Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2018:9547

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
01-11-2018
Datum publicatie
01-11-2018
Zaaknummer
15/871463-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor het medeplegen van gekwalificeerde doodslag tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 jaar. Alternatief scenario en verweer met betrekking tot secundaire overdracht DNA verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2018-0921
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/871463-17 (P)

Uitspraakdatum: 1 november 2018

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 10, 11 en 18 oktober 2018 in de zaak tegen:

[Verdachte B] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Dominicaanse Republiek),

thans gedetineerd in Penitentiaire Inrichting Ter Apel.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A. van Eck en van hetgeen verdachte en zijn raadsman mr. H.J.G. Dudink, advocaat te Beverwijk, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering (ter terechtzitting van 16 mei 2018), ten laste gelegd dat:

Primair

(moord)

hij op of omstreeks 25 maart 2017 te Zaandam, gemeente Zaanstad, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] ) opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door het uitoefenen of toepassen van (samen)drukkend geweld (te weten smoren) op/tegen/in de mond en/of de neus, in elk geval het gezicht en/of het hoofd en/of de nek/hals van die [slachtoffer] , althans het belemmeren en/of onmogelijk maken van de ademhaling van die [slachtoffer] , en/of het uitoefenen of toepassen van stomp botsend geweld (te weten slaan en/of stoten en/of duwen) op/tegen/in het gezicht, althans het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] ;

Subsidiair

((gekwalificeerde) doodslag)

hij op of omstreeks 25 maart 2017 te Zaandam, gemeente Zaanstad, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] ) opzettelijk van het leven heeft beroofd, door het uitoefenen of toepassen van (samen)drukkend geweld (te weten smoren) op/tegen/in de mond en/of de neus, in elk geval het gezicht en/of het hoofd en/of de nek/hals van die [slachtoffer] , althans het belemmeren en/of onmogelijk maken van de ademhaling van die [slachtoffer] , en/of het uitoefenen of toepassen van stomp botsend geweld (te weten slaan en/of stoten en/of duwen) op/tegen/in het gezicht, althans het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] ,

welke doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar

feit, te weten (poging tot) diefstal (met geweld) in vereniging van een hoeveelheid geld en/of goederen van zijn/hun gading, en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden, gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan andere deelnemers aan dat feit straffeloosheid en/of het bezit van het wederechtelijk verkregene te verzekeren;

Meer Subsidiair

(diefstal met geweld, de dood ten gevolge hebbende)

hij op of omstreeks 25 maart 2017 te Zaandam, gemeente Zaanstad tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid geld en/of goederen van zijn/hun gading, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] ), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte

en/of verdachtes mededader(s), die/dat weg te nemen goed(eren) en/of geld onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of een valse sleutel, welke diefstal(len) werd(en) voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld

hierin bestond(en) dat verdachte en/of verdachtes mededader(s)

- die [slachtoffer] op/tegen/naar de grond heeft/hebben geduwd/getrokken/gegooid, en/of

(vervolgens)

- de (onder)benen van die [slachtoffer] met een sjaal, althans een doek, aan elkaar heeft/hebben vastgebonden en/of de (onder)armen van die [slachtoffer] met (een) tie-wrap(s) aan elkaar heeft/hebben vastgebonden, en/of (vervolgens)

- ( samen)drukkend geweld (te weten smoren) op/tegen/in de mond en/of de neus, in elk geval het gezicht en/of het hoofd en/of de nek/hals van die [slachtoffer] , heeft/hebben uitgeoefend/toegepast, althans de ademhaling van die [slachtoffer] heeft/hebben belemmerd of onmogelijk gemaakt, en/of (vervolgens)

- stomp botsend geweld (te weten slaan en/of stoten en/of duwen) op/tegen/in het gezicht, althans het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] heeft/hebben uitgeoefend/toegepast,

welk feit de dood van die [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad,

of

(poging diefstal met geweld, de dood ten gevolge hebbende)

hij op of omstreeks 25 maart 2017 te Zaandam, gemeente Zaanstad ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen een hoeveelheid geld en/of goederen van zijn/hun gading, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] ), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of verdachtes

mededader(s), die/dat weg te nemen geld en/of goed(eren) onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of een valse sleutel,

welke diefstal(len) werd(en) voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of verdachtes mededader(s)

- die [slachtoffer] op/tegen/naar de grond heeft/hebben geduwd/getrokken/gegooid, en/of (vervolgens)

- de (onder)benen van die [slachtoffer] met een sjaal, althans een doek, aan elkaar heeft/hebben vastgebonden en/of de (onder)armen van die [slachtoffer] met (een) tie-wrap(s) aan elkaar heeft/hebben vastgebonden, en/of (vervolgens_

- ( samen)drukkend geweld (te weten smoren) op/tegen/in de mond en/of de neus, in elk geval het gezicht en/of het hoofd van die [slachtoffer] , heeft/hebben uitgeoefend/toegepast, althans de ademhaling van die [slachtoffer] heeft/hebben belemmerd of onmogelijk gemaakt, en/of (vervolgens)

- stomp botsend geweld (te weten slaan en/of stoten en/of duwen) op/tegen/in het gezicht, althans het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] heeft/hebben uitgeoefend/toegepast,

welk feit de dood van die [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Inleiding
Op 26 maart 2017 wordt het levenloze lichaam van [slachtoffer] in haar woning in Zaandam aangetroffen. Zij is door een misdrijf om het leven gekomen.

Een politieonderzoek onder de naam Siberië wordt gestart. Dit onderzoek heeft ertoe geleid dat drie verdachten zijn aangehouden: [Verdachte B] , [Verdachte A] en [Verdachte C] (de buurman van het slachtoffer).

De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan (het medeplegen van) moord, (gekwalificeerde) doodslag of (poging tot) diefstal met geweld de dood ten gevolge hebbende.

4 Bewijs

4.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het primair ten laste gelegde feit (moord) nu zij geen bewijs ziet voor voorbedachte rade.

De officier van justitie heeft betoogd dat het subsidiair ten laste gelegde feit (gekwalificeerde doodslag) bewezen kan worden verklaard. Daartoe heeft zij onder meer aangevoerd dat

het in het dossier aanwezige tactisch bewijs, bestaande uit belcontacten, zendmastgegevens, reisbewegingen en camerabeelden, volledig wordt ondersteund door forensisch bewijs. Uit de aangetroffen contactsporen op en bij het lichaam van het slachtoffer kan worden afgeleid dat zowel [Verdachte B] als [Verdachte A] in de woning van het slachtoffer is geweest. Voorts gaat het om contactsporen die zijn aangetroffen op delict gerelateerde plekken.

De officier van justitie leidt uit het voorgaande af dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [Verdachte B] en [Verdachte A] , nu zij het delict samen hebben gepleegd. Met betrekking tot de rol van [Verdachte C] heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat zijn betrokkenheid een ander karakter draagt, namelijk dat van medeplichtige.

De door verdachte afgelegde verklaring wordt niet onderbouwd en er zijn geen getuigen die zijn verklaring ondersteunen. Het verweer van secundaire overdracht gaat in het licht van alle bewijsmiddelen en het door het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) verrichte onderzoek op activiteitenniveau niet op. De verklaring van [Verdachte B] kan dan ook als ongeloofwaardig terzijde worden geschoven.

De officier van justitie heeft verder betoogd dat [Verdachte B] en [Verdachte A] voorwaardelijk opzet hadden op de dood van het slachtoffer nu samendrukkend geweld op de mond, neus en hals – zeker bij een fragiel persoon als het slachtoffer – de aanmerkelijke kans op de dood oplevert. Gelet op de uiterlijke verschijningsvorm kan het niet anders dan dat [Verdachte B] en [Verdachte A] deze kans bewust hebben aanvaard.

Tot slot heeft de officier van justitie gesteld dat uit het onderzoek blijkt dat het hele huis is doorzocht, waaruit kan worden opgemaakt dat het de bedoeling was om geld of goederen weg te nemen. Niet is gebleken dat er daadwerkelijk goederen zijn weggenomen. De officier van justitie heeft geconcludeerd dat bewezen is dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan gekwalificeerde doodslag in vereniging om de poging diefstal van geld en goederen mogelijk te maken.

4.2

Standpunt van de verdediging

[Verdachte B] heeft alle betrokkenheid bij het hem ten laste gelegde ontkend en verklaard dat hij op 24 maart 2017 op bezoek was bij [Verdachte A] in Amstelveen en tussen 17:00 en 18:00 uur is vertrokken naar het huis van zijn vriendin in Amsterdam Zuidoost. Op 25 maart 2017 was [Verdachte B] de hele dag bij zijn vriendin in Amsterdam Zuidoost.

De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit. Ten aanzien van het primair ten laste gelegde feit heeft de raadsman aangevoerd dat er onvoldoende bewijs is voor de voorbedachte raad.

Voorts heeft de raadsman betoogd dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte op 25 maart 2017 in de woning van het slachtoffer is geweest. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat de aanname in het activiteitenonderzoek van het NFI dat twee personen het slachtoffer hebben vastgepakt, geslagen, vastgebonden en versleept onjuist is. Ook zijn de hypothesen van de verdediging niet in het onderzoek meegenomen en is enkel het scenario van het Openbaar Ministerie onderzocht en niet het scenario dat door de verdediging is aangedragen.

De beantwoording van de hypotheses in het rapport is derhalve alleen relevant als wordt uitgegaan van de situatie dat er twee personen in de flat van het slachtoffer zijn geweest. Aldus bestaat er geen volledig beeld over wat er op 25 maart 2017 is gebeurd.

Voorts heeft de raadsman naar voren gebracht dat er meerdere sporen zijn aangetroffen met DNA-materiaal van [Verdachte A] en slechts één spoor met het DNA-materiaal van verdachte. Het scenario dat sprake was van één dader (zijnde [Verdachte A] ), via wiens handen indirecte overdracht van het DNA van verdachte heeft plaatsgevonden, kan redelijkerwijs niet worden uitgesloten, nu het niet door het NFI is onderzocht. Met betrekking tot het aangetroffen DNA-spoor van verdachte is er ten onrechte vanuit gegaan dat dit een mengprofiel van slechts twee personen betrof (het [slachtoffer] en [Verdachte B] ), nu uit het rapport volgt dat er kennelijk aanwijzingen zijn voor een derde persoon.

De raadsman heeft gesteld dat ook de ten laste gelegde geweldshandelingen niet stroken met de aanwezigheid van één enkel spoor van verdachte.

Daarnaast kan niet buiten redelijke twijfel worden vastgesteld door wiens toedoen het slachtoffer is overleden. Het enkele aantreffen van een DNA-spoor is niet automatisch een daderspoor. Ook kan uit het aantreffen van een enkel spoor, zonder enig ander steunbewijs, niet worden afgeleid dat de donor van het spoor op de plaats delict aanwezig is geweest, laat staan strafbare feiten heeft gepleegd.

Mocht de rechtbank het verweer van de raadsman niet volgen en tot een bewezenverklaring komen via de rapportages van het NFI dan wel de verklaringen van deskundigen, zou de zaak moeten worden aangehouden om nader onderzoek naar het scenario van de verdediging te gelasten.

Ten aanzien van het meer subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsman aangevoerd dat uit het dossier niet kan worden afgeleid dat daadwerkelijk enig goed is weggenomen.

Tot slot heeft de raadsman aangevoerd dat, indien de rechtbank van oordeel is dat sprake is van een poging tot diefstal, de diefstal niet is gepleegd door de dood van het slachtoffer. Aan verdachte komt derhalve een geldig beroep op vrijwillige terugtred toe.

4.3

Oordeel van de rechtbank

4.3.1

Vrijspraak primair
De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen verdachte primair ten laste is gelegd, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

4.3.2

Redengevende feiten en omstandigheden subsidiair

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde medeplegen van gekwalificeerde doodslag op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat.

4.3.3

Bewijsoverwegingen

Algemeen

Op 26 maart 2017 is het lichaam van [slachtoffer] in haar woning aangetroffen. Uit de bewijsmiddelen volgt dat [slachtoffer] in haar woning in de [adres] door geweld om het leven is gekomen. Het overlijden kan worden verklaard door samendrukkend geweld ter hoogte van neus/mond (smoren) en/of (samen)drukkend geweld op de hals.

De schouwarts heeft het tijdstip van overlijden geschat op 22:00 uur op 25 maart 2017, met een marge van 2,8 uur.

DNA

Het lichaam van [slachtoffer] is aan forensisch onderzoek onderworpen. Op de onderzijde van de broekspijpen en op de buiten- en binnenkant van de tailleband van de spijkerbroek van [slachtoffer] is DNA-materiaal aangetroffen dat matcht met het DNA-profiel van [Verdachte A] . De resultaten van het DNA-onderzoek zijn respectievelijk honderd miljoen keer, een miljoen keer en een miljard keer waarschijnlijker als de bemonsteringen celmateriaal van [Verdachte A] bevatten, dan als deze celmateriaal van een willekeurige onbekende persoon bevatten. Ook op het t-shirt van [slachtoffer] , ter hoogte van de linker borst en schouder, is DNA-materiaal aangetroffen dat matcht met het DNA-profiel van [Verdachte A] . De resultaten van dit DNA-onderzoek zijn een miljard keer waarschijnlijker als de bemonsteringen celmateriaal van [Verdachte A] bevatten, dan als deze celmateriaal van een willekeurige onbekende persoon bevatten.

In de bemonstering van de linker bovenarm van [slachtoffer] , tussen elleboog en t-shirt, is DNA-materiaal aangetroffen dat matcht met het DNA-profiel van [Verdachte B] . De resultaten van dit DNA-onderzoek zijn een miljard keer waarschijnlijker als de bemonsteringen celmateriaal van [Verdachte B] bevatten, dan als deze celmateriaal van een willekeurige onbekende persoon bevatten.

Gelet op de locaties van het aangetroffen materiaal, met name het materiaal op de binnenzijde van de tailleband van de broek en op de linker bovenarm, op de plek waar het slachtoffer stevig is vastgepakt, kunnen deze sporen worden aangemerkt als dadersporen.

De rechtbank overweegt ten aanzien van het aangetroffen mengprofiel van ten minste twee personen op de linker bovenarm van [slachtoffer] (SIN ZAAC6246NL #40) als volgt.

De deskundige heeft de aanname gedaan dat het celmateriaal afkomstig is van twee personen. Het verweer van de raadsman dat een dergelijke aanname onjuist is gaat volgens de rechtbank niet op, waarbij de rechtbank acht heeft geslagen op het verhoor van deskundige J. Nagel bij de rechter-commissaris. In dit verhoor is aan Nagel, ten aanzien van een ander DNA spoor, gevraagd hoe de aanname dat het celmateriaal van vier personen afkomstig is zich verhoudt met de bevindingen dat het celmateriaal van minimaal vier personen is. Hierop antwoordt Nagel het volgende: ‘Eerst wordt het minimaal aantal donoren vastgesteld. Het kunnen er ook meer zijn, maar daar zijn dan op basis van het profiel geen aanwijzingen voor. Als er dan toch een vijfde donor is zal deze naar verwachting zo weinig hebben bijgedragen dat het effect daarvan op de bewijskracht minimaal is.’

Eenzelfde redenering geldt voor het aangetroffen mengprofiel van ten minste twee personen. Hoewel het in theorie mogelijk is dat er meer donoren in de bemonstering zitten, zijn daar op basis van het DNA-profiel geen aanwijzingen voor. Gelet op bovenstaande is de aanname dat het celmateriaal afkomstig is van twee personen een begrijpelijke aanname.

Verkeersgegevens

Uit de bewijsmiddelen volgt dat [Verdachte B] gebruik maakte van het telefoonnummer eindigend op * [nummer] , [Verdachte A] gebruik maakte van de telefoonnummers eindigend op * [nummer] en * [nummer] en [Verdachte C] gebruik maakte van het telefoonnummer eindigend op * [nummer] .

Op basis van de zendmastgegevens en de verklaring van [Verdachte C] stelt de rechtbank vast dat [Verdachte C] zich op de avond van 25 maart 2017 in zijn woning op de [adres] bevond.

Uit verkeersgegevens blijkt dat de telefoon van [Verdachte B] zich op 25 maart 2017 rond 18:30 uur heeft verplaatst van Amsterdam Zuidoost, waar hij in die periode verbleef, naar Amstelveen.

Om 19:52 en 20:17 uur heeft er contact plaatsgevonden tussen de telefoon van [Verdachte A] en de telefoon van [Verdachte C] , welk contact werd geïnitieerd door [Verdachte A] . Om 20:20 uur heeft de auto van [Verdachte A] zich verplaatst naar Zaandam en is daar ook aangekomen. Ook de telefoon van [Verdachte A] , alsmede de telefoon van [Verdachte B] , laat een verplaatsing zien vanuit Amstelveen richting Zaandam. Gedurende de verplaatsing vinden er met de telefoon van [Verdachte B] twee gesprekken plaats.

Op camerabeelden van de [adres] is te zien dat om 20:47 uur twee personen de flat binnen komen en richting de trap lopen. Een minuut hieraan voorafgaand vindt er nogmaals contact plaats tussen de telefoon van [Verdachte A] en de telefoon van [Verdachte C] . Ruim drie kwartier later verlaten dezelfde personen de flat. Enkele minuten daarna vindt er weer een verbinding plaats tussen de telefoon van [Verdachte A] en de telefoon van [Verdachte C] . Beide telefoons stralen dan nog een zendmast aan in Zaandam. Vervolgens is er weer een verplaatsing te zien van de auto van [Verdachte A] , de telefoon van [Verdachte A] en de telefoon van [Verdachte B] terug naar Amstelveen, waarna de auto van [Verdachte A] en de telefoon van [Verdachte B] enige tijd later een verplaatsing laten zien naar Amsterdam Zuidoost.

De telefoons van [Verdachte A] en [Verdachte C] hebben op 25 maart 2017 tussen 19:52 en 21:40 uur alleen contact met elkaar.

Op 24 maart 2017 is een soortgelijk patroon waar te nemen. De telefoon van [Verdachte B] straalt in de middag, tot ongeveer 16:45 uur, zendmasten aan in de omgeving Amsterdam Zuidoost. Tussen 17:00 en 18:00 uur straalt de telefoon van [Verdachte B] zendmasten aan in Amstelveen.

Rond 18:30 en 19:45 uur wordt met de telefoon van [Verdachte A] contact gezocht met de telefoon van [Verdachte C] , waarbij de telefoon van [Verdachte A] zich in Amstelveen bevindt en de telefoon van [Verdachte C] in Zaandam.

Rond 20:30 uur verplaatst de auto van [Verdachte A] zich richting Zaandam. Ook de telefoon van [Verdachte A] , alsmede de telefoon van [Verdachte B] , laat een verplaatsing zien richting Zaandam. Om 20:40 uur wordt verdachte gebeld door het huisnummer van zijn toenmalige vriendin, [naam] , en vindt er een gesprek plaats.

Op de camerabeelden is te zien dat om iets voor 21:00 uur twee personen de [adres] binnen gaan. Op grond van getuigenverklaringen kan worden gesteld dat deze personen op de 7e verdieping zijn gezien en richting de wenteltrap liepen die leidde tot de 8e verdieping, waar de woning van [slachtoffer] is gelegen.

Er vindt om 21:04 uur contact plaats tussen de telefoon van [Verdachte A] en [Verdachte C] en om 21:07 uur verlaten dezelfde personen de flat.

Vervolgens verplaatst de telefoon van [Verdachte B] zich eerst naar Amstelveen en vervolgens naar Amsterdam Zuidoost.

Alternatief scenario

Verdachte heeft ontkend in de woning van [slachtoffer] aanwezig te zijn geweest en - kort gezegd - verklaard dat hij op 24 en 25 maart in de avond in Amsterdam Zuidoost is geweest. Het DNA moet via secundaire overdracht op het lichaam van het slachtoffer terecht zijn gekomen, aldus de verdediging.

De rechtbank overweegt als volgt.

Uit de verkeersgegevens volgt dat de telefoon van verdachte zowel op 24 als op 25 maart 2017 in de middag uitstraalt in Amsterdam Zuidoost, zijnde het verblijfadres van verdachte, en zich in het begin van de avond verplaatst naar Amstelveen, vervolgens naar Zaandam, terug naar Amstelveen en vervolgens weer naar Amsterdam Zuidoost. Zowel op 24 maart 2017 als op 25 maart 2017 zijn gesprekken tot stand gekomen met de telefoon van verdachte; op 24 maart wordt verdachte gebeld door het huisnummer van zijn toenmalige vriendin en ook op 25 maart vinden er twee gesprekken plaats. De verklaring van verdachte strookt dan ook niet met de onderzoeksgegevens uit het dossier. Sterker, de reisbewegingen op 24 maart 2017 waarover verdachte heeft verklaard zijn volgens de onderzoeksgegevens precies tegengesteld. Verdachte heeft hiervoor geen verklaring kunnen geven noch voor het telefonisch contact met zijn toenmalige vriendin.

De verklaring van verdachte kan dan ook als onaannemelijk en ongeloofwaardig terzijde worden geschoven. De rechtbank komt tot de conclusie dat verdachte zowel op 24 maart als op 25 maart de gebruiker was van de telefoon met het telefoonnummer eindigend op * [nummer] .

Het verweer van de raadsman dat DNA-materiaal van verdachte door secundaire overdracht op het lichaam van het slachtoffer terecht is gekomen acht de rechtbank gelet op het voorgaande evenmin aannemelijk, waarbij de rechtbank mede acht heeft geslagen op het gegeven dat door de deskundige L.H.J. Aarts in zijn verhoor bij de rechter-commissaris is aangegeven dat de kans op indirecte overdracht klein is. De kans is ook klein om bij indirecte overdracht alleen DNA van verdachte aan te treffen en niet van de onbekende overdragende daders.

Tussenconclusie

De rechtbank komt gelet op het aangetroffen DNA-materiaal en de verkeersgegevens tot de conclusie dat [Verdachte B] en [Verdachte A] op 24 maart 2017 en 25 maart 2017 samen in de auto van [Verdachte A] zijn afgereisd naar Zaandam en daar de [adres] te Zaandam zijn binnengegaan. De tijdstippen van binnenkomen en vertrekken op de camerabeelden passen op beide dagen binnen de geconstateerde verblijfsduur in Zaandam en passen bovendien in het geconstateerde belpatroon tussen [Verdachte A] en [Verdachte C] . Gelet op het geschatte tijdstip van overlijden van [slachtoffer] , alsmede op voornoemde feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, concludeert de rechtbank dat het [Verdachte B] en [Verdachte A] zijn geweest, die in de woning van [slachtoffer] zijn geweest op het moment dat zij om het leven werd gebracht.

Voorwaardelijk verzoek

Nu de rechtbank reeds hiervoor heeft vastgesteld dat zowel [Verdachte B] als [Verdachte A] in de woning van [slachtoffer] aanwezig zijn geweest ziet de rechtbank geen aanleiding het scenario van de verdediging, dat sprake zou kunnen zijn van één dader, te toetsen zodat dit verzoek wordt afgewezen. Deze vaststelling is immers niet alleen gebaseerd op het aangetroffen DNA, maar eveneens op de verkeersgegevens en de camerabeelden, waarop de twee personen in de [adres] te zien zijn.

Voorwaardelijk opzet op de dood

Uit het dossier volgt dat het slachtoffer om het leven is gekomen door smoren en/of (samen)drukkend geweld op de hals, wat heeft geleid tot zuurstofgebrek. Door op een dergelijke manier te handelen is naar algemene ervaringsregels de kans aanmerkelijk dat het slachtoffer daardoor zou komen te overlijden, hetgeen ook daadwerkelijk is gebeurd. Het is een feit van algemene bekendheid dat de dood door zuurstoftekort pas na meerdere minuten intreedt, zodat hiervoor een actieve en langdurige handeling is vereist. Deze gedraging is blijkens de uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op de dood dat het niet anders kan zijn dan dat de aanmerkelijke kans op de dood bewust is aanvaard.

Gekwalificeerde doodslag?

De rechtbank is van oordeel dat uit de bewijsmiddelen volgt dat de woning van [slachtoffer] is doorzocht, waarbij de rechtbank met name acht heeft geslagen op het feit dat de ritsen van twee hockers open waren, de hockers ondersteboven in de kamer stonden, er een spaarpot op de grond lag met de dop ernaast, kasten waren geopend, goederen op de grond lagen en de kussens van de bank scheef lagen. De schoonmaakster van [slachtoffer] heeft de woning na het delict gezien en heeft verklaard dat [slachtoffer] nooit spullen op de grond liet slingeren en dat het leek of iemand de slaapkamer had doorzocht. Het verweer van de raadsman dat de woning rommelig was en dat niet kan worden vastgesteld dat er is gepoogd te stelen wordt verworpen.

De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat er geld/goederen is/zijn weggenomen uit de woning, zodat diefstal niet bewezen is. Gelet op het feit dat de woning is doorzocht, is wel sprake van een poging tot diefstal. Daarbij betrekt de rechtbank eveneens dat er voorafgaand aan het feit contact is geweest met de buurman van het slachtoffer, [Verdachte C] , waarbij het niet anders kan dan dat hij [Verdachte B] en [Verdachte A] heeft getipt over een mogelijk geldbedrag in de woning van [slachtoffer] en haar aanwezigheid in die woning op 25 maart 2017.

De rechtbank leidt uit deze omstandigheid af dat [Verdachte B] en [Verdachte A] naar de woning van het slachtoffer zijn gegaan met het oogmerk haar te beroven en dat zij op enig moment, voor, tijdens of na de beroving om het leven is gebracht. Verdachten zijn immers naar de woning van [slachtoffer] gegaan in de wetenschap dat zij thuis was en mochten er vanuit gaan dat zij zich niet zonder slag of stoot zou laten beroven. Het geweld, op welk moment ook uitgeoefend, staat in direct verband met de poging tot diefstal en heeft uiteindelijk geresulteerd in de dood van [slachtoffer] .

Hoewel uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid in welke volgorde de misdrijven hebben plaatsgevonden, is de rechtbank van oordeel dat de doodslag in onmiddellijk verband staat met de poging tot diefstal.

Medeplegen

De rechtbank is van oordeel dat [Verdachte B] tezamen en in vereniging met [Verdachte A] [slachtoffer] om het leven heeft gebracht. Daarbij heeft de rechtbank de volgende omstandigheden in aanmerking genomen.

Uit het onderzoek volgt dat [Verdachte B] en [Verdachte A] zich op 24 maart 2017 vanaf Amstelveen naar de [adres] hebben begeven. Gelet op hetgeen de volgende dag heeft plaatsgevonden dient deze reis te worden aangemerkt als een voorverkenning dan wel poging.

Ook op 25 maart 2017 zijn [Verdachte B] en [Verdachte A] samen vanuit Amstelveen op pad gegaan en beiden in de woning van het slachtoffer geweest waarbij de woning is doorzocht. Ook hebben beiden fysiek contact gehad met het slachtoffer, waarbij in elk geval één van de verdachten geweld heeft gebruikt.

Na het delict hebben [Verdachte B] en [Verdachte A] gelijktijdig de woning van het slachtoffer verlaten, in de wetenschap dat zij het overleden slachtoffer in de hal van haar woning achterlieten. Zij zijn vervolgens samen terug naar Amstelveen gereden.

De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat [Verdachte B] en [Verdachte A] een plan hadden en dat zij steeds, op alle cruciale momenten, samen zijn gebleven. Er was aldus sprake van een nauwe en bewuste samenwerking.

Weliswaar kan de rechtbank niet vaststellen wie de bewuste handeling(en) heeft verricht die [slachtoffer] fataal is/zijn geworden, echter is dit voor de bewezenverklaring van het medeplegen niet noodzakelijk. Te meer nu verdachte met betrekking tot deze in hoge mate belastende omstandigheden niet een aannemelijke verklaring heeft gegeven waaruit een andere toedracht naar voren komt.

Vrijwillige terugtred

De raadsman heeft ten aanzien van het meer subsidiair ten laste gelegde bepleit dat aan verdachte een geldig beroep op vrijwillige terugtred toekomt, nu de diefstal niet heeft plaatsgevonden door de dood van het slachtoffer.

Dit – overigens voor de rechtbank speculatieve – verweer is op geen enkele wijze onderbouwd en wordt – mede gelet op de inhoud van de bewijsmiddelen – verworpen.

4.3.4

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 25 maart 2017 te Zaandam, gemeente Zaanstad, tezamen en in vereniging met een ander, [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] ) opzettelijk van het leven heeft beroofd, door het uitoefenen of toepassen van (samen)drukkend geweld (smoren) op/tegen de mond en/of de neus, en/of de hals van die [slachtoffer] , althans het belemmeren en/of onmogelijk maken van de ademhaling van die [slachtoffer] ,

welke doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten poging tot diefstal met geweld in vereniging van een hoeveelheid geld, en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden, gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan andere deelnemers aan dat feit straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren.

Hetgeen aan verdachte onder subsidiair meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. Verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5 Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van doodslag, gevolgd/vergezeld/voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden of gemakkelijk te maken of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan dat feit straffeloosheid of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

6 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

7 Motivering van de straf

7.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 jaar. De officier van justitie heeft bij het bepalen van de strafeis de volgende omstandigheden in aanmerking genomen.

Het slachtoffer was een kwetsbare vrouw, waarin verdachten een makkelijk doelwit vonden. Verdachte en zijn medeverdachten zijn op een gewetenloze wijze te werk gegaan, hetgeen getuigt van een volkomen gebrek aan respect voor de waarde van het menselijk leven.

[Verdachte B] en [Verdachte A] hebben de grootste rol in het delict gehad; zij zijn in de woning geweest, hebben het geweld toegepast en hebben de woning doorzocht. Bij verdachte is geen enkel berouw te bespeuren, sterker, het lijkt erop of hij zich ook na het delict bezig is blijven houden met strafbare feiten.

Gelet op de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder het heeft plaatsgevonden kan enkel met oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanmerkelijke duur worden volstaan. De officier van justitie heeft voor wat betreft de hoogte gekeken naar straffen in soortgelijke zaken.

7.2

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft naar voren gebracht dat verdachte aan zijn aanhouding blijvend letsel heeft overgehouden. Zo is onder meer vastgesteld dat sprake is van een doorgegroeide hernia. Tevens wordt verdachte voor PTSS behandeld. Verdachte zit in een enorm isolement in detentie. De raadsman heeft verzocht voornoemde persoonlijke omstandigheden mee te wegen in de strafmaat.

7.3

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede door de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

[Verdachte B] en [Verdachte A] hebben volgens een vooropgezet plan [slachtoffer] , een kwetsbare en lichamelijk beperkte vrouw, in haar woning overvallen, terwijl ze wisten dat ze thuis was. Ze hebben haar woning doorzocht teneinde geld van haar te bemachtigen, nu zij van de buurman van [slachtoffer] , [Verdachte C] , hadden gehoord dat [slachtoffer] mogelijk over veel geld zou beschikken.

Tijdens de overval is er door [Verdachte B] en [Verdachte A] veel geweld gebruikt. [slachtoffer] is mishandeld, haar handen zijn bij elkaar gebonden met tie-wraps en haar benen zijn bij elkaar gebonden met een sjaal. Uiteindelijk is zij komen te overlijden omdat zij door handelen van verdachten geen adem meer kon halen.

De laatste momenten in het leven van [slachtoffer] moeten verschrikkelijk zijn geweest. Zij moet de dood letterlijk in de ogen hebben gekeken en in de laatste minuten van haar leven doodsangsten hebben uitgestaan.

Iemand doden is een onomkeerbare daad. Het biedt geen ruimte voor herstel en dieper ingrijpen in iemands leven is niet mogelijk. Verdachte heeft beschikt over het leven van [slachtoffer] en dit vervolgens beëindigd.

Het beëindigen van iemands leven slechts om haar geld te bemachtigen, is afschuwelijk, zinloos en geeft geen enkele blijk van respect voor het leven van het slachtoffer.

De zus van [slachtoffer] heeft op zitting, middels het spreekrecht voor nabestaanden, aangegeven hoezeer dit feit haar heeft aangegrepen. Ze noemt de dood van [slachtoffer] onbeschrijfelijk, oneerlijk en onwerkelijk. Zij heeft haar zus moeten identificeren en dit was het ergste wat ze in haar leven heeft meegemaakt. Daarnaast is haar leven op zijn kop gezet. Naast het gemis van haar zus, is haar vertrouwen in mensen aangetast, evenals haar vertrouwen in haar eigen veiligheid.

Een feit als dit brengt ook in de maatschappij ernstige gevoelens van angst en onveiligheid met zich mee. De woning van [slachtoffer] was gelegen in een flat, waar veel mensen haar kenden of haar wel eens hadden gezien. Voor de bewoners van die flat, maar ook daarbuiten heeft het nieuws rondom de dood van [slachtoffer] veel beroering teweeg gebracht. De willekeurigheid van dit delict speelt daarbij een grote rol. Het is invoelbaar dat mensen denken dat dit ook hen, of iemand die zij lief hebben, kan overkomen. Juist in iemands eigen woning moet men zich veilig kunnen voelen en onbekommerd zijn of haar gang kunnen gaan. Dit gevoel van veiligheid is door toedoen van verdachte aangetast.

Gekwalificeerde doodslag is zo’n ernstig feit, dat slechts volstaan kan worden met het opleggen van een lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Ook uit een oogpunt van vergelding en ter beveiliging van de maatschappij is een lange gevangenisstraf op zijn plaats.

Het strafmaximum van gekwalificeerde doodslag is een levenslange gevangenisstraf. De rechtbank heeft bij het bepalen van de hoogte van de straf verschillende uitspraken met betrekking tot gekwalificeerde doodslag bekeken. Alhoewel de achtergrond en de omstandigheden van de verschillende delicten uiteen lopen, is gebleken dat over het algemeen een gevangenisstraf van 15 tot 18 jaren wordt opgelegd. De rechtbank neemt deze bandbreedte als uitgangspunt.

Bij de hoogte van de op te leggen straf betrekt de rechtbank tevens dat verdachte geen openheid van zaken heeft willen geven en daarmee geen enkele verantwoordelijkheid heeft willen nemen. Hij heeft daarmee de nabestaanden de gelegenheid ontnomen om de ware toedracht van de dood van [slachtoffer] te weten te komen. De zus van [slachtoffer] heeft tijdens haar verklaring ter terechtzitting aangegeven dat deze onduidelijkheid vreselijk en moeilijk te verkroppen is.

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank gelet op het op naam van verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie van 10 april 2018, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld. De rechtbank ziet geen aanleiding rekening te houden met de door de raadsman naar voren gebrachte persoonlijke omstandigheden. Onvoldoende is komen vast te staan dat verdachte letsel heeft opgelopen ten gevolge van de aanhouding. Wel staat vast dat verdachte detentiegeschikt is en dat hij in detentie de benodigde behandeling kan krijgen.

Bovenstaande factoren in ogenschouw genomen komt de rechtbank tot de slotsom dat de eis zoals deze door de officier van justitie is geformuleerd passend en geboden is. Dit betekent dat de rechtbank komt tot het opleggen van een gevangenisstraf van 16 jaren, met aftrek van de tijd die verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht.

8 Beslissingen omtrent in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen

De rechtbank is van oordeel dat de onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, vermeld op de beslaglijst onder nummers 1 en 2, dienen te worden teruggegeven aan verdachte.

De rechtbank is van oordeel dat het onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerp, vermeld op de beslaglijst onder nummer 12, dient te worden teruggegeven aan de rechthebbende.

Ten aanzien van de op de beslaglijst onder nummers 13 en 14 vermelde goederen zal de rechtbank geen beslissing nemen, nu deze goederen tevens op de beslaglijst van [Verdachte A] staan en de rechtbank in het eveneens per datum van 1 november 2018 tegen [Verdachte A] uitgesproken vonnis een beslissing heeft genomen omtrent deze goederen, te weten teruggave aan de rechthebbende.

9 Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

De [benadeelde partij] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 23.304,03 ingediend tegen verdachte wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. Ter terechtzitting van 10 oktober 2018 heeft de raadsvrouw van de benadeelde partij de vordering nader toegelicht en verhoogd met een bedrag van € 20.000,00, bestaande uit shockschade.

De vordering tot schadevergoeding bedraagt thans € 43.304,03 en is als volgt opgebouwd:

  • -

    Reiskosten € 421,51

  • -

    Parkeerkosten € 24,07

  • -

    Telefoonkosten € 58,52

  • -

    Vliegticket en vervoer naar vliegveld € 242,90

  • -

    Eigen bijdrage kosten psycholoog € 131,09

  • -

    Ziektekosten € 8,69

  • -

    Verzorging huisdieren € 185,00

  • -

    Kosten aanvaarden erfenis € 122,00

  • -

    Uitvaartkosten € 1.474,75

  • -

    PostNL nabestaandenservice € 36,95

  • -

    Facturen voldaan ten behoeve van [slachtoffer] € 455,51

  • -

    Doorlopende kosten van rekening [slachtoffer] € 643,04

  • -

    Toekomstige schade € 2.000,00

  • -

    Immateriële schade € 17.500,00

  • -

    Shockschade € 20.000,00

De rechtbank is anders dan de raadsman van oordeel dat behandeling van de vordering geen onevenredige belasting van het strafgeding oplevert zodat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak.

De rechtbank stelt voorop dat nabestaanden schade kunnen vorderen als gevolg van het overlijden van iemand ten gevolge van een gebeurtenis waarvoor een ander jegens hem aansprakelijk is. Ingevolge artikel 6:108 BW kunnen nabestaanden de kosten voor lijkbezorging en levensonderhoud vorderen. De in voornoemd artikel genoemde kosten vormen een limitatieve opsomming.

Materiële schade

De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade tot een bedrag van € 1.506,15 rechtstreeks voortvloeit uit het bewezen verklaarde feit.

Met betrekking tot de reiskosten overweegt de rechtbank als volgt.

De kosten die betrekking hebben op de uitvaart, bedragende € 31,40, zijn aan te merken als rechtstreekse kosten en zijn derhalve toewijsbaar.

De kosten die zien op de reis naar de rechtbank, het politiebureau en de officier van justitie, bedragende € 178,40, zijn naar het oordeel van de rechtbank aan te merken als proceskosten en zullen als zodanig worden toegewezen.

De overige reiskosten komen niet voor vergoeding in aanmerking, nu deze kosten geen betrekking hebben op de kosten voor lijkbezorging en levensonderhoud.

Met betrekking tot de parkeerkosten overweegt de rechtbank dat de kosten die zijn gemaakt ten behoeve van gesprekken met de officier van justitie zijn aan te merken als proceskosten en als zodanig zullen worden toegewezen. Deze kosten bedragen € 16,55.

De overige parkeerkosten komen niet voor vergoeding in aanmerking, nu deze kosten geen betrekking hebben op de kosten voor lijkbezorging en levensonderhoud.

De uitvaartkosten van € 1.474,75 zijn kosten die rechtstreeks voortvloeien uit het bewezenverklaarde feit en komen voor vergoeding in aanmerking.

Ten aanzien van de overige gevorderde materiële kosten, bestaande uit telefoonkosten, vliegticket en vervoer naar vliegveld, kosten psycholoog, ziektekosten, verzorging huisdieren, aanvaarden erfenis, PostNL nabestaandenservice, facturen voldaan ten behoeve van [slachtoffer] , doorlopende kosten van [slachtoffer] , is de rechtbank van oordeel dat deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen, nu deze kosten geen betrekking hebben op de kosten voor lijkbezorging en levensonderhoud.

Toekomstige schade

De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde toekomstige schade evenmin voor toewijzing in aanmerking komt, nu niet nader is onderbouwd waar eventuele toekomstige schade op zou kunnen zien en er ook overigens geen aanwijzingen zijn dat sprake is van nog niet geopenbaarde toekomstige voor vergoeding in aanmerking komende schade.

Immateriële schade

Wat betreft de gevorderde immateriële schade/affectieschade overweegt de rechtbank het volgende. Door de benadeelde partij is een beroep gedaan op de wet die het claimen en uitkeren van affectieschade mogelijk zal maken, welke wet op 1 januari 2019 in werking zal treden. In dit wetsvoorstel is bepaald dat affectieschade niet wordt toegekend, totdat het wetsvoorstel in werking is getreden (vlg. Kamerstukken II, 2014-2015, 34257, nr. 3, p. 9).

Gelet op de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever geen terugwerkende kracht aan dit wetsvoorstel te verlenen ziet de rechtbank geen aanleiding om ‘te anticiperen’ op de aankomende wetswijziging zoals verzocht door de raadsvrouw van de benadeelde partij en is de rechtbank van oordeel dat deze schade niet voor vergoeding in aanmerking komt.

Shockschade

Wat betreft de gevorderde shockschade overweegt de rechtbank als volgt. Namens de benadeelde partij is aangevoerd dat zij in behandeling is geweest bij een psycholoog en EMDR-therapie heeft ondergaan teneinde haar PTSS klachten te behandelen. Ten aanzien van die behandelingen zijn facturen overgelegd. De psychische schade waarvoor de benadeelde partij onder behandeling was zou zijn opgelopen door confrontatie met het levenloze lichaam en het letsel zichtbaar op het lichaam van haar zus, het slachtoffer, teneinde haar te identificeren. Voorts heeft de benadeelde partij kennisgenomen van het dossier en de inhoud ervan, alsook van de overhoopgehaalde woning van haar zus.

Voor vergoeding van shockschade is vereist dat het bestaan van geestelijk letsel, waardoor iemand in zijn persoon is aangetast, in rechte kan worden vastgesteld. Dat zal in het algemeen slechts het geval zal zijn als sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld.

Hoewel uit de door de benadeelde partij overgelegde stukken is gebleken dat daadwerkelijk EMDR-therapie is ondergaan, volgt uit de stukken niet dat deze therapie is ondergaan ten gevolge van klachten die zijn ontstaan door confrontatie met het lichaam en letsel van het slachtoffer. Voor een inhoudelijke beoordeling van de vordering zou nader onderzoek noodzakelijk zijn. De rechtbank is gelet daarop van oordeel dat de behandeling van de vordering tot vergoeding van shockschade een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaring in de vordering en bepalen dat de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

De vordering zal derhalve tot een bedrag van € 1.506,15 worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 25 maart 2017 tot aan de dag der algehele voldoening.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op € 194,95.

Daarbij zal de rechtbank bepalen dat indien een medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: het medeplegen van gekwalificeerde doodslag] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Sr op te leggen.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikelen 36f, 47 en 288 van het Wetboek van Strafrecht.

11 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte primair ten laste is gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 4.3.4 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder subsidiair meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 5. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 (zestien) jaar.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de teruggave aan verdachte van de op de beslaglijst onder 1 en 2 vermelde goederen.

Gelast de teruggave aan de rechthebbende van het onder 12 op de beslaglijst vermelde goed.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de [benadeelde partij] geleden schade tot een bedrag van € 1.506,15 (vijftienhonderd zes euro en vijftien cent), bestaande uit vergoeding voor de materiële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 25 maart 2017 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [benadeelde partij] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vastgesteld op € 194,95 (honderdvierennegentig euro en vijfennegentig cent), en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Bepaalt dat indien genoemde bedragen geheel of gedeeltelijk door (een van) de medeverdachten zijn betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [benadeelde partij] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.506,15 (vijftienhonderd zes euro en vijftien cent), bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 25 (vijfentwintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 maart 2017 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens (een van) de medeverdachten aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. J. van Beek, voorzitter,

mr. A.S. van Leeuwen en mr. C.P. Staal, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. N. de Roo,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 1 november 2018.