Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2018:8638

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
06-09-2018
Datum publicatie
09-10-2018
Zaaknummer
15/871622-15 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft samen met zijn partner en medeverdachte - in een periode van ruim drieënhalf jaar - een gewoonte gemaakt van witwassen. Door verdachte is, al dan niet tezamen met zijn medeverdachte, onder andere grote geldbedragen, een auto, een motorfiets, een stuk grond, perceel, woning en zwembad op Curaçao witgewassen. Verder heeft verdachte twee vuurwapens (een pistool en een revolver), met bijbehorende munitie, voorhanden gehad terwijl hij daarvoor geen vergunning had. Tot slot heeft verdachte illegaal vuurwerk voorhanden gehad in zijn schuur.

Veroordeling tot een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/871622-15 (P)

Uitspraakdatum: 6 september 2018

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 23 augustus 2018 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1980 te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] .

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. S.C.M. Wildemors en van hetgeen verdachte en zijn raadsman mr. M.A. Buntsma, advocaat te Breda, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd:

Feit 1

Medeplegen van (gewoonte)witwassen dan wel schuldwitwassen van geldbedragen, een personenauto, een motorfiets, een kavel, een perceel, een woning en een zwembad in de periode van 1 januari 2013 t/m 12 juli 2016 te Breda, althans in Nederland en/of in Curaçao;

Feit 2

Het voorhanden hebben van één of meer wapens en/of munitie van categorie III op 12 juli 2016 te Breda;

Feit 3

Het opslaan/voorhanden hebben/ter beschikking stellen van vuurwerk dat niet voldeed aan het Vuurwerkbesluit, op 12 juli 2016 te Breda.

De tekst van de hele tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Waardering van het bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten. Zij heeft daartoe, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd.

Feit 1

Verdachte heeft de witwasincidenten 1, 2 en 3 bekend. Ten aanzien van de witwasincidenten die hij heeft ontkend, namelijk 4, 5 en 6, heeft verdachte verklaringen afgelegd. Verdachte zou onder andere geld hebben gewonnen met gokken via bookmaker Tipico, zwart hebben gewerkt en geld hebben geleend van zijn moeder en getuige [getuige 1] . Het Openbaar Ministerie heeft niet kunnen weerleggen dat verdachte geld heeft verdiend met gokken, maar verdachte heeft daar geen belasting over betaald. Door vermenging van het legale en het illegale geld kan niet worden gesproken van een legale herkomst van dat geld. Ook is niet aannemelijk geworden dat verdachte inkomsten heeft genoten uit zwart werken. Hij heeft immers niet verklaard voor wie hij heeft gewerkt, welk werk hij heeft gedaan en wat hij daarmee heeft verdiend. Verder is volstrekt onaannemelijk dat verdachte geld heeft geleend van zijn moeder gelet op haar financiële situatie. Ook de verklaring van verdachte dat hij geld heeft geleend van getuige [getuige 1] is volstrekt ongeloofwaardig. Dit gelet op het gegeven dat verdachte daar pas in een zeer laat stadium mee is gekomen, hij eerder telkens heeft verklaard geen leningen te hebben afgesloten en alle feiten en omstandigheden die te maken hebben met de manier waarop de lening tot stand is gekomen merkwaardig zijn.

Feit 2

Uit het dossier volgt dat beide wapens werkend waren. Ze vallen blijkens het onderzoek onder de Wet wapens en munitie en zijn dus verboden.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte van de witwasincidenten 1 en 3 gedeeltelijk moet worden vrijgesproken en dat verdachte ten aanzien van de witwasincidenten 4, 5 en 6 integraal moet worden vrijgesproken. Ten aanzien van feit 3 heeft hij zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De raadsman heeft daartoe, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd.

Feit 1

Ten aanzien van witwasincident 1 zijn de toeslagen waarmee de bankrekening van zijn partner, de medeverdachte, werd gevoed, niet meegenomen in de berekening van inkomsten die zij heeft genoten. Daarnaast heeft verdachte (veel) geld verdiend met zwart werken en hebben hij en zijn partner geld ontvangen in verband met verjaardagen. De in de tenlastelegging genoemde geldbedragen kunnen om die reden niet bewezen worden verklaard.

Ten aanzien van de witwasincidenten 5 en 6 heeft verdachte een aannemelijke en verifieerbare verklaring afgelegd waaruit kan worden afgeleid dat het aankoopbedrag van de kavel op Curaçao en het geld met betrekking tot de woning een legale herkomst hebben. Ten aanzien van de grond betreffen dit gokopbrengsten ontvangen via bookmaker Tipico en daarnaast geld dat hij van zijn moeder heeft gekregen. Ten aanzien van de woning betreft het een geldlening van getuige [getuige 1] .

Met betrekking tot incident 4 is aangevoerd dat ook de motor is betaald met het van [getuige 1] geleende geld.

Feit 2

De revolver is gelet op het proefbankteken oud. Of het dan toch strafbaar is, moet blijken uit onderzoek aan het wapen, maar er zijn geen proefschoten mee gedaan. Wellicht dat de aangetroffen munitie in het wapen heeft gepast, maar niet duidelijk is geworden of het wapen ook daadwerkelijk geschikt was om die munitie mee af te schieten. De enkele conclusie dat de aangetroffen munitie in het wapen paste, betekent om die reden niet dat het wapen gebruiksklaar was.

3.3.

Het oordeel van de rechtbank

3.3.1.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht alle ten laste gelegde feiten bewezen op grond van de hierna volgende bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen.

Aanleiding van het onderzoek

Op 20 november 2014 werd door het Drugs Team Schiphol van de Koninklijke Marechaussee (KMar) informatie ontvangen dat de Nationale Politie op 1 oktober 2014 en op 30 oktober 2014 twee anonieme brieven heeft ontvangen waaruit volgt dat [verdachte] zich bezighoudt met drugssmokkel. Ook bij het Team Criminele Inlichtingen (TCI), eenheid Zeeland-West-Brabant is in de maanden december 2014 en januari 2015 via een informant informatie binnengekomen dat verdachte zich bezighoudt met de organisatie van drugssmokkel. De verstrekte informatie is als betrouwbaar aangemerkt. Onderzoek heeft niet geleid tot bewijs voor betrokkenheid van verdachte bij drugshandel, maar omdat het een feit van algemene bekendheid is dat met deze handel veel geld wordt verdiend is door de leiding van de brigade Recherche van de KMar besloten om het bureau FinEC (Financieel Economische Criminaliteit) financieel onderzoek naar verdachte te laten verrichten. Op 12 juli 2016 zijn bij de doorzoeking in de woning van verdachte en zijn partner [medeverdachte] (medeverdachte) een gebruikershoeveelheid drugs en twee vuurwapens aangetroffen. Verder werden in de woning zeer veel dure goederen aangetroffen, terwijl het gezin van verdachte, bestaande uit zes personen, over een beperkt inkomen beschikte. Hieraan is het vermoeden ontleend dat verdachte en zijn medeverdachte zich schuldig hebben gemaakt aan witwassen.

Het juridisch kader

De rechtbank stelt voorop dat naar aanleiding van het verrichte onderzoek tegen beide verdachten niet is komen vast te staan dat de voorwerpen waarvan zij worden verdacht die te hebben witgewassen, afkomstig zijn uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Naar inmiddels bestendige jurisprudentie kan in dit soort gevallen witwassen bewezen worden geacht indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat die voorwerpen uit enig misdrijf afkomstig zijn. Het ligt op de weg van het Openbaar Ministerie om zicht te bieden op het bewijs waaruit zodanige feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid.

De toetsing door de zittingsrechter dient daarbij de volgende stappen te bevatten.

Allereerst zal moeten worden vastgesteld of de aangedragen feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Indien zo’n geval zich voordoet, mag van een verdachte worden verlangd dat hij/zij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld of de goederen. Zo een verklaring dient te voldoen aan de vereisten dat zij concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is. Bij de beoordeling van deze verklaring spelen de omstandigheden waaronder en het moment en de wijze waarop deze tot stand is gekomen mede een rol. Zo kan het van belang zijn of de verdachte van meet af aan een tegenwicht tegen de verdenking heeft geboden of dat hij/zij pas in een laat stadium van het onderzoek is gaan verklaren op een wijze die aan de hiervoor genoemde vereisten voldoet.

Zodra het door de verdachte geboden tegenwicht daartoe aanleiding geeft, ligt het vervolgens op de weg van het Openbaar Ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het geld en de goederen. Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal dienen te blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de geldbedragen en de goederen waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst hebben en dat derhalve een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden. Tegen de achtergrond van dit kader zijn de volgende bewijsmiddelen aangehaald en wordt het een en ander overwogen en opgemerkt in de bewijsoverwegingen.

De bewijsmiddelen

Ten aanzien van feit 1

Een proces-verbaal van 9 mei 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar (proces-verbaalnummer 1705020950.AMB), doorgenummerde pagina’s 1388 t/m 1444. Dit proces-verbaal houdt onder meer in de bevindingen van de verbalisant, zakelijk weergegeven:

Uit de ontvangen belastinggegevens en na navraag bij de Belastingdienst is gebleken dat verdachte [verdachte] in de periode van 1 januari 2013 tot en met 23 april 2015 niet in loondienst is geweest of een uitkering heeft ontvangen. Vanaf 23 april 2015 is verdachte [verdachte] eigenaar van horecagelegenheid [bedrijf 1] in Breda. In de periode 1 januari 2013 tot en met 21 juli 2016 zijn geen inkomsten van verdachte [verdachte] bij de belastingdienst bekend.

Uit de ontvangen gegevens van een door [verdachte] gebruikte bankrekening bij ABN AMRO ten aanzien van bankrekening [bankrekening] blijkt dat verdachte [verdachte] in de periode 1 januari 2013 tot en met 26 november 2014 geen inkomsten heeft, terwijl voorts niet blijkt hoe hij in zijn eigen levensonderhoud heeft voorzien.

Uit de ontvangen gegevens van de SNS bank ten aanzien van de bankrekeningen [bankrekening] en [bankrekening] blijkt niet welke inkomsten verdachte [verdachte] in de periode 1 januari 2013 tot en met 21 juli 2016 geniet en hoe hij in zijn eigen levensonderhoud heeft voorzien.

Uit de ontvangen gegevens van de ING bank blijkt dat verdachte [verdachte] sinds 28 april 2015 gebruik maakt van de ING betaalrekening [bankrekening] en dat hij salaris ontvangt van [bedrijf 1] . In de periode van 28 april 2015 tot en met 21 juli 2016 is in totaal € 2.770,- contant geld opgenomen van de betaalrekening.

Uit de ontvangen gegevens van de ING bank blijkt dat verdachte [verdachte] sinds 11 maart 2015 gebruik maakt van de ING zakelijke rekening [bankrekening] . In de periode van 11 maart 2015 tot en met 21 juli 2016 hebben geen contante opnames plaatsgevonden van de zakelijke rekening.

Uit ontvangen informatie van de Kamer van Koophandel blijkt dat [verdachte] mede eigenaar is geweest van [bedrijf 2] . Gezien de verklaringen van verdachte [verdachte] dat het bedrijf [bedrijf 2] geen verdiensten heeft opgeleverd, is het onwaarschijnlijk dat hij in de periode van 1 januari 2013 tot en met 21 juli 2016 de beschikking heeft gehad over inkomsten uit dit bedrijf.

Uit analyse van de administratie van [bedrijf 1] blijkt dat het bedrijf over de periode van 23 april 2015 tot en met 21 juli 2016 een negatief bedrijfsresultaat heeft behaald. Verdachte [verdachte] heeft in voornoemde periode € 19.540,62 ter beschikking gehad om in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien. In de periode van 23 april 2015 tot en met 21 juli 2016 is € 10.283,- meer aan contant geld uitgegeven dan verantwoord kan worden uit de contante omzet van [bedrijf 1] . Aangezien er geen negatieve kas kan bestaan, is de kas van [bedrijf 1] uit een onbekende bron aangevuld. Uit de informatie van de Belastingdienst en de verklaring van verdachte [verdachte] volgt dat hij in de periode van 1 januari 2013 tot en met 21 juli 2016 alleen legale inkomsten heeft gehad uit het bedrijf [bedrijf 1] . Aangezien het salaris op de ING bankrekening is overgemaakt, konden de verdachten hier alleen contant over beschikken wanneer contant geld is opgenomen van deze bankrekeningen.

Verdachte [verdachte] heeft verklaard dat hij in de periode van 1 januari 2013 tot en met 21 juli 2016 inkomsten heeft gehad uit het doen van zwarte werkzaamheden in de bouw. Verdachte heeft deze verdiensten echter niet willen of kunnen onderbouwen.

Verdachte [verdachte] heeft verklaard dat hij € 30.000,- heeft gewonnen met gokken via bookmaker Tipico. Uit nader onderzoek is gebleken dat dit geld is gebruikt voor de aankoop van een stuk grond op Curaçao en derhalve niet voor de verdachten ter beschikking is geweest voor het doen van contante aankopen in de periode van 1 januari 2013 tot en met 21 juli 2016. Uit de verstrekte gegevens blijkt voorts dat geen kansspelbelasting is afgedragen van eventueel ontvangen speelwinsten door verdachte [verdachte] .

Gezien de verklaring van verdachte [verdachte] zouden de verdachten geld hebben gewonnen met gokken, waaronder via Holland casino. Uit de ontvangen belastinggegevens over kansspelbelasting blijkt niet dat verdachte [verdachte] bij de Belastingdienst van deze gokwinsten aangifte heeft gedaan.

Uit de verklaringen van verdachte [verdachte] en zijn bankafschriften blijkt dat hij alleen toeslagen van de Belastingdienst heeft ontvangen vóór 1 januari 2013.

Afgezien van de verklaring van verdachte [verdachte] en de verklaring van [getuige 1] blijkt uit deze gegevens niets van een lening van € 130.000 euro,- tussen beide personen.

Ten aanzien van verdachte [medeverdachte] is het volgende gebleken.

Uit de ontvangen gegevens blijkt dat de internetspaarrekening [bankrekening] in de periode van 1 januari 2013 tot en met 21 juli 2016 niet is gebruikt. Ook blijkt dat aan verdachte [medeverdachte] op 18 november 2009 een krediet is verstrekt van € 10.000,- en dat zij op 30 september 2016 nog een schuld had van € 7.321,96. Niet blijkt dat er tussentijds extra geld van het krediet is opgenomen.

Uit de ontvangen rekeningoverzichten van betaalrekening [bankrekening] blijkt dat verdachte [medeverdachte] in de periode van 1 januari 2013 tot en met 30 juni 2015 geld heeft ontvangen van [werkgever medeverdachte] . De betaalrekening is gevoed door verschillende toeslagen en kinderbijslag.

In de periode van 1 januari 2013 tot en met 21 juli 2016 heeft verdachte [medeverdachte] in 24 contante stortingen een totaal bedrag van € 18.110,- ontvangen. Hiervan vond de laatste storting plaats op 12 oktober 2015. In de periode van 1 januari 2012 tot en met 21 juli 2016 heeft verdachte [medeverdachte] in 38 opnames in totaal

€ 2.060,- contant opgenomen, waarbij de laatste contante opname plaatsvond op 25 november 2015. In de periode van 1 januari 2013 tot en met 21 juli 2016 heeft verdachte [medeverdachte] met grote regelmaat rood gestaan op haar betaalrekening.

Verdachte [medeverdachte] heeft verklaard nooit een gift of erfenis te hebben ontvangen.

TOTAAL CONTANT GELD

Volgens de verklaringen van verdachte [verdachte] zou hij in de periode van 1 januari 2013 tot en met 21 juli 2016 in totaal over € 19.220,- aan contanten kunnen beschikken. Het grootste gedeelte van dit bedrag bestaat uit inkomsten uit zwart werken. Verdachte [verdachte] heeft deze verdiensten niet nader willen onderbouwen en binnen het onderzoek is geen ondersteunend bewijs gevonden dat verdachte [verdachte] deze inkomsten heeft ontvangen.

Uit de gegevens van de Belastingdienst blijkt dat verdachte [medeverdachte] in de periode 1 januari 2013 tot en met 21 juli 2016 loon en verschillende toeslagen heeft ontvangen op haar bankrekening [bankrekening] . Om dit inkomen om te zetten in contant geld zou zij dit geld contant moeten opnemen. In de periode 1 januari 2012 tot en met 21 juli 2016 is in totaal € 2.060,- aan contant geld opgenomen van haar bankrekening. Het is niet aannemelijk dat verdachte [medeverdachte] het bedrag van haar lening of een deel daarvan contant tot haar beschikking heeft gehad in voornoemde periode, gelet op de datum van de lening en de rente die hiervoor moet worden betaald. Daar komt bij dat zij bijna doorlopend rood heeft gestaan op haar bankrekening zodat niet aannemelijk is dat dit geld is gespaard en is teruggestort op die bankrekening.

Uit de verklaringen van verdachte [medeverdachte] blijkt dat zij, afgezien van verjaardagsgeld, geen giften, schenkingen of erfenissen heeft ontvangen. Verdachte [verdachte] heeft verklaard dat hij en zijn partner [medeverdachte] ongeveer tussen de € 500,- en € 600,- per persoon overhouden aan verjaardagsgeld. In de periode van 1 januari 2013 tot en met 21 juli 2016 is verdachte [medeverdachte] drie keer jarig geweest. Dit houdt in dat zij in voornoemde periode mogelijk € 1.800,- tot haar beschikking heeft gehad. In de voornoemde periode zou verdachte [medeverdachte] mogelijk ook € 3.627,- aan contant geld tot haar beschikking hebben gehad, afkomstig van haar moeder. Dit is als er vanuit wordt gegaan dat verdachte [medeverdachte] elke week in de periode van 1 januari 2013 tot en met 21 juli 2016 twintig euro per week van haar moeder zou hebben ontvangen.

Voornoemde houdt in dat de verdachten – volgens hun verklaringen – in de periode van 1 januari 2013 tot en met 21 juli 2016 in totaal over € 7.532,- aan contanten hebben kunnen beschikken. Een deel van dit bedrag is afkomstig uit de gegevens van de bankafschriften van verdachte [medeverdachte] .

Dit betreft het bedrag van € 2.060,-.

In totaal hebben de verdachten in de periode van 1 januari 2013 t/m 21 juli 2016 contant tot hun beschikking gehad: € 19.220,- + € 7.532,- = € 26.752,-.

Ten aanzien van witwasincident 1

Een proces-verbaal van 9 mei 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar (proces-verbaalnummer 1705020950.AMB), doorgenummerde pagina’s 1380 t/m 1444, paragraaf 4.1. Dit proces-verbaal houdt onder meer in de bevindingen van de verbalisant, zakelijk weergegeven:

In de periode van 1 januari 2013 t/m 21 juli 2016 is op de bankrekening [bankrekening] , waarvan [medeverdachte] de rekeninghouder is, in 24 contante stortingen een totaalbedrag van € 18.110,- gestort. Uit de gevorderde belastinggegevens blijkt dat [medeverdachte] in de periode van 1 januari 2012 t/m 21 juli 2016 alleen inkomsten heeft ontvangen uit loondienst van het bedrijf [werkgever medeverdachte] en toeslagen vanuit de Belastingdienst. Tevens blijkt niet dat [medeverdachte] een schenking dan wel een erfenis heeft ontvangen.

Uit de gevorderde gegevens van [verdachte] blijkt dat hij in de periode van 1 januari 2013 tot 23 april 2015 geen inkomsten had uit loondienst of uitkering. Uit deze gegevens blijkt ook niet dat hij een schenking dan wel erfenis heeft ontvangen. Uit de opgevraagde bankafschriften blijkt ook niet dat hij inkomsten heeft ontvangen uit arbeid. In de periode van 23 april 2015 t/m 21 juli 2016 had [verdachte] inkomsten uit [bedrijf 1] . Uit de analyse van de contante geldstroom binnen [bedrijf 1] blijkt dat dit een negatief bedrag is. Dit betekent dat uit een onbekende geldbron contant geld is ingebracht in [bedrijf 1] en de verdachten dus zeker geen contant geldbedrag uit [bedrijf 1] hebben kunnen halen.

Uit de opgevraagde bankafschriften van [verdachte] blijkt dat hij in de periode van 1 januari 2012 t/m 21 juli 2016 in acht keer een contant geldbedrag heeft opgenomen van € 3.070,- van de op dat moment bij hem in gebruik zijnde bankrekeningen. Deze contante geldopnames bieden geen verklaring voor de voornoemde stortingen op de bankrekening van [medeverdachte] . Uit de opgevraagde BKR registratie van [verdachte] blijkt dat hij hierin niet voorkomt en er dus ook geen lening kan zijn afgesloten die voornoemde stortingen op de bankrekening van [medeverdachte] kunnen verantwoorden.

Een proces-verbaal van bevindingen van 4 februari 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar (proces-verbaalnummer 28-234266), doorgenummerde pagina’s 1731 t/m 1737. Dit proces-verbaal houdt onder meer in de bevindingen van verbalisant voornoemd, zakelijk weergegeven:

Om een overzicht te krijgen van de financiën van [medeverdachte] zijn bij de Rabobank de historische gegevens ten aanzien van rekeningnummer [bankrekening] gevorderd over de periode 1 januari 2010 t/m 6 oktober 2015.

Contante stortingen
Totaal in 2013: € 2.610

Totaal in 2014: € 7.110

Totaal in 2015: € 6.990

---------------------------

Totaal € 16.710

Een proces-verbaal van bevindingen van 26 mei 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar (proces-verbaalnummer 1605261115.FIN), doorgenummerde pagina’s 1738 t/m 1745 en bijlagen t/m 1816. Dit proces-verbaal houdt onder meer in de bevindingen van verbalisant voornoemd, zakelijk weergegeven:

Om een overzicht te krijgen van de financiën van [medeverdachte] zijn bij de Rabobank de historische gegevens ten aanzien van rekeningnummer [bankrekening] gevorderd. In de periode van 1 oktober 2015 t/m 29 februari 2016 hebben twee contante stortingen plaatsgevonden:

1 oktober 2015: € 1.000

12 oktober 2015: € 400

----------------------------

Totaal: € 1.400

De door verdachte ter terechtzitting van 23 augustus 2018 afgelegde verklaring onder andere inhoudende:

Ten aanzien van witwasincident 1 zegt u dat de contante geldstortingen op de rekening van mijn partner en medeverdachte [medeverdachte] niet kunnen worden verklaard door de inkomsten uit mijn bedrijf. Dat klopt Het meeste geld heb ik aan [medeverdachte] gegeven om te storten.

Ten aanzien van witwasincident 2

Een proces-verbaal van bevindingen van 4 oktober 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar (proces-verbaalnummer 1610040951.BOB), doorgenummerde pagina’s 2002 en bijlagen t/m 2004. Dit proces-verbaal houdt onder meer in de bevindingen van verbalisant voornoemd, zakelijk weergegeven:

Uit de verstrekte gegevens bleek dat [autohandelaar] op 10 juni 2013 aan [medeverdachte] heeft verkocht een personenauto, merk Volkswagen, type Golf GTI 35, voorzien van het kenteken [kenteken] . [medeverdachte] heeft deze personenauto contant betaald. De verkoopprijs van dit voertuig bedroeg € 29.500,00.

De door verdachte ter terechtzitting van 23 augustus 2018 afgelegde verklaring onder andere inhoudende:

U bespreekt witwasincident 2 met mij. [medeverdachte] en ik zijn met het geld naar het bedrijf toe gegaan om de auto te kopen. De auto is op naam van [medeverdachte] gezet.

Ten aanzien van witwasincident 3

Een proces-verbaal van 9 mei 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar (proces-verbaalnummer 1705020950.AMB), doorgenummerde pagina’s 1380 t/m 1444. Dit proces-verbaal houdt onder meer in de bevindingen van de verbalisant, zakelijk weergegeven:

Uit de opgevraagde transactiegegevens bij het Grenswisselkantoor (GWK) blijkt dat in de periode vanaf 1 januari 2013 tot 23 april 2015 meerdere geldtransacties hebben plaatsgevonden via het GWK, waarbij een contant geldbedrag door de verdachten is overgemaakt naar derden of hun partner. In totaal betreffen de contante betalingen door [verdachte] en [medeverdachte] aan het GWK in de periode van 1 januari 2013 tot 23 april 2015 € 21.558,32. Dit betreft het totaal overgemaakt/gewisseld geld.

Ten aanzien van witwasincident 4

Een proces-verbaal van 19 augustus 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar (proces-verbaalnummer 1608220710.BOB), doorgenummerde pagina’s 2028 t/m 2029 en bijlagen t/m 2034. Dit proces-verbaal houdt onder meer in de bevindingen van de verbalisant, zakelijk weergegeven:

Uit de verstrekte gegevens door [motorhandelaar] bleek dat op 1 september 2015 aan [medeverdachte] is verkocht een voertuig, merk Piaggio, type MP3 500, voorzien van het kenteken [kenteken] . De levering van dit voertuig heeft op 1 september 2015 plaatsgevonden. De koop van dit voertuig is bij levering, op het adres [adres verdachte] , contant betaald. De verkoopprijs van dit voertuig bedroeg € 9.550,00. [motorhandelaar] heeft een kopie van het rijbewijs van [medeverdachte] per e-mail op 31 augustus 2015 ontvangen. De e-mail is verzonden vanaf de e-mailaccount [e-mailadres verdachte] .

De door verdachte ter terechtzitting van 23 augustus 2018 afgelegde verklaring onder andere inhoudende:

U vraagt mij naar witwasincident 4. Ik heb geregeld dat de motor thuis werd afgeleverd en ik heb hem contant betaald.

Ten aanzien van witwasincident 5

Een proces-verbaal van 1 mei 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar (proces-verbaalnummer 1704290910.AMB), doorgenummerde pagina’s 2040 t/m 2041 en bijlagen t/m 2053. Dit proces-verbaal houdt onder meer in de bevindingen van de verbalisant, zakelijk weergegeven:

Uit de bevraging in het kadaster blijkt [verdachte] sinds 2 mei 2014 eigenaar te zijn van een stuk grond op Curaçao, bekend als [adres] . De koopprijs betrof op 2 mei 2014 N.A.F. 110.000,-. Dit was volgens de wisselkoers op 2 mei 2014 (€1,- = N.A.F. 2,4972) = € 44.049,34. [adres] betreft een stuk grond van 548 vierkante meter gelegen op [adres] . Uit de ontvangen gegevens blijkt de grond niet bezwaard met een hypotheek. Tevens blijkt dat [verdachte] met de koop van de grond voornemens was hier een woonhuis op te bouwen. Uit de leveringsakte blijkt dat het bedrag van N.A.F. 110.000,- aan de notaris is voldaan.

Ten aanzien van witwasincident 6

Een proces-verbaal van 9 mei 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar (proces-verbaalnummer 1705020950.AMB), doorgenummerde pagina’s 1380 t/m 1444. Dit proces-verbaal houdt onder meer in de bevindingen van de verbalisant, zakelijk weergegeven:

Tijdens de doorzoeking op de adressen [adres] , [adres] en [adres] is een aantal documenten aangetroffen waaruit blijkt dat de woning op [adres] eigendom is van [verdachte] .

Een proces-verbaal van verhoor van 20 juli 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar (proces-verbaalnummer 201607201645/AMB), doorgenummerde pagina's 1595 t/m 1599 en bijlagen t/m 1602. Dit proces-verbaal houdt onder andere in de door getuige [getuige 2] afgelegde verklaring:

Ik was in de tweede week van december 2014 tot in de maand maart van het jaar 2015 werkzaam bij het woonhuis [adres] . Ik heb de fundering en de vloer van de begane grond en de vloer van de eerste verdieping gedaan. Ook heb ik het casco van de woning, het dak en het pleisterwerk gedaan. Ik heb dit samen gedaan met mijn werknemers. De opdrachtgever was een man die mij benaderde met de bijnaam [bijnaam] . Ik had de afspraak met de eigenaar van het perceel [adres] dat we in fasen zouden werken. Voor de eerste fase is hem 8000 gulden in rekening gebracht. Ik werd door de vader van [bijnaam] cash betaald. Voor de tweede fase heb ik [bijnaam] een bedrag van 11.800 gulden in rekening gebracht. Ik werd weer door de vader van [bijnaam] cash betaald. De derde fase was 4.500 gulden en die heeft [bijnaam] zelf cash betaald. De vierde fase was 7.300 en die heeft de vader van [bijnaam] cash betaald. De vijfde fase kostte 18.000 gulden. Ik werd hierbij gedeeltelijk door [bijnaam] betaald, 7000 gulden en de resterende 11.000 gulden is betaald door de vader van [bijnaam] , cash.

Een proces-verbaal van verhoor van 21 juli 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar (proces-verbaalnummer 201607210900/AMB), doorgenummerde pagina's 1603 t/m 1608 en bijlagen t/m 1611. Dit proces-verbaal houdt onder andere in de door getuige [getuige 3]

afgelegde verklaring:

[verdachte] benaderde mij om voor hem een zwembad te maken. Ik werd door [verdachte] zelf altijd cash uitbetaald.

V: welke andere werkzaamheden gebeurden daar toen u daar werkzaam was?

A: Ik zag twee mannelijke personen van de Colombiaanse nationaliteit die tegels aan het leggen waren. De elektricien ken ik van voetbal. Het pleisterwerk werd gedaan door drie mannen van Haïtiaanse afkomst. De schilders waren drie mannen die Curaçaoënaars zijn. Ik noemde [verdachte] , [bijnaam] .

V: hoeveel kostte de aanbouw van het zwembad?

A: ik heb een totaal bedrag van 12.250 gulden hiervoor gekregen.

Een proces-verbaal van verhoor van 21 juli 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar (proces-verbaalnummer 201607211150/AMB), doorgenummerde pagina's 1612 t/m 1615 en bijlagen t/m 1617. Dit proces-verbaal houdt onder andere in de door getuige [getuige 4] afgelegde verklaring:

[verdachte] heeft mij benaderd om tekening voor het woonhuis te [adres] te maken. Ik heb hiervoor een bedrag van 4000 gulden gekregen. De bouwvergunning is door [verdachte] betaald. Ik heb die samen met hem ingediend. Een bouwvergunning kost ongeveer 1000 gulden per vierkante meter.

V: wat was de aanbouwwaarde van het huis waarvoor u de tekening heeft gemaakt?

A: de aanbouwwaarde van het woonhuis was 700.000 gulden ( = 338.507,66 euro), exclusief de bouwgrond, maar inclusief het zwembad.

V: weet u wie de aannemer was?

A: [verdachte] vertelde dat het [getuige 2] betrof.

De door verdachte ter terechtzitting van 23 augustus 2018 afgelegde verklaring onder andere inhoudende:

Het klopt dat ik ook wel [bijnaam] word genoemd.

Ten aanzien van feit 2

Een proces-verbaal van 15 juli 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar (proces-verbaalnummer 1607151230.IBN), doorgenummerde pagina’s 2244 t/m 2245. Dit proces-verbaal houdt onder meer in de bevindingen van de verbalisant, zakelijk weergegeven:

Tijdens een doorzoeking van de woning gelegen aan de [adres verdachte] op 12 juli 2016 werden in de kledingkast op de slaapkamer van de ouders een tweetal vuurwapens, inclusief bijbehorende munitie aangetroffen:

  • -

    Een pistool, merk Glock, type 26 (serienummer onleesbaar gemaakt) inclusief een patroonhouder met tien stuks 9 mm patronen;

  • -

    een patroonhouder Glock;

  • -

    een revolver, merk GK (geen serienummer aanwezig) inclusief vijf patronen 6,35 mm in de trommel;

  • -

    vijftig patronen 9mm;

  • -

    twintig patronen 6,35 mm in een kast in de woonkamer.

Een proces-verbaal van onderzoek wapen van 26 juli 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar (proces-verbaalnummer PL0600-2016350329-8), doorgenummerde pagina’s 2286 t/m 2289 en bijlagen t/m 2296. Dit proces-verbaal houdt onder meer in de bevindingen van de verbalisant,

zakelijk weergegeven:

Goednummer PL0600-2016350329-1190815, betreft een vuurwapen, pistool, merk Glock type 26, kaliber 9mm. Het is een vuurwapen van categorie III van de Wet wapens en munitie. Alle hoofdonderdelen waren aanwezig en functioneerden voor zover door mij kon worden nagegaan naar behoren. Op de plaats waar het serienummer stond ingeslagen, zag ik dat deze was verwijderd.

Goednummer PL0600-2016350329-1190826, betreft een magazijn afkomstig uit bovengenoemd vuurwapen. Goednummer PL0600-2016350329-1190918 betreft munitie uit boven vermelde houder. Het zijn tien scherpe patronen, kaliber 9mm.

Goednummer PL0600-2016350329-1191042 betreft één doos munitie, inhoud vijftig stuks kaliber 9mm luger.

Het betreft kogelpatronen van het kaliber 9mm. Dit is munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie.

Goednummer PL0600-2016350329-1191047 betreft een magazijn, merk Glock, voor het kaliber 9mm. Dit patroonmagazijn is een vuurwapen van categorie III van de Wet wapens en munitie.

Mij, verbalisant, is niet gebleken dat verdachte [verdachte] bevoegd was voornoemd vuurwapen of munitie voorhanden te hebben.

Een proces-verbaal van onderzoek wapen van 27 juli 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar (proces-verbaalnummer PL0600-2016350329-7), doorgenummerde pagina’s 2297 t/m 2299 en bijlagen t/m 2302. Dit proces-verbaal houdt onder meer in de bevindingen van de verbalisant,

zakelijk weergegeven:

Goednummer PL0600-2016350329-1190930 is een revolver van het merk Geco. Het is een vuurwapen van categorie III van de Wet wapens en munitie. Alle hoofdonderdelen waren aanwezig en functioneerden voor zover door mij kon worden nagegaan naar behoren.

Goednummer PL0600-2016350329-1191057 vijf stuks en goednummer PL0600-2016350329-1191065 20 stuks betreffen kogelpatronen van het merk Geco van het kaliber 6.35mm. Dit is munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie. De vijf patronen werden in de cilinder van de revolver aangetroffen. Het wapen was derhalve voor direct gebruik gereed.

Mij, verbalisant, is niet gebleken dat verdachte [verdachte] bevoegd was voornoemd vuurwapen of munitie voorhanden te hebben.

De door verdachte ter terechtzitting van 23 augustus 2018 afgelegde verklaring onder andere inhoudende:

Ik wist dat ik de wapens niet mocht hebben.

Ten aanzien van feit 3

Een proces-verbaal van inbeslagname van 15 juli 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar (proces-verbaalnummer 1607151550.IBN), doorgenummerde pagina’s 2368 t/m 2369. Dit proces-verbaal houdt onder meer in de bevindingen van de verbalisant,

zakelijk weergegeven:

Tijdens een doorzoeking van de woning gelegen aan de [adres verdachte] op 12 juli 2016 werd in de schuur behorende bij de woning een hoeveelheid vuurwerk aangetroffen:

  • -

    Een doos met als inhoud een zogenaamde Chinese rol;

  • -

    Een doos met daarin 36 zogenaamde Cobra’s 6.

Een proces-verbaal van inbeslagname van 27 juli 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar (proces-verbaalnummer PL2700-2016056431), doorgenummerde pagina’s 2371 t/m 2381. Dit proces-verbaal houdt onder meer in de bevindingen van de verbalisant, zakelijk weergegeven:

Het inbeslaggenomen vuurwerk is door mij, materiedeskundige, op uiterlijke kenmerken onderzocht en ingedeeld in de lijsten I t/m IV conform de Richtlijn voor Strafvordering Vuurwerkdelicten.

  • -

    13 kg bruto gewicht inclusief verpakking Lijst II, knalvuurwerk met een lengte van maximaal 55mm;

  • -

    36 stuks Bangers (knalvuurwerk), merk super cobra’s 6 (ground Maroon).

Naast het onderzochte en beschreven vuurwerk werd in deze partij het volgende vuurwerk aangetroffen: 1 knalstreng Chinese rol T809, White horse.

Een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 7 april 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde deskundige van het NFI, pagina 2382 t/m 2393 en bijlagen t/m 2410. Dit proces-verbaal houdt onder meer in de bevindingen van de deskundige, zakelijk weergegeven:

Onderzoeksmateriaal: AAIY4391Nl 3 x cobra

Op het etiket staat onder andere de opdruk: Cobra, Di Blasio Elio Fireworks.

Conclusie

Het onderzoeksmateriaal is zowel op basis van de typering die volgt uit de opbouw en de samenstelling als volgens de aangetroffen opdrukken aan te duiden als professioneel vuurwerk conform het Vuurwerkbesluit. De onderzochte cilinders van het onderzoeksmateriaal bevatten pyrotechnische lading.

De door verdachte ter terechtzitting van 23 augustus 2018 afgelegde verklaring onder andere inhoudende:

U bespreekt met mij mijn verklaring over het vuurwerk. Die verklaring klopt. Een

honderdduizendklapper die uit één stuk bestaat, is niet toegestaan. Ik heb het vuurwerk gekocht voor oud en nieuw.

De bewijsoverwegingen

Met verwijzing naar het hiervoor uiteengezette juridische kader overweegt de rechtbank dat ten aanzien van alle witwasincidenten uit de aangedragen feiten en omstandigheden als benoemd in de bewijsmiddelen, voortvloeit dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachten in de periode van 1 januari 2013 tot en met 21 juli 2016 een contant bedrag van slechts € 26.752,- tot hun beschikking hadden en de in de tenlastelegging genoemde witgewassen goederen en/of bedragen het voornoemde beschikbare geldbedrag ruimschoots overtreffen. De verrichte contante stortingen alsmede de uitgaven die door verdachte en zijn medeverdachte zijn gedaan kunnen niet verklaard worden uit hun inkomsten. Om die reden mag van verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft die concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is en dan mag van het Openbaar Ministerie worden verlangd, als die verklaring daartoe aanleiding geeft, om nader onderzoek te doen naar de alternatieve herkomst van het geld en de goederen. Hieruit moet blijken of met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de geldbedragen en de goederen waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst hebben en dat derhalve een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden. De rechtbank zal de verklaringen van verdachte (en het onderzoek van het Openbaar Ministerie daar naar) hieronder bespreken.

Ten aanzien van feit 1 witwasincidenten 1, 2 en 3

Verdachte heeft ter terechtzitting en eerder ook bij de KMar verklaard dat hij inkomsten heeft genoten uit zwart werken en gokken. Namens verdachte is verder aangevoerd dat hij geld heeft ontvangen in verband met verjaardagen. De rechtbank is van oordeel dat deze verklaring van verdachte niet is onderbouwd, weinig concreet en niet verifieerbaar is. Verdachte heeft ook ter terechtzitting niet willen verklaren waar en voor wie hij zwart zou hebben gewerkt en volstaat met het noemen van een globaal bedrag dat hij daarmee per jaar zou hebben verdiend. Dit acht de rechtbank onvoldoende. Verdachte heeft verder geen stukken overgelegd waaruit gokwinsten blijken, anders dan het bedrag van € 30.000,- afkomstig van bookmaker Tipico. Het is voorts een feit van algemene bekendheid dat om te kunnen gokken inleggeld nodig is. Dit inleggeld was blijkens de bewijsmiddelen niet legaal voorhanden. Gelet hierop legt de rechtbank deze verklaring terzijde. Ook ten aanzien van het verjaardagsgeld is niet aangevoerd hoeveel verdachte zou hebben ontvangen en van wie. En voor zover de raadsman heeft betoogd dat de toeslagen niet zijn meegenomen in de berekening van het beschikbare contante geld stelt de rechtbank, onder verwijzing naar de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen, vast dat dit verweer dient te worden gepasseerd nu het feitelijke grondslag mist. Er is immers bij de berekening van het in de tenlastegelegde periode beschikbare contante geld wel degelijk rekening gehouden met de toeslagen die op de bankrekening van medeverdachte [medeverdachte] zijn gestort. De rechtbank is dan ook van oordeel dat een legale herkomst van het geld met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten en dat daarom een criminele herkomst van het geld als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.

Ten aanzien van feit 1 witwasincident 4

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de motorfiets heeft betaald met geld dat hij had overgehouden van de lening van getuige [getuige 1] .

Naar het oordeel van de rechtbank is deze voor het eerst op de zitting afgelegde verklaring om die reden al niet verifieerbaar. Nu deze bovendien afwijkt van zijn eerdere verklaringen en ook strijdig is met het doel van de (beweerdelijke) lening zoals blijkt uit de door verdachte zelf overgelegde leningsovereenkomsten, acht de rechtbank deze verklaring alleen daarom al hoogst onwaarschijnlijk. De rechtbank is dan ook van oordeel dat een criminele herkomst van het geld waarmee de motorfiets is betaald als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.

Ten aanzien van feit 1 witwasincident 5

Verdachte heeft verklaard dat hij de kavel op Curaçao heeft betaald met gokopbrengsten van bookmaker Tipico en geld dat hij van zijn moeder heeft gekregen.

Ten aanzien van de gokopbrengsten van bookmaker Tipico heeft het Openbaar Ministerie niet kunnen weerleggen dat verdachte deze opbrengsten daadwerkelijk heeft genoten. De rechtbank is echter van oordeel dat het bedrag van € 30.000,- dat verdachte zegt te hebben gewonnen niet verklaart hoe hij de kavel ter waarde van (omgerekend) € 44.049,34 daarmee in zijn geheel heeft kunnen bekostigen. De rechtbank acht de verklaring van verdachte dat hij het restant van het benodigde bedrag heeft geleend/gekregen van zijn moeder hoogst onaannemelijk. Dat er feitelijk geld is overgemaakt van de rekening van de moeder van verdachte naar de notaris op Curaçao maakt dit niet anders, nu dit bedrag in de periode kort daaraan voorafgaand contant op haar rekening is gestort door middel van (grotendeels) 50 en 20 euro biljetten. Volgens de verklaring van verdachte zou dit geld al die tijd contant bij zijn moeder hebben gelegen. Nu verdachte geenszins concreet heeft kunnen onderbouwen wanneer, waar en hoe hij het geld van zijn moeder heeft gekregen, de moeder van verdachte zwaar gehandicapt is en zij bij alles hulp nodig heeft en zowel verdachte als zijn moeder wisselend over de gang van zaken hebben verklaard, acht de rechtbank ook deze verklaring over de herkomst van het voor aankoop van de grond benodigde geld niet aannemelijk.

De rechtbank overweegt voorts dat uit het dossier weliswaar volgt dat de moeder van verdachte in 1998 een ongeluk heeft gehad naar aanleiding waarvan zij (laatstelijk in 2003) een hoog bedrag aan schade-uitkering heeft ontvangen, maar dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat dit geld (of een deel daarvan) is gebruikt voor de aanschaf van de kavel op 2 mei 2014.

Uit onderzoek naar de financiën van de moeder van verdachte (proces-verbaal van bevindingen dossier p. 2054 tot en met 2060) is immers gebleken dat zij dit geld binnen een kort tijdsbestek heeft opgenomen. Het is zeer onaannemelijk dat de moeder van verdachte, gelet op haar schuldenproblematiek en haar uitgavenpatroon, dit geld al die tijd in huis heeft bewaard. Temeer nu verdachte notabene zelf heeft verklaard dat zijn moeder niet goed met geld kan omgaan en geld dat zij ontvangt doorgaans direct opmaakt.

De rechtbank kan om voornoemde redenen met voldoende mate van zekerheid uitsluiten dat een aanzienlijk deel van de geldbedragen gebruikt voor de aankoop van de kavel een legale herkomst hebben. Een criminele herkomst van het geld kan daarom als enige aanvaardbare verklaring gelden.

Ten aanzien van feit 1 witwasincident 6

Verdachte heeft eerst in januari 2017 verklaard en ter terechtzitting herhaald dat hij het geld met betrekking tot de woning op Curaçao heeft geleend van getuige [getuige 1] en dat hij daarnaast geld van zijn moeder heeft gekregen. Ter onderbouwing heeft verdachte twee leningsovereenkomsten overgelegd en ter zitting verklaard dat hij het geleende bedrag in twee keer contant bij [getuige 1] heeft opgehaald op zijn kantoor. Getuige [getuige 1] heeft dit in zijn verhoor als getuige en later bij de rechter-commissaris bevestigd.

De rechtbank volgt verdachte niet in zijn verklaring over de herkomst van het geld waarmee hij de bouw van de woning op Curaçao heeft bekostigd. Verdachte heeft pas in een zeer laat stadium – te weten zijn vijfde verhoor – verklaard over deze stille geldschieter. Dit terwijl hij in zijn eerdere verhoren is blijven volharden in het gegeven dat hij geen geldleningen was aangegaan. Om die reden acht de rechtbank de verklaring van verdachte al ongeloofwaardig.

De rechtbank kan er voorts niet aan voorbij zien dat de hele gang van zaken rondom de beweerdelijke lening van getuige [getuige 1] uiterst dubieus is. Zo zou verdachte deze [getuige 1] hebben benaderd (voor een geldlening van het aanzienlijke bedrag van

€ 130.000,- ) omdat [getuige 1] een prijs in de Staatsloterij had gewonnen en verdachte hoorde dat [getuige 1] geld aan de voedselbank had gegeven. [getuige 1] en verdachte kenden elkaar slechts zijdelings, via de dochter/kleindochter van [getuige 1] . De overeenkomst zou tot stand zijn gekomen door het tekenen van een ‘kladje’. Dit kladje zou [getuige 1] zijn kwijtgeraakt en toen zijn, na het verhoor van verdachte in 2017, op verzoek van verdachte alsnog twee (geantidateerde) leningsovereenkomsten opgemaakt. Zowel verdachte als [getuige 1] hebben verklaard dat verdachte het gehele bedrag contant heeft ontvangen. Dit terwijl uit onderzoek naar de bankgegevens van getuige [getuige 1] (proces-verbaal van bevindingen dossierpagina 1905 tot en met 1922) is gebleken dat hij aan 32 andere personen op girale wijze leningen heeft verstrekt, overigens over het algemeen ook voor veel lagere bedragen. De rechtbank acht het, zonder nadere onderbouwing die ontbreekt, uiterst onaannemelijk dat getuige [getuige 1] ten aanzien van verdachte, voor het uitlenen van een dergelijk hoog bedrag, zijn handelswijze heeft veranderd en het geld contant heeft uitgekeerd. Ook blijkt niet van contante opnames van de geleende bedragen in die periode van de rekening van [getuige 1] . En tenslotte is het naar het oordeel van de rechtbank, gelet op het hiervoor genoemde onderzoek naar de bankgegevens van [getuige 1] , onaannemelijk dat [getuige 1] dergelijke aanzienlijke bedragen nog contant elders had liggen.

Met verwijzing naar hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van het geld dat verdachte van zijn moeder zou hebben gekregen, gaat de rechtbank ten aanzien van dit witwasincident eveneens voorbij aan de verklaring van verdachte dat hij hiervoor geld van zijn moeder heeft geleend of gekregen. Verdachte heeft ter terechtzitting niet concreet en wisselend verklaard. Zo heeft verdachte op enig moment verklaard dat hij eerst het geld van zijn moeder heeft gebruikt en pas voor een geldlening naar getuige [getuige 1] is gegaan toen het geld van zijn moeder niet voldoende bleek te zijn. Op een ander moment heeft verdachte echter verklaard dat hij eerst naar getuige [getuige 1] is gegaan voor een geldlening en dat hij pas later geld van zijn moeder heeft gekregen. Dit alles terwijl verdachte ten aanzien van witwasincident 4 ter zitting ook nog heeft verklaard dat hij zo veel geld overhad van de geldlening van getuige [getuige 1] , dat hij in staat was daarvan een motor te kopen.

Tot slot heeft verdachte ter terechtzitting niet kunnen verklaren hoeveel geld hij precies van zijn moeder zou hebben gekregen en is, zoals hiervoor bij witwasincident 5 uiteengezet, uit onderzoek gebleken dat het onaannemelijk is dat de moeder van verdachte in de periode van de bouw van de woning nog over veel geld kon beschikken.

De rechtbank vindt het om voornoemde redenen niet aannemelijk geworden dat getuige [getuige 1] een contante geldlening heeft verstrekt aan verdachte. Ook acht de rechtbank niet aannemelijk geworden dat verdachte geld van zijn moeder heeft gekregen. De verklaringen van verdachte stelt de rechtbank dan ook terzijde. De rechtbank is van oordeel dat daarom een criminele herkomst van het geld als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.

Ten aanzien van feit 2

De rechtbank volgt de raadsman niet in zijn standpunt dat verdachte partieel moet worden vrijgesproken ten aanzien van de revolver. Het enkele gegeven dat volgens de raadsman niet door schietproeven is komen vast te staan dat het wapen daadwerkelijk geschikt was om de aangetroffen munitie mee af te schieten, doet niets af aan het feit dat door een deskundige is vastgesteld dat de revolver een verboden wapen in de zin van de Wet Wapen en Munitie is en dat verdachte dit wapen voorhanden heeft gehad.

3.4.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte alle ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

Feit 1:

hij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2013 tot en met 12 juli 2016, te Breda, althans in Nederland en/of in Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte en/of zijn mededader (telkens):

INCIDENT 1.

meermalen van contante geldbedragen (tot een totaalbedrag van euro 18.110,00), de werkelijke aard en de herkomst verborgen en/of verhuld en/of deze geldbedragen verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet, terwijl hij, verdachte en zijn mededader telkens wisten, dat die geldbedragen -onmiddellijk en/of middellijk- uit enig misdrijf afkomstig waren;

INCIDENT 2.

van een personenauto, merk Volkswagen Golf kenteken [kenteken] en/of een contant geldbedrag waarmee voornoemde personenauto werd betaald, de werkelijke aard en de herkomst verborgen en/of verhuld en/of voornoemde personenauto en/of dat geldbedrag verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet, terwijl hij, verdachte, en zijn mededader telkens wisten, dat die personenauto en/of dat geldbedrag -onmiddellijk en/of middellijk- uit enig misdrijf afkomstig waren;

INCIDENT 3

meermalen van de via het GWK contant betaalde geldtransacties naar derden (tot een totaalbedrag van euro 21.558,32), de werkelijke aard en de herkomst verborgen en/of verhuld en/of voornoemde geldbedragen verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet terwijl hij, verdachte, en zijn mededader telkens wisten, dat voornoemde geldbedragen -onmiddellijk en/of middellijk- uit enig misdrijf afkomstig waren;

INCIDENT 4.

van een motorfiets, merk Piaggio, kenteken [kenteken] en/of van een contant geldbedrag waarmee voornoemde motorfiets werd betaald, de werkelijke aard en de herkomst verborgen en/of verhuld en/of voornoemde motorfiets en/of dat geldbedrag verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet, terwijl hij, verdachte telkens wist, en zijn mededader telkens redelijkerwijze moest vermoeden, dat die motorfiets en/of dat geldbedrag -onmiddellijk en/of middellijk- uit enig misdrijf afkomstig waren;

INCIDENT 5.

van een kavel (grond) [adres] te Curaçao en/of van een of meer contante geldbedragen waarmee deze voornoemde kavel werd betaald, de werkelijke aard en de herkomst verborgen en/of verhuld en/of voornoemde kavel en die geldbedragen verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet terwijl hij, verdachte telkens wist, dat die kavel en/of die geldbedragen -onmiddellijk en/of middellijk- uit enig misdrijf afkomstig waren;

INCIDENT 6.

van een perceel en/of een woning en/of een zwembad gelegen [adres] te Curaçao en/of van een of meer geldbedragen waarmee dit perceel en/of de bouw van en/of bouwwerkzaamheden aan die woning en/of de bouw van en/of bouwwerkzaamheden aan dat zwembad werden betaald, de werkelijke aard en de herkomst verborgen en/of verhuld en/of dit perceel en/of die woning en/of dat zwembad en/of die geldbedragen verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet, terwijl hij, verdachte, wist, dat dit perceel en/of die woning en/of dat zwembad en/of die geldbedragen -onmiddellijk en/of middellijk- uit enig misdrijf afkomstig waren;

Feit 2:

hij op 12 juli 2016 te Breda wapens van categorie III, te weten: 1 pistool, merk Glock type 26 kaliber 9 mm en/of 1 revolver, merk Geco, en munitie van categorie III, te weten: 60 patronen kaliber 9 mm en 25 patronen "geco" kaliber 6.35 mm, voorhanden heeft gehad;

Feit 3:

hij op 12 juli 2016 te Breda opzettelijk een hoeveelheid vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik, bestaande uit: een knalstreng Chinese rol T 809, 13 kg, lengte maximaal 55 mm en 36 Bangers (Knalvuurwerk, bestaande uit Super Cobra's 6, merk Di Blasio Elio Fireworks), heeft opgeslagen en voorhanden heeft gehad terwijl dit vuurwerk telkens niet voldeed aan het bepaalde bij of krachtens het Vuurwerkbesluit.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Medeplegen van het plegen van witwassen een gewoonte maken;

Ten aanzien van feit 2:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd;

Ten aanzien van feit 3:

Opzettelijk overtreden van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 9.2.2.1. van de Wet milieubeheer, meermalen gepleegd.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6 Motivering van de sanctie

6.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van voorarrest. Verder heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de redelijke termijn van berechting niet is overschreden gelet op het gegeven dat de verdediging zelf onderzoekswensen heeft ingediend. Mocht de rechtbank hier anders over denken, dan moet aan de constatering dat een termijnoverschrijding heeft plaatsgevonden, geen consequentie worden verbonden.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de woning van verdachte gelegen [adres] op Curaçao verbeurd zal worden verklaard.

6.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank verzocht rekening te houden met de financiële situatie van verdachte en zijn gezin. Het gezin van verdachte kan niet enkel leven van de toeslagen die zijn partner ontvangt. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat aan verdachte een voorwaardelijk gevangenisstraf en daarnaast een maximale taakstraf moeten worden opgelegd omdat met een andere strafmodaliteit en/of strafmaat de weg naar herstel voor het gezin radicaal wordt afgesneden. Voorts heeft de raadsman de rechtbank verzocht niet over te gaan tot verbeurdverklaring van de woning van verdachte op Curaçao omdat deze thans nog voorwerp is van de ontnemingsprocedure.

6.3.

Het oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

De ernst van de feiten

Feit 1

Verdachte heeft samen met zijn partner en medeverdachte - in een periode van ruim drieënhalf jaar - een gewoonte gemaakt van witwassen. Door verdachte is, al dan niet tezamen met zijn medeverdachte, onder andere grote geldbedragen, een auto, een motorfiets, een stuk grond, perceel, woning en zwembad op Curaçao witgewassen. Met zijn handelen heeft verdachte geprobeerd directe of indirecte opbrengsten van misdrijf te onttrekken aan het zicht van justitie en de belastingdienst. Dat levert een ernstige bedreiging op van de legale economie en vormt een ernstige aantasting van de integriteit van het financieel en economisch bestel. Het is evident dat door personen als verdachte en zijn medeverdachte, die criminele gelden een (schijnbaar) legale herkomst verschaffen, het genereren van illegale winsten uit criminele activiteiten in stand wordt gehouden en bevorderd. Witwassen is een ernstig feit dat in niet te onderschatten mate bijdraagt aan de instandhouding van criminaliteit in diverse vormen en om die reden de rechtsstaat ernstig ondermijnt.

De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat hij tijdens de verhoren bij de KMar en tijdens het verhoor ter terechtzitting heeft geprobeerd de schijn op te houden dat het gezin financieel maar net in staat was de eindjes aan elkaar te knopen. Dit terwijl het dossier een heel ander beeld geeft, namelijk dat verdachte en zijn partner er een luxe leven op na hielden. Zo hadden de verdachte en zijn medeverdachte de beschikking over grote contante geldbedragen, meerdere voertuigen, luxe producten, zoals dure merkkleding, -schoenen en -tassen en ging hij met het hele gezin naar Curaçao op vakantie. Dit terwijl het gezin meerdere toeslagen van de overheid ontving, zoals huurtoeslag, zorgtoeslag en toeslagen voor de kinderen. De rechtbank neemt dit de verdachte ernstig kwalijk omdat dergelijke toeslagen zijn bedoeld voor mensen die die financiële ondersteuning daadwerkelijk nodig hebben.

De rechtbank neemt het de verdachte verder kwalijk dat hij geen enkele verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen en dat hij daarvan kennelijk het laakbare niet inziet. Verdachte heeft ter terechtzitting volhard in het geven van onaannemelijke verklaringen, kennelijk om de waarheid te bemantelen.

De rechtbank neemt het verdachte in het bijzonder kwalijk dat hij andere mensen, waaronder zijn invalide moeder, heeft ingezet om - in strijd met de feitelijke situatie - ontlastend voor en over hem te verklaren. Verdachte heeft op die manier geprobeerd zijn strafbare handelen te verdoezelen en zich te onttrekken aan een veroordeling.

Feit 2

Verdachte heeft twee vuurwapens (een pistool en een revolver), met bijbehorende munitie, voorhanden gehad terwijl hij daarvoor geen vergunning had. Het onbevoegd voorhanden hebben van vuurwapens is maatschappelijk onaanvaardbaar vanwege de grote dreiging die daarvan uitgaat voor anderen. Dergelijke wapens kunnen gebruikt worden voor allerlei (levens)bedreigende activiteiten. Het voorhanden hebben daarvan vormt een ernstige inbreuk op de rechtsorde. Daarom moet streng worden opgetreden tegen het onbevoegd voorhanden hebben van vuurwapens. Zeker nu één van de wapens die verdachte voorhanden heeft gehad, de Glock, een weggekrast serienummer had. Wapens die niet beschikken over een serienummer bemoeilijken de opsporing omdat deze niet te linken zijn aan personen onder wiens naam die ooit zijn geregistreerd. Op die wijze kunnen dergelijke wapens makkelijker ongestraft worden ingezet bij het plegen van strafbare feiten dan wapens mét een serienummer.

De rechtbank vindt het in het bijzonder kwalijk dat verdachte de voor direct gebruik gereed zijnde wapens en bijbehorende munitie bewaarde in een niet afgesloten kledingkast in zijn slaapkamer, hetgeen een levensgevaarlijke situatie had kunnen opleveren, zeker in een huis met vier jonge kinderen.

Feit 3

Tot slot heeft verdachte illegaal vuurwerk voorhanden gehad in zijn schuur. De rechtbank acht het voorhanden hebben van dit vuurwerk nabij een woning extreem gevaarzettend. Afgezien van het brandgevaar bij het bewaren van dit vuurwerk, brengt het tot ontbranding brengen daarvan enorme risico’s met zich zowel voor degene die het vuurwerk tot ontbranding brengt als voor de eventuele omstanders. Te denken valt onder meer aan gehoorbeschadiging, oogletsel en verminking van ledematen. Verdachte heeft een onaanvaardbaar risico genomen voor zichzelf, zijn gezin en de buurtbewoners. Dat neemt de rechtbank verdachte kwalijk.

De persoon van verdachte

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 18 juli 2018, waaruit blijkt dat de verdachte reeds eerder ter zake van strafbare feiten onherroepelijk tot vrijheidsbenemende straffen is veroordeeld.

Met betrekking tot de persoon van verdachte weegt de rechtbank mee dat verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat hij geestelijk vermoeid is ten gevolge van deze rechtszaak, waarop hij ruim twee jaar heeft moeten wachten, maar dat hij zich probeert sterk te houden voor zijn gezin. Verder heeft verdachte verklaard dat zijn financiële situatie niet rooskleurig is en dat de huur soms niet op tijd kan worden betaald.

De op te leggen straf

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat, gelet op de lange periode en de stelselmatigheid waarmee verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van gewoontewitwassen, alsmede gelet op de ernst van alle feiten slechts een vrijheidsbenemende straf passend en geboden is. In verband met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en gelet op de straffen die in vergelijkbare gevallen worden opgelegd, zal de rechtbank een lagere straf opleggen dan gevorderd door de officier van justitie. De rechtbank zal verdachte veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden. De rechtbank zal echter bepalen dat een gedeelte, te weten 6 maanden, daarvan vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit.

Nu de redelijke termijn slechts met enkele weken is overschreden, laat de rechtbank het bij de enkele constatering daarvan en zal daar verder geen consequenties aan verbinden.

7 Het beslag

Onder verdachte zijn verschillende goederen in beslag genomen. De officier van justitie heeft zich ter terechtzitting op het standpunt gesteld dat de rechtbank ten aanzien van deze goederen geen beslissing hoeft te nemen omdat er conservatoir beslag op de goederen is gelegd. De rechtbank deelt het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft, met een beroep op het bepaalde in artikel 34 van het wetboek van Strafrecht (Sr), wel gevorderd dat de woning van verdachte gelegen op [adres] Curaçao verbeurd zal worden verklaard. De rechtbank acht zich met inachtneming van het bepaalde in artikel 34 Sr en op basis van de beschikbare stukken echter onvoldoende in staat om de woning van verdachte op een geldelijk bedrag te schatten. De rechtbank overweegt daartoe dat de verklaring van getuige [getuige 4] over de aanbouwwaarde van het huis op geen enkele wijze is onderbouwd. De rechtbank zal - in de wetenschap dat er ook conservatoir beslag rust op die woning- anders dan gevorderd door de officier van justitie -niet overgaan tot verbeurdverklaring van de woning.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikelen 14a, 14b, 14c, 47, 57, 420bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht;

artikelen 25 en 55 van de Wet Wapens en Munitie

artikelen 1.2.2., 3.1.1. en 5.3.5. van het Vuurwerkbesluit;

artikel 9.2.2.1. van de Wet milieubeheer en de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten

9 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot 6 (zes) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat verdachte voor het einde van de op twee jaren bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.E. Francke, voorzitter,
mr. W. Veldhuijzen van Zanten en M. Goedhuis-Visser, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. R.I. Robijns, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 6 september 2018.

De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I – tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op een of meer tijdstippen in op of omstreeks de periode van 1 januari

2013 tot en met 12 juli 2016, te Breda, althans (elders) in Nederland en/of in

Curacao, tezamen en in vereniging met een ander (te weten [medeverdachte] ) van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, in elk geval zich een

of meermalen schuldig heeft gemaakt aan witwassen, althans aan

schuldwitwassen, immers heeft hij, verdachte en/of zijn mededader (telkens):

INCIDENT 1.

een of meermalen (van) een (contant) geldbedrag(en) (tot een totaalbedrag van euro 18.110,00), de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld, althans verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op die/dat geldbedrag(en) was/waren en/of voorhanden had(den), en/of verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of daarvan gebruik gemaakt, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat die/dat geldbedrag(en) onmiddellijk en/of middellijk- uit enig misdrijf afkomstig was/waren,

EN/OF

INCIDENT 2.

(van) een personenauto, merk Volkswagen Golf kenteken [kenteken] en/of een of meer (contante) geldbedragen waarmee voornoemde personenauto werd betaald, de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld, althans verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op die voornoemde personenauto en/of die/dat geldbedrag(en) was/waren en/of voorhanden had(den), en/of verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of daarvan gebruik gemaakt, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat die personenauto en/of die/dat geldbedrag(en) onmiddellijk en/of middellijk- uit enig misdrijf afkomstig was/waren,

EN/OF

INCIDENT 3

een of meermalen (van) de via het GWK (contant betaalde) geldtransacties (naar derden) (tot een totaalbedrag van euro 21.558,32), de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld, althans verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op die/dat geldbedrag(en) was/waren en/of voorhanden had(den), en/of

verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of daarvan gebruik gemaakt, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat die/dat geldbedrag(en) onmiddellijk en/of middellijk- uit enig misdrijf afkomstig was/waren,

EN/OF

INCIDENT 4.

(van) een motorfiets, merk Piaggio, kenteken [kenteken] en/of een of meer (contante) geldbedrag(en) waarmee voornoemde motorfiets werd betaald, de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld, althans verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op die motorfiets en/of die/dat geldbedrag(en) was/waren en/of voorhanden had(den), en/of verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of daarvan gebruik gemaakt, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat die motorfiets en/of die/dat geldbedrag(en) onmiddellijk en/of middellijk- uit enig misdrijf afkomstig was/waren,

INCIDENT 5.

(van) een kavel (grond) [adres] Curacao en/of (van) een of meer (contante) geldbedrag(en) waarmee al deze voornoemde kavel werd betaald, de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld, althans verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op die voornoemde kavel en/of op die/dat geldbedrag(en) was/waren en/of voorhanden had(den), en/of verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of daarvan gebruik gemaakt, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (telkens) wist, althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat die kavel en/of die/dat geldbedrag(en) -onmiddellijk en/of middellijk- uit enig misdrijf afkomstig was/waren,

INCIDENT 6.

(van) een perceel en/of een woning en/of een zwembad (gelegen [adres] te Curacao) en/of (van) een of meer geldbedragen waarmee dit perceel en/of (de bouw van en/of bouwwerkzaamheden aan) die woning en/of (de bouw van en/of bouwwerkzaamheden aan) dat zwembad werd(en) betaald, de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld, althans verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op dat perceel en/of die woning en/of dat zwembad en/of die/dat geldbedrag(en) was/waren en/of voorhanden had(den), en/of verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of daarvan gebruik gemaakt, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat dit perceel en/of die woning en/of dat zwembad en/of die/dat geldbedrag(en) -onmiddellijk en/of middellijk uit enig misdrijf afkomstig was/waren;

2.

hij op of omstreeks 12 juli 2016 te Breda, althans (elders) in Nederland, een of meer wapens van categorie III, te weten:

1. pistool, merk Glock type 26 kaliber 9 mm en/of

1. revolver, merk Geco,

en/of munitie van categorie III, te weten:

60 patronen kaliber 9 mm en/of

25 patronen "geco" kaliber 6.35 mm, voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd; art 26 lid 1 Wet wapens en munitie.

3.

hij op of omstreeks 12 juli 2016 te Breda, althans (elders) in Nederland, opzettelijk een hoeveelheid vuurwerk en/of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik, bestaande uit:

- een knalstreng chinese rol T 809, 13 kg, lengte maximaal 55 mm.

en/of

- 36, althans meerdere, stuks Bangers (Knalvuurwerk, bestaande uit Super Cobra's 6, merk Di Blasio Elio Fireworks), heeft opgeslagen en/of voorhanden heeft gehad en/of aan (een) ander(en) ter beschikking heeft gesteld, terwijl dit vuurwerk (telkens) niet voldeed aan het bepaalde bij of krachtens het Vuurwerkbesluit; art 1.2.2 lid 1 Vuurwerkbesluit.