Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2018:805

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
02-02-2018
Datum publicatie
02-02-2018
Zaaknummer
15/871119-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verduistering in dienstbetrekking bij ideële stichting. Benadeelde partij niet-ontvankelijk omdat betreffende stichting inmiddels is opgeheven. Oplegging van schadevergoedingsmaatregel tbv toenmalige subsidieverstrekker (gemeente).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2018/63
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/871119-15

Uitspraakdatum: 2 februari 2018

Tegenspraak

verkort strafvonnis (art. 138b Sv)

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 19 januari 2018 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

niet ingeschreven op enig adres in de basisregistratie personen,

feitelijk verblijvend op het adres [adres] .

De rechtbank heeft kennisgenomen van het standpunt van de officier van justitie,

mr. R. Hagemeier en van hetgeen door verdachte en/of mr. L. Scheffer, raadsvrouw van verdachte, naar voren is gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

zij in of omstreeks de periode van 1 januari 2013 tot en met 30 maart 2015 te Zaandam, gemeente Zaanstad, in elk geval in Nederland opzettelijk een groot bedrag aan (giraal) geld (te weten ongeveer 31.266,- euro) (vanaf de bankrekening van Stichting [benadeelde] ), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele toebehoorde(n) aan Stichting [benadeelde] en/of de gemeente Zaanstad, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk(e) goed(eren) verdachte uit hoofde van haar persoonlijke dienstbetrekking van/als coördinator (gedetacheerd) bij Stichting [benadeelde] en/of Stichting [naam stichting] , in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

2 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3 Standpunten van partijen

3.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit en heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf voor de duur van honderdtwintig uur, subsidiair zestig dagen hechtenis.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte steeds de intentie heeft gehad om het geld dat zij van de rekening van Stichting [benadeelde] heeft opgenomen en overgemaakt, terug te betalen. Zij heeft nooit het opzet gehad om zich het geld wederrechtelijk toe te eigenen. Omdat dit opzet niet bewezen kan worden, ook niet in voorwaardelijke vorm, moet verdachte van de haar ten laste gelegde verduistering worden vrijgesproken, aldus de raadsvrouw.

Subsidiair, voor zover de rechtbank zou oordelen dat de verduistering wel te bewijzen is, heeft de verdediging gesteld dat verdachte weliswaar geld van de Stichting [benadeelde] heeft gebruikt, maar dat het een lager bedrag betreft dan het in de tenlastelegging genoemde bedrag. Namens verdachte is ter zitting een overzicht overgelegd, waarop verdachte aan de hand van de bij de aangifte door Stichting [benadeelde] behorende lijst van overschrijvingen en opnamen alle posten heeft aangegeven waarvan zij achteraf vermoedt dat zij die voor zichzelf heeft opgenomen of overgeboekt. Verdachte erkent dat zij bedragen tot een totaal van ruim € 24.000,= niet voor de Stichting [benadeelde] doch voor zichzelf heeft aangewend.

4 Bewijs

4.1.

Bewijsmiddelen

De rechtbank grondt de beslissing dat verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De bewijsmiddelen zullen worden uitgewerkt in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist en zullen dan in een aan dit vonnis te hechten aanvulling worden opgenomen.

4.2.

Bewijsmotivering

Opzet

De rechtbank verwerpt het verweer dat verdachte geen opzet heeft gehad op wederrechtelijke toe-eigening van het geld dat zij voor zichzelf van de rekening van de Stichting [benadeelde] heeft opgenomen of overgeschreven. Uit het dossier blijkt dat verdachte over een periode van meer dan twee jaar met grote regelmaat geld van de rekening van Stichting [benadeelde] heeft gebruikt voor privé-uitgaven, waaronder luxeartikelen, kleding, schoenen en vakanties.

Gelet op de lange periode, de aard en frequentie van de uitgaven, alsmede de hoogte van het ten eigen bate aangewende totaalbedrag, kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders zijn dan dat verdachte het opzet heeft gehad zich deze gelden wederrechtelijk toe te eigenen. Daarbij weegt mee dat, wanneer verdachte daadwerkelijk de bedoeling had om het geld terug te betalen, van haar verwacht mocht worden dat zij enigerlei administratie zou bijhouden van de terug te betalen bedragen. Hiervan is niet gebleken.

Verduisterd bedrag

Bij de vaststelling van het totale door verdachte verduisterde bedrag gaat de rechtbank uit van de aangifte die is gedaan door de toenmalige voorzitter van het bestuur van de Stichting [benadeelde] . Blijkens het dossier is deze aangifte, die wordt ondersteund door het voltallige voormalige bestuur van de stichting, op zorgvuldige wijze en in verschillende fasen tot stand gekomen. Verdachte heeft de aangifte onvoldoende onderbouwd weersproken. Ter zitting is gebleken dat het door verdachte overgelegde overzicht van door haar erkende uitgaven ten eigen bate bij kritische beschouwing alleen al op de eerste pagina meerdere onvolledigheden bevat. Dit geeft de rechtbank op zijn zachtst gezegd weinig vertrouwen in de accuraatheid van de overige inhoud van het document.

De rechtbank acht kortom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het in de tenlastelegging genoemde, aan de aangifte ontleende totaalbedrag van € 31.266,= heeft verduisterd.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat

zij in de periode van 1 januari 2013 tot en met 30 maart 2015 in Nederland opzettelijk

een bedrag aan (giraal) geld (te weten ongeveer 31.266,- euro) vanaf de

bankrekening van Stichting [benadeelde] , dat toebehoorde aan Stichting [benadeelde] en/of de gemeente Zaanstad, en welk geld verdachte uit hoofde van haar persoonlijke dienstbetrekking als coördinator, gedetacheerd bij Stichting

[benadeelde] en in dienst bij Stichting [naam stichting] , wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in haar verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. Verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

6 Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

Verduistering gepleegd door haar die het goed uit hoofde van haar dienstbetrekking onder zich heeft, meermalen gepleegd.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

7 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

8 Motivering van de sancties

Bij de beslissing over de sancties die aan verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte was in de bewezen verklaarde periode werkzaam als coördinator van de Stichting [benadeelde] De stichting [benadeelde] - opgericht in 1997 en opgeheven op 1 oktober 2016 -, was een stichting die zich ten doel stelde de belangen te behartigen van in de Zaanstreek woonachtige vrouwen van buitenlandse origine. Daartoe werden diverse activiteiten georganiseerd. Deze activiteiten werden bekostigd door subsidies die werden verstrekt door de gemeente Zaanstad. Verdachte was in haar functie van coördinator gerechtigd om ten behoeve van de activiteiten betalingen en opnamen te doen vanaf de bankrekening van de stichting. Zij heeft echter het in haar gestelde vertrouwen op grove wijze beschaamd door gedurende een periode van meer dan twee jaar stelselmatig geld van de rekening van de stichting aan te wenden voor persoonlijke doeleinden, voor onder meer apparatuur, sportschool, restaurants en verkeersboetes.

Het totale verduisterde bedrag beloopt meer dan 31.000,= euro. De rechtbank acht het bijzonder kwalijk dat verdachte gemeenschapsgeld heeft verduisterd in dienstbetrekking, dat was bestemd voor een stichting die zich inzette om een maatschappelijk doel te dienen.

De rechtbank rekent dit verdachte zeer aan.

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op het op naam van verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 18 december 2017, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder met de strafrechter in aanraking is gekomen.

De rechtbank stelt vast dat tussen het eerste verhoor van verdachte op 18 augustus 2015 en de datum waarop de rechtbank vonnis wijst – 2 februari 2018 – meer dan twee jaren zijn verstreken. Met deze overschrijding van de redelijke termijn houdt de rechtbank bij het bepalen van de op te leggen straf in het voordeel van verdachte rekening.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd. De rechtbank zal echter bepalen dat deze straf vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren. De oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf brengt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde feit tot uitdrukking en heeft anderzijds tot doel verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

De rechtbank is van oordeel dat daarnaast een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van het na te noemen aantal uren moet worden opgelegd.

9 Vordering benadeelde partij

De Stichting [benadeelde] heeft in de persoon van de voormalig voorzitter van het bestuur, mevrouw [betrokkene] , een vordering tot schadevergoeding van € 34.859,62 ingediend tegen verdachte wegens schade die zij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden.

Bij de vordering bevindt zich als bijlage onder meer een ‘Overzicht van wijzigingen’, afkomstig van de Kamer van Koophandel te Amsterdam. Uit dit overzicht blijkt dat de rechtspersoon Stichting [benadeelde] met ingang van 1 oktober 2016 is ontbonden en beëindigd. Voorts blijkt uit de stukken dat de subsidierelatie van de Stichting met de gemeente Zaanstad per 1 januari 2015 is beëindigd en dat de gemeente de onterecht verstrekte subsidies terugvordert. Nu de subsidie van de gemeente de enige, althans voornaamste inkomensbron van de stichting vormde, staat daarmee vast dat de stichting op het tijdstip van zijn ontbinding geen baten meer had. Daarmee hield de rechtspersoon op grond van artikel 2:9 lid 4 van het Burgerlijk Wetboek op dat tijdstip op te bestaan.

De door de stichting ingediende vordering tot schadevergoeding dateert van 21 juni 2017. Uit het voorgaande vloeit voort dat de vordering is gedaan door een daartoe onbevoegde partij. De Stichting [benadeelde] zal daarom niet ontvankelijk verklaard worden in de vordering.

10 Schadevergoedingsmaatregel

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank aan verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de gemeente Zaanstad de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag van € 31.266,-.

De rechtbank stelt voorop dat uit de bewoordingen alsmede de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht volgt dat de in die bepaling bedoelde maatregel een strafrechtelijke sanctie is die los van de beslissing in de voegingsprocedure kan worden opgelegd indien en voor zover de verdachte jegens een slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht. Noch uit de tekst van de wet, noch uit de wetsgeschiedenis vloeit voort dat de mogelijkheid tot het opleggen van die schadevergoedingsmaatregel afhankelijk is gesteld van de opeisbaarheid van het vorderingsrecht van het slachtoffer.

Bewezen verklaard is – kort gezegd – dat verdachte geld dat zij uit hoofde van haar functie als coördinator bij de Stichting [benadeelde] onder zich had, heeft verduisterd. Het totale verduisterde bedrag beloopt € 31.266,-. De verduistering bestond eruit dat verdachte geld van de bankrekening van de stichting voor persoonlijke doeleinden besteedde.

Niet in geschil is dat het geld op de rekening van de stichting subsidie betrof die door de gemeente Zaanstad aan de stichting werd verstrekt door middel van voorlopige toekenning, welke toekenning definitief werd op het moment dat afdoende verantwoording over de bestedingen zou zijn afgelegd . Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting blijkt dat de subsidieverantwoording over 2013 door de gemeente Zaanstad niet is goedgekeurd en dat verantwoording over 2014 nooit is ingediend. Uit een brief van de gemeente Zaanstad aan de stichting blijkt dat dit tot gevolg heeft gehad dat de gemeente de over 2013 en 2014 uitgekeerde subsidie terugvordert. Het feit dat de stichting aangifte heeft gedaan van verduistering betekent niet dat de vordering wordt kwijtgescholden. De stichting heeft een inspanningsverplichting om het teruggevorderde bedrag aan de gemeente terug te betalen en de stichting is verplicht om geld dat zij in het kader van de strafzaak in verband met de verduistering terugontvangt, direct aan de gemeente over te maken, aldus de brief.

Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee genoegzaam komen vast te staan dat de gemeente Zaanstad door het onrechtmatig handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is daarom naar burgerlijk recht jegens de gemeente Zaanstad aansprakelijk voor de schade die door het door haar gepleegde strafbare feit is toegebracht.

De rechtbank zal daarom aan verdachte de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen tot een bedrag van € 31.266,-, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag zoals hierna is vermeld.

11 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 321 en 322 van het Wetboek van Strafrecht zijn van toepassing.

12 Beslissing

De rechtbank:

 Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 5. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt haar daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 6. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

 Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden, met bevel dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat verdachte voor het einde van de op twee jaren bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

 Veroordeelt verdachte tot het verrichten van 120 (honderdtwintig) uren taakstraf die bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis.

 Verklaart de benadeelde partij Stichting [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering.

 Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de gemeente Zaanstad de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 31.266,- (zegge éénendertigduizend tweehonderdzesenzestig euro),vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 30 maart 2015 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 191 (honderdéénennegentig) dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.F. van Hoorn, voorzitter,

mr. P. van Steijnen en mr. D.D.M. Hazeu, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier A. Helder,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 2 februari 2018.