zijn de bezwaren ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit II beroep ingesteld.

beide zaken

Verweerder heeft verweerschriften ingediend.

De rechtbank heeft de beroepen gelijktijdig behandeld op de zitting van 19 september 2018. Eisers sub 1, 4, 5 en 6 zijn verschenen. Namens verweerder zijn verschenen mr. A.F. van Heusden-Verhoef (juridisch medewerker), A.M. van Buggenum (team vergunningverlening) en H. Rots (stedenbouwkundige), bijgestaan door voornoemde gemachtigde en vergezeld door [naam 1] (werkzaam voor [bedrijf] ). Namens vergunninghouder zijn verschenen [naam 2] (directeur) en [naam 3] , bijgestaan door voornoemde gemachtigde. Namens Stichting Rabobank Pensioenfonds en Stichting Achmea Dutch Residential Fund is verschenen [naam 4] (werkzaam bij Syntrus Achmea Real Estate & Finance B.V.), bijgestaan door voornoemde gemachtigde.

Overwegingen

1. Ontvankelijkheid

1.1

De rechtbank is ambtshalve gehouden om te oordelen over de ontvankelijkheid van het beroep.

1.2

Het bestreden besluit I-A is voor zover het ziet op gebouw I en gebouw VI vervangen door de bestreden besluiten I-B. Nu gesteld noch gebleken is dat eisers nog belang hebben bij vernietiging van het bestreden besluit I-A voor zover dit ziet op gebouw I en gebouw VI, zal de rechtbank het beroep van eisers gericht tegen het bestreden besluit I-A in zoverre niet-ontvankelijk verklaren.

1.3

Beide beroepschriften zijn ondertekend door eisers sub 1 tot en met 6.

1.4

Ter zitting is komen vast te staan dat eiseres sub 6 geen zicht heeft op de gebouwen I, V, VI en VIII en dat zij op (hemelsbreed) 550 meter afstand van die gebouwen woont. Gelet hierop valt niet in te zien dat zij door de primaire besluiten I en II rechtstreeks in haar belang wordt getroffen, nu niet is gebleken dat de vergunde projecten ruimtelijke effecten hebben ter plaatse van haar woning. De enkele vrees voor toename van verkeer en daarmee gepaard gaande overlast is onvoldoende. Eiseres sub 6 kan daarom naar het oordeel van de rechtbank niet aangemerkt worden als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij de primaire besluiten I en II, zodat daartegen voor haar geen bezwaar openstond. De rechtbank zal daarom haar beroep in beide zaken gegrond verklaren, de bestreden besluiten I-A (gebouw V), I-B (gebouwen I en VI) en II op dit punt vernietigen en het bezwaar van eiseres sub 6 alsnog niet-ontvankelijk verklaren.

1.5

Eisers sub 1 tot en met 5 (hierna tezamen te noemen: eisers) hebben (tijdig) beroep ingesteld tegen het bestreden besluit I-A en daarbij aangegeven dit mede te doen namens omwonenden, waarvan in het beroepschrift geen namen of andere gegevens zijn vermeld. Eisers zijn na ontvangst van het beroepschrift door de rechtbank in de gelegenheid gesteld om machtigingen te overleggen van de personen namens wie beroep is ingesteld. In reactie hierop hebben eisers aan de rechtbank een handtekeningenlijst doen toekomen met daarop namen, adressen en handtekeningen van vele omwonenden. Nu deze lijst niet binnen de beroepstermijn is ontvangen, is de identiteit van deze omwonenden niet voor afloop van de beroepstermijn kenbaar geworden. Deze omwonenden zijn daarom niet-ontvankelijk in hun beroep. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 16 maart 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:681).

1.6

In het beroepschrift tegen het bestreden besluit II is vermeld dat eisers 'mede namens de ondertekenaars van voorgaande bezwaarschriften en toelichtingen verzoeken de bezwaren gegrond te verklaren'. Indien eisers daarmee hebben bedoeld om behalve voor zichzelf mede namens andere omwonenden beroep in te stellen, is het beroep om bovengenoemde reden in zoverre ook niet-ontvankelijk. Het beroep is niet door andere omwonenden dan eisers ondertekend en evenmin is binnen de beroepstermijn anderszins de identiteit van deze andere omwonenden kenbaar geworden.

2. Wijziging van ondergeschikte aard

2.1

Verweerder heeft de verleende omgevingsvergunningen op verzoek van vergunninghouder gewijzigd. In de procedure met zaaknummer 17/3474 hebben de wijzigingen (betreffende de gebouwen I en VI) plaatsgevonden hangende beroep en in de procedure met zaaknummer 18/2806 (betreffende gebouw VIII) bij het besluit op bezwaar.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld gerechtigd te zijn om deze wijzigingen door te voeren zonder een nieuwe aanvraag te verlangen, omdat het gaat om wijzigingen van ondergeschikte aard. Eisers hebben gemotiveerd betwist dat het om wijzigingen van ondergeschikte aard gaat. De rechtbank overweegt in dit verband als volgt.

2.2

Indien hangende een bezwaar- of (hoger)beroepsprocedure over een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) omgevingsvergunning wordt verleend voor een wijziging van het betrokken bouwplan, is op dat wijzigingsbesluit artikel 6:19 van de Awb van toepassing, mits de betreffende wijziging van ondergeschikte aard is. De vraag of een wijziging van ondergeschikte aard is, dient per concreet geval te worden beantwoord. Indien de wijziging van de oorspronkelijke aanvraag zodanig ingrijpend is dat redelijkerwijs niet meer van hetzelfde bouwplan kan worden gesproken, moet daarvoor een nieuwe aanvraag worden ingediend. Tevens geldt dat ook als de wijzigingen op zichzelf niet als gering kunnen worden aangemerkt, het gelet op de totale omvang van een bouwplan zo kan zijn dat die wijziging niet als planologisch relevant wordt aangemerkt. Zie in dit verband de uitspraken van de Afdeling van 7 februari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:378) en 6 juni 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:1866).

2.3

De wijzigingen zijn in dit geval voornamelijk ingegeven door het vervallen van de voorgenomen bouw van een parkeergarage (gebouw VII) die met de ondergrondse parkeergarages van de overige gebouwen zou worden verbonden. Daardoor wijzigen onder meer de toegang/uitgang van de parkeergarages onder de gebouwen, alsmede een aantal daarmee samenhangende constructieve onderdelen. Nu het gebruik als parkeergarage niet de hoofdfunctie van de gebouwen betreft en deze wijzigingen voornamelijk inpandige wijzigingen betreffen zonder of met slechts een zeer geringe ruimtelijke uitstraling, ziet de rechtbank geen aanleiding om te oordelen dat verweerder de wijzigingen niet als ondergeschikt heeft mogen aanmerken. Daarbij komt dat niet valt in te zien hoe eisers door de wijzigingen in hun belangen worden geschaad. De gebouwen worden niet groter of hoger, integendeel, de gebouwen I en VI worden zelfs lager dan in eerste instantie vergund, waarmee tegemoet wordt gekomen aan de bezwaren van eisers op dit punt. Aan eisers kan wel worden toegegeven dat het aanzicht van het maaiveld om de gebouwen door het vervallen van de ontwikkeling van het gebouw VII (dat geheel als parkeergarage zou worden ingericht) zal wijzigen doordat daar meer zichtbaar geparkeerd zal worden, maar daarop zien de nu ter beoordeling voorliggende omgevingsvergunningen niet.

2.4

De rechtbank ziet daarom geen grond voor het oordeel dat verweerder niet gerechtigd was de verleende omgevingsvergunningen te wijzigen zonder een nieuwe aanvraag te verlangen. Het beroep heeft op grond van het bepaalde in artikel 6:19 van de Awb van rechtswege mede betrekking op de besluiten van 9 januari 2018 (bestreden besluiten I-B).

3. Verdere beoordeling van het beroep

3.1

De rechtbank zal hierna de beroepsgronden beoordelen die gericht zijn tegen het bestreden besluit I-A (gebouw V), de bestreden besluiten I-B (gebouw I en gebouw VI) en het bestreden besluit II (gebouw VIII). De rechtbank zal de beroepsgronden in beide zaken zo veel mogelijk gezamenlijk bespreken. Daarbij kan en zal de rechtbank alleen de belangen betrekken van de eisers die ontvankelijk zijn in hun beroep. Aan het einde van de uitspraak zal de rechtbank aangeven tot welke beslissingen de beoordeling van de beroepsgronden in de afzonderlijke zaken leidt.

4. Wettelijk kader en bestemmingsplan

4.1

De activiteit bouwen

Op grond van het bepaalde in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo is het verboden om zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren indien en voor zover dat bestaat uit het bouwen van een bouwwerk.

Op grond van het bepaalde in artikel 2:10, eerste lid, van de Wabo wordt een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo geweigerd als - kort gezegd - het bouwplan strijdig is met het Bouwbesluit, de bouwverordening, het bestemmingsplan of de redelijke eisen van welstand.

4.2

De activiteit gebruiken in strijd met het bestemmingsplan

Op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo is het verboden om zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren indien en voor zover dat bestaat uit het gebruiken van gronden en bouwwerken in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan.

Op grond van het bepaalde in artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, ten eerste en ten tweede, van de Wabo kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:

  1. met toepassing van de in het bestemmingsplan opgenomen regels inzake afwijking;

  2. in de in het Besluit omgevingsrecht (Bor) aangewezen gevallen.

Op grond van het bepaalde in artikel 4, aanhef en onder 9, van bijlage II bij het Bor, komt voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan wordt afgeweken, voor zover van belang, in aanmerking:

het gebruiken van bouwwerken, eventueel in samenhang met bouwactiviteiten die de bebouwde oppervlakte of het bouwvolume niet vergroten, en van bij die bouwwerken aansluitend terrein.

4.3

Het bestemmingsplan

Ter plaatse geldt het bestemmingsplan Pijlslaan e.o.. Op de gronden waarop de projecten zijn voorzien rusten de bestemming Gemengd 6 en de bestemming Verkeer.

Op grond van het bepaalde in artikel 8 van de planregels mogen de gronden met de bestemming Gemengd 6 worden gebruikt voor onder meer parkeervoorzieningen, wonen en detailhandel, waarbij het totaal aan bruto vloeroppervlak (bvo) detailhandel niet meer mag bedragen dan 8.000 m2, waarvan maximaal 4.000 m2 voor twee supermarkten waarbij de grootste supermarkt niet groter mag zijn dan 2.700 m2 bvo. Voorts is wonen uitgesloten ter plaatse van de aanduiding 'wonen - uitgesloten', met uitzondering van de bovenste verdieping, waar uitsluitend wonen is toegestaan.

Op grond van het bepaalde in artikel 17 van de planregels mogen de gronden met de bestemming verkeer onder meer worden gebruikt voor straten en wegen, voet- en fietspaden en parkeervoorzieningen.

Voor de bestemmingen Gemengd 6 en Verkeer gelden de volgende in artikel 25 van de planregels opgenomen algemene bouwregels:

Op grond van artikel 25.1.1, onder a, van de planregels mogen gebouwen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd en op grond van artikel 25.1.1, onder e, van de planregels is ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte' ten hoogste de aangegeven bouwhoogte toegestaan;

Op grond van het bepaalde in artikel 27, eerste lid, van de planregels kan het bevoegd gezag, voor zover van belang, met een omgevingsvergunning afwijken van:

a. de voorgeschreven maten ten aanzien van goothoogten, bouwhoogten, oppervlakten en bebouwingspercentages met ten hoogste 10%;

b. (…)

c. de in het plan aangegeven bouwgrenzen voor het realiseren van balkons, luifels, erkers, buitentrappen of andere ondergeschikte delen van een gebouw tot een maximum van 1,5 m;

d. van de in het plan aangegeven hoogten ten behoeve van centrale technische voorzieningen waarvan de bouwhoogte niet meer dan 3 m mag bedragen en de oppervlakte niet meer mag bedragen dan 20% van de oppervlakte van het hoofdgebouw.

5. Verleende omgevingsvergunningen voor de activiteit bouwen

5.1

Verweerder is gehouden een omgevingsvergunning te verlenen voor de activiteit bouwen als de in artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo genoemde weigeringsgronden zich niet voordoen. Tussen partijen is niet in geschil dat geen van de weigeringsgronden zich in dit geval voordoet. Verweerder kon dan ook de aangevraagde omgevingsvergunningen voor de activiteit bouwen niet weigeren.

6. Verleende omgevingsvergunningen voor de activiteit gebruik in strijd met het bestemmingsplan

6.1

Voor de gebouwen I, V en VI heeft verweerder middels de bestreden besluiten I-A en I-B mogelijk gemaakt dat:

- de bebouwingsgrens (artikel 25.1.1, onder a, van de planregels) met maximaal 1,50 meter wordt overschreden ten behoeve van balkons (met toepassing van de binnenplanse afwijkingsmogelijkheid als opgenomen in artikel 27, eerste lid, aanhef en onder c, van de planregels);

- ten behoeve van technische voorzieningen op het dak de maximumbouwhoogte wordt overschreden (met toepassing van de binnenplanse afwijkingsmogelijkheid als genoemd in artikel 27, eerste lid, aanhef en onder d, van de planregels).

6.2

Verweerder heeft voor de gebouwen I en VI middels de bestreden besluiten I-B mogelijk gemaakt dat:

- de begane grondlaan deels valt buiten het bouwvlak in de bestemming Verkeer (met toepassing van de binnenplanse afwijkingsmogelijkheid als opgenomen in artikel 27, eerste lid, aanhef en onder a, van de planregels).

6.3

Verweerder heeft voor gebouw V middels het bestreden besluit I-A mogelijk gemaakt dat:

- ter plaatse waar bouwen maximaal tot een hoogte van 15 meter was toegestaan tot 16,50 meter hoog wordt gebouwd (met toepassing van de binnenplanse afwijkingsmogelijkheid als bedoeld in artikel 27, eerste lid, aanhef en onder a, van de planregels).

6.4

Voor gebouw VIII heeft verweerder middels het bestreden besluit II mogelijk gemaakt dat:

- ter plaatse waar bouwen maximaal tot een hoogte van 20 meter was toegestaan tot 22 meter hoog mag worden gebouwd (met toepassing van de binnenplanse afwijkingsmogelijkheid als opgenomen in artikel 27, eerste lid, aanhef en onder a, van de planregels);

- op de al aanwezige bovenste verdieping die gebruikt werd voor bewoning nog een verdieping wordt geplaatst en dat beide verdiepingen voor bewoning gebruikt zullen worden, terwijl het bestemmingsplan alleen bewoning van de bovenste verdieping toestaat (met toepassing van het bepaalde in artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, ten tweede, van de Wabo in samenhang met het bepaalde in artikel 4, aanhef en onder 9, van bijlage II bij het Bor, na positief advies van de adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit).

7. Belangenafweging

7.1

Eisers stellen zich in de eerste plaats, en als meest verstrekkende beroepsgrond, op het standpunt dat verweerder bij de bestreden besluiten ten onrechte geen integrale belangenafweging heeft gemaakt, zoals is voorgeschreven in de Awb. Doordat gebouw VII niet meer zal worden gerealiseerd, wordt afbreuk gedaan aan de aan de primaire besluiten I en II ten grondslag liggende integrale visie op het hele gebied. Verweerder heeft geen overzicht van het eindresultaat. Verweerder hanteert ten onrechte alleen het bestemmingsplan als toetsingskader waar het gaat om de leefbaarheid en veiligheid van de woonomgeving van eisers. Verweerder kijkt daarbij ten onrechte niet met een reële blik naar de toekomstbestendigheid, de bruikbaarheid, de veiligheid en de beheersbaarheid van de ontwikkelingen. Daarmee is de besluitvorming onzorgvuldig, aldus eisers.

7.2

Artikel 3:4 van de Awb schrijft voor dat verweerder alle rechtstreeks bij een besluit betrokken belangen tegen elkaar afweegt. Deze verplichting geldt volgens dit artikel echter slechts voor zover niet uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid een beperking voortvloeit.

7.3

Zoals hiervoor onder 5.1 is overwogen is verweerder gehouden een omgevingsvergunning te verlenen voor de activiteit bouwen als de in artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo genoemde weigeringsgronden zich niet voordoen. Verweerder kan dan de aangevraagde omgevingsvergunning niet weigeren. De verplichting tot afweging van alle belangen wordt hier dus beperkt door een wettelijk voorschrift. Voor zover de projecten voldoen aan de regels als gesteld in het bestemmingsplan is er zoals gezegd geen ruimte voor een belangenafweging.

7.4

Voor zover de aangevraagde projecten in strijd zijn met het bestemmingsplan, is verweerder niet gehouden, maar wel bevoegd om daarvoor een omgevingsvergunning te verlenen. Bij gebruikmaking van die bevoegdheid is verweerder op grond van het bepaalde in artikel 2.12 van de Wabo en artikel 3:4 van de Awb wél gehouden om de daarbij betrokken belangen in kaart te brengen en deze belangen tegen elkaar af te wegen. Daarbij geldt dat (enkel) de ruimtelijke effecten en de gevolgen voor de woon- en leefomgeving van de vergunde afwijking van het bestemmingplan moeten worden afgewogen tegen de met die afwijking gediende belangen. De ruimtelijke effecten en de gevolgen voor de woon- en leefomgeving van hetgeen op grond van het bestemmingsplan al is toegestaan, blijven buiten beschouwing.

7.5

Gelet op het voorgaande was verweerder niet gehouden tot een zo vergaande en integrale belangenafweging als door eisers bepleit. Van onzorgvuldige besluitvorming is op deze grond dan ook geen sprake. Deze beroepsgrond treft geen doel.

7.6

De rechtbank zal hierna de door verweerder gemaakte belangenafweging beoordelen.

Daarbij geldt dat de beslissing om al dan niet met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo omgevingsvergunning te verlenen voor het afwijken van het bestemmingsplan behoort tot de bevoegdheid van verweerder, waarbij verweerder beleidsruimte toekomt. Dat betekent dat de bestuursrechter deze beslissing terughoudend moet toetsen, dat wil zeggen dat hij zich moet beperken tot de vraag of het bevoegd gezag bij een afweging van betrokken belangen, in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen.

8. Het gehanteerde peil

8.1

Eisers hebben zich op het standpunt gesteld dat verweerder bij de beoordeling van de aanvragen van een onjuiste bouwhoogte is uitgegaan, omdat hij een onjuist peil als uitgangspunt heeft genomen. De rechtbank overweegt in dit verband als volgt.

8.2

In artikel 2.1 van de planregels is bepaald dat de bouwhoogte van een bouwwerk wordt gemeten vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte onderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen onderdelen.

Op grond van artikel 1.67 van de planregels wordt onder Peil verstaan:

a. voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de (openbare) weg grenst: de hoogte van de kruin van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;

b. voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan;

c. indien in of op het water wordt gebouwd: het plaatselijk gemiddelde waterpeil.

8.3

Verweerder heeft het peil voor de gebouwen I en VI vastgesteld met toepassing van het bepaalde in artikel 1.67, aanhef en onder b, van de planregels voor gebouw I op 0,578 m +NAP en voor gebouw VI op 0,794 m +NAP.

Het voor gebouw V met toepassing van het bepaalde in artikel 1.67, aanhef en onder b, van de planregels vastgestelde peil is 0,761 m +NAP. Verweerder heeft het peil echter met toepassing van het bepaalde in artikel 1.67, aanhef en onder a, van de planregels gerelateerd aan de kruin van de openbare weg ter plaatse van de hoofdtoegang, omdat de hoofdtoegang van gebouw V zich bevindt nabij de openbare weg (de Westergracht). Het aldus vastgestelde peil is lager en bedraagt 0,70 m +NAP.

Voor gebouw VIII heeft verweerder het peil vastgesteld met toepassing van het bepaalde in artikel 1.67, aanhef en onder b, van de planregels op 0,773 m +NAP.

8.4

Tussen partijen is niet in geschil dat het terrein rondom de gebouwen I, V, VI en VIII ongelijk van hoogte is. Verweerder heeft van de hoogtes van de genoemde meetpunten per gebouw het gemiddelde berekend en het peil per gebouw vastgesteld op de aldus berekende gemiddelde hoogte van het aangrenzend terrein. De rechtbank acht deze benadering begrijpelijk en niet onredelijk.

8.5

Verweerder is bij vaststelling van het peil uitgegaan van de (onder meer) op de in beroep overgelegde tekening BP2635-Peil van 3 augustus 2017 vermelde resultaten van de verrichte hoogtemetingen, waarbij de hoogte van de op de rondom de gebouwen gelegen meetpunten is vastgesteld. De rechtbank gaat er, bij gebreke van aanwijzingen die duiden op het tegendeel, van uit dat de vermelding van de gemeten hoogtes bij de meetpunten op deze tekening juist is.

De rechtbank gaat er om dezelfde reden, en omdat eisers dit ter zitting hebben bevestigd, voorts van uit dat die hoogtes niet afwijken van de hoogtes van de meetpunten ten tijde van de terinzagelegging van het bestemmingsplan.

8.6

De vraag of verweerder voor wat betreft de vaststelling van het peil van gebouw V terecht heeft aangesloten bij het bepaalde in artikel 1.67, aanhef en onder a, van de planregels behoeft niet te worden beantwoord, nu eisers hierdoor in ieder geval niet tekort zijn gedaan. Het aldus vastgestelde peil is lager en bedraagt 0,70 m +NAP. Gevolg hiervan is dat er 0,06 m minder hoog gebouwd mag worden, waarmee tegemoet wordt gekomen aan het streven van eisers om de bouwhoogte zoveel mogelijk te beperken.

8.7

Verweerder is er bij bepaling van de hoogte van het peil bij gebouw VIII van uitgegaan dat de hoofdtoegang niet direct aan de (openbare) weg grenst, maar aan een niet openbaar parkeerterrein, zodat niet het bepaalde in artikel 1.67, aanhef en onder a, van de planregels moet worden toegepast, maar het bepaalde in artikel 1.67, aanhef en onder b. Eisers hebben dit gemotiveerd betwist.

8.8

De rechtbank stelt vast dat in de planregels niet nader is gedefinieerd wat dient te worden verstaan onder (openbare) weg als bedoeld in artikel 1.67 van de planregels. Verweerder heeft voor de nadere invulling van de term (openbare) weg aansluiting gezocht bij de term openbare weg als bedoeld in artikel 4 van de Wegenwet. Dit acht de rechtbank in dit geval niet onredelijk.

8.9

In artikel 4, eerste lid, van de Wegenwet is bepaald (samengevat en voor zover hier van belang) dat een weg openbaar is wanneer deze:

I. gedurende 30 achtereenvolgende jaren voor een ieder toegankelijk is geweest;

II. gedurende 10 achtereenvolgende jaren voor een ieder toegankelijk is geweest en tevens gedurende die periode is onderhouden door het Rijk, een provincie, een gemeente of een waterschap.

8.10

Verweerder stelt zich op het standpunt dat in dit geval geen sprake is van een openbare weg in de zin van de Wegenwet, omdat gebouw VIII op particulier terrein ligt en grenst aan een parkeerterrein dat niet voor iedereen toegankelijk was of is. De rechtbank ziet geen aanleiding om verweerder hierin niet te volgen. Weliswaar hebben eisers gesteld dat de [perceel] nooit afgesloten is geweest en al vanaf 1985 openbaar is, maar zij betwisten niet dat de parkeerplaatsen, die zijn gelegen tussen de [perceel] en gebouw VIII, middels slagbomen waren afgesloten. Dat het voetpad tussen de parkeerplaatsen en gebouw VIII naar eisers stellen is ingericht als openbaar trottoir leidt niet tot een ander oordeel, nu niet de inrichting van het voetpad maar de vraag of dit pad gedurende langere tijd voor een ieder toegankelijk is (geweest) doorslaggevend is. Over dat laatste hebben eisers geen concrete feiten of omstandigheden gesteld. De rechtbank gaat er daarom van uit dat het aan de hoofdtoegang van gebouw VIII grenzende parkeerterrein niet kan worden aangemerkt als openbare weg als bedoeld in de Wegenwet en daarmee niet als (openbare) weg in de zin van artikel 1.67 van de planregels.

8.11

Hetgeen hiervoor onder 8.4 tot en met 8.10 is overwogen, leidt tot de conclusie dat verweerder bij het verlenen van de omgevingsvergunningen voor de gebouwen I, V, VI en VIII is uitgegaan van het juiste peil. Deze beroepsgrond treft geen doel.

9. De bouwhoogte

9.1

De rechtbank stelt vast, en tussen partijen is niet in geschil, dat de bouwhoogte van de gebouwen I en VI (na wijziging van de omgevingsvergunningen) niet hoger is dan de ter plaatse ingevolge het bestemmingsplan toegestane maximumbouwhoogte van 15 meter. Voor een belangenafweging is dus geen plaats.

9.2

De rechtbank stelt voorts vast, en tussen partijen is dit ook niet in geschil, dat de bouwhoogte van gebouw V van 16,5 meter boven het peil de ingevolge het bestemmingsplan toegestane maximumbouwhoogte van 15 meter met 1,5 meter ofwel 10% overschrijdt en dat de bouwhoogte van gebouw VIII van 22 meter boven het peil de ingevolge het bestemmingsplan toegestane maximumbouwhoogte van 20 meter met 2 meter ofwel 10% overschrijdt.

9.3

Anders dan eisers betogen, was verweerder bevoegd om daarvoor met toepassing van artikel 27 van de planregels in samenhang met artikel 2:12, eerste lid, aanhef en onder a, ten eerste, van de Wabo omgevingsvergunning te verlenen. De uitleg die eisers geven aan artikel 27 van de planregels, inhoudende dat nu bij de gebouwen V en VIII de toegestane maximumbouwhoogte al is benut, alleen nog een afwijking naar beneden mogelijk is, berust op een onjuiste lezing van de planregels.

9.4

Bij verlening van de omgevingsvergunningen voor het afwijken van de ingevolge het bestemmingsplan toegestane maximumbouwhoogte, moet verweerder alle betrokken belangen tegen elkaar afwegen.

9.5

In hetgeen eisers tegen de (extra) hoogte van gebouw V hebben aangevoerd ziet de rechtbank geen grond om te oordelen dat verweerder in redelijkheid niet heeft kunnen besluiten om medewerking te verlenen aan afwijking van het bestemmingsplan op dit punt. Eisers hebben weliswaar aangevoerd dat door de extra hoogte sprake is van verlies aan bezonning (lichtinval) en een toename van geluid, maar zij worden hierdoor, wat hier ook van zij, niet rechtstreeks in hun belangen geraakt omdat zij niet tegenover gebouw V wonen, en hiervan dus zelf geen hinder ondervinden.

9.6

In hetgeen eisers tegen de (extra) hoogte van gebouw VIII hebben aangevoerd ziet de rechtbank evenmin grond om te oordelen dat verweerder in redelijkheid niet heeft kunnen besluiten om medewerking te verlenen aan afwijking van het bestemmingsplan op dit punt. Verweerder heeft met de bezonningsstudie van Common Affairs van 4 september 2018 inzichtelijk gemaakt dat de extra bouwhoogte niet leidt tot een onaanvaardbare afname van de bezonning. Verweerder heeft voorts eigen berekeningen overgelegd waaruit blijkt dat de geluidsbelasting door vergunning van 2 meter extra bouwhoogte door weerkaatsing van met name het geluid afkomstig van de naastgelegen spoorlijnen met globaal 0,2 dB toeneemt. Daarbij heeft verweerder onweersproken gesteld dat de op gebouw VIII te bouwen woningen (de zogenoemde strandhuisjes) niet zijn voorzien van buitenruimtes boven de ingevolge het bestemmingsplan toegestane 20 meter. De rechtbank kan verweerder daarom volgen in het uitgangspunt dat het vergunnen van de extra bouwhoogte niet zal leiden tot productie van extra (buiten-)geluid door bewoners boven de 20 meter hoogte. De door eisers verwachte toename van laad- en losgeluiden van de (ook nu al) aanwezige supermarkt worden niet veroorzaakt door een vergunde afwijking van het bestemmingsplan. Verweerder had dan ook geen ruimte om op dit punt met de door eisers gestelde belangen rekening te houden.

9.7

Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen grond om te oordelen dat verweerder de extra bouwhoogte voor gebouw VIII niet had mogen vergunnen.

10. Wonen uitsluitend op de bovenste verdieping

10. De beroepsgrond van eisers dat verweerder geen omgevingsvergunning mocht verlenen voor het in strijd met het bestemmingsplan bewonen van twee wooneenheden op de derde verdieping van gebouw VIII slaagt niet. Verweerder heeft in dit kader onweersproken gesteld dat door een wijziging van de indeling op de eerste verdieping in gebouw VIII vier wooneenheden komen te vervallen. Het totaal aantal wooneenheden op de eerste en derde verdieping neemt daardoor met twee af, zodat niet valt in te zien hoe eisers door dit van het bestemmingsplan afwijkend gebruik in hun belangen worden geraakt.

Het standpunt van eisers dat voor het realiseren van de strandhuisjes op de vierde verdieping geen omgevingsvergunning kon worden verleend omdat de derde verdieping met de eerdere vergunningverlening voor woningen op die verdieping als 'de bovenste verdieping' moet worden beschouwd en wonen volgens het bestemmingsplan alleen op de bovenste verdieping is toegestaan, volgt de rechtbank niet. Verweerder gaat er - bij gebreke van een nadere definitiebepaling in de planregels - naar het oordeel van de rechtbank terecht van uit dat het bij 'de bovenste verdieping' in artikel 8.1.3, onder c, van de planregels gaat om de feitelijk aanwezige bovenste verdieping.

11. De verkeerssituatie

11. De beroepsgrond van eisers dat de verkeerssituatie ter plaatse nu al overbelast is en dat de bestreden omgevingsvergunningen niet konden worden verleend omdat de realisatie van een (te) groot aantal woningen zal leiden tot een verdere toename van de verkeersproblemen, slaagt evenmin. Het bestemmingsplan stelt geen limiet of andere regels met betrekking tot het aantal woningen (en de daaraan verbonden verkeersbewegingen) dat op de voor wonen bestemde gronden mag worden gerealiseerd. De planwetgever heeft de belangenafweging op dit punt dus al gemaakt. Voor verweerder bestond bij het nemen van de bestreden besluiten dan ook geen ruimte meer voor een belangenafweging.

Verweerder heeft er ter zitting overigens nog op gewezen dat de verkeerssituatie rond Plaza West in het kader van de verdere (hier thans niet aan de orde zijnde) herontwikkeling van de spoorzone nog aan de orde zal komen.

12. Parkeren

12.1

Met de regulering van het aantal parkeerplaatsen wordt beoogd een (te hoge) parkeerdruk op de omgeving te voorkomen. Niet uitgesloten is dat bij een tekort aan parkeerplaatsen voor bewoners en bezoekers van Plaza West de parkeerdruk ter plaatse van de woningen van eisers zal toenemen. De regulering van het aantal parkeerplaatsen strekt aldus ook tot bescherming van de belangen van eisers. Verweerders standpunt dat het in artikel 8:69a van de Awb neergelegde relativiteitsbeginsel in de weg staat aan het beroep van eisers op naleving van de parkeernormen kan daarom niet worden gevolgd.

12.2

Op grond van het bepaalde in artikel 26.1 van de planregels moet bij een gebouw overeenkomstig de gemeentelijke beleidsregels parkeernormen in voldoende mate ruimte zijn aangebracht en in stand worden gehouden op eigen terrein voor:

a. het parkeren van auto's;

b. het laden of lossen van goederen.

12.3

Verweerder heeft zich onder verwijzing naar de door [bedrijf] (adviseurs mobiliteit) op 9 augustus 2017 opgestelde parkeerbalans (hierna: de parkeerbalans) op het standpunt gesteld dat voor de vergunde projecten in voldoende mate in parkeerplaatsen op eigen terrein is voorzien.

In de parkeerbalans is de parkeerbehoefte vastgesteld met toepassing van de 'Beleidsregels parkeernormen Gemeente Haarlem 2015' en is gerekend met daarin genoemde normen die gelden voor de schil. De normen in het beleid zijn ontleend aan de CROW-normen (ASVV-2004). Daarbij is (inclusief daarin per woning begrepen 0,3 parkeerplaats voor bezoek) uitgegaan van een norm van 1,5 parkeerplaats per dure woning, 1,4 parkeerplaats per middeldure woning en 1,2 parkeerplaats per goedkope woning. Bij de winkels is gerekend met de norm voor een wijk-, buurt- en dorpscentrum van 2,5 parkeerplaats per 100m2 bvo en bij de sportschool is gerekend met de norm voor een dansstudio/sportschool van 2,0 parkeerplaats per 100m2 bvo. Bij het speelparadijs is gerekend met de norm voor een overdekte speeltuin/-hal van 3,0 per 100m2 bvo en bij de kantoorruimte is gerekend met de norm voor een kantoor zonder baliefunctie van 1 parkeerplaats per 100m2 bvo. Rekening houdend met aanwezigheidspercentages, dubbelgebruik en uitwisselbaarheid per gebouw van de beschikbare parkeerplaatsen, is de conclusie van [bedrijf] dat er voor de gebouwen I, V, VI en VIII op de maatgevende momenten in totaal 723 parkeerplaatsen nodig zijn. Wanneer rekening wordt gehouden met de uitwisselbaarheid van de parkeerplaatsen over alle vier de gebouwen zijn op het maatgevende moment in totaal 647 parkeerplaatsen nodig.

12.4

Verweerder heeft gesteld dat de hoge parkeernorm voor grootschalige detailhandel in het parkeerbeleid (4,5 parkeerplaats per 100m2 bvo) alleen is opgenomen voor buitencategorieën, zoals bijvoorbeeld een vestiging van IKEA. Er zijn geen concrete feiten of omstandigheden gesteld of gebleken die maken dat verweerder de in gebouw VIII gevestigde supermarkt tot deze buitencategorie had moeten rekenen. De rechtbank ziet daarom onvoldoende grond om eisers te volgen in hun standpunt dat verweerder voor de in gebouw VIII gevestigde supermarkt de hogere parkeernorm van 4,5 parkeerplaatsen per 100m2 bvo had moeten hanteren. Dat er meerdere winkels dicht bij elkaar zitten maakt dit niet anders.

12.5

Eisers voeren aan dat [bedrijf] de parkeerbehoefte ten onrechte heeft gecorrigeerd met de aanwezigheidspercentages als opgenomen in CROW-publicatie 317, nu die correctie niet is gebaseerd op de 'Beleidsregels parkeernormen Gemeente Haarlem 2015'. De rechtbank volgt eisers hierin niet. Het beleid voorziet in de mogelijkheid tot maatwerk en verweerder heeft de correctie binnen dat kader toegepast. De parkeerbehoefte mocht daarom met toepassing van de in de CROW-publicatie opgenomen aanwezigheidspercentages worden berekend. Dat de CROW-publicatie 317 los staat van de CROW-normen (ASVV-2004) waarop verweerder zijn beleid heeft gebaseerd en dat de gebruikte aanwezigheidspercentages pas in 2012 zijn gepubliceerd, maakt dit niet anders, omdat - zoals [bedrijf] ter zitting ook heeft toegelicht - er geen verband is tussen de parkeernormen en de aanwezigheidspercentages.

12.6

De rechtbank ziet verder geen grond om eisers te volgen in het betoog dat verweerder bij de berekening van de parkeerbehoefte niet mocht uitgaan van uitwisselbaarheid van de per gebouw beschikbare parkeerplaatsen. Dat de in gebouw VIII gevestigde supermarkt jegens de verhuurder volgens de stelling van eisers aanspraak zou kunnen maken op 200 exclusieve parkeerplaatsen maakt dit, wat hier ook van zij, niet anders. Uitgangspunt is dat de parkeerplaatsen uitwisselbaar zijn en als dat in de praktijk niet zo blijkt te zijn, waardoor de projecten niet meer in voldoende mate voorzien in parkeergelegenheid op eigen terrein, dan kan daartegen handhavend worden opgetreden.

12.7

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat verweerder de parkeerbehoefte overeenkomstig het door hem gevoerde beleid heeft berekend op 723 parkeerplaatsen als wordt uitgegaan van uitwisselbaarheid van de parkeerplaatsen per gebouw, en op 647 parkeerplaatsen als wordt uitgegaan van uitwisselbaarheid van de parkeerplaatsen over de vier gebouwen. Niet in geschil is dat de projecten voorzien in de realisatie van 723 parkeerplaatsen. Daarmee staat vast dat de gebouwen in voldoende mate voorzien in parkeergelegenheid op eigen terrein.

12.8

De stelling van eisers dat de praktijk uitwijst dat er nu al sprake is van een tekort aan parkeerplaatsen kan ten slotte, wat daar ook van zij, niet leiden tot vernietiging van de bestreden besluiten. Op grond van het bestemmingsplan moet de parkeerbehoefte worden berekend overeenkomstig het gemeentelijk parkeerbeleid, zoals in dit geval ook is gedaan. Daarbij komt dat parkeerbeleid niet hoeft te voorzien in de volledige parkeerbehoefte. Parkeerbeleid kan immers ook worden ingezet om het autogebruik te ontmoedigen door het aantal parkeerplaatsen te beperken.

13. Bouwlagen, ontbreken advies waterschap en overige gronden

13.1

De beroepsgrond van eisers dat de omgevingsvergunningen voor de gebouwen I en V hadden moeten worden geweigerd omdat binnen de toegestane bouwhoogte geen vijf bouwlagen kunnen worden gerealiseerd, slaagt niet. Het bestemmingsplan bevat geen voorschriften over het aantal bouwlagen dat mag worden gebouwd, noch over de hoogte daarvan. De gebouwen moeten wel voldoen aan het bepaalde in het Bouwbesluit, en niet aannemelijk is geworden dat daarvan in dit geval, gelet op het aantal bouwlagen, geen sprake kan zijn.

13.2

De rechtbank ziet in het ontbreken van een advies van het waterschap over de bouwplannen, anders dan eisers, evenmin grond om te oordelen dat de omgevingsvergunningen niet hadden mogen worden verleend, omdat geen rechtsregel verweerder verplicht om in dit geval advies aan het waterschap te vragen. De bouwmogelijkheden zijn al mogelijk gemaakt door vaststelling van het bestemmingsplan. Daarover is overigens wel advies gevraagd aan en verkregen van het waterschap en dat advies is ook betrokken bij de bestemmingsplanvoorbereidingsprocedure.

13.3

Ook hetgeen eisers overigens nog hebben aangevoerd, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel.

14. Dwangsom

14.1

Eisers hebben zich ten slotte op het standpunt gesteld dat ten onrechte aan hen geen dwangsom is toegekend voor het te laat beslissen op hun bezwaar tegen het primaire besluit II. Verweerder had de bij e-mail van 20 december 2017 ingediende klacht tevens als ingebrekestelling in behandeling moeten nemen, aldus eisers.

14.2

Bij besluit van 15 februari 2018 heeft verweerder aan eisers geen dwangsom toegekend, omdat de schriftelijke ingebrekestelling is ontvangen op 31 januari 2018 en de beslissing op het bezwaar is genomen binnen twee weken na ontvangst van deze ingebrekestelling. Het beroep heeft op grond van artikel 4:19, eerste lid, van de Awb mede betrekking op dit dwangsombesluit.

14.3

Ingevolge artikel 4:17, derde lid, van de Awb moet een ingebrekestelling schriftelijk worden gedaan. Gesteld noch gebleken is dat verweerder hiervoor de elektronische weg heeft opengesteld. Nu de beslissing op het bezwaar is genomen binnen twee weken na ontvangst van de ingebrekestelling, heeft verweerder terecht geen dwangsom toegekend.

Conclusie

15. Het beroep met zaaknummer 17/3474

15.1

Het beroep voor zover ingesteld door de omwonenden als bedoeld in rechtsoverweging 1.5 is niet-ontvankelijk.

15.2

Het beroep van eisers sub 1 tot en met 6 tegen het bestreden besluit I-A voor zover dat ziet op de gebouwen I en VI is niet-ontvankelijk (rechtsoverweging 1.2).

15.3

Het beroep gericht tegen het bestreden besluit I-A ten aanzien van gebouw V is gegrond, omdat verweerder eiseres sub 6 ten onrechte ontvankelijk heeft geacht in bezwaar. Hetzelfde geldt voor bestreden besluiten I-B. De rechtbank zal de bestreden besluiten I-A en I-B daarom in zoverre vernietigen en zelf in de zaak voorzien door het bezwaar van eiseres sub 6 alsnog niet-ontvankelijk te verklaren (rechtsoverweging 1.4).

15.4

Nu de beroepsgronden tegen het bestreden besluit I-A en de bestreden besluiten I-B zijn verworpen, is het beroep voor het overige ongegrond. Dit betekent dat de voor de gebouwen I, V en VI verleende omgevingsvergunningen in stand blijven.

15.5

Voor een proceskostenveroordeling ziet de rechtbank geen aanleiding, omdat niet is gebleken van daarvoor in aanmerking komende kosten. Wel zal de rechtbank bepalen dat verweerder eisers sub 1 tot en met 6 het door hen betaalde griffierecht vergoedt.

16. Het beroep met zaaknummer 18/2806

16.1

Het beroep voor zover ingesteld door de omwonenden als bedoeld in rechtsoverweging 1.6 is niet-ontvankelijk.

16.2

Het beroep gericht tegen het bestreden besluit II is gegrond, omdat verweerder

eiseres sub 6 ten onrechte ontvankelijk heeft geacht in bezwaar (rechtsoverweging 1.4). De rechtbank zal het bestreden besluit II daarom in zoverre vernietigen en zelf in de zaak voorzien door haar bezwaar alsnog niet-ontvankelijk te verklaren.

16.3

Nu de beroepsgronden tegen het bestreden besluit II zijn verworpen, is het beroep voor het overige ongegrond. Dit betekent dat de voor gebouw VIII verleende omgevingsvergunning in stand blijft.

16.4

Voor een proceskostenveroordeling ziet de rechtbank geen aanleiding, omdat niet is gebleken van daarvoor in aanmerking komende kosten. Wel zal de rechtbank bepalen dat verweerder eisers sub 1 tot en met 6 het door hen betaalde griffierecht vergoedt.

Beslissing

Zaaknummer 17/3474

De rechtbank

- verklaart het beroep van de omwonenden als bedoeld in overweging 1.5 van deze uitspraak niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit I-A voor zover dat ziet op de gebouwen I en VI niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep gericht tegen het bestreden besluit I-A ten aanzien van gebouw V en tegen de bestreden besluiten I-B gegrond voor zover verweerder eiseres sub 6 ontvankelijk heeft geacht in bezwaar en vernietigt de bestreden besluiten I-A en I-B in zoverre;

- verklaart het bezwaar van eiseres sub 6 niet-ontvankelijk en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde deel van de bestreden besluiten I-A en I-B;

- verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

- bepaalt dat verweerder aan eisers sub 1 tot en met 6 het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 168,00 vergoedt.

Zaaknummer 18/2806

De rechtbank

  • -

    verklaart het beroep van de omwonenden als bedoeld in overweging 1.6 van deze uitspraak niet-ontvankelijk;

  • -

    verklaart het beroep gericht tegen het bestreden besluit II gegrond voor zover verweerder eiseres sub 6 ontvankelijk heeft geacht in bezwaar en vernietigt het bestreden besluit II in zoverre;

  • -

    verklaart het bezwaar van eiseres sub 6 niet-ontvankelijk en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde deel van bestreden besluit II;

  • -

    verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

  • -

    bepaalt dat verweerder aan eisers sub 1 tot en met 6 het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 170,00 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Jochem, voorzitter, mr. D.M. de Feijter en mr. J. de Vries, leden, in aanwezigheid van mr. E. Degen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 november 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.