Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2018:8722

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
12-10-2018
Datum publicatie
07-01-2019
Zaaknummer
AWB - 16 _ 5644
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiser kon, gelet op het bepaalde in de artikelen 7:1 en 8:1 van de Awb en artikel 26a, eerste lid, van de Awr geen beroep instellen bij de rechtbank tegen een niet aan hem gericht besluit. Artikel 6:13 van de Awb staat aan de ontvankelijkheid van het beroep niet in de weg en niet-ontvankelijkverklaring wegens overschrijding van de beroepstermijn dient achterwege te blijven, omdat eiser niet redelijkerwijs verweten kan worden dat hij geen bezwaar heeft gemaakt tegen de WOZ-beschikking die hij als eigenaar heeft ontvangen. Het beroep is evenwel niet-ontvankelijk nu het door eiser gestelde geen rechtens te respecteren belang is dat onder de reikwijdte van de Wet WOZ valt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 08-01-2019
V-N Vandaag 2019/62
FutD 2019-0113
Belastingblad 2019/79 met annotatie van R.A. Eskes
V-N 2019/15.22.13
NTFR 2019/334
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

zaaknummer: HAA 16/5644

uitspraak van de meervoudige kamer van 12 oktober 2018 in de zaak tussen

[X] , wonende te [Z] , eiser

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Heemskerk, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft krachtens artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) met dagtekening 29 februari 2016 aan Kadoshop [A BEDRIJF] (hierna: de kadoshop) medegedeeld dat de waarde van de onroerende zaak [A ADRES] (hierna: de onroerende zaak) voor het kalenderjaar 2016 vastgesteld op € 73.000 (hierna: het primaire besluit). In hetzelfde geschrift is ook de aanslag onroerende-zaakbelasting (gebruikers) 2016 (hierna: de aanslag) bekend gemaakt.

Tegen bovenvermeld besluit is een bezwaarschrift ingediend.

Bij uitspraak op bezwaar van 14 oktober 2016 heeft verweerder de bezwaren gegrond verklaard en de waarde verlaagd naar een waarde van € 53.000. Verweerder heeft daarbij de aanslag overeenkomstig verlaagd.

Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 oktober 2017. Eiser is verschenen, vergezeld van [A] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde P.N.A. van der Post vergezeld van [B] , taxateur.

De rechter heeft de zaak verwezen naar de meervoudige kamer. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 september 2018. Eiser is verschenen, vergezeld van [A] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde P.N.A. van der Post vergezeld van [B] , taxateur. De opgeroepen derde-belanghebbenden [C] , [D] , [E] en [F] zijn met bericht niet verschenen, namens de kadoshop is niemand verschenen.

Overwegingen

Feiten

1. De onroerende zaak is de gezamenlijke eigendom van eiser en vier andere personen. Eiser is voor 1/3 deel eigenaar van de onroerende zaak. Tussen de deelgenoten geldt een overnamebeding, inhoudende dat de deelgenoot die zijn aandeel wenst te vervreemden verplicht is dat aan de overige deelgenoten over te dragen waarbij de onderbedelings- of overbedelingsvordering bij gebreke van overeenstemming wordt vastgesteld door drie makelaars/taxateurs. De kadoshop is gebruiker van de onroerende zaak.

2. Het primaire besluit is aan de kadoshop toegezonden. Bij beschikking van (eveneens) 29 februari 2016 heeft verweerder aan eiser als eigenaar de beschikking krachtens artikel 22 van de Wet WOZ toegezonden waarbij tevens de aanslag onroerende-zaakbelasting (eigenaren) bekend is gemaakt. Eiser heeft tegen het primaire besluit noch tegen de aan hem toegezonden (eigenaren) beschikking een bezwaarschrift ingediend. Eiser heeft na kennisname van de uitspraak op het bezwaar van de kadoshop op 16 november 2016 bij geschrift van 16 december 2016 beroep ingesteld.

Geschil

3. In geschil is in de eerste plaats of het beroep ontvankelijk is. Als die vraag bevestigend wordt beantwoord, is aansluitend de WOZ-waarde op de waardepeildatum

1 januari 2015 in geschil.

4. Eiser heeft gesteld dat verweerder het bezwaar van [C] niet-ontvankelijk had moeten verklaren, aangezien de heer [C] niet bevoegd was om bezwaar in te dienen tegen het primaire besluit. Eiser heeft gesteld dat hij nu hij eerder zijn appartement in het betreffende complex heeft verkocht, krachtens overeenkomst gehouden is zijn deel van de onroerende zaak te koop aan te bieden aan de overige eigenaren. Eiser heeft derhalve zijn deel van de onroerende zaak aan de overige eigenaren te koop aangeboden tegen de toen geldende WOZ-waarde van € 73.000. Door de verlaging van de WOZ-waarde is hij ernstig in zijn belang in het verkoopproces geschaad. Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vaststelling van de waarde op een bedrag van € 61.000.

5. Verweerder voert aan dat eiser geen bezwaar heeft gemaakt tegen de beschikking die aan eiser als eigenaar is gericht. Met betrekking tot de beschikking gericht aan de kadoshop is eiser geen bevoegde partij en evenmin gemachtigd namens de kadoshop op te treden. Verweerder stelt voorts dat eiser geen fiscaal belang heeft bij het onderhavige beroep en dat er ook overigens geen reden is voor herziening van de uitspraak op bezwaar. Verweerder concludeert primair tot niet-ontvankelijkverklaring, subsidiair tot ongegrondverklaring, en meer subsidiair tot gegrondverklaring van het beroep en verhoging van de waarde tot € 58.000.

6. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

7. Op grond van artikel 7:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) dient degene aan wie het recht is toegekend tegen een besluit beroep op een administratieve rechter in te stellen, alvorens beroep in te stellen tegen dat besluit bezwaar te maken.

8. Op grond van artikel 8:1, eerste lid, van de Awb, kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen bij de rechtbank.

9. Artikel 26a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: Awr), luidt als volgt:

“In afwijking van artikel 8:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan het beroep slechts worden ingesteld door:

a. de belanghebbende aan wie de belastingaanslag is opgelegd;

b. de belanghebbende die de belasting op aangifte heeft voldaan of afgedragen of van wie de belasting is ingehouden, of

c. degene tot wie de voor bezwaar vatbare beschikking zich richt.

2. Het beroep kan mede worden ingesteld door degene van wie inkomens- of vermogensbestanddelen zijn begrepen in het voorwerp van de belasting waarop de belastingaanslag of de voor bezwaar vatbare beschikking betrekking heeft.

3. De inspecteur stelt de in het eerste of het tweede lid bedoelde belanghebbende desgevraagd op de hoogte van de gegevens met betrekking tot de belastingaanslag of de beschikking voorzover deze gegevens voor het instellen van beroep of het maken van bezwaar redelijkerwijs van belang kunnen worden geacht.”

10. Op grond van artikel 6:7 van de Awb bedraagt de beroepstermijn zes weken. Op grond van artikel 26c van de Awr vangt deze termijn aan met ingang van de dag na die van dagtekening van de uitspraak op bezwaar. Op grond van artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

11. De rechtbank dient eerst de ontvankelijkheid van het beroep te toetsen, alvorens over te gaan tot een inhoudelijk oordeel. De rechtbank overweegt met betrekking tot de ontvankelijkheid van het beroep als volgt.

12. Tegen het primaire besluit, gericht aan de kadoshop, is bezwaar gemaakt door [C] , een van de mede-eigenaren. De uitspraak op bezwaar is ten name gesteld van [C] , de bezwaarmaker. De uitspraak op bezwaar is niet ten name van eiser gesteld, maar eiser heeft wel tegen die uitspraak beroep ingesteld. Uit de tekst van artikel 26a, eerste lid, van de Awr kan worden afgeleid dat dit artikel een beperking aanbrengt binnen de groep van belanghebbenden die beroep kunnen instellen. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op het bepaalde in de artikelen 7:1 en 8:1 van de Awb en artikel 26a, eerste lid, van de Awr, het beroep niet-ontvankelijk verklaard dient te worden voor zover het is gericht tegen voormelde uitspraak op bezwaar. Het primaire besluit is immers niet aan eiser gericht en de uitspraak op bezwaar is evenmin gericht aan eiser, zodat eiser in beginsel geen beroep kan instellen. Bij deze stand van zaken komt de rechtbank niet toe aan een beoordeling van voormelde uitspraak op bezwaar. Daarmee faalt eisers primaire grief.

13. De vraag die vervolgens aan de orde komt, is of eiser een beroep kan doen op het bepaalde in artikel 6:13 van de Awb. Dit artikel bepaalt dat geen beroep bij de bestuursrechter kan worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen bezwaar heeft gemaakt.

14. Eiser heeft zelf een – ander – besluit ontvangen waarin de WOZ-waarde aan hem kenbaar is gemaakt. Eiser kon zich verenigen met de WOZ-waarde en heeft om die reden dan ook geen bezwaar gemaakt. Eiser was niet op de hoogte van het bezwaar van [C] en is ook niet in de gelegenheid gesteld te worden gehoord alvorens uitspraak op bezwaar is gedaan. Pas na de uitspraak op bezwaar is eiser daarmee bekend geworden. De rechtbank is van oordeel dat artikel 6:13 van de Awb in deze situatie niet aan de ontvankelijkheid van het beroep in de weg staat, omdat eiser niet redelijkerwijs verweten kan worden dat hij geen bezwaar heeft gemaakt tegen de WOZ-beschikking die hij als eigenaar heeft ontvangen. Het betoog van verweerder dat het beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard omdat er geen wettelijk voorschrift is waarin is bepaald dat de WOZ-waarde van doorslaggevend belang is indien het aandeel in een eigendom wordt verkocht aan de mede-eigenaren, is dus onjuist.

15. Voor het antwoord op de vraag of eiser tijdig beroep heeft ingesteld grijpt de rechtbank aan bij de dagtekening van de uitspraak op het bezwaar van kadoshop, te weten 14 oktober 2016. Het beroepschrift is op 19 december 2016 en dus buiten de beroepstermijn ter griffie van de rechtbank ontvangen. Aangezien verweerder eiser bij e-mail van 17 november 2016 desgevraagd heeft bericht dat hij 16 november 2016 kan aanhouden als datum van aanvang van de beroepstermijn kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat eiser in verzuim is geweest, zodat niet-ontvankelijkverklaring op grond van de overschrijding van de beroepstermijn achterwege dient te blijven.

16. Nu de rechtbank tot het oordeel is gekomen dat eiser beroep kan instellen tegen het primaire besluit, ligt de vraag voor of eiser belang heeft bij het beroep.

17. Nu de beschikking aan eiser als (mede-)eigenaar van het object bekend is gemaakt op grond van artikel 24, derde lid, aanhef en onder a, van de Wet WOZ, hoeft hij – anders dan in artikel 28, eerste lid, Wet WOZ ten aanzien van medebelanghebbenden is bepaald – geen belang bij de vastgestelde waarde van de onroerende zaak aannemelijk te maken. Voor eiser, als (mede-)eigenaar van het object, is voor het aannemen van procesbelang in beginsel voldoende dat hij een andere (hogere) waarde van de woning bepleit dan die welke verweerder in beroep voorstaat (vgl. HR 20 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2656).

18. Hetgeen eiser tijdens de tweede mondelinge behandeling van het beroep heeft aangevoerd, namelijk dat de in zijn ogen tot een te lage waarde genomen beschikking hem ernstig benadeelt in de prijsonderhandelingen bij de verkoop van zijn aandeel in de onroerende zaak, is geen rechtens te respecteren belang dat onder de reikwijdte van de Wet WOZ valt. Nog daargelaten dat de thans in geschil zijnde waarde de waarde per 1 januari 2015 betreft en de in onderhandeling nog vast te stellen verkoopprijs waarover een geschil met de medegerechtigden loopt met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijk naar een prijspeil dient te gescheiden dat bijna vijf jaar later is gelegen, nu de deelgenoten ook daarover nog geen overeenstemming hebben bereikt. Ook verwerpt de rechtbank het argument dat een onafhankelijk taxateur zich bij de waardebepaling van de onroerende zaak zich in overwegende mate laat beïnvloeden door de thans in geschil zijnde WOZ-waarde. De rechtbank acht dit gelet op de strekking van het overnamebeding en de stand van de onderhandelingen tussen de deelgenoten ongeloofwaardig. Voorts gaat dat argument voorbij aan de onafhankelijkheid en deskundigheid waarover de nog te benoemen (derde) taxateur als uitgangspunt geacht wordt te beschikken.

19. De rechtbank merkt in aansluiting op het hiervoor overwogene op dat ingevolge de wetsficties van artikel 17 WOZ dient te worden uitgegaan van de leegwaarde van de onroerende zaak. Dat is een ander uitgangspunt dan bij de prijsonderhandelingen zoals hiervoor vermeld nu daarbij wordt uitgegaan van een waarde in verhuurde staat van de onroerende zaak met bijgevolg een andere (hogere) waarde dan de leegwaarde.

20. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Proceskosten en griffierecht

21. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Wel dient het voor de behandeling van de zaak betaalde griffierecht ten bedrage van € 46 aan eiser te worden vergoed, omdat verweerder naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte niet heeft voldaan aan zijn ambtsplicht om eiser van de ontvangst van het bezwaarschrift van de kadoshop actief te informeren (vergelijk artikel 29, lid 1 van de Wet WOZ).

Beslissing

De rechtbank verklaart:

- het beroep niet-ontvankelijk en

- gelast dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 46 aan eiser vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C.A. Onderwater, voorzitter, mr. M.W. Koenis en

mr. B. van Walderveen, rechters, in aanwezigheid van R. van der Vecht, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 oktober 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.