Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2018:8277

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
09-08-2018
Datum publicatie
27-09-2018
Zaaknummer
15.182422.17 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood.

Verdachte heeft als bestuurder van een fiets gehandeld in strijd met meerdere verkeersregels. Hoewel de verkeersovertredingen die verdachte heeft begaan los van elkaar mogelijk zouden kunnen worden bestempeld als kleine vergrijpen, hebben zij onderling en in samenhang bezien de verkeersveiligheid op ontoelaatbare wijze in gevaar gebracht, ten gevolge waarvan het slachtoffer is komen te overlijden.

De rechtbank is zich ervan bewust dat voor de nabestaanden geen enkele straf recht zal doen aan het leed dat zij hebben ervaren en tot op de dag van vandaag waarschijnlijk nog steeds ervaren. De rechtbank benadrukt dat aan verdachte een straf moet worden opgelegd die recht doet aan de ernst van het feit dat hij heeft gepleegd en die in overeenstemming is met straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd.

Een matigende factor ziet de rechtbank in het feit dat verdachte een blanco strafblad heeft en dat hij zich heeft bekommerd om de nabestaanden door contact met hen op te nemen. Verdachte heeft er blijk van gegeven doordrongen te zijn van de ernst van het ongeval. Ook voor hem is het, zo is ter terechtzitting gebleken, emotioneel belastend dat het slachtoffer is overleden. Uit de verklaring die verdachte ter terechtzitting heeft afgelegd volgt dat hij graag zou hebben willen ruilen met het slachtoffer. Verdachte heeft verklaard dat hij had willen doodgegaan in plaats van het slachtoffer. Deze spijtbetuiging is op de rechtbank oprecht overgekomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JERF 2018/373
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15.182422.17 (P)

Uitspraakdatum: 9 augustus 2018

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 26 juli 2018 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1989 te [geboorteland] ,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres]

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. F.H.A. Schlingemann-Hovig en van hetgeen verdachte en zijn raadsman mr. M.B. Chylinska, advocaat te Haarlem, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 2 april 2017 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een fiets (te weten een mountainbike, merk Decathlon, type Triban) daarmede rijdende over de weg, te weten het fietspad van Graan voor Visch, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,
- in strijd met een op of bij dat fietspad gesitueerd verkeersbord, conform model G11 van bijlage I van het Reglement van verkeersregels en verkeersteken 1990, aanduidende: verplicht fietspad, met een onderbord met daarop een naar links wijzende peil, aanduidende: verplichte rijrichting naar links, op dat fietspad naar rechts af te slaan, en/of (vervolgens)
- op dat fietspad, bestemd voor verkeer uit tegengestelde richting, (slingerend) te rijden, en/of (vervolgens)
- (zonder richting aan te geven) naar links af te slaan, teneinde de wijk Graan voor Visch, althans een zijweg, in te rijden, terwijl vanuit tegengestelde richting twee fietsers tegemoetkwamen/naderden en/of op korte afstand van verdachte verwijderd waren,
- waarna hij, verdachte, met zijn fiets is opgebotst of aangereden tegen één van die fietsers (genaamd [slachtoffer] ), en/of de door die [slachtoffer] bestuurde fiets (merk Sparta, type Ion RXS), waardoor die [slachtoffer] werd gedood;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 2 april 2017 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer als bestuurder van een voertuig (te weten een fiets, merk Decathlon, type Triban), daarmee rijdende op de weg, te weten het fietspad van Graan voor Visch,
- in strijd met een op of bij dat fietspad gesitueerd verkeersbord, conform model G11 van bijlage I van het Reglement van verkeersregels en verkeersteken 1990, aanduidende: verplicht fietspad, met een onderbord met daarop een naar links wijzende peil, aanduidende: verplichte rijrichting naar links, op dat fietspad naar rechts is afgeslagen, en/of (vervolgens)
- op dat fietspad, bestemd voor verkeer uit tegengestelde richting, (slingerend) heeft gereden, en/of (vervolgens)
- (zonder richting aan te geven) naar links is afgeslagen, teneinde de wijk Graan voor Visch, althans een zijweg, in te rijden, terwijl vanuit tegengestelde richting twee fietsers tegemoetkwamen/naderden en/of op korte afstand van verdachte verwijderd waren,
- waarna hij, verdachte, met zijn fiets is opgebotst of aangereden tegen één van die fietsers (genaamd [slachtoffer] ) en/of de door die [slachtoffer] bestuurde fiets (merk Sparta, type Ion RXS), ten gevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit. Zij heeft daartoe, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd.

Er heeft zich een ongeval voorgedaan tussen verdachte en het slachtoffer,
[slachtoffer] ), waarbij mevrouw [slachtoffer] is komen te overlijden. Verdachte heeft aanmerkelijke schuld aan het ontstaan van het ongeval. Uit het dossier volgt immers dat verdachte op een fietspad tegen het verkeer is ingereden. Hij had daar niet mogen fietsen. Daarnaast had verdachte [slachtoffer] , die hem tegemoet kwam voorrang moeten verlenen. Zij reed immers rechtdoor en verdachte wilde voor haar langs naar links afslaan. Verdachte heeft verklaard dat hij slecht zicht had vanwege de felle zon. Juist daarom had hij voorzichtiger moeten zijn en de tijd en ruimte moeten nemen om goed te kijken voorafgaand aan het nemen van beslissingen.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde en dat verdachte kan worden veroordeeld voor het subsidiair ten laste gelegde. Hij heeft daartoe, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd.

Verdachte heeft weliswaar gefietst op een fietspad waar hij niet mocht fietsen, maar dat levert geen causaal verband op met het ongeval. Het fietspad bevond zich immers op een rechte overzichtelijke weg. Verdachte heeft het slachtoffer en haar echtgenoot goed kunnen zien en zij hebben verdachte ook kunnen zien. Het ongeval is ontstaan doordat verdachte de snelheid van het slachtoffer niet goed heeft ingeschat en omdat hij dacht genoeg tijd te hebben om vóór haar langs naar links af te slaan. Verdachte heeft weliswaar gevaar veroorzaakt, maar hij heeft niet zeer dan wel aanmerkelijk onvoorzichtig gehandeld.

3.3.

Het oordeel van de rechtbank

3.4.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde feit bewezen op grond van de bewijsmiddelen die in bijlage I zijn weergegeven en de hierna volgende bewijsoverweging.

Op 2 april 2017 heeft een verkeersongeval plaatsgevonden tussen twee fietsers, te weten verdachte en [slachtoffer] waarbij laatstgenoemde is komen te overlijden. Om te komen tot het oordeel dat verdachte daaraan schuld heeft in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994) moeten de gedragingen van verdachte minst genomen een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid opleveren. Bij de beoordeling of daarvan sprake is, moet worden gekeken naar het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en de ernst van de verkeersovertreding en de overige omstandigheden waaronder de overtreding is begaan. Daarbij geldt dat niet alleen uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag kan worden afgeleid dat er sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de WVW 1994.

Verdachte is met zijn fiets op een rotonde rechtsaf geslagen, terwijl een daar geplaatst verkeersbord aangaf dat alleen naar links mocht worden afgeslagen. Verdachte kwam daardoor te rijden op een fietspad dat is bestemd voor fietsers uit de tegengestelde richting. Vervolgens is verdachte - zonder voorrang te verlenen en zonder richting aan te geven - linksaf geslagen op het moment dat twee fietsers hem tegemoet kwamen rijden en dicht waren genaderd. Verdachte en de voorste fietsster, mevrouw [slachtoffer] , zijn met elkaar in botsing gekomen. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij was afgeleid door een auto die naast hem reed en ook naar links wilde afslaan en dat hij daarnaast slecht zicht had omdat de zon in zijn ogen scheen. Verder heeft verdachte verklaard dat hij de situatie zo heeft ingeschat dat hij voldoende tijd en ruimte had om vóór het slachtoffer langs linksaf te slaan. Verdachte heeft bovendien verklaard geen richting te hebben aangegeven voordat hij afsloeg.

Blijkens het proces-verbaal Verkeersongevallen Analyse was ten tijde van het verkeersongeval geen sprake van omstandigheden die het zicht belemmerden. Voorts blijkt naar het oordeel van de rechtbank uit de in het proces-verbaal Verkeersongevallen Analyse opgenomen foto’s dat sprake is van een overzichtelijke weg. Desondanks heeft verdachte geen goede inschatting gemaakt toen hij besloot voor het slachtoffer langs af te slaan. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat het moment waarop hij linksaf sloeg, de afstand tussen hem en het slachtoffer ongeveer twee meter bedroeg. Bij een verhoor door de politie heeft hij verklaard weinig snelheid te hebben gehad toen hij linksaf sloeg. De rechtbank overweegt dat vanwege de korte afstand tot het slachtoffer en zijn eigen lage snelheid de kans op een botsing aanmerkelijk is geweest. Dit leidt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte niet of in onvoldoende mate heeft gekeken dan wel dat hij niet of in onvoldoende mate is blijven kijken of hij wel voldoende tijd en ruimte had om af te slaan. Gelet op het gegeven dat verdachte op een fietspad reed waar hij in die richting niet had mogen rijden, had van verdachte een nog grotere voorzichtigheid en oplettendheid mogen worden verwacht.

Verdachte heeft naar het oordeel van de rechtbank in strijd met meerdere verkeersregels gehandeld. Verdachte is rechtsaf geslagen op een plek waar dat niet mocht, is tegen de verplichte rijrichting ingereden, was afgeleid, heeft geen voorrang verleend en heeft geen richting aangegeven. Op grond van de voormelde feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gehandeld en dat het daardoor ontstane verkeersongeval aan zijn schuld is te wijten.

Het verweer van de raadsman dat geen causaal verband bestaat tussen het ongeval en het gegeven dat verdachte tegen de verplichte rijrichting in heeft gereden, wordt verworpen. Als verdachte aan de juiste kant van de weg - en dus niet tegen het verkeer in - had gereden, waren verdachte en het slachtoffer immers niet elkaars tegenliggers geworden op een plek die daarvoor niet was bedoeld, in dit geval een fietspad dat was bestemd voor eenrichtingsverkeer. Bovendien had de aandacht van verdachte dan niet zo sterk hoeven uit gaan naar een afslaande auto, waarvan verdachte nu wist dat deze niet op hem bedacht hoefde te zijn en dit dus extra oplettendheid van verdachte vergde. De omstandigheden waaronder het ongeval zich heeft voltrokken, hadden zich dan (in ieder geval in deze vorm) niet kunnen voordoen.

3.5.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 2 april 2017 te Hoofddorp, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een fiets (te weten een mountainbike, merk Decathlon, type Triban), daarmede rijdende over de weg, te weten het fietspad van Graan voor Visch, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend,
- in strijd met een op of bij dat fietspad gesitueerd verkeersbord, conform model G11 van bijlage I van het Reglement van verkeersregels en verkeersteken 1990, met een onderbord met daarop een naar links wijzende peil, aanduidende: verplichte rijrichting naar links, op dat fietspad naar rechts af te slaan, en vervolgens
- op dat fietspad, bestemd voor verkeer uit tegengestelde richting te rijden, en vervolgens
- zonder richting aan te geven naar links af te slaan, teneinde de wijk Graan voor Visch in te rijden, terwijl vanuit tegengestelde richting twee fietsers tegemoetkwamen en op korte afstand van verdachte verwijderd waren,
- waarna hij, verdachte, met zijn fiets is aangereden tegen één van die fietsers, genaamd [slachtoffer] , en de door die [slachtoffer] bestuurde fiets (merk Sparta, type Ion RXS), waardoor die [slachtoffer] werd gedood.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

6 Motivering van de sanctie

6.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 240 uur.

6.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank verzocht om, in geval van bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde, aan verdachte een taakstraf van 50 uur op te leggen. Verdachte is nooit eerder veroordeeld, hij heeft ter terechtzitting spijt betuigd en hij heeft geprobeerd zijn excuses aan te bieden aan de nabestaanden. Bovendien zijn de gebeurtenissen voldoende boetedoening voor verdachte. Hij denkt dag en nacht aan het ongeval.

6.3.

Het oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals het een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

De ernst van het feit
Verdachte heeft als bestuurder van een fiets gehandeld in strijd met meerdere verkeersregels. Hoewel de verkeersovertredingen die verdachte heeft begaan los van elkaar mogelijk zouden kunnen worden bestempeld als kleine vergrijpen, hebben zij onderling en in samenhang bezien de verkeersveiligheid op ontoelaatbare wijze in gevaar gebracht, ten gevolge waarvan [slachtoffer] is komen te overlijden.

Uit de vordering benadeelde partij blijkt dat mevrouw [slachtoffer] en haar echtgenoot twee maanden na de datum van het ongeval een reis naar Indonesië zouden gaan maken. Daarnaast is gebleken dat [slachtoffer] nog maar een jaar verwijderd was van de pensioengerechtigde leeftijd. Het is buitengewoon droevig dat zij de vakantie met haar man en het bereiken van de leeftijd waarop zij niet meer hoefde te werken, niet heeft kunnen meemaken. Het leed voor de nabestaanden van het slachtoffer, waaronder haar echtgenoot en drie zoons, is onvoorstelbaar.

De persoon van verdachte

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder kennis genomen van het uittreksel Justitiële Documentatie van verdachte van 13 maart 2018, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld.

De op te leggen straf

De rechtbank is zich ervan bewust dat voor de nabestaanden van [slachtoffer] geen enkele straf recht zal doen aan het leed dat zij hebben ervaren en tot op de dag van vandaag waarschijnlijk nog steeds ervaren. De rechtbank benadrukt dat aan verdachte een straf moet worden opgelegd die recht doet aan de ernst van het feit dat hij heeft gepleegd en die in overeenstemming is met straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd.

De rechtbank heeft daarvoor gekeken naar de oriëntatiepunten straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht met betrekking tot overtreding van artikel 6 van de WVW 1994. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van aanmerkelijke schuld. Bij die mate van schuld hoort als uitgangspunt een taakstraf van 240 uur. De vraag is of er in dit geval omstandigheden zijn die maken dat het passend is van dit vertrekpunt af te wijken. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Een matigende factor ziet de rechtbank in het feit dat verdachte een blanco strafblad heeft en dat hij zich heeft bekommerd om de nabestaanden door contact met hen op te nemen. Verdachte heeft er blijk van gegeven doordrongen te zijn van de ernst van het ongeval. Ook voor hem is het, zo is ter terechtzitting gebleken, emotioneel belastend dat het slachtoffer is overleden. Uit de verklaring die verdachte ter terechtzitting heeft afgelegd volgt dat hij graag zou hebben willen ruilen met het slachtoffer. Verdachte heeft verklaard dat hij had willen doodgegaan in plaats van het slachtoffer. Deze spijtbetuiging is op de rechtbank oprecht overgekomen.

Daarnaast kan de rechtbank niet voorbij gaan aan het feit dat [slachtoffer] op een elektrische fiets reed en dat haar snelheid mogelijk wat groter was dan verdachte verwachtte. Eén van de getuigen heeft immers verklaard dat de afstand tussen hem en [slachtoffer] snel groter werd nadat zij hem had ingehaald. Hoewel deze omstandigheid niet van invloed is op de schuldvraag vormt zij voor de rechtbank wel een matigende rol bij het bepalen van de hoogte van de straf.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf, dient te worden opgelegd die korter van duur is dan op grond van de oriëntatiepunten aangewezen zou zijn en die ook door de officier van justitie is geëist. De rechtbank beschouwt een onvoorwaardelijke taakstraf van 150 uren onder de gegeven omstandigheden als passend en geboden.

7 Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [benadeelde partij] heeft een vordering tot schadevergoeding van

€ 13.837,92 ingediend tegen verdachte wegens materiële schade die hij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.

7.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij in zijn geheel moet worden toegewezen met daarbij de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk niet-ontvankelijk moet worden verklaard dan wel moet worden afgewezen. Hij heeft daartoe, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd.

Het recht strekt niet tot vergoeding van de kostenpost die ziet op annulering van de vakanties van het slachtoffer en de benadeelde partij. Bovendien is de vakantie niet geannuleerd want ter terechtzitting is gebleken dat de benadeelde partij wel op vakantie is gegaan. De kostenpost die ziet op het gederfde levensonderhoud van de benadeelde partij is te complex en bevat te weinig informatie.

7.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de schade waarop de vordering is gebaseerd rechtstreeks voortvloeit uit het primair bewezen verklaarde feit.

Het verweer van de raadsman ten aanzien van de kostenpost van de annulering van de vakantie van het slachtoffer wordt verworpen. De benadeelde partij is weliswaar met vakantie gegaan, maar uit de bijlagen van de vordering blijkt dat hij alleen ten aanzien van de geboekte reis van zijn vrouw aanspraak heeft gemaakt op een annuleringsverzekering. Uit de stukken volgt dat de geboekte vakantie van het slachtoffer € 2.300,- heeft gekost. De benadeelde partij heeft een bedrag van € 1.500 teruggekregen van de verzekering. Dat maakt dat de rechtbank het verschil tussen die twee bedragen - de kostenpost van € 800,- -toewijsbaar acht.

De rechtbank volgt de raadsman evenmin in zijn standpunt dat de kostenpost die ziet op het gederfde levensonderhoud, complex is en te weinig informatie bevat. De rechtbank acht zich voldoende voorgelicht door de vordering van de benadeelde partij, die is onderbouwd met een berekening en betaalspecificaties.

De vordering tot schadevergoeding van een bedrag van € 13.837,92 zal daarom in zijn geheel worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 2 april 2017 tot aan de dag der algehele voldoening.

Daarnaast moet verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen (kort gezegd: schuld aan een verkeersongeval met de dood als gevolg) aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikelen 22c, 22d en 36f van het Wetboek van Strafrecht

artikelen 6 en 175 van de Wegenverkeerswet 1994.

9 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.5 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat het primair bewezen verklaarde het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot het verrichten van 150 uren taakstraf die bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 75 dagen hechtenis.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde partij] geleden schade tot een bedrag van € 13.837,92 als vergoeding voor de materiële schade en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 2 april 2017 tot aan de dag der algehele voldoening, aan benadeelde partij voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer
[benadeelde partij] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van
€ 13.837,92 bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 104 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 april 2017 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. E.C. Smits, voorzitter,
mr. E.M. ten Bos en mr. B. de Wilde, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. R.I. Robijns, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 9 augustus 2018.

Mr. de Wilde is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I – Bewijsmiddelen

Een proces-verbaal van Verkeersongeval Analyse van 15 mei 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar] en [opsporingsambtenaar] (proces-verbaalnummer 2017067225). Dit proces-verbaal houdt onder meer in de bevindingen van de verbalisanten, zakelijk weergegeven:

Het ongeval heeft plaatsgevonden op zondag 2 april 2017 in Hoofddorp. Een bestuurster van een elektrische fiets reed over het vrij liggende zuidwestelijke fietspad van Graan voor Visch in zuidoostelijke richting (rijrichting Nieuweweg). Een bestuurder van een mountainbike volgde dit fietspad in noordwestelijke richting (rijrichting Hoofdweg Oostzijde). Hij kwam uit de richting van de rotonde, gelegen tussen Graan voor Visch en de Nieuweweg en reed, gezien zijn rijrichting aan de linkerzijde van de weg. Hij was, volgens de door hem afgelegde verklaring, de rotonde aan de rechterkant overgereden. Vervolgens stak hij de rijbaan van Graan voor Visch over en sloeg hierop rechts af het zuidwestelijke fietspad van Graan voor Visch op. Dit ondanks een aldaar gesitueerd bord, conform model G11 van de Bijlage I van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 met een onderbord met een naar links wijzende pijl. De man op de mountainbike volgde het fietspad in, de niet toegestane, noordwestelijke richting. De bestuurder van de mountainbike wilde, gezien zijn rijrichting, de links gelegen zijweg Graan voor Visch inrijden. Beide fietsers (voertuig 1 en 2) kwamen in botsing met elkaar, waarbij de vrouw met de elektrische fiets (voertuig 2) ten val kwam. Bij onze komst ter plaatse werd zij, per ambulance, overgebracht naar het VUMC te Amsterdam. Aldaar overleed zij op zondag 2 april 2017 aan haar verwondingen.

Bij dit ongeval waren de onderstaande voertuigen en personen betrokken:

Voertuig 1: Een tweewielig voertuig, fiets (mountainbike), merk: Decathlon, type: Triban, met als bestuurder [verdachte] ;

Voertuig 2: Een tweewielig voertuig, fiets (elektrisch), merk: Sparta, type: Ion RXS, met als bestuurder [slachtoffer] .

De ter terechtzitting van 26 juli 2018 door verdachte afgelegde verklaring, onder andere inhoudende:

Ik zag twee mensen voor mij fietsen, waarvan één een oude mevrouw. Ik was van plan om linksaf te slaan. De meneer en mevrouw naderden mij. Ze waren nog twee meter van mij af, dus ik dacht dat ik genoeg tijd en ruimte had om linksaf te slaan.

Ongeveer twintig meter voordat ik naar links moest, zag ik rechts van mij een auto rijden die ook naar links moest. Daar lette ik op en ik kreeg ook de zon in mijn ogen.

Ik sloeg linksaf en toen kwam ik in botsing met de mevrouw. Ik heb geen richting aangegeven naar links omdat ik dacht dat ik voldoende tijd had om af te slaan.

U vraagt of het een weg is met aan beide kanten fietspaden. Dat klopt. U vraagt of ik aan de linkerkant fietste. Dat klopt. U zegt dat in het dossier staat dat ik vanaf een rotonde van de Nieuweweg kwam en de Graan voor Visch opreed. U zegt dat bij de rotonde een bord met een pijl naar links stond en dat ik naar rechts ben gegaan, en dat ik zo aan de linkerkant van de Graan voor Visch terecht ben gekomen. Dat klopt. Ik had niet zo mogen gaan.