Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2018:8900

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
15-10-2018
Datum publicatie
15-10-2018
Zaaknummer
15/870942-17 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van het één of meerdere malen (telkens) opzettelijk brand stichten in een bedrijfspand van de Hema te Beverwijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/870942-17 (P)

Uitspraakdatum: 15 oktober 2018

Tegenspraak

Vonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 19 juli 2018 en 1 oktober 2018 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1994 te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres] ,

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Almere .

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. A.F. Hof en van hetgeen verdachte en zijn raadsman, mr. N.W. Groenhart, advocaat te Haarlem, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging ex artikel 314a wetboek van Strafvordering (Sv), ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 13 mei 2017 te Beverwijk, in elk geval in Nederland, één of meerdere malen (telkens) opzettelijk brand heeft gesticht in een bedrijfspand van de Hema (gevestigd aan de Breestraat 84), immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk

- in het kantoor op de eerste verdieping kortsluiting veroorzaakt (omstreeks 7:30 uur) en/of

- in het magazijn op de eerste verdieping een of meerdere brandhaard(en) gecreëerd (omstreeks 23:30 uur), al dan niet met gebruikmaking van (een) brandversnellend(e) middel(en)

ten gevolge waarvan meerdere goederen (in het kantoor en/of het magazijn op de

eerste verdieping) vlam hebben gevat, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor één of meer aangelegen en/of nabijgelegen pand(en) en/of zich in die/dat pand(en) bevindende perso(o)n(en), in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor één of meer perso(o)n(en) (-) te duchten was.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Standpunten van partijen

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van beide ten laste gelegde brandstichtingen. Daartoe heeft de officier van justitie – kort samengevat – naar voren gebracht dat uit het dossier, en met name uit de onderzoeken door de Forensische Opsporing (FO), het bureau Gorpa Schadeonderzoek (Gorpa) en het Nederlands Forensisch Instituut (NFI), is gebleken dat de avondbrand opzettelijk is aangestoken. De officier van justitie heeft hierbij betrokken dat het onwaarschijnlijk is dat die avondbrand op twee verschillende plekken is ontstaan. Hoewel de FO ten aanzien van de ochtendbrand aanvankelijk niet aan een misdrijf dacht, waardoor dus minder volledig onderzoek is gedaan, meent de officier van justitie ten aanzien van de ochtendbrand dat, alle rapporten in samenhang bezien, brandstichting het meest waarschijnlijke scenario is. De officier van justitie betrekt bij haar conclusie dat de ochtendbrand is aangestoken verder de resultaten van het onderzoek naar de avondbrand; dat er is sprake van brand op dezelfde locatie, dezelfde verdieping, hetzelfde magazijn, en op dezelfde dag met ongeveer dezelfde gang van zaken.

De officier van justitie acht verdachte verantwoordelijk voor beide branden gezien het feit dat verdachte beide keren ter plaatse was en het gedrag van verdachte vóór, na en tijdens de beide branden, zoals dat in het dossier naar voren is gekomen.

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes (6) jaar met aftrek van het reeds ondergane voorarrest.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft - kort samengevat - bepleit dat verdachte vrijgesproken dient te worden van hetgeen hem ten laste is gelegd nu uit de inhoud van het dossier een andere oorzaak van de branden dan brandstichting niet valt uit te sluiten. Voor zover brandstichting wel zou worden aangenomen, dan bevat het dossier, aldus de raadsman, onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat verdachte degene is geweest die de branden heeft gesticht.

4 Bewijs

4.1.Vrijspraak brandstichting feit 1 (de ochtendbrand)

De rechtbank zal verdachte vrijspreken van opzettelijke brandstichting in het kantoor van het magazijn op de eerste verdieping van de HEMA in Beverwijk in de ochtend van 13 mei 2017, De rechtbank volgt de conclusie van deskundige ir. J.H.L.M. Lelieveld, verbonden aan het NFI, zoals verwoord in zijn rapport van 28 juni 2018 en ter zitting nader toegelicht dat hij op basis van het door bureau Gorpa Schadeonderzoek en de Forensische Opsporing ter beschikking gestelde onderzoeksmateriaal, geen concrete oorzaak kan aangeven voor het ontstaan van deze brand. De deskundige kan om die reden een elektrotechnische oorzaak niet uitsluiten, zodat niet wettig en overtuigend is bewezen dat de brand in het magazijnkantoor is veroorzaakt door opzettelijke brandstichting.

4.2.Vrijspraak brandstichting feit 2 (de avondbrand)

Bij de beoordeling of al dan niet sprake is geweest van opzettelijke brandstichting, ziet de rechtbank zich allereerst voor de vraag gesteld of op basis van de inhoud van het procesdossier kan worden vastgesteld of er tijdens of vlak voor de brand geen spanning stond op de in het magazijn aanwezige bekabeling, waaronder de bekabeling in de kabelgoten aan het plafond. Dit zou een elektrotechnische oorzaak van de brand onwaarschijnlijk maken en brandstichting door een ontbrandbare vloeistof (veel) waarschijnlijker.

Bij de beantwoording van deze vraag betrekt de rechtbank het volgende.

Deskundige Lelieveld heeft in zijn rapport van 28 juni 2018 op basis van het in het dossier aanwezige onderzoeksmateriaal geconcludeerd dat de tl-verlichting in het magazijn ten tijde van de tweede brand was uitgeschakeld. Daardoor kon er geen stroom lopen van de verlichtingsschakelaars naar de in het magazijn aanwezige verlichting. De deskundige heeft ter zitting toegelicht dat met het uitschakelen van de lichtschakelaar echter alleen de spanning van de verlichting werd uitgeschakeld, maar niet de spanning die door de bekabeling loopt ten behoeve van bijvoorbeeld stopcontacten. Deze spanning kon alleen worden uitgeschakeld door middel van het uitschakelen van de betreffende groep in de groepenkast.

Uit het rapport van het Gorpa Schadeonderzoek van 5 juli 2017, opgemaakt door R.P.M. van de Kerkhof en C.H.M. van Dongen, is gebleken dat ten tijde van de brand alleen groep 5 uitgeschakeld stond. Dit is de groep die (alleen) het kantoor in het magazijn van stroom voorzag, waar de ochtendbrand had plaatsgevonden. Alle andere groepen, waaronder de groepen die de verlichting in het magazijn van stroom voorzagen (groep 1 tot en met 4 en groep 6), waren ingeschakeld en (pas) vanaf de verlichtingsschakelaar spanningsloos (dossierpagina 103).

R.P.M. van de Kerkhof, technisch brandonderzoeker van bureau Gorpa, heeft als getuige op 11 januari 2018 bij de rechter-commissaris verklaard dat op afbeelding 56 op dossierpagina 104 zichtbaar is dat de groepen 1 tot en met 4 en groep 6 wel spanning doorlaten naar de lichtschakelaars zoals afgebeeld op afbeelding 55, maar dat deze schakelaars zelf geen spanning doorlieten omdat deze uitstonden. Verder heeft hij verklaard dat groep 5 stond uitgeschakeld. De afbeeldingen 55 en 56 geven volgens getuige de situatie weer zoals deze door Gorpa op 17 mei 2017 – dat is dus enkele dagen na de brand – is aangetroffen. Van de Merkhof heeft daarbij gewezen op afbeelding 56 waar verbranding is te zien op de verticale lijnen onder de nummers op de knoppen waarmee de installatieautomaten (groepen) aan en uit worden gezet. Hieruit kan volgens de getuige geconcludeerd worden dat dit de situatie is zoals deze is geweest ten tijde van de brand. Getuige [getuige 1] , leidinggevend elektromonteur bij Holland Techniek, het bureau dat de metingen op 17 mei 2017 heeft verricht, heeft op 9 januari 2018 bij de rechter-commissaris verklaard dat op afbeelding 56 op dossierpagina 104 de kleur rood op de pijltjes betekent dat de betreffende groep aan is, en dus dat stroom doorlaat terwijl de kleur groen voor veilig staat en de groep dan uit staat. De getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij op basis van deze foto (afbeelding 56) niets kan zeggen over de stand van de automaten ten tijde van de brand.

De rechtbank is van oordeel dat op basis van bovengenoemde bevindingen en verklaringen niet kan worden vastgesteld dat er tijdens of vlak voor de brand geen spanning stond op de in het magazijn aanwezige bekabeling, waaronder de bekabeling in de kabelgoten aan het plafond.

Ter terechtzitting heeft deskundige Lelieveld met betrekking tot de mogelijkheid van een elektrotechnische oorzaak van de brand verder het volgende verklaard:

(1) Het gegeven dat er geen spanning op de bekabeling in het magazijn heeft gestaan, sluit niet uit dat een elektrotechnische oorzaak van de brand zich kan hebben voorgedaan vóórdat de verlichting van het magazijn bij het verlaten van het pand door medewerkers van de HEMA werd uitgeschakeld;

(2) Indien na het uitschakelen van de verlichting in het magazijn nog steeds spanning op de elektrische bekabeling in de kabelgoten stond ten behoeve van in het magazijn aanwezige stopcontacten, wandcontactdozen of (draadloze) ontvangstkastjes voor handscanners, is een elektrotechnische oorzaak mogelijk.

In het licht van deze tweede optie heeft verdachte ter zitting verklaard dat dergelijke kastjes zich aan de kabelgoten in het magazijn bevonden en dat in het magazijn op drie plaatsen stopcontacten in de kabelgoot zaten. Ook getuige [getuige 2] , magazijnmedewerker bij de Hema Beverwijk, heeft verklaard dat zich aan de kabelgoot aan het plafond contactdozen bevonden (dossierpagina 224).

Deskundige Lelieveld heeft zowel ter zitting als in zijn rapport aangegeven dat, hoewel minder waarschijnlijk, het in theorie mogelijk is dat door een defect in de bekabeling in de kabelgoot of een defect in de elektrische componenten van de tl-verlichting, toen deze verlichting nog aanstond, warmteontwikkeling en daaropvolgend kortsluiting en vonkvorming kan zijn ontstaan, wat later tot een brand kan hebben geleid. Dit scenario is op grond van het door de hevige brand aangetaste sporenbeeld niet uit te sluiten. Wel is volgens de deskundige hiervoor vereist dat zich in de directe nabijheid van zo’n defect voldoende brandbaar materiaal bevindt.

De rechtbank stelt vast dat voor beantwoording van de vraag of zich in de nabijheid van de brandhaarden onvoldoende brandbaar materiaal zou hebben bevonden, alleen de verklaring van de magazijnmedewerker [getuige 2] , die op donderdag 11 mei 2017- twee dagen voor de brand - voor het laatst in de HEMA aanwezig was, basis biedt. Daarnaast heeft de deskundige Lelieveld ter zitting verklaard dat hij – los van deze verklaring - op basis van het aangeleverde fotomateriaal niet kan uitsluiten dat er (wel) voldoende brandbaar materiaal in de directe omgeving van de brandhaard(en) aanwezig was. Daarbij heeft de deskundige betrokken dat hij op basis van het dossier slechts ten dele een beeld heeft kunnen verkrijgen van de aard van het materiaal dat zich in de houten stellingen in het magazijn bevond, waar de brand heeft gewoed.

Gelet op deze verklaring van deskundige Lelieveld en het feit dat bij de verklaring van getuige [getuige 2] de kanttekening kan worden gemaakt dat zijn bevindingen geen betrekking hebben op de situatie van de dag van de brand zelf, gaat de rechtbank er vanuit dat niet onomstotelijk kan worden vastgesteld dat zich in de nabijheid van de brandhaarden onvoldoende brandbaar materiaal zou hebben bevonden. Dit betekent dat ook de onder 2 genoemde optie van een elektrotechnische oorzaak van de brand niet kan worden uitgesloten.

Vervolgens dient zich dan de vraag aan in hoeverre beide opties van een elektrotechnische oorzaak van de brand waarschijnlijk kunnen worden geacht in het licht van het tijdsverloop tussen het verlaten van het pand door het verdachte en het vervolgens slechts enkele minuten later ontdekken en melden van de brand door getuige [getuige 3] .

In het rapport van het NFI van 28 juni 2018 (blz.15) is door de deskundige hierover de opmerking gemaakt dat dit een onwaarschijnlijk snelle brandontwikkeling zou zijn wanneer deze door een elektrotechnisch defect zou zijn veroorzaakt en een dergelijke brand over het algemeen meer tijd nodig zal hebben. Over het tijdsverloop van een brand met een elektrotechnische oorzaak heeft de deskundige deze opmerking echter ter zitting nader toegelicht en verklaard dat het ten aanzien van een brand met een dergelijke oorzaak, afhankelijk van de aard en de hoeveelheid brandbaar materiaal dat zich in de directe nabijheid van het defect bevindt, enkele (tientallen) minuten duurt voordat die brand zich tot een echte brand ontwikkelt. De deskundige heeft verklaard dat gezien het feit dat er van de houten stellingen waar de brand had gewoed nauwelijks iets over was, zich daarin kennelijk veel brandbaar materiaal bevond en dat een brand, afhankelijk van dit materiaal, als gevolg van vonkvorming van boven zich erg snel had kunnen ontwikkelen. In dat geval zou sprake zijn van “minutenwerk”.

De rechtbank overweegt dat dit door de deskundige ter zitting geschetste tijdsverloop van een brand met een elektrotechnische oorzaak het standpunt van de officier van justitie weerlegt dat het tijdsverloop van de tweede brand (binnen vijf minuten) niet past bij het beeld van een brand met een elektrotechnische oorzaak en deze oorzaak reeds daarom moet worden uitgesloten. De rechtbank neemt hierbij verder in aanmerking de verklaring van de deskundige dat dit tijdsverloop in het geval van een elektrotechnische oorzaak ook lastig is te duiden, omdat het startmoment van het gehele brandproces niet precies kan worden bepaald en iets “lang kan sluimeren”. Naar het oordeel van de rechtbank valt derhalve niet uit te sluiten dat eventuele kortsluiting al enige tijd vóór het ontstaan van de brand heeft plaatsgevonden zonder dat de aanwezige medewerkers van de Hema dit, bijvoorbeeld door de sterke brandlucht die er als gevolg van de ochtendbrand al hing, hebben opgemerkt.

Ten aanzien van de vraag in hoeverre de bevindingen van de Forensische opsporing en het bureau Gorpa-onderzoek dat sprake is geweest van twee primaire brandhaarden een elektrotechnische oorzaak voor de avondbrand uitsluiten, overweegt de rechtbank het volgende.

De deskundige Lelieveld heeft in zijn rapport van 28 juni 2018 verklaard dat het lastig is om op basis van het aangeleverde fotomateriaal en de schriftelijke stukken een goed beeld te krijgen van de situatie ter plaatse, in het bijzonder van de vraag welke brandbare materialen zich in de houten stellingen bevonden, hoe het brandbeeld er exact uitzag, op welke plaats de brandschade en hitteverschijnselen het grootst waren en op welke wijze brandhaard 2 en brandhaarden 3 en 4 van elkaar gescheiden waren. Hierbij speelt mee dat de onderzoekers ter plaatse verzuimd hebben om vloeren van het magazijn vrij te maken van brandresten om de inbrandingen goed te bestuderen en om een beter zicht te krijgen op het brandbeeld en de mogelijke (primaire) brandhaarden. De deskundige heeft geconcludeerd dat op basis van het gepresenteerde brandbeeld daarom geen absolute uitspraak kan worden gedaan over de vraag of brandhaard 2 is ontstaan uit de brandhaarden 3 en 4 of vice versa, en welke gebieden de primaire brandhaarden zijn geweest. Het brandbeeld geeft volgens het rapport dan ook niet meer dan een indicatie dat brandhaard 2 en de brandhaarden 3 en 4 mogelijk primaire brandhaarden zijn geweest. Deze conclusie heeft de deskundige ter zitting ook gehandhaafd.

Hoewel de deskundige Lelieveld ter zitting heeft verklaard bij de conclusies van zijn rapport van 28 juni 2018 te blijven, heeft hij op vraag van de rechtbank geantwoord dat het niet mogelijk is om op basis van de inhoud van het procesdossier en het geleverde fotomateriaal uit te sluiten dat de avondbrand als gevolg van een elektrotechnische oorzaak is ontstaan. De deskundige heeft bij dit antwoord – daarnaar uitdrukkelijk gevraagd door de rechtbank - ook betrokken dat er een brandversnellend middel is aangetroffen welk middel volgens de getuige [getuige 2] niet tot het assortiment van de Hema Beverwijk kon worden herleid.

Het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, leidt de rechtbank tot de conclusie dat, hoe minder waarschijnlijk dit scenario ook wordt geacht, op basis van het voorliggende procesdossier en het onderzoek ter zitting niet met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de avondbrand in het magazijn is ontstaan als gevolg van een elektrotechnische oorzaak.

De rechtbank acht daarom opzettelijke brandstichting niet wettig en overtuigend bewezen en zal verdachte ook vrijspreken van het opzettelijk brandstichten in het magazijn op de eerste verdieping van de HEMA te Beverwijk in de avond van 13 mei 2017.

5 Vordering benadeelde partij

De benadeelde partij Hema heeft een vordering tot schadevergoeding van € 520.000,00 ingediend tegen verdachte wegens materiële schade die zij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden.

De rechtbank is van oordeel dat nu niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan de verdachte is tenlastegelegd, de benadeelde partij niet in de vordering, die betrekking heeft op dat ten laste gelegde feit, kan worden ontvangen.

Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij niet ontvankelijk is in de vordering.

6 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart de benadeelde partij Hema niet-ontvankelijk in de vordering.

Heft het bevel voorlopige hechtenis op.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.M. Sassenburg, voorzitter,

mr. M.E. Francke en mr. C.O. Markenstein, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. R.J. Meuldijk,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 15 oktober 2018.

mr. Francke is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.