Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2018:9817

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
06-09-2018
Datum publicatie
26-11-2018
Zaaknummer
AWB - 18 _ 1503
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Participatiewet, bezwaar ingangsdatum uitkering, beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand 43
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 18/1503

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 september 2018 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. E.J.W.F. Deen),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Alkmaar, verweerder

(gemachtigde: D.M. Pereira Wong-Chung).

Procesverloop

Bij besluit van 9 november 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres per 21 september 2017 een bijstandsuitkering toegekend op grond van de Participatiewet (Pw).

Bij besluit van 6 maart 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 juli 2018. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres heeft zich op 8 december 2016 voor het eerst bij verweerder gemeld voor het aanvragen van een bijstandsuitkering.

Op 21 september 2017 heeft zij wederom een melding gedaan. Op 27 september 2017 heeft eiseres het op 22 september 2017 ondertekende aanvraagformulier ingediend.

2.1

Verweerder heeft bij het primaire besluit per 21 september 2017 een bijstandsuitkering aan eiseres toegekend.

2.2

Het bezwaar van eiseres, gericht tegen de ingangsdatum van de uitkering, die op volgens haar op 8 december 2016 had moeten liggen, heeft verweerder bij bestreden besluit ongegrond verklaard; het primaire besluit is gehandhaafd.

3. In beroep voert eiseres aan dat verweerder had daarom moeten beoordelen of zij op 8 december 2016, de datum waarop zij zich voor het eerst voor een bijstandsuitkering heeft gemeld, in zodanige omstandigheden verkeerde dat zij recht had op bijstand. Dat kan ook nog achteraf. Van toekenning met terugwerkende kracht is dan ook geen sprake. Het feit dat ook op 8 december 2016 een aanvraagmap is meegegeven en dat toen verschillende instanties haar reeds hulp boden doet daaraan niet af. Eiseres heeft na 8 december 2016 lange tijd niet durven teruggaan om de aanvraag in te dienen, omdat haar bij die eerste melding door medewerkers van verweerder is gezegd dat zij naar de dag-en-nacht-opvang moest en haar kinderen door Jeugdzorg zouden worden afgepakt. Dat zij mogelijk bepaalde mededelingen niet of niet geheel heeft begrepen doet daaraan niet af. Zij is destijds in verwarring gebracht en heeft niet de bedoeling gehad de aanvraag van 8 december 2016 in te trekken. De behoefte en het recht op bijstand kan en moet daarom vanaf de eerste melding, op 8 december 2016 worden vastgesteld, aldus eiseres.

4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat pas na de melding van 21 september 2017 een aanvraag is ingediend. Alleen in geval van bijzondere omstandigheden kan de uitkering op basis van die aanvraag eerder dan 21 september 2017 ingaan. Van dergelijke omstandigheden is in deze situatie geen sprake, aldus verweerder.

5.1

Op grond van artikel 43, eerste lid, van de Pw stelt het college het recht op bijstand op schriftelijke aanvraag of, indien een schriftelijke aanvraag niet mogelijk is, ambtshalve vast.

Op grond van artikel 44, eerste lid, van de Pw wordt, indien door het college is vastgesteld dat recht op bijstand bestaat, de bijstand toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan, voor zover deze dag niet ligt voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen.

5.2

Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep over toepassing van de artikel 43 en 44 van de Pw (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 4 augustus 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2613) wordt in beginsel geen bijstand verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen of in voorkomende gevallen een aanvraag om bijstand heeft ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen.

5.3.1

De rechtbank overweegt als volgt. In geschil is of verweerder de bijstandsuitkering al per 8 december 2016 aan eiseres had moeten toekennen.

5.3.2

Vast staat dat eiseres na de melding op 8 december 2016 geen schriftelijke aanvraag heeft ingediend. Zij heeft dat pas op 27 september 2017, kort na de melding van 21 september 2017, gedaan. Niet gebleken is dat het voor haar niet mogelijk was eerder een aanvraag te doen. Verweerder heeft uit het dossier van eiseres niet kunnen herleiden dat tegen haar is gezegd dat zij naar de dag- en nachtopvang zou moeten en dat haar kinderen bij Jeugdzorg zouden worden ondergebracht. Van een andere onderbouwing van deze stelling dan de verklaring van eiseres zelf is niet gebleken, zodat dat onvoldoende is komen vast te staan. Evenmin is gebleken dat eiseres voor september 2017 geen hulp of begeleiding had. Uit het verslag van verweerder van de melding van 8 december 2016 blijkt dat zij toen contact had met een medewerkster van de Weering en met Jeugd en Gezin. Weliswaar heeft zij dat ter zitting betwist, maar die betwisting is niet nader onderbouwd. Eiseres wordt dan ook geacht eerder een aanvraag te hebben kunnen doen.

Gezien het voorgaande ziet de rechtbank evenmin grond voor de conclusie dat sprake is van bijzondere omstandigheden die verlening van bijstand met terugwerkende kracht zouden rechtvaardigen.

5.4

Verweerder heeft dan ook kunnen beslissen dat de bijstandsuitkering niet eerder dan met ingang van 21 september 2017 wordt toegekend.

6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.M. Auwerda, rechter, in aanwezigheid van mr. drs. M. Abbas, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 september 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.