Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2018:8749

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
23-10-2018
Datum publicatie
01-11-2018
Zaaknummer
AWB - 18 _ 425
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser is docent saxofoon en geeft saxofoonles als vrije beroepsbeoefenaar. Niet kan worden gezegd dat de werkzaamheden verricht in dienstbetrekking van bijkomstige aard zijn ten opzichte van de werkzaamheden die eiser in het kader van zijn onderneming verricht. Dat leidt ertoe dat de looninkomsten niet via absorptie als winst kunnen worden gekwalificeerd. Het beroep op het vertrouwensbeginsel onder verwijzing naar opgelegde aanslagen over eerdere jaren, faalt.

Wetsverwijzingen
Wet inkomstenbelasting 2001 3.1
Wet inkomstenbelasting 2001 2.14
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 01-11-2018
V-N Vandaag 2018/2373
FutD 2018-2899
V-N 2019/13.19.2
NTFR 2018/2693
NLF 2018/2356 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 18/425

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 oktober 2018 in de zaak tussen

[X] , wonende te [Z] , eiser

(gemachtigde: B. Schoenmaker),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser met dagtekening 1 december 2016 voor het jaar 2014 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 59.100.

Verweerder heeft met dezelfde dagtekening een aanslag inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet (Zvw) opgelegd naar een bijdrage-inkomen van nihil.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 19 december 2017 de aanslag IB/PVV en de aanslag Zvw gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 oktober 2018 te Haarlem.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.F. Mamman en mr. drs. B.J.E. Lodder.

Overwegingen

Feiten

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] . Hij was tot [#] 2014 gehuwd met [A] en hij heeft twee kinderen.

2. Eiser is docent saxofoon en geeft saxofoonles als vrije beroepsbeoefenaar.

Tevens is eiser als docent saxofoon in dienst van [B] (hierna: [B] ). Eiser heeft een arbeidsovereenkomst met [B] overgelegd en een vaststellingsovereenkomst waarin is opgenomen dat de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 september 2014 zal worden ontbonden.

3. Eiser heeft in 2014 een bedrag van € 16.639 inkomsten uit dienstbetrekking ontvangen van [B] en een bedrag van € 14.114 ontslagvergoeding.

Daarnaast heeft eiser als inkomsten uit vroegere dienstbetrekking € 2.922 van de Sociale verzekeringsbank en € 7.531 van het ABP ontvangen.

4. Eiser heeft in de aangifte IB/PVV 2014 een bedrag aan omzet aangegeven van

€ 66.660 (opgebouwd uit € 16.639 loon van [B] en € 14.114 ontslagvergoeding van [B] en nog een bedrag van € 35.907).

5.
Eiser heeft aangifte over 2014 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 51.872. In deze aangifte heeft eiser een bedrag van € 46.704 als winst aangegeven en € 7.531 als inkomsten uit pensioen of lijfrente en € 2.363 premies inkomensvoorzieningen in aftrek gebracht.

6. Verweerder heeft bij de aanslagoplegging de aangifte als volgt gecorrigeerd:

Winst uit onderneming € 20.257

Loon € 16.639

Pensioen € 24.567 (€ 14.114 + € 2.922 + € 7.531)

Af: betaalde premies € 2.363

Belastbaar inkomen € 59.100

7. De door eiser gewerkte uren zijn als volgt verdeeld:

omschrijving

tijd

% van het totaal

Betaalde uren

% van het totaal

Dienstbetrekking

328,50

20,69

495,56

28,24

omzet

1259,25

79,31

1259,24

71,76

Totaal

1587,75

100

1743,80

100

Geschil
8. In geschil is of de inkomsten genoten bij [B] al dan niet op basis van het vertrouwensbeginsel op grond van de absorptietheorie onder de winst uit onderneming vallen.

9. Eiser betoogt dat de inkomsten behaald bij [B] ten bedrage van

€ 16.639 op basis van de absorptietheorie tot de winst moeten worden gerekend. Bij [B] is 20% van het totaal aantal gewerkte uren gewerkt en de met deze werkzaamheden genoten inkomsten bedragen 25% dan wel (uitgaande van een omzet van 52.546) 31,7% van de omzet. De werkzaamheden verricht in dienstbetrekking nemen derhalve een ondergeschikte plaats in in het geheel van de ondernemingsactiviteiten.

Voorts beroept eiser zich op het vertrouwensbeginsel met de stelling dat de inkomsten in de aangiften vanaf 2001 zijn opgenomen in de winst en als zodanig zijn geaccepteerd. Van automatische verwerking van de aangiften is geen sprake geweest.

10. Verweerder stelt dat de inkomsten genoten bij [B] als loon moeten worden gekwalificeerd, gelet op de overgelegde civielrechtelijke arbeidsovereenkomst. Aan alle voorwaarden van een civielrechtelijke dienstbetrekking is voldaan.

Van absorptie van loon naar winst is volgens verweerder geen sprake nu de dienstbetrekking zowel in tijdsbesteding als in financieel belang niet ondergeschikt is aan de onderneming. Daarbij sluit verweerder aan bij de term ‘bijkomstig’ hetgeen inhoudt minder dan 10%.

Het beroep op het vertrouwensbeginsel dient te falen, reeds omdat de aangiften over de jaren 2006 tot en met 2013 administratief zijn afgedaan zonder dat vragen zijn gesteld. Daarnaast heeft eiser in de betreffende jaren niet alle relevante informatie verstrekt.

Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

11. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

12. Vaststaat dat eiser in 2014 zowel werknemer als ondernemer is. Tussen partijen is niet in geschil dat de inkomsten genoten bij [B] niet zelfstandig kwalificeren als belastbare winst uit onderneming.

13. Artikel 3.1 van de Wet IB 2001 bepaalt – voor zover hier van belang – dat onder belastbaar inkomen uit werk en woning dient te worden verstaan:

a. de belastbare winst uit onderneming;

b. het belastbare loon;

c. het belastbare resultaat uit overige werkzaamheden.

Ingevolge artikel 2.14 van de Wet IB 2001 wordt een voordeel, dat onder meerdere bronnen zou kunnen vallen, aangemerkt als bestanddeel van de in de wet als eerste opgenomen bron. Hieruit volgt dat indien loon uit dienstbetrekking ook kan worden aangemerkt als winst uit onderneming, dit loon moet worden gerekend tot de winst. Volgens vaste jurisprudentie is voor het aanmerken van loon als winst uit onderneming (absorptie) vereist dat er een nauwe samenhang bestaat tussen de werkzaamheden verricht in dienstbetrekking en de werkzaamheden verricht als ondernemer en bovendien dat de werkzaamheden in dienstbetrekking in het geheel van de ondernemersactiviteiten een ondergeschikte plaats innemen. Op eiser rust de last te bewijzen dat dit verband aanwezig is.

14. De voordelen behaald met de dienstbetrekking bedragen totaal € 30.753 en de omzet bedraagt € 35.907. Dat betekent dat de inkomsten uit dienstbetrekking 46% vormen van het totale bedrag aan inkomsten door eiser behaald in 2014. Het aantal uren waarvoor loon is uitbetaald bedraagt 28% van het totaal aantal gewerkte uren.

Op grond hiervan komt de rechtbank tot het oordeel dat niet kan worden gezegd dat de werkzaamheden verricht in dienstbetrekking van bijkomstige aard zijn ten opzichte van de werkzaamheden die eiser in het kader van zijn onderneming verricht. Financieel gezien zijn de inkomsten nagenoeg gelijkelijk verdeeld over beide bronnen maar ook qua tijdsbesteding is geen sprake van een ondergeschikte betekenis van de werkzaamheden uitgeoefend in loondienst ten opzichte van de ondernemerswerkzaamheden.

Dat leidt ertoe dat de looninkomsten niet via absorptie als winst kunnen worden gekwalificeerd.

15. Eiser beroept zich op het vertrouwensbeginsel met de stelling dat de looninkomsten vanaf 2001 in de aangiften waren opgenomen als winst.

Zoals de Hoge Raad heeft geoordeeld in onder meer zijn arrest van 13 december 1989, ECLI:NL:HR:1989:ZC4179, is voor in rechte te beschermen vertrouwen als hier bedoeld meer vereist dan de enkele omstandigheid dat de inspecteur gedurende een aantal jaren bij het regelen van de aanslag op een bepaald punt de aangifte heeft gevolgd. De Hoge Raad heeft hieromtrent het volgende overwogen in genoemd arrest:

“Afgezien van het geval dat de gedragslijn berust op een toezegging waarvan de belastingplichtige mocht menen dat zij ook voor het onderhavige jaar zou gelden, is voor in rechte te beschermen vertrouwen als hier bedoeld meer vereist dan de enkele omstandigheid dat de inspecteur gedurende een aantal jaren bij het regelen van de aanslag op een bepaald punt de aangifte heeft gevolgd. De gerechtvaardigdheid van het vertrouwen hangt af van de waardering van - voor zoveel nodig in onderlinge samenhang te beoordelen - omstandigheden die bij de belastingplichtige de indruk hebben kunnen wekken dat een door de inspecteur gedurende een aantal jaren betreffende dezelfde aangelegenheid gevolgde gedragslijn berust op een bewuste standpuntbepaling. Omstandigheden als vorenbedoeld kunnen onder meer zijn gelegen in de vaststelling van een aanslag in overeenstemming met een aangifte waarin de belastingplichtige de voor die aanslag van belang zijnde aangelegenheid uitdrukkelijk en gemotiveerd aan de orde had gesteld, in de vaststelling van een aanslag na raadpleging van bewijsstukken, na gehouden besprekingen of gevoerde correspondentie, dan wel in overeenstemming met eerder verstrekte, voor de toen op te leggen aanslag van belang zijnde inlichtingen, of in de tegemoetkoming aan een bezwaar betreffende dezelfde zich onveranderd voordoende aangelegenheid.”

Verweerder heeft aangegeven dat de aangiften IB/PVV 2006 tot en met 2013 administratief, conform de ingediende aangiften, zijn afgedaan. De rechtbank is van oordeel dat nu de kwalificatie van de inkomsten over deze jaren noch in de aanslagregelende fase noch in bezwaar expliciet aan de orde is gesteld door eiser, verweerder geen vragen heeft gesteld en eiser bovendien niet alle relevante informatie aan verweerder heeft toegezonden, er geen sprake is geweest van een bewuste standpuntbepaling van de zijde van verweerder en eiser het handelen van verweerder ook niet als zodanig mocht opvatten. Evenmin is gesteld of gebleken dat verweerder bij het vaststellen van de aanslag 2014 op dit punt een bindende toezegging heeft gedaan.

Voor zover eiser ter ondersteuning van het beroep op het gelijkheidsbeginsel verwijst naar de opgelegde voorlopige aanslagen over 2006 tot en met 2008, is het volgende van belang. In het algemeen is verweerder niet verplicht bij de vaststelling van een aanslag IB/PVV een zelfde standpunt in te nemen als ten grondslag ligt aan een ten aanzien van dezelfde belastingplichtige vastgestelde voorlopige aanslag. Aan een zodanige gebondenheid staan aard en wijze van totstandkoming van een voorlopige aanslag in de weg. De voorlopige aanslag schept slechts een grondslag voor het doen van vooruitbetalingen op de definitieve belastingschuld en hij pleegt - in overeenstemming met de desbetreffende wettelijke voorschriften - te worden vastgesteld aan de hand van niet of slechts zeer globaal door verweerder gecontroleerde gegevens. Het past bij de hiervoor omschreven aard en wijze van de totstandkoming van de voorlopige aanslag dat bij de vaststelling daarvan geen grondig onderzoek van de zijde van de belastingadministratie behoeft plaats te vinden. Hetzelfde geldt voor de bezwaarprocedure inzake een voorlopige aanslag. Niet is gebleken dat verweerder ten aanzien van de inkomsten genoten bij [B] in deze jaren een weloverwogen standpunt heeft ingenomen.

De rechtbank verwerpt het beroep op het vertrouwensbeginsel.

16. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

17. Bij deze uitkomst van de procedure ziet de rechtbank geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Walderveen, rechter, in aanwezigheid van

mr. M.C. Anema, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 oktober 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.