Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2018:8718

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
12-10-2018
Datum publicatie
23-10-2018
Zaaknummer
AWB - 16 _ 5651
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een beroep op toepassing van artikel 347 van de UVo dient te geschieden op het moment waarop de aangifte voor het brengen in het vrije verkeer wordt gedaan. Op grond van artikel 173, tweede lid, van het DWU is een wijziging van de aangiftegegevens niet meer mogelijk nadat de douaneautoriteiten de goederen hebben vrijgegeven.

Wetsverwijzingen
Douanewet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 23-10-2018
FutD 2018-2855
NTFR 2018/2829 met annotatie van mr. A. Wolkers
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 16/5651

uitspraak van de meervoudige douanekamer van 12 oktober 2018 in de zaak tussen

[X] B.V., gevestigd te [Z] , eiseres

(gemachtigde: T. Wright),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Douane, kantoor Rotterdam, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres op 9 juni 2016 een uitnodiging tot betaling (hierna: utb) uitgereikt voor € 323.675,04 aan douanerechten op industrieproducten.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de utb gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 augustus 2018 te Haarlem.

Namens eiseres is niemand verschenen. De rechtbank stelt vast dat de uitnodiging naar het adres van de gemachtigde van eiseres is toegezonden en dat deze uitnodiging niet retour is ontvangen, zodat eiseres op juiste wijze is uitgenodigd en de zitting doorgang kan vinden. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. U. Gürsültür en mr. I. Ramdjiawan.

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres heeft op 8 juni 2016 op eigen naam en voor eigen rekening aangifte gedaan voor het brengen in het vrije verkeer van 31.498.970 kg alumina. De CIF-Rotterdam prijs van de goederen zoals vermeld in de aangifte is $ 9.126.826,56, waarbij als verkoper [A] . (hierna: [A] ) te [b] en als koper [C] (hierna: [C] ) te [d] zijn vermeld. De bijbehorende factuur met kenmerk [# 1] van 27 maart 2016 waarin dit bedrag is vermeld, is door eiseres overgelegd. De douaneautoriteiten hebben de goederen op 9 juni 2016 vrijgegeven.

2. Tot de stukken van het geding behoort een factuur met kenmerk [# 2] van [E] SA (hierna: [E] ) aan [A] van 24 mei 2016 met daarin vermeld een bedrag van $ 7.936.480,48 en leveringscondities [F] te [g] , betreffende de levering van 31.489.970 kg alumina door [E] aan [A] .

3. Tot de stukken van het geding behoort een verklaring van [E] van 13 juni 2016, zonder vermelding van de naam van de ondertekenaar, waarin het volgende is vermeld:

“This is to confirm that our invoice [# 2] issued on May 24, 2016 is based on our contract, ref [# 3] , made on July 3, 2006 and last amendment to this contract was made on October 22, 2014 between [A] , [adres 1] , [b] and [E] SA, [adres 2] , [d] .”

Geschil
4. In geschil is of de utb tot het juiste bedrag is opgelegd. Meer in bijzonder is in geschil of de douanewaarde juist is vastgesteld.

5. Eiseres stelt dat er teveel aan douanerechten is geheven, omdat verweerder bij het bepalen van de douanewaarde ten onrechte is uitgegaan van de transactie(prijs) tussen [A] en [C] . Op grond van artikel 347 van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 van de Commissie (hierna: UVo) moet worden uitgegaan van de transactie tussen [E] en [A] .

Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de utb met een bedrag van € 28.984,30.

6. Verweerder stelt dat de transactie tussen [A] en [C] een transactie betreft die voldoet aan artikel 128 van de UVo. Eiseres kan niet meer terugkomen op de aangegeven douanewaarde, omdat de gehanteerde grondslag niet onjuist is en de goederen reeds zijn vrijgegeven. Verweerder verwijst in dit verband naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 6 juni 1990 (zaak C-11/89, Unifert Handels GmbH) en artikel 173, tweede lid, van het Douanewetboek van de Unie (hierna: DWU). Artikel 347 van de UVo biedt de mogelijkheid om te kiezen op het moment van het doen van aangifte indien sprake is van een overeenkomst voor verkoop voor uitvoer naar de Europese Unie van vóór 18 januari 2016. Dit is niet aannemelijk gemaakt. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

7. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Toepasselijke wettelijke bepalingen

8. Artikel 70, eerste lid, van het DWU luidt als volgt:

“1. De primaire basis voor de douanewaarde van goederen is de transactiewaarde, te weten: de voor de goederen werkelijk betaalde of te betalen prijs bij verkoop voor uitvoer naar het douanegebied van de Unie, waar nodig aangepast.”

9. Artikel 173 van het DWU luidt als volgt:

“Wijziging van een douaneaangifte

1. De aangever wordt, op zijn verzoek, toegestaan een of meer gegevens in de douaneaangifte te wijzigen nadat deze door de douane is aanvaard. De wijziging mag niet tot gevolg hebben dat de douaneaangifte betrekking heeft op andere goederen dan die waarop zij oorspronkelijk betrekking had.

2. Dergelijke wijzigingen worden niet toegestaan als het verzoek daartoe wordt gedaan na een van de volgende gebeurtenissen:

a) de douaneautoriteiten hebben de aangever in kennis gesteld van hun voornemen de goederen aan een onderzoek te onderwerpen;

b) de douaneautoriteiten hebben geconstateerd dat de gegevens van de douaneaangifte onjuist zijn;

c) de douaneautoriteiten hebben de goederen vrijgegeven.

3. Op verzoek van de aangever kan, binnen drie jaar na de datum van aanvaarding van de douaneaangifte, worden toegestaan dat de douaneaangifte wordt gewijzigd na vrijgave van de goederen, zodat de aangever zijn verplichtingen inzake het plaatsen van goederen onder de desbetreffende douaneregeling kan nakomen.”

10. Artikel 128 van de UVo, luidt als volgt:

“1. De transactiewaarde van de goederen die zijn verkocht voor uitvoer naar het douanegebied van de Unie, wordt bepaald op het tijdstip van aanvaarding van de douaneaangifte op basis van de verkoop die onmiddellijk voordat de goederen het douanegebied zijn binnengebracht, heeft plaatsgevonden.

2. Wanneer de goederen voor uitvoer naar het douanegebied van de Unie worden verkocht niet voordat zij dat douanegebied zijn binnengebracht, maar terwijl zij zich in tijdelijke opslag bevinden of onder een andere bijzondere regeling zijn geplaatst dan de regeling intern douanevervoer, bijzondere bestemming of passieve veredeling, wordt de transactiewaarde op basis van die verkoop vastgesteld.”

11. Artikel 347 van de UVo, luidt als volgt

“Overgangsbepaling betreffende de transactiewaarde

1. De transactiewaarde van de goederen kan worden vastgesteld op basis van een verkoop die vóór de in artikel 128, lid 1, van deze verordening bedoelde verkoop plaatsvindt wanneer de persoon namens wie de aangifte wordt ingediend door een vóór 18 januari 2016 gesloten overeenkomst is gebonden.

2. Dit artikel is van toepassing tot en met 31 december 2017.”

Beoordeling van het geschil

12. Met partijen is de rechtbank van oordeel dat de transactie tussen [A] en [C] voldoet aan het gestelde in artikel 128, eerste lid, van de UVo, nu deze transactie de laatste transactie is die is verricht onmiddellijk voorafgaande aan de invoer. De utb is derhalve in beginsel tot het juiste bedrag opgelegd.

13. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat een beroep op toepassing van artikel 347 van de UVo dient te geschieden op het moment waarop de aangifte voor het brengen in het vrije verkeer wordt gedaan. Op grond van artikel 173, tweede lid, van het DWU is een wijziging van de aangiftegegevens niet meer mogelijk nadat de douaneautoriteiten de goederen hebben vrijgegeven. Nu de goederen op 9 juni 2016 zijn vrijgegeven, is wijziging van de douanewaarde niet meer mogelijk. Gelet hierop is de utb tot het juiste bedrag opgelegd.

14. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

15. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C.A. Onderwater, voorzitter, mr. M.H.L.C. Bijvoet en mr. W.M.C. Schipper, leden, in aanwezigheid van mr. J. de Jong, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 oktober 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (douanekamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.