Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2018:9635

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
02-11-2018
Datum publicatie
06-11-2018
Zaaknummer
15/996503-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Mega CIG Biodiesel. Een drietal verdachten is veroordeeld tot 6 maanden voorwaardelijke gevangenisstraf en taakstraffen van 120 respectievelijk 240 uren, omdat zij in de periode van januari 2007 tot en met augustus 2007 dan wel mei 2009 gezamenlijk valsheid in geschrifte hebben gepleegd en geldbedragen hebben verduisterd. Daarnaast hebben zij en de vierde verdachte (de echtgenote van één van hen) zich tot maart 2012 schuldig gemaakt aan het witwassen van geldbedragen. De vierde verdachte is wegens schuldwitwassen veroordeeld tot 4 maanden voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf van 120 uren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Haarlemmermeer

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/996503-11 (P)

Uitspraakdatum: 2 november 2018

Tegenspraak (279 Sv)

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 8 december 2017, 1 oktober 2018, 2 oktober 2018, 3 oktober 2018, 4 oktober 2018 en 19 oktober 2018 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres] .

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A. Rogaar en van hetgeen de gemachtigd raadsman van verdachte, mr. J. de Bruin, advocaat te Maastricht, naar voren heeft gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat zij:

op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 februari 2007 tot en met 5 maart 2012 te Haarlem en/of Heerhugowaard en/of (elders) in Nederland, en/of te Brasschaat en/of Wuustwezel en/of (elders) in België, en/of te Enns en/of (elders) in Oostenrijk, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal,

van één of meerdere voorwerpen, te weten: één of meer geldbedragen van in totaal 1.408.739,84 euro (SFO OR V-001 en V-003), althans enig(e) geldbedrag(en),

de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding of de verplaatsing heeft/hebben verborgen en/of verhuld en/of verborgen of verhuld wie de rechthebbende op voornoemd(e) voorwerp(en) was en/of voornoemd(e) voorwerp(en) voorhanden had,

en/of

voornoemd(e) voorwerp(en) heeft/hebben verworven en/of voorhanden heeft/hebben gehad en/of heeft/hebben overgedragen en/of heeft/hebben omgezet en/of van voornoemd(e) gebruik heeft/hebben gemaakt,

terwijl zij, verdachte, (telkens) wist, dan wel (telkens) redelijkerwijs moest vermoeden, dat bovenomschreven goed(eren) en/of geldbedrag(en) geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf. (artikelen 420bis en 420quater van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr))

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Beoordeling van het bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot partiële vrijspraak van het ten laste gelegde opzetwitwassen en tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde schuldwitwassen. Zij heeft daartoe, kort samengevat, het volgende betoogd.

Op grond van de inhoud van het dossier kan worden bewezen dat medeverdachte [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ) en verdachte in de ten laste gelegde periode van de ontvangen beleggersgelden in het project CIG Biodiesel een bedrag van € 1.408.739,84 hebben witgewassen. Dit geldbedrag betreft het totaalbedrag dat ten gunste van [medeverdachte 1] en verdachte is overgemaakt naar bankrekeningen van aan hen gelieerde ondernemingen en de bankrekening van verdachte. [medeverdachte 1] en verdachte hebben de gelden, die uit de door [medeverdachte 1] in vereniging begane oplichting afkomstig waren, verworven en voorhanden gehad. Zij hebben hiervan in luxe geleefd en ten behoeve van zichzelf allerlei uitgaven gedaan. Door het doen van die uitgaven kan worden bewezen dat zij zich hebben schuldig gemaakt aan witwassen in de zin van overdragen, omzetten althans gebruik maken. Daarbij geldt dat [medeverdachte 1] wist dat de gelden uit door hem begane misdrijven afkomstig waren, namelijk het gebruik maken van een vals geschrift en oplichting, en dat verdachte dat moest vermoeden. Verdachte wist dat er grote geldbedragen werden ontvangen op de bankrekeningen van ondernemingen waarvan zij aandeelhouder en bestuurder was en op haar privérekening, terwijl zij geen werkzaamheden verrichte en zij wist dat de financiering voor het biodieselproject nog niet rond was. Verdachte heeft op geen enkele wijze onderzoek verricht naar de herkomst van de ontvangen gelden. Daarmee is zij tekortgeschoten in de op haar rustende onderzoeksplicht en heeft zij gehandeld met de voor schuldwitwassen vereiste aanmerkelijke onvoorzichtigheid.

Dat verdachte zich ook schuldig heeft gemaakt aan het verbergen en/of verhullen van de criminele aard en herkomst van en/of rechthebbende op de ontvangen gelden, kan evenwel niet worden bewezen. Daarvoor moet dan ook partiële vrijspraak volgen.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat verdachte integraal van het aan haar tenlastegelegde moet worden vrijgesproken. Hij heeft daartoe, kort samengevat, het volgende naar voren gebracht.

Verdachte moet worden vrijgesproken van de verwijten dat zij zich heeft schuldig gemaakt aan opzetwitwassen en dat zij de criminele aard en herkomst van of de rechthebbende op het in de tenlastelegging genoemde geldbedrag heeft verborgen of verhuld. Het dossier bevat hiervoor onvoldoende bewijs.

Schuldwitwassen kan volgens de raadsman evenmin worden bewezen. In het geval [medeverdachte 1] van de hem verweten oplichting, subsidiair verduistering, wordt vrijgesproken, kan niet worden bewezen dat de ontvangen gelden uit enig misdrijf afkomstig waren. Een bewezenverklaring van het gebruik maken van een vals geschrift is hiertoe onvoldoende, omdat het causale verband tussen de valsheid of valsheden in het prospectus en het investeren door de beleggers onvoldoende is aangetoond. Mocht de rechtbank oordelen dat de ontvangen gelden wel degelijk uit enig misdrijf afkomstig zijn, is subsidiair bepleit dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat voor de conclusie dat verdachte had moeten vermoeden dat er sprake was van misdrijven rond het biodieselproject. Uit de stukken blijkt dat verdachte niet inhoudelijk bij het project was betrokken en dat zij slechts algemene kennis daarvan had, zodat zij niet kon weten of vermoeden dat het project onhaalbaar was. Weliswaar was verdachte bestuurder van enkele bij het biodieselproject betrokken ondernemingen en gemachtigd ten aanzien van de bankrekeningen van deze ondernemingen, maar de leiding over deze ondernemingen lag in handen van [medeverdachte 1] . De enkele omstandigheid dat er gelden binnenkwamen waarvan [medeverdachte 1] en verdachte konden leven, ook in de periode dat het project in financieel zwaar weer verkeerde, is voor een bewezenverklaring onvoldoende, omdat [medeverdachte 1] ten behoeve van het project werkzaamheden verrichtte en een logisch gevolg daarvan was dat hij daarvoor een vergoeding ontving.

3.3.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft bij de beoordeling van het tenlastegelegde acht geslagen op de zich in het dossier bevindende stukken en overweegt als volgt.1

3.3.1.

Inleiding

De FIOD is in mei 2010, naar aanleiding van een aangifte door de Stichting Autoriteit Financiële Markten (hierna: AFM), een onderzoek gestart naar mogelijke malversaties rond het project CIG Biodiesel. De in Nederland gevestigde vennootschap [vennootschap 1] in oprichting, later genaamd [vennootschap 1]2 (hierna: de vennootschap (i.o.)), heeft vanaf 2007 obligatieleningen uitgegeven ter financiering van de bouw en exploitatie van (in eerste instantie) een biodieselfabriek in Enns (Oostenrijk), dan wel (in tweede instantie) een oliemolen/crusher met een afzonderlijke biodieselfabriek.3 Voor het aantrekken van beleggers is het prospectus “Prospectus Biodieselfabriek Ennshafen Oostenrijk”4 opgesteld, waarin de beleggers een gunstig rendement in het vooruitzicht is gesteld. In het prospectus stond met betrekking tot de financiering van het project tevens vermeld dat de bouw en exploitatie van de installatie verder zal worden gefinancierd door middel van onder andere een hypothecaire lening van investeerder [vennootschap 2] (hierna: [vennootschap 2] ) en daarnaast te verkrijgen overheidskredieten en subsidies.

In de periode van 29 januari 2007 tot en met 20 mei 2009 is door Nederlandse en Belgische beleggers een geldbedrag van in totaal € 4.257.020,22 in het biodieselproject geïnvesteerd5, dat ten behoeve van de bouw van de installatie kon worden aangewend. In het prospectus is vermeld dat met de engineering en de bouw van de installatie zal worden gestart na afronding van de totale financiering en dat de inbedrijfstelling is beoogd in het eerste- dan wel het derde kwartaal van 2009.6Ter realisatie daarvan zijn blijkens het onderzoek stappen gezet en uitgaven gedaan, zoals de aanbetaling voor een stuk bouwgrond in Enns. Tot de bouw van de installatie is het echter niet gekomen. Op 9 november 2010 is de vennootschap failliet verklaard zonder dat met de bouw van (een deel van) de oliemolen/crusher of biodieselfabriek was gestart. De beleggers hebben de door hun ingelegde gelden ter verstrekking van obligatieleningen niet terugbetaald gekregen.

De initiatiefnemers van het project CIG Biodiesel waren verdachten [medeverdachte 1] , zijn zoon [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) en [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3] )7, die al in 2006 met de eerste voorbereidingen ten behoeve van het project zijn gestart. [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] hebben aanvankelijk gezamenlijk aan het project gewerkt. Aan die samenwerking kwam begin augustus 2007 een einde, toen [medeverdachte 3] na een geschil met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] niet langer bij het project was betrokken.

Bij het biodieselproject waren ook enkele rechtspersonen betrokken. De bestuurder van de vennootschap betrof [vennootschap 3] , waarvan [medeverdachte 2] ten tijde van het biodieselproject de bestuurder was8.9 De aandeelhouders van de vennootschap waren de rechtspersonen10:

 [vennootschap 4] , waarvan verdachte ten tijde van het project de bestuurder was11, vertegenwoordigd door haar echtgenoot [medeverdachte 1]12,

 [vennootschap 5] , waarvan [medeverdachte 2] ten tijde van het project indirect via [vennootschap 3] de bestuurder was.13

Bij de vennootschap (i.o.) was, naast deze vennootschappen, ook betrokken [vennootschap 6] (hierna: [vennootschap 6] )14, waarvan [medeverdachte 3] ten tijde van het project enig aandeelhouder en bestuurder was15.

Het met de obligatieleningen ontvangen totaalbedrag van € 4.257.020,22 is binnengekomen op vier verschillende bankrekeningen, namelijk de bankrekening ten name van [vennootschap 6] , waarvoor [medeverdachte 3] bevoegd was, de bankrekening van de vennootschap i.o., waarvoor [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] bevoegd waren, een bankrekening van de vennootschap, waarvoor [medeverdachte 2] bevoegd was, en tot slot een bankrekening van [vennootschap 7] , waarvoor [betrokkene] bevoegd was.16 Gedurende het onderzoek naar de geldstromen is naar voren gekomen dat namens verschillende aan verdachten (indirect) gelieerde rechtspersonen is gefactureerd en dat de ingelegde beleggersgelden naar bankrekeningen van die rechtspersonen zijn overgeboekt.17 Er zijn allereerst gelden overgeschreven middels de bankrekening ten name van [vennootschap 2] , waarvoor [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] bevoegd waren.18 Ook zijn er gelden overgeschreven naar bankrekeningen ten name van [vennootschap 8] , [vennootschap 9] , [vennootschap 10] (hierna: [vennootschap 10] ) en [vennootschap 11] (hierna: [vennootschap 11] ). Voor de bankrekeningen van [vennootschap 10] en [vennootschap 11] was [medeverdachte 1] bevoegd.19 Verdachte is sinds 27 december 2001 (en tot in ieder geval 30 juni 2010) enig aandeelhouder van [vennootschap 8] en sinds 1 december 2002 (en tot in ieder geval 30 juni 2010) bestuurder van deze vennootschap.20 [medeverdachte 1] was bevoegd voor de bankrekening van [vennootschap 8]21 Verdachte is sinds 18 januari 2002 (en tot in ieder geval 30 juni 2010) enig aandeelhouder van [vennootschap 9] Bestuurder van deze vennootschap is sinds 1 november 2005 (en tot in ieder geval 30 juni 2010) eerdergenoemde [vennootschap 8]22 Verdachte was, samen met [medeverdachte 1] , bevoegd voor de bankrekening van [vennootschap 9]23

In november 2012 heeft de FIOD het onderzoek afgerond. Op grond van de bevindingen van dit onderzoek is de officier van justitie tot vervolging van verdachten overgegaan.

3.3.2.

Betrokkenheid verdachte bij project CIG Biodiesel

In aanvulling op de onder 3.3.1. genoemde inleiding stelt de rechtbank met betrekking tot de betrokkenheid van verdachte bij het biodieselproject het volgende vast.

In het hiervoor besproken prospectus staat [vennootschap 4] op pagina 52 genoemd als één van de oprichters van de vennootschap.24 Verdachte is (in ieder geval vanaf 1999) bestuurder geweest van [vennootschap 4] In maart 2009 is zij als bestuurder van [vennootschap 4] nog herbenoemd voor een periode van zes jaren.25 [vennootschap 4] is blijkens het ‘Businessplan Biodieselfabriek Enns’ één van de beoogde aandeelhouders van de vennootschap, de initiatiefnemer van het project CIG Biodiesel. Van 24 juli 2007 tot 31 december 2007 was [vennootschap 4] enig aandeelhouder van [vennootschap 1] / [vennootschap 1]26 In een aandeelhoudersovereenkomst van 5 december 2007 staat opgenomen dat de aandelen van de vennootschap zijn verdeeld tussen [vennootschap 4] en [vennootschap 5] , ieder voor vijftig procent. Deze overeenkomst is namens [vennootschap 4] getekend door verdachte.27

3.3.3.

Verdenking

Aan verdachte is ten laste gelegd dat zij, samen met één of meer anderen, waaronder haar echtgenoot [medeverdachte 1] , een geldbedrag van € 1.408.739,84 heeft witgewassen door, kort weergegeven:

a. de werkelijke aard en/of herkomst van dat geldbedrag te verbergen of te verhullen, en/of

b. dat geldbedrag te verwerven, voorhanden te hebben, over te dragen of gebruik te maken van dat geldbedrag.

3.3.4.

Uit enig misdrijf afkomstig

In het vonnis van heden in de zaak tegen medeverdachte [medeverdachte 1] heeft de rechtbank bewezen verklaard dat hij zich, in vereniging met [medeverdachte 2] en gedeeltelijk met [medeverdachte 3] , schuldig heeft gemaakt aan verduistering van een geldbedrag toebehorende aan beleggers, die middels het verstrekken van obligatieleningen geld hadden ingelegd ten behoeve van het project CIG Biodiesel. De rechtbank is, kort gezegd, van oordeel dat [medeverdachte 1] middels het factureren bij wijze van voorschot niet binnen de door de doelbinding geboden ruimte heeft gehandeld. Ook de hoogte van de bedragen die hij in dit stadium ten gunste van zichzelf heeft gefactureerd verhoudt zich niet binnen deze ruimte en is buitensporig. Het verduisteren vond (onder andere) plaats door het overboeken van geldbedragen naar bankrekeningen ten name van [vennootschap 8] , [vennootschap 9] , [vennootschap 10] en [vennootschap 11] .28

3.3.5.

Voorhanden hebben en gebruiken van verduisterde geldbedragen

[vennootschap 8] en [vennootschap 9]

Een totaalbedrag van € 420.660,18 is overgemaakt naar de bedrijfsrekening van [vennootschap 8]29 De eerste overboeking heeft plaatsgevonden op 5 februari 2007.30 Tevens is een totaalbedrag van € 269.014,92 overgemaakt naar de bedrijfsrekening van [vennootschap 9]

Verdachte had als (indirect) bestuurder en enig aandeel aandeelhouder van [vennootschap 9] en [vennootschap 8] de beschikking over de gelden die op de bankrekeningen van deze vennootschappen zijn binnengekomen. Nu [medeverdachte 1] (tevens) bevoegd was over deze bedrijfsrekeningen, heeft zij die geldbedragen, samen met [medeverdachte 1] voorhanden gehad.

[vennootschap 10] en [vennootschap 11]

In de periode van 22 februari 2008 tot en met 22 mei 2009 is er van de bankrekening van [vennootschap 2] een totaalbedrag van € 342.391,81 overgemaakt op bankrekeningen van [vennootschap 10] .31 [medeverdachte 1] is gemachtigde van deze bankrekening. In februari en april 2008 is van de bankrekening van [vennootschap 10] een geldbedrag van in totaal € 160.000,- overgeboekt naar een bankrekening van Dok en Scheepsbouw Woudsend B.V.32 Deze betalingen hadden betrekking op werkzaamheden aan het schip “ [verdachte] ”33, welk schip verdachte en [medeverdachte 1] in gebruik hadden.34 Nu voornoemd geldbedrag van € 160.000,- is aangewend voor het privéschip van verdachte en [medeverdachte 1] , heeft verdachte aldus samen met [medeverdachte 1] gebruik gemaakt van dat geldbedrag.

In de periode van april 2008 tot en met april 2009 is verder van de bankrekening van [vennootschap 2] een geldbedrag van in totaal € 141.000,- overgeschreven naar een bankrekening van [vennootschap 11] .35 [medeverdachte 1] is gemachtigde van deze bankrekening. Op 22 april 2009 is een bedrag van € 134.259,04 overgeboekt naar een bankrekening op naam van Dok en Scheepsbouw Woudsend B.V. onder vermelding van ‘restant refit M.S. [verdachte] volgens opstelling en afspraak’.36 Ook van dit geldbedrag heeft verdachte, samen met [medeverdachte 1] , naar het oordeel van de rechtbank gebruik gemaakt, nu het ten behoeve van hun privéschip is aangewend.

Privérekeningen
Op 10 december 2007 is van de bankrekening van [vennootschap 2] een bedrag van € 250.000,- overgemaakt naar een bankrekening op naam van [medeverdachte 1] en/of verdachte. Op 13 december 2007 is vervolgens het bedrag van € 250.000,- overgeboekt naar een bankrekening van J. van Groenendael Beheer B.V., ter inlegging in een High Yield Program.37 Met dit handelen heeft verdachte samen met [medeverdachte 1] dit geldbedrag van € 250.000,- voorhanden gehad en gebruikt.

Uit de beleggersgelden is een bedrag van € 2.500,- rechtstreeks overgemaakt naar een privérekening van verdachte.38

Op 23 november 2010 is van de bankrekening van [vennootschap 2] een bedrag van € 2.074,33 overgeschreven naar een bankrekening op naam van verdachte.39

Van de bankrekening van [vennootschap 10] is een totaalbedrag van € 455,97, overgemaakt op een bankrekening op naam van verdachte, bestaande uit de bedragen € 107,04 en $ 466,90 (naar de wisselkoers van 23 november 2010 een omgerekend bedrag van € 348,93).40 Op 23 november 2010 is er van de bankrekening van [vennootschap 11] een bedrag van € 235,58 overgeschreven naar een bankrekening op naam van verdachte41. Ook deze geldbedragen heeft verdachte voorhanden gehad.

Tussenconclusie

De rechtbank heeft geconstateerd dat verdachte in totaal een geldbedrag van € 1.239.200,02 voorhanden heeft gehad en/of heeft gebruikt (sub b). Ten laste is gelegd dat verdachte een totaalbedrag van € 1.408.739,84 zou hebben witgewassen en de officier van justitie heeft ook tot bewezenverklaring van dit bedrag gerekwireerd. Van het resterende bedrag kan de rechtbank echter niet vast stellen dat verdachte dit (samen met een ander of anderen) voorhanden heeft gehad, overgedragen of hiervan gebruik heeft gemaakt, nu [verdachte] ten aanzien van [vennootschap 11] en [vennootschap 10] geen formele rechtspositie had en/of niet bevoegd was te beschikken over deze bankrekeningen en de uitgaven die van voornoemde bankrekeningen zijn gedaan, zoals de investering in het Private Placement Program, niet te relateren zijn aan kosten van de gezamenlijke huishouding.

3.3.6.

Partiële vrijspraken

De rechtbank is evenals de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat zich in het dossier onvoldoende bewijsmiddelen bevinden dat verdachte wist dat het betreffende geldbedrag afkomstig was uit enig misdrijf. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken. De rechtbank zal zich in het hierna volgende daarom beperken tot de vraag of verdachte redelijkerwijs heeft moeten vermoeden dat genoemd geldbedrag uit misdrijf afkomstig was.

De rechtbank is verder van oordeel dat van het verbergen en/of verhullen van de herkomst van, dan wel de rechthebbende op, de ontvangen gelden (sub a) door verdachte geen sprake is geweest. De geldbedragen zijn voor een deel terechtgekomen op bankrekeningen van bedrijven die (direct) aan verdachte zijn gelieerd. Van overboekingen die gericht zijn geweest op het bemoeilijken van het zicht op de herkomst van de geldbedragen, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake geweest. De rechtbank zal verdachte daarom ook hiervan vrijspreken.

3.3.7.

Redelijkerwijs moest vermoeden – onderzoeksplicht

De rechtbank is, anders dan de verdediging, van oordeel dat verdachte redelijkerwijs moest vermoeden dat de ontvangen gelden uit misdrijf afkomstig waren. De rechtbank overweegt hierover het volgende.

Als bestuurder van [vennootschap 4] was verdachte (mede) verantwoordelijk voor het uitbrengen en gebruik van het prospectus. Zij wordt geacht van de inhoud van het prospectus op de hoogte te zijn en dus ook op de hoogte te zijn van de beoogde bestemming van de met het verstrekken van de obligatieleningen verworven gelden. Verdachte wordt, in haar hoedanigheid van bestuurder van [vennootschap 4] , tevens geacht zicht te hebben gehad op de geldstromen ten aanzien van het biodieselproject en binnen de vennootschap [vennootschap 1] (i.o.). Nu zij, zoals hiervoor onder 3.3.5. omschreven, aanzienlijke geldbedragen voorhanden heeft gehad en gebruikt, had zij zich moeten afvragen wat de herkomst van die gelden was, namelijk of die geldbedragen volgens de in het prospectus vermelde bestemming werden besteed en of de aan het biodieselproject onttrokken geldbedragen in verhouding stonden tot de met de obligatieleningen verstrekte geldbedragen. Dit geldt vooral, omdat verdachte wist dat via haar vennootschappen [vennootschap 8] en [vennootschap 9] gelden binnenkwamen uit het biodieselproject42 en dat het op een gegeven moment slecht ging met het project en om die reden door betrokkenen naar gelden werd gezocht om in het project te investeren.43

Het verweer dat verdachte feitelijk niet betrokken is geweest bij het biodieselproject en slechts in naam als bestuurder van de rechtspersonen was aangesteld in verband met het privéfaillissement van haar echtgenoot [medeverdachte 1] , zoals door de raadsman is betoogd, maakt dit niet anders. Gelet op de positie van verdachte als bestuurder van de genoemde vennootschappen, de daarbij behorende verantwoordelijkheden en mogelijkheden tot kennisname van de bedrijfsvoering, had een dergelijk onderzoek in de rede gelegen en had verdachte redelijkerwijs moeten vermoeden dat [medeverdachte 1] zich de geldbedragen wederrechtelijk had toegeëigend en dat die geldbedragen daarmee uit enig misdrijf afkomstig waren.

3.3.8.

Conclusie

Dit alles leidt ertoe dat de rechtbank het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen acht, namelijk dat verdachte zich samen met [medeverdachte 1] schuldig heeft gemaakt aan schuldwitwassen.

3.4.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat zij

in de periode van 1 februari 2007 tot en met 5 maart 2012 in Nederland en/of in België en/of in Oostenrijk tezamen en in vereniging met een ander een geldbedrag van in totaal 1.239.200,02 euro voorhanden heeft gehad en van voornoemd bedrag gebruik heeft gemaakt, terwijl zij, verdachte, redelijkerwijs moest vermoeden, dat bovenomschreven geldbedrag geheel - onmiddellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. Verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van schuldwitwassen.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6 Strafmotivering

6.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte, gelet op de ernst van het door haar bewezen geachte, de hoogte van het benadelingsbedrag en de LOVS-oriëntatiepunten voor fraude enerzijds, en de persoonlijke omstandigheden van verdachte en de overschrijding van de redelijke termijn van berechting met 3,5 jaren anderzijds, zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden, met een proeftijd van twee jaren, en een taakstraf van 168 uren, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering heeft doorgebracht.

6.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, gelet op het verzoek om integrale vrijspraak, geen strafmaatverweer gevoerd.

6.3.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van één en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte is aangehouden naar aanleiding van een fraudeonderzoek van de FIOD naar het project CIG Biodiesel, waarbij tijdens het aantrekken van beleggers gebruik is gemaakt van een vals prospectus en een deel van de ontvangen beleggersgelden is verduisterd. Verdachte was niet betrokken bij deze rond het project begane misdrijven, maar zij heeft zich wel gedurende een langere periode schuldig gemaakt aan het schuldwitwassen van uit deze verduistering afkomstige gelden. Verdachte heeft samen met haar echtgenoot [medeverdachte 1] van de aanzienlijke opbrengsten van dit misdrijf geprofiteerd en deze gelden aangewend voor dagelijks levensonderhoud en luxe privéuitgaven, zoals betalingen ten behoeve van het schip de “ [verdachte] ”. Hiermee is de integriteit van het financiële en economische verkeer geschonden. Het is zeer ernstig dat verdachte, in haar hoedanigheid van bestuurder van één van de bij het biodieselproject betrokken rechtspersonen, geen vragen heeft gesteld naar de herkomst van de gelden, maar deze simpelweg heeft gebruikt. De rechtbank kan niet anders dan concluderen dat verdachte zich kennelijk heeft laten leiden door persoonlijk gewin.

Bij het bepalen van de aan verdachte op te leggen straf of straffen heeft de rechtbank als uitgangspunt genomen wat doorgaans wordt opgelegd voor het begaan van fraudedelicten, zoals verduistering en witwassen, en aansluiting gezocht bij de hoogte van het bewezen verklaarde witwasbedrag. Gelet hierop en gezien de door de rechtbanken en gerechtshoven gehanteerde oriëntatiepunten voor fraude acht de rechtbank in beginsel alleen oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van enige tijd gerechtvaardigd. De rechtbank ziet echter aanleiding om hiervan af te wijken.

Om te beginnen heeft de rechtbank de persoon van verdachte in strafmatigende zin bij de straftoemeting betrokken. De rechtbank heeft acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals die uit het dossier zijn gebleken en ter terechtzitting naar voren zijn gebracht. Uit het Uittreksel Justitiële Documentatie van verdachte is gebleken dat zij niet eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen. Dat betekent dat verdachte moet worden aangemerkt als een “first-offender”, wat de rechtbank in haar voordeel heeft meegewogen.

In strafmatigende zin heeft de rechtbank ook het tijdsverloop in deze zaak meegewogen. Deze zaak komt voort uit het onderzoek naar het project CIG Biodiesel. Dat onderzoek is in mei 2010 gestart en heeft geresulteerd in de doorzoeking van de woning van verdachte op 13 april 2011. Daarna is het onderzoek voortgezet en is verdachte vervolgens op 5 maart 2012 aangehouden, in verzekering gesteld en verhoord. Hoewel het dossier in de onderhavige zaak in november 2012 gereed was, heeft het onderzoek in de jaren daarna stilgelegen. Pas in augustus 2014 heeft het Openbaar Ministerie bij het kabinet rechter-commissaris verzocht om een regiebijeenkomst te beleggen in de zaken tegen verdachten en zo nodig nader onderzoek te verrichten. Dat onderzoek is enkele maanden later, in oktober 2014, van start gegaan, waarna onder andere rechtshulpverzoeken zijn uitgegaan en getuigen zijn gehoord. In oktober 2016 waren de zaken tegen verdachten ‘zittings-klaar’, maar konden deze door nieuwe getuigenverzoeken van de verdediging van verdachte [medeverdachte 2] nog niet op zitting worden aangebracht. Nadat de nieuwe verzoeken in april 2017 waren afgehandeld, zijn de zaken alsnog gepland voor een inhoudelijke behandeling in december 2017. Het onderzoek ter terechtzitting is vervolgens weliswaar op 8 december 2017 aangevangen, maar kon op de tweede zittingsdag niet worden voortgezet vanwege ziekte van één van de rechters. De zaken zijn daarna noodgedwongen voor onbepaalde tijd aangehouden. Uiteindelijk kon de voortzetting van de inhoudelijke behandeling vanwege het zittingsrooster en het aantal procesdeelnemers eerst in oktober 2018 plaatsvinden, wat ertoe heeft geleid dat de rechtbank heden, op 2 november 2018, eindvonnis wijst.

Als aanvang van de redelijke termijn moet in deze zaak de doorzoeking van de woning van verdachte worden aangemerkt, omdat niet is gebleken dat vanwege de Nederlandse Staat jegens verdachte eerder een handeling is verricht waaraan zij in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen haar in deze zaak door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zou worden ingesteld.44 Volgens vaste Nederlandse rechtspraak heeft, wanneer het gaat om de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM, als uitgangspunt te gelden dat de behandeling van de zaak moet zijn afgerond met een eindvonnis in eerste aanleg binnen twee jaren nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van de zaak, de invloed van de verdachte en zijn advocaat op het procesverloop, en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.45 Door de omvang van het verrichte onderzoek en de gelijktijdige behandeling van de zaken tegen verdachten, is sprake van een relatief ingewikkelde zaak. Daar komt bij dat het in dit onderzoek gaat om een dossier waarvoor geruime tijd niet de nodige aandacht is geweest bij het Openbaar Ministerie. Dit heeft ertoe geleid dat het onderzoek bijna twee jaren vertraging heeft opgelopen voordat de rechter-commissaris onderzoek kon verrichten. De verdediging heeft eveneens invloed uitgeoefend op het procesverloop door het indienen van verzoeken tot het horen van getuigen. Tot slot heeft het zittingsrooster van de rechtbank belet dat de zaken kort na de aanhouding van de behandeling in december 2017 konden worden voortgezet. Ook als de rechtbank rekening houdt met al deze omstandigheden, constateert zij dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn van berechting en is zij van oordeel, anders dan de officier van justitie, dat alle partijen hierin een aandeel hebben gehad. Omdat het eindvonnis heden, op 2 november 2018, wordt gewezen, stelt de rechtbank deze termijnoverschrijding vast op bijna 67 maanden (zijnde vijf jaren en zeven maanden).

Regel is dat overschrijding van de redelijke termijn van berechting wordt gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden.46 Als geen sprake was geweest van de vorenbedoelde overschrijding van de redelijke termijn, dan was, gelet op de ernst van het bewezenverklaarde en de hoogte van het benadelingsbedrag, geen andere straf passend geweest dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De overschrijding van de redelijke termijn in deze zaak, in combinatie met de persoon van verdachte, waaronder het feit dat zij lang in onzekerheid heeft moeten verkeren over de afloop van de strafzaak, resulteert er in dat de rechtbank oplegging van een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier maanden alsmede een onvoorwaardelijke taakstraf voor de duur van 120 uren op zijn plaats acht. Aan de voorwaardelijke gevangenisstraf zal de rechtbank een proeftijd verbinden van twee jaren, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit. De rechtbank acht oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf ondanks het tijdsverloop nog steeds gerechtvaardigd, vanwege de gehanteerde oriëntatiepunten voor fraude en de daarin genoemde hoge gevangenisstraffen.

7 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47 en 420quater van het Wetboek van Strafrecht.

8 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt haar daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden, met bevel dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat verdachte voor het einde van de op 2 (twee) jaren bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt verdachte tot het verrichten van 120 (honderdtwintig) uren taakstraf, die bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet of niet naar behoren daarvan verrichten te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht, met dien verstande dat voor elke dag die verdachte in verzekering heeft doorgebracht 2 (twee) uren taakstraf, subsidiair 1 (één) dag hechtenis, in mindering worden gebracht.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.C. van den Bos, voorzitter,

mr. P.H. Lauryssen en mr. H.H.E. Boomgaart, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier, mr. P.H. Boersma,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 2 november 2018.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen. Voor zover het geschriften als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef, onder 5°, van het Wetboek van Strafvordering betreft, zijn de bewijsmiddelen telkens slechts gebezigd in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen.

2 Schriftelijke stukken, zijnde diverse uittreksels uit Handelsregisters met betrekking tot [vennootschap 1] , D-006.

3 Een schriftelijk stuk, zijnde de aangifte van de AFM van 4 mei 2010, D-1, p. 3.

4 Schriftelijke stukken, zijnde verschillende, gelijkluidende exemplaren van het Prospectus Biodieselfabriek Ennshafen Oostenrijk, D-051, CD 1-4, p. 329-376, en CD 1-17. (Hierna zal steeds enkel worden verwezen naar D‑051.)

5 Een proces-verbaal van geldstroom totaal in en hoeveel naar Oostenrijk van 5 november 2010, AH-016, p. 2 en bijlage AH-016A.

6 Een schriftelijk stuk, zijnde het Prospectus Biodieselfabriek Ennshafen Oostenrijk, D-051, p. 16 en 28.

7 De verklaring van getuige [medeverdachte 1] afgelegd ter terechtzitting van 8 december 2017.

8 Schriftelijke stukken, zijnde diverse uittreksels uit Handelsregisters met betrekking tot [vennootschap 3] , D‑007.

9 Een schriftelijk stuk, zijnde de aangifte van de AFM van 4 mei 2010, D-1, p. 3, en schriftelijke stukken, zijnde diverse uittreksels uit Handelsregisters met betrekking tot [vennootschap 1] , D-006.

10 Een schriftelijk stuk, zijnde de aangifte van de AFM van 4 mei 2010, D-1, p. 2-3, en een schriftelijk stuk, zijnde het Prospectus Biodieselfabriek Ennshafen Oostenrijk, D-051, p. 40.

11 Schriftelijke stukken, zijnde diverse uittreksels uit Handelsregisters met betrekking tot [vennootschap 4] , D-005.

12 De verklaring van getuige [medeverdachte 1] afgelegd ter terechtzitting van 8 december 2017.

13 Schriftelijke stukken, zijnde diverse uittreksels uit Handelsregisters met betrekking tot [vennootschap 5] , D‑004.

14 Een schriftelijk stuk, zijnde het Prospectus Biodieselfabriek Ennshafen Oostenrijk, D-051, p. 40.

15 Schriftelijke stukken, zijnde diverse uittreksel uit het Handelsregister met betrekking tot [vennootschap 6] , D-003.

16 Een proces-verbaal van geldstroom totaal in en hoeveel naar Oostenrijk van 5 november 2010, AH-016, p. 2 en bijlage AH-016A, en een proces-verbaal van voeging uit bankgegevens van 15 augustus 2012, AH-019, inclusief bijlage AH-019B.

17 Een schriftelijk stuk, zijnde een geldstromenschema naar bankrekeningen van verdachten en rechtspersonen, D-355.

18 Een schriftelijk stuk, zijnde een geldstromenschema met betrekking tot onder andere [vennootschap 2] , D-355, een proces-verbaal van bevindingen inzake zakelijke bankrekeningen van 20 februari 2012, SFO AH-044, p. 2, en schriftelijk stukken, zijnde documenten van ING Bank met betrekking tot de bankrekening ten name van [vennootschap 2] , D-345.

19 Een schriftelijk stuk, zijnde een geldstromenschema met betrekking tot [verdachte] en [medeverdachte 1] en gelieerde rechtspersonen, D-356, een schriftelijk stuk, zijnde een geldstromenschema met betrekking tot onder andere [vennootschap 10] en [vennootschap 11] , D-355, een proces-verbaal van voeging uit bankgegevens van 15 augustus 2012, AH-019, inclusief bijlage AH-019B, schriftelijke stukken, zijnde documenten van ING Bank met betrekking tot de bankrekening ten name van [vennootschap 10] , D-407, en een schriftelijk stuk, zijnde een machtiging voor internetbankieren met betrekking tot de bankrekening ten name van [vennootschap 11] , D-408.

20 Een schriftelijk stuk, zijnde het uittreksel uit het handelsregister van de Kamers van Koophandel betreffende [vennootschap 8] van 30 juni 2010, D-008.

21 Het overzichtsproces-verbaal van 23 november 2012, OPV-03, p. 14.

22 Een schriftelijk stuk, zijnde het uittreksel uit het handelsregister van de Kamers van Koophandel betreffende [vennootschap 9] van 30 juni 2010, D-009.

23 Het overzichtsproces-verbaal van 23 november 2012, OPV-03, p. 14.

24 Een schriftelijk stuk, zijnde het Prospectus Biodieselfabriek Ennshafen Oostenrijk, D-051.

25 Schriftelijke stukken, zijnde diverse uittreksels uit Handelsregisters met betrekking tot [vennootschap 4] , D-005.

26 Een proces-verbaal van rechtspersonen van 29 oktober 2010, AH-003, p. 6.

27 Een schriftelijk stuk, zijnde een aandeelhoudersovereenkomst inzake [vennootschap 1] , CD 2-12, p. 86 e.v.

28 Een schriftelijk stuk, zijnde een e-mail van 12 januari 2017, IS 22, p. 5-7; een proces-verbaal van getuigenverhoor van 17 mei 2011, G-002, p. 2; processen-verbaal van getuigenverhoren van respectievelijk 8 juni 2011, 10 juni 2011 en 21 juni 2011, G-005, p. 2, G-006, p. 2, en G-008, p. 2; een schriftelijk stuk, zijnde het Prospectus Biodieselfabriek Ennshafen Oostenrijk, D-051, p. 11, p. 28, p. 32 en p. 35; een proces-verbaal van geldstroom totaal in en hoeveel naar Oostenrijk van 5 november 2010, AH-016, p. 2; een proces-verbaal van ambtshandeling inzake de verdeling van beleggersgelden van 26 april 2012, SFO AH‑051, waarin wordt verwezen naar de processen-verbaal SFO AH-040, SFO AH-048, SFO AH-050 en SFO AH-053; een schriftelijk stuk, zijnde een overzicht van de ING-rekening [rekeningnummer] van [vennootschap 6] , D-369, p. 1-2; een proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot gemaakte kosten door [medeverdachte 1] en/of [verdachte] en gelieerde vennootschappen van 26 april 2012, SFO AH-059; een proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot kosten betaald van rekeningen [medeverdachte 2] of gelieerde vennootschappen van 20 april 2012, SFO AH-058; een schriftelijk stuk, zijnde een brief van 6 oktober 2009 namens Barents Krans aan de AFM, CD 2-12, bijlage 10, p. 85 en p. 91; en een schriftelijk stuk, zijnde een kwitantie van 1 februari 2007, IS 25.

29 Het overzichtsproces-verbaal van 23 november 2012, OPV-03, p. 11.

30 Het overzichtsproces-verbaal van 23 november 2012, OPV-03, p. 13.

31 Een proces-verbaal van bevindingen inzake binnengekomen beleggersgeld op Luxemburgse rekeningen van 13 februari 2012, SFO AH-053, p. 1.

32 Het overzichtsproces-verbaal van 23 november 2012, OPV-03, p. 16.

33 Een proces-verbaal van het Bureau Ontnemingswetgeving OM van 19 november 2012, SFO AH-007, p. 23.

34 Een proces-verbaal van verhoor van verdachte van 7 maart 2012, V003-04, p. 6.

35 Een proces-verbaal van bevindingen inzake binnengekomen beleggersgeld op Luxemburgse rekeningen van 13 februari 2012, SFO AH-053, p. 1.

36 Een proces-verbaal van bevindingen inzake binnengekomen beleggersgeld op Luxemburgse rekeningen van 13 februari 2012, SFO AH-053, p. 2.

37 Het overzichtsproces-verbaal van 23 november 2012, OPV-03, p. 16.

38 Het overzichtsproces-verbaal van 23 november 2012, OPV-03, p. 11.

39 Het overzichtsproces-verbaal van 23 november 2012, OPV-03, p. 16.

40 Een proces-verbaal van bevindingen inzake binnengekomen beleggersgeld op Luxemburgse rekeningen van 13 februari 2012, SFO AH-053, p. 2.

41 Het overzichtsproces-verbaal van 23 november 2012, OPV-03, p. 17.

42 Een proces-verbaal van verhoor van verdachte van 7 maart 2012, V003-04, p. 4.

43 Een proces-verbaal van verhoor van verdachte van 7 maart 2012, V003-05, p. 3.

44 ECLI:NL:HR:2008:BD2578, ro. 3.12.1.

45 ECLI:NL:HR:2008:BD2578, ro. 3.13.1-3.14.

46 ECLI:NL:HR:2008:BD2578, ro. 3.21.