Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2018:8025

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
20-09-2018
Datum publicatie
27-09-2018
Zaaknummer
AWB - 18 _ 1064
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Studiefinanciering. Feitelijk uitwonend op adres gelegen op bedrijventerrein. Inschrijving BRP zal leiden tot handhaving door gemeente. Toepassing hardheidsclausule.

Wetsverwijzingen
Wet op de studiefinanciering
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2018/224
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 18/1064

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 september 2018 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. V.J.M. Janszen),

en

Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, verweerder

(gemachtigde: mr. T. Holtrop).

Procesverloop

Bij besluit van 20 oktober 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de studiefinanciering van eiseres over de periode van februari 2017 tot en met oktober 2017 herzien naar de norm van een thuiswonende studerende en een totaal bedrag van € 1.872,45 aan te veel ontvangen studiefinanciering van eiseres teruggevorderd. Redengevend hiervoor acht verweerder dat eiseres niet voldoet aan de voorwaarde van feitelijke bewoning op het adres waaronder zij in de Basisregistratie Personen (BRP) staat ingeschreven.

Bij besluit van 20 februari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2018. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Verweerder heeft, voor zover hier van belang, over de periode van februari 2017 tot en met oktober 2017 aan eiseres studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) toegekend, berekend naar de norm voor een uitwonende studerende. Eiseres staat per 15 januari 2017 in de BRP ingeschreven op het adres [adres 1] . Op dit adres staan ook haar vriend en zijn ouders ingeschreven.

2. In opdracht van verweerder hebben controleurs onderzoek gedaan naar de woonsituatie van eiseres. Van het onderzoek is op 29 september 2017 een rapport opgemaakt.

3. Uit het onderzoeksrapport blijkt dat de controleurs op 4 juli 2017, 12 september 2017 en op 25 september 2017 op het BRP-adres van eiseres hebben aangebeld maar daar niet werd opengedaan. De controleurs hebben vervolgens op het adres van de moeder van eiseres aangebeld. De moeder heeft verklaard dat eiseres al twee jaar niet meer bij haar woont, dat zij al haar eigendommen heeft meegenomen en dat zij samenwoont met haar vriend op een bedrijventerrein. De controleurs hebben vervolgens eiseres gebeld. Volgens het rapport heeft eiseres telefonisch verklaard dat zij sinds 15 januari 2017 samenwoont met haar vriend op het adres [adres 2] (verder: het woonadres). Zij huren daar een zelfstandige woonruimte. Zij kunnen zich niet echter niet op het woonadres inschrijven omdat het een adres op een industrieterrein betreft en het van toepassing zijnde bestemmingsplan zich verzet tegen een woonbestemming op het adres, aldus eiseres in haar telefonische verklaring.

4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres niet op haar BRP-adres woonachtig is en verwijst daarbij naar de rapportage van het huisbezoek. In het verweerschrift heeft verweerder aangegeven dat eiseres zich volgens de gemeente wel kon inschrijven op het woonadres, maar dat gemeente vervolgens handhavend zou optreden.

5. Eiseres stelt dat verweerder ten onrechte haar studiefinanciering heeft herzien naar die van een thuiswonende studerende. Eiseres woont per februari 2017 niet bij haar ouders. De rapportage is innerlijk tegenstrijdig en bevat onjuistheden. Eiseres verwijst tevens naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 1 juni 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:1943) inzake een onrechtmatig onderzoek/huisbezoek door controleurs.

6. In artikel 1.1, eerste lid, van de Wsf 2000 wordt onder thuiswonende studerende verstaan de studerende die niet een uitwonende studerende is, en wordt onder uitwonende studerende verstaan de studerende die voldoet aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 1.5.

Ingevolge artikel 1.2 van de Wsf 2000 is voor de toepassing van het bepaalde bij of krachtens deze wet bepalend de toestand op de eerste dag van de maand, tenzij anders is bepaald.

Ingevolge artikel 1.5, eerste lid, van de Wsf 2000 komt voor het normbedrag voor een uitwonende studerende in aanmerking de studerende die voldoet aan de volgende verplichtingen:

a. de studerende woont op het adres waaronder hij in de BRP staat ingeschreven, en

b. het woonadres van de studerende is niet het adres waaronder zijn ouders of een van hen in de BRP staat of staan ingeschreven.

Op grond van artikel 7.1, eerste lid en artikel 7.1, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wsf 2000 kan herziening plaatsvinden op grond van het feit dat te veel of te weinig studiefinanciering is toegekend op basis van onjuiste of onjuist verwerkte gegevens.

In artikel 11.5 van de Wsf 2000 (hardheidsclausule) is door de wetgever aan de Minister de bevoegdheid verleend om deze wet in bepaalde gevallen buiten toepassing te laten of daarvan af te wijken voor zover toepassing, gelet op het belang dat deze wet beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

7. Niet in geschil is dat dat eiseres in de periode hier in geding niet woonachtig was op het adres waarop zij in de BRP stond ingeschreven. Hierdoor heeft eiseres in die periode niet voldaan aan de verplichtingen om in aanmerking te komen voor studiefinanciering naar de norm van een uitwonende studerende. Verweerder was daarom in beginsel bevoegd om de norm over de periode februari 2017 tot en met oktober 2017 te herzien naar de norm van een thuiswonende studerende.

8. De rechtbank is echter van oordeel dat het in dit geval op de weg van verweerder had gelegen om met toepassing van de hardheidsclausule af te zien van herziening en terugvordering. De rechtbank neemt daarbij het volgende in aanmerking.

9. Vaststaat dat eiseres in de betreffende periode feitelijk woonde op het woonadres en daarvoor ook huur betaalde. Inschrijving op het woonadres was volgens de verklaring van de gemeente weliswaar mogelijk, maar zou hebben geleid tot handhavend optreden van de kant van de gemeente. Gelet op dit gevolg van de inschrijving op het woonadres was die inschrijving voor eiseres feitelijk geen reële optie. Onder de geschetste omstandigheden, en omdat van misbruik van de uitwonendenbeurs niet is gebleken, is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een situatie waarin een studerende niet zich kan inschrijven, zoals genoemd in de Memorie van Toelichting bij de Wijziging van de Wet studiefinanciering 2000 (MvT, Tweede Kamer, vergaderjaar 2010-2011, 32770, nr. 3, pagina 5). Het niet voldoen aan de verplichtingen van artikel 1.5, eerste lid, van de Wsf 2000 kon eiseres daarom niet worden tegengeworpen.

10. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Ter finale afdoening van het geschil zal de rechtbank het primaire besluit herroepen en bepalen dat deze uitspraak in plaats treedt van het vernietigde besluit.

11. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten die eiseres in beroep heeft gemaakt. Deze kosten worden met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 1002,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 501,00 en een gemiddeld gewicht).

12. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    herroept het primaire besluit;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

  • -

    veroordeelt verweerder tot vergoeding van de proceskosten ter hoogte van

  • -

    € 1002,00;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46,00 aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.G. van Roest, rechter, in aanwezigheid van

D.M.M. Luijckx, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 september 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.