Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2018:9430

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
01-11-2018
Datum publicatie
01-11-2018
Zaaknummer
15/760004-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Jeugdstrafrecht: OVAR. Beroep op art. 46b Sr gehonoreerd. Vrijwillige terugtred bij poging overval. WWM: dagvaarding nietig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Sectie Familie & Jeugd

Locatie Haarlem

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummer: 15/760004-18

Uitspraakdatum: 1 november 2018
Tegenspraak

Vonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting met gesloten deuren van 18 oktober 2018 in de zaak tegen:

[gedaagde] ,

geboren op [geboortedatum] te Beverwijk,

wonende te [adres] .

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. T.M. Fikkers en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. H. Polat, advocaat te Haarlem, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is, na een toegestane wijziging van de tenlastelegging ex artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering, ten laste gelegd dat:

feit 1

primair
hij op of omstreeks 10 februari 2018 te gemeente Haarlemtezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om geld en/of (een) Shisha-pen(nen), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [benadeelde] en/of Sigarenmagazijn [naam winkel] , weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en dat voorgenomen misdrijf / deze poging diefstal te doen voorafgaan, te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [benadeelde] , te plegen met het oogmerk om die/dat voorgenomen diefstal/misdrijf voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of andere deelnemer(s) aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of zijn mededader(s):

- met gezichtsbedekking (te weten: een pet en/of capuchon en/of shirt/sjaal voor de mond) voornoemd Sigarenmagazijn heeft/hebben betreden, en/of

- met een (al dan niet zichtba(a)r(e)) ploertendoder en/of op een echt gelijkend vuurwapen (in de hand) voornoemd Sigarenmagazijn heeft/hebben betreden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair

hij op of omstreeks 10 februari 2018 te Haarlem, althans te Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter voorbereiding van het misdrijf diefstal met geweldpleging in vereniging en/of afpersing in vereniging, resp. artikel(s) 312 jo 45/47 cq. 317 jo 45/47 van het Wetboek van Strafrecht, opzettelijk één of meer voorwerpen, te weten:

- een fiets, en/of

- hoofd-/gezichtsbedekkende en/of verhullende en/of vermommende kleding, en/of

- een (op een echt gelijkend) (nep)vuurwapen, en/of

- een schroevendraaier, en/of

- een ploertendoder,

welk(e) goed(eren) - al dan niet in combinatie met elkaar - bestemd waren tot het begaan van dat misdrijf, heeft verworven en/of vervaardigd en/of ingevoerd en/of doorgevoerd en/of uitgevoerd en/of voorhanden heeft gehad;

feit 2
hij op of omstreeks 10 februari 2018 te gemeente Haarlem een of meer wapens van

categorie I, onder 3, te weten een ploertendoder.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding deels nietig is, nu de tenlastelegging van feit 2 geen volledige opgave van het tenlastegelegde feit bevat en daarmee niet voldoet aan de vereisten die in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering aan een dagvaarding worden gesteld. Immers, in de tenlastelegging van feit 2 ontbreekt hetgeen aan verdachte met betrekking tot een ploertendoder wordt verweten.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding voor het overige geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1. primair en subsidiair ten laste gelegde feiten.

3.2.

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder 1. primair ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit – zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd;

  • -

    het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte van [benadeelde] d.d. 10 februari 2018 (dossierpagina’s 28-30).

3.3.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1. primair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat

hij op 10 februari 2018 te Haarlem tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om Shisha-pennen, die toebehoorden aan [benadeelde] en/of Sigarenmagazijn [naam winkel] , weg te nemen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen en dat voorgenomen misdrijf / deze poging diefstal te doen voorafgaan, te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [benadeelde] , te plegen met het oogmerk om die/dat voorgenomen diefstal/misdrijf voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of een andere deelnemer aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte en zijn mededader:

- met gezichtsbedekking voornoemd Sigarenmagazijn en

- met een ploertendoder en op een echt gelijkend vuurwapen voornoemd Sigarenmagazijn hebben betreden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Strafbaarheid van het feit

De raadsman heeft zich beroepen op de vrijwillige terugtred van verdachte als bedoeld in artikel 46b van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Hij heeft hiertoe – kort gezegd – aangevoerd dat het plan om het sigarenmagazijn te overvallen niet verder is uitgevoerd, omdat de verdachte het geen goed plan meer vond, toen hij eenmaal met de medeverdachte in het Sigarenmagazijn was, en het besluit heeft genomen om niet verder te gaan en weg te gaan.

De officier van justitie heeft aangegeven zich te kunnen vinden in het betoog van de raadsman en acht vrijwillige terugtred ten aanzien van de onder 1. primair ten laste gelegde poging tot diefstal voldoende aannemelijk. Met betrekking tot het subsidiair ten laste gelegde onder 1 acht de officier de vrijwillige terugtred niet aannemelijk. Hij stelt zich dan ook met betrekking tot het subsidiair ten laste gelegde op het standpunt dat verdachte voor dit feit veroordeeld kan worden.

De rechtbank stelt voorop dat artikel 46b Sr bepaalt dat poging of voorbereiding niet bestaat indien het misdrijf niet is voltooid ten gevolge van omstandigheden van de wil van de dader afhankelijk, de zogenaamde vrijwillige terugtred. Daartoe is voldoende dat bedoelde omstandigheden aannemelijk zijn geworden. Of gedragingen van de verdachte toereikend zijn om de gevolgtrekking te wettigen dat het misdrijf niet is voltooid als gevolg van omstandigheden die van zijn wil afhankelijk zijn, hangt - mede gelet op de aard van het misdrijf - af van de concrete omstandigheden van het geval.

De rechtbank overweegt ten aanzien van het beroep op vrijwillige terugtred het volgende.

Bewezenverklaard is dat de verdachte heeft geprobeerd samen met een ander het Sigarenmagazijn [naam winkel] te overvallen. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de verdachten samen het plan hebben gemaakt een overval te plegen. Zij hebben zich vervolgens voorzien van donkere kleding en gezichtsbedekking. Met een ploertendoder en een neppistool (en een schroevendraaier) op zak zijn de twee jongens naar het sigarenmagazijn gefietst. Aldus handelend hebben zij een begin van uitvoering gegeven aan hun plan. Vrijwel direct na binnenkomst in de winkel – nog zonder iets gezegd of gedaan te hebben – besluiten ze om de overval niet door te zetten en verlaten ze het Sigarenmagazijn. Verdachte heeft verklaard dat hij besefte dat hij de overval niet meer wilde plegen en dat hij vervolgens, samen met de medeverdachte, naar buiten is gelopen. Deze verklaring van verdachte wordt ondersteund door de verklaringen van aangever [benadeelde] en getuige [naam] alsmede van medeverdachte [naam] , die allen verklaren dat de verdachten c.q. zij maar heel kort in de winkel zijn geweest.


Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat het niet voltooien van het misdrijf, in ieder geval in overwegende mate, het gevolg is geweest van een spontaan genomen besluit van verdachte en daarmee is gelegen in van de wil van de verdachte afhankelijke omstandigheden. Het voorgaande betekent dat het beroep op vrijwillige terugtred als bedoeld in artikel 46b Sr slaagt. Derhalve kan het bewezen verklaarde feit niet worden gekwalificeerd en dient verdachte te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Nu de rechtbank het primair ten laste gelegde onder 1 bewezen acht, komt zij in de onderhavige casus waarin de tenlastelegging poging en voorbereidingshandelingen voor hetzelfde feit betreft, in het licht van de door het openbaar ministerie gekozen wijze van tenlasteleggen, namelijk een primaire/subsidiaire variant, anders dan de officier van justitie zelf, niet toe aan een beoordeling van het subsidiair ten laste gelegde.

5 Vordering benadeelde partij

De benadeelde partij [benadeelde] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 2.000,- (tweeduizend euro) ingediend tegen verdachte wegens immateriële schade die hij als gevolg van het onder 1. ten laste gelegde feit zou hebben geleden. Verdachte zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging van het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering.

6 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart de dagvaarding met betrekking tot feit 2 nietig.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1. primair ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.3 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Stelt vast dat het bewezen verklaarde geen strafbaar feit oplevert en ontslaat de verdachte daarvoor van alle rechtsvervolging.

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering.

Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. R. van der Heijden, voorzitter,

mr. M.M. van Weely en mr. Ph. Burgers, rechters, allen tevens kinderrechter,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. R.M. Verberne,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 1 november 2018.

Mr. M.M. van Weely is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.