Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2018:9512

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
24-10-2018
Datum publicatie
06-12-2018
Zaaknummer
C/15/268825 / HA ZA 18-17
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Ontvankelijkheid eisende partij, die slechts voor de overdeelde helft eigenaar is.

Art. 3:105 BW. Vordering verklaring voor recht dat door verjaring erfdienstbaarheid is ontstaan afgewezen. Geen onafgebroken en ondubbelzinnig bezit van de gestelde erfdienstbaarheid. Ook geen erfdienstbaarheid door verjaring onder Oud BW ontstaan, want het gaat hier niet om een voortdurende en zichtbare erfdienstbaarheid. Ten slotte ook geen strijd met redelijkheid en billijkheid om schutting te plaatsen binnen een eigen, relatief kleine tuin.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind

Zittingsplaats Alkmaar

zaaknummer / rolnummer: C/15/268825 / HA ZA 18-17

Vonnis van 24 oktober 2018

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

eiseres,

advocaat mr. K.V. Witte te Alkmaar,

tegen

1 [gedaagde 1] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats 3] ,

gedaagden,

advocaat mr. J.H. Prins te Den Helder.

Eiseres zal hierna [eiseres] genoemd worden.

Gedaagden zullen hierna gezamenlijk [gedaagden] en ieder afzonderlijk [gedaagde 1] en [gedaagde 2] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 7 maart 2018

  • -

    het proces-verbaal van descente en van comparitie van 14 juni 2018 en de daarin genoemde stukken;

  • -

    de brief d.d. 26 juni 2018 van mr. Prins in reactie op het proces-verbaal;

  • -

    de brief d.d. 28 juni 2018 van mr. Witte in reactie op het proces-verbaal.

1.2.

Na afloop van de zitting op 14 juni 2018 hebben partijen verzocht om de beslissing in deze zaak aan te houden voor een periode van 12 weken. Zodoende zouden zij in staat zijn met elkaar en eventueel het Hoogheemraadschap te overleggen over een mogelijkheid om deze zaak in der minne te regelen.

Op de rolzitting van 12 september 2018 hebben partijen laten weten dat er geen minnelijke regeling tot stand is gekomen en hebben beide om vonnis gevraagd.

Ten slotte is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] en haar partner [partner eiseres] (hierna: [partner eiseres] ) zijn sinds 4 maart 1987 ieder voor de onverdeelde helft eigenaar van het perceel aan de [adres 2] te [plaats] , kadastraal bekend [kadastrale gegevens] .

2.2.

[gedaagden] zijn sinds 3 mei 2016 eigenaar van het perceel aan de [adres 1] te [plaats] , kadastraal bekend [kadastrale gegevens] .

2.3.

De woningen van [eiseres] en [gedaagden] liggen onderaan een dijk. Op het perceel van [eiseres] en [partner eiseres] staat, naast de hoofdwoning, een tweede pand dat wordt gebruikt als garage/opslagruimte. Tot augustus 2017 was het voor [eiseres] mogelijk om met een auto en/of aanhanger via een grasstrook (hierna: de grasstrook) op de achterzijde van het perceel van [gedaagden] haar garage te bereiken. In augustus 2017 hebben [gedaagden] de grasstrook weggehaald en op die plek een schutting geplaatst. Hierdoor kan [eiseres] niet meer met een auto en/of aanhanger haar garage bereiken.

2.4.

De situatie van voor augustus 2017 kan als volgt worden weergegeven:

2.5.

De situatie van na augustus 2017 kan als volgt worden weergegeven:

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert na wijziging van eis, bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

Primair:

I. Een verklaring voor recht dat [eiseres] door verjaring een recht van erfdienstbaarheid heeft verkregen op een gedeelte van het perceel van [gedaagden] , kadastraal bekend [kadastrale gegevens] , om te komen en te gaan naar de garage op het perceel kadastraal bekend [kadastrale gegevens] ;

II. Hoofdelijke veroordeling van [gedaagden] om binnen 28 dagen na betekening van dit vonnis mee te werken aan het verlijden van verklaring van verjaring gevolgd door inschrijving daartoe in de bestemde openbare registers, op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per dag of gedeelte van een dag dat [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] niet aan voormelde veroordeling voldoet, met een maximum van € 50.000,-;

III. Hoofdelijke veroordeling van [gedaagden] om binnen 28 dagen na betekening van dit vonnis de schutting gedeeltelijk af te breken op zodanige wijze dat [eiseres] met haar auto haar garage kan bereiken, op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per dag of dagdeel dat [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] niet aan voormelde veroordeling voldoet, met een maximum van € 50.000,-;

IV. [gedaagden] hoofdelijk te verbieden om de uitoefening van het recht van erfdienstbaarheid jegens [eiseres] en andere gebruikers te belemmeren, op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per dag of dagdeel dat [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] in dat [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] niet aan voormelde veroordeling voldoet, met een maximum van € 50.000,-;

Subsidiair:

V. Hoofdelijke veroordeling van [gedaagden] om binnen 28 dagen na betekening van dit vonnis een gedeelte van de schutting af te breken op zodanige wijze dat [eiseres] met haar auto haar garage kan bereiken, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- per dag of dagdeel dat [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] niet aan voormelde veroordeling voldoet, met een maximum van € 50.000,-;

VI. [gedaagden] hoofdelijk te verbieden dat zij de doorgang naar de garage van [eiseres] op enigerlei wijze belemmeren, op straffe van een dwangsom van € 1 .000,- per dag of dagdeel dat [gedaagde 1] en/of Knaapniet aan voormelde veroordeling voldoet, met een maximum van € 50.000,-;

Ten aanzien van alle vorderingen:

VII. Hoofdelijke veroordeling van [gedaagden] in de proceskosten en de nakosten.

3.2.

[gedaagden] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[gedaagden] hebben bezwaar gemaakt tegen de wijziging van eis. De rechtbank acht deze wijziging (wijziging van een kadastraal nummer) niet in strijd met de behoorlijke procesorde. Mr. Prins heeft gelijk dat dat kadastrale nummer op een ander stuk grond ziet, maar uit het debat tussen partijen blijkt dat het voor iedereen duidelijk is waar het over gaat.

4.2.

[eiseres] legt aan haar primaire vordering - samengevat - ten grondslag dat zij sinds 1987 gebruik maakt van de grasstrook op het perceel van (thans) [gedaagden] om met een auto en/of aanhanger haar garage te bereiken. Aangezien zij meer dan 20 jaar het onafgebroken en ondubbelzinnig bezit over het desbetreffende gedeelte van dit perceel heeft uitgeoefend en zich ook zichtbaar en kenbaar als bezitter heeft gedragen, is zij door verjaring rechthebbende geworden van een recht van erfdienstbaarheid. [gedaagden] konden hieruit niet anders afleiden dan dat [eiseres] pretendeerde rechthebbende te zijn van een erfdienstbaarheid. Door het plaatsen van een schutting belemmeren [gedaagden] in de uitoefening van dit recht van erfdienstbaarheid.

Voor zover de rechtbank zou oordelen dat het bezit van de erfdienstbaarheid naar Nieuw BW niet voortdurend en onafgebroken is geweest, omdat de afrit vanaf de dijk en de toegang tot de garage eind 1997 voor een periode van circa twee weken is afgesloten door toenmalige buurman van [eiseres] , is er een erfdienstbaarheid door verjaring ontstaan onder het oude recht, aldus [eiseres] .

4.3.

Aan haar subsidiaire vordering legt [eiseres] ten grondslag dat [gedaagden] in strijd met de redelijkheid en billijkheid handelen door hun schutting zodanig te plaatsen dat [eiseres] haar garage niet meer kan bereiken met haar auto. Bovendien maken zij misbruik van recht en handelen zij onrechtmatig. Er is sprake van een onevenredige benadeling van het persoonlijk belang dat [gedaagden] hebben bij het afsluiten van hun erf tegenover het belang van [eiseres] om haar garage met haar auto te kunnen bereiken, aldus nog steeds [eiseres] .

4.4.

[gedaagden] voeren als verweer primair aan dat [eiseres] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering, dan wel dat de vordering dient te worden afgewezen, omdat niet blijkt dat zij bevoegd is om mede namens [partner eiseres] de vordering in te stellen en de gemeenschappelijke eigendom met een erfdienstbaarheid te belasten.

Daarnaast dient [eiseres] niet ontvankelijk te worden verklaard, omdat zij in haar vordering de verkeerde kadastrale aanduiding heeft gebruikt. [eiseres] betoogt dat zij een erfdienstbaarheid heeft verkregen op een gedeelte van het perceel van [gedaagden] , kadastraal bekend [kadastrale gegevens] maar dit nummer bestaat niet, aldus [gedaagden]

4.5.

Inhoudelijk betwisten [gedaagden] dat [eiseres] een erfdienstbaarheid zou hebben verkregen door verjaring. Er is geen sprake geweest van inbezitneming en onafgebroken gebruik door [eiseres] . Onder verwijzing naar jurisprudentie betogen [gedaagden] dat er geen sprake is geweest van afbakening van het deel van de grond en/of het bestraten daarvan. Het enkel en alleen met auto’s over een perceel rijden wordt niet als bezitshandeling gezien. Bovendien betwisten (de rechtsvoorgangers van) [gedaagden] sinds jaar en dag het door [eiseres] gestelde recht van erfdienstbaarheid. Er is in het verleden ooit een persoonlijk recht van parkeren geweest. Dat recht is in 1997 beëindigd.

Ook onder het oude recht is geen erfdienstbaarheid ontstaan. Vóór 1992 konden niet-voortdurende en niet-zichtbare erfdienstbaarheden niet ontstaan, behoudens een enkele uitzondering. Die uitzondering doet zich hier niet voor. Vanaf 1992 is geen sprake geweest van onafgebroken gebruik.

Ten slotte betogen [gedaagden] dat, al zou er een erfdienstbaarheid hebben bestaan, deze is onderbroken doordat de buurman eind 1997 de toegang tot de garage heeft geblokkeerd.

4.6.

Van het gestelde misbruik van recht is geen sprake, nu [eiseres] nimmer haar auto in de garage parkeert. Deze auto past niet in de garage. Daarnaast is in de akte van levering van de woning aan de Westfriesedijk 94 te [plaats] aan [eiseres] het litigieuze object als schuur vermeld en niet als garage. Dit object is ook nimmer als garage gebruikt. Het werd en wordt gebruikt als opslag. [eiseres] voert aan dat [partner eiseres] de garage gebruikt om aan hun auto of auto’s van anderen te sleutelen. De bestemming van het object is echter geen garagebedrijf en voldoet ook niet aan de milieunormen. Het in deze procedure gevorderde mist derhalve tevens belang, omdat het gebruik van de garage waarvoor de erfdienstbaarheid wordt geclaimd onrechtmatig is en in strijd met het bestemmingsplan en de milieuwetgeving, aldus nog steeds [gedaagden]

Niet-ontvankelijk?

4.7.

De rechtbank oordeelt als volgt. [gedaagden] hebben als primair verweer aangevoerd dat [eiseres] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering omdat niet is gebleken dat [eiseres] bevoegd is om deze procedure namens [partner eiseres] te voeren Dit verweer faalt. [eiseres] heeft bij B-formulier van 30 mei 2018 een verklaring van [partner eiseres] d.d. 26 februari 2018 overgelegd waaruit blijkt dat [partner eiseres] [eiseres] heeft gemachtigd om onderhavig geschil mede namens hem zowel in als buiten rechte te beslechten. Dat [eiseres] mogelijk problemen zal ondervinden bij een eventuele inschrijving van het vonnis in het kadaster, leidt er niet toe dat zij geen verklaring van recht kan vorderen.

4.8.

Daarnaast hebben [gedaagden] aangevoerd dat [eiseres] ook niet-ontvankelijk is, omdat zij in haar vordering een onjuiste kadastrale aanduiding heeft gebruikt. Ook dit verweer slaagt niet, nu [eiseres] haar eis terzake bij gelegenheid van de comparitie heeft gewijzigd in de juiste kadastrale aanduiding.

Inhoudelijk

4.9.

Een erfdienstbaarheid kan ingevolge artikel 5:72 BW slechts door vestiging of door verkrijgende dan wel bevrijdende verjaring ontstaan. Tussen partijen staat vast dat er geen erfdienstbaarheid is gevestigd en dat er ook geen erfdienstbaarheid door verkrijgende verjaring is ontstaan. In geschil is of een erfdienstbaarheid door bevrijdende verjaring (artikel 3:105 BW) is ontstaan en zo ja, wat de omvang van die erfdienstbaarheid is.

4.10.

Artikel 3:105 lid 1 BW bepaalt dat hij die een goed bezit op het tijdstip waarop de verjaring van de rechtsvordering strekkende tot beëindiging van het bezit wordt voltooid, dat goed verkrijgt, ook al was zijn bezit niet te goeder trouw. Ingevolge artikel 3:306 BW geldt voor bedoelde rechtsvordering een verjaringstermijn van twintig jaar.

4.11.

Voor het verkrijgen van een recht van erfdienstbaarheid door middel van verjaring dient gedurende de verjaringstermijn sprake te zijn van ondubbelzinnig bezit (een houden voor zichzelf met de pretentie eigenaar te zijn) van die erfdienstbaarheid in die zin dat er feitelijke en/of uiterlijke omstandigheden, zoals gedragingen en een bestendige toestand van een erf, aanwezig zijn waaruit naar verkeersopvattingen een wilsuiting kan worden afgeleid om een bevoegdheid als gerechtigde tot die erfdienstbaarheid uit te oefenen. Anders gezegd: er is sprake van ondubbelzinnig bezit wanneer de bezitter ( [eiseres] ) zich zodanig gedraagt dat de gerechtigde tegen wie de verjaring loopt ( [gedaagden] ) daaruit niets anders kan afleiden dan dat de bezitter pretendeert rechthebbende tot de erfdienstbaarheid te zijn.

4.12.

Naar het oordeel van de rechtbank is dat in deze zaak niet het geval. [eiseres] heeft, in het licht van de gemotiveerde betwisting door [gedaagden] , onvoldoende onderbouwd dat zij gedurende ten minste 20 jaar feitelijk, onafgebroken en ondubbelzinnig bezit van een erfdienstbaarheid heeft gehad, inhoudende het recht om de grasstrook te gebruiken als toegangsweg tot haar garage. [eiseres] heeft aangevoerd dat zij (althans [partner eiseres] ) sinds 1987 met (klus)auto’s/aanhangers over de grasstrook is gereden om haar garage te bereiken. Dat is onvoldoende om als gedragingen aan te merken waaruit (de rechtsvoorgangers van) [gedaagden] niet anders dan konden afleiden dat [eiseres] pretendeerden eigenaar van een recht van weg of overpad te zijn. Dit gebruik kan evenzeer duiden op bijvoorbeeld gedogen door (de rechtsvoorgangers van) [gedaagden] of gebruik krachtens een persoonlijk recht. Hierbij merkt de rechtbank op dat [eiseres] , in tegenstelling tot wat in de dagvaarding staat vermeld, bij gelegenheid van de comparitie van partijen heeft verklaard dat zij haar eigen auto nooit in haar garage, maar altijd bovenaan de dijk parkeert.

Ten slotte is door [eiseres] niet betwist dat eind 1997 de doorgang naar de garage van [eiseres] door de rechtsvoorgangers van [gedaagden] volledig is afgesloten gedurende een aantal weken, waardoor de verjaringstermijn van 20 jaar, gerekend vanaf 1998 tot het plaatsen van de schutting in augustus 2017, niet is verstreken.

Op grond van het voorgaande is de conclusie dat er geen recht van erfdienstbaarheid door bevrijdende verjaring is ontstaan.

Oud BW

4.13.

[eiseres] betoogt nog dat, voor zover de rechtbank zou oordelen dat naar Nieuw BW geen erfdienstbaarheid door verjaring is ontstaan, wel een erfdienstbaarheid door verjaring onder het oude recht is ontstaan. Ook dit betoog faalt. Onder het oude BW konden alleen voortdurende en zichtbare erfdienstbaarheden ontstaan door verjaring. Het af en toe gebruikmaken van de grasstrook door [eiseres] om de garage te bereiken is dat niet.

Strijd met redelijkheid en billijkheid/misbruik van recht/onrechtmatig handelen

4.14.

[eiseres] voert subsidiair aan dat het plaatsen van de schutting door [gedaagden] in strijd is met de redelijkheid en billijkheid, dan wel misbruik van recht en dus onrechtmatig handelen oplevert.

Ook deze subsidiaire grondslag kan de vordering niet dragen. [gedaagden] hebben de schutting geplaatst op hun eigen erf en op de hoek zelf een klein stukje daarbinnen. Van misbruik van recht is in deze omstandigheden slechts in zeer uitzonderlijke gevallen sprake. [gedaagden] hebben bij het omheinen van hun eigendom met een schutting een redelijk te respecteren belang. Ter plaatse is de rechtbank gebleken dat het hier niet gaat om een groot terrein, maar – integendeel – een relatief kleine tuin. Niet kan worden gezegd dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [gedaagden] hun eigen erf afsluiten. [gedaagden] handelen daarom niet onrechtmatig jegens [eiseres] , ook niet, afgezet tegen het belang van [eiseres] (althans dat van [partner eiseres] ) om aan auto’s te kunnen klussen in de garage.

4.15.

Gelet op het voorgaande zullen de vorderingen van [eiseres] worden afgewezen.

4.16.

[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagden] worden begroot op:

- griffierecht 291,00

- salaris advocaat 1.629,00 (3,0 punten × tarief € 543,00)

Totaal € 1.920,00

4.17.

De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagden] tot op heden begroot op € 1.920,00,

5.3.

veroordeelt [eiseres] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagden] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis hebben voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.J. Saarloos en in het openbaar uitgesproken op 24 oktober 2018.1

1 type: 299 coll: