Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2018:7953

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
18-09-2018
Datum publicatie
03-10-2018
Zaaknummer
AWB - 16 _ 5044
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Navordering n.a.v. informatie uit boekenonderzoek is mogelijk; geen sprake van een ambtelijk verzuim.

De rechtbank acht niet aannemelijk geworden dat de door eiser gedane uitgaven die in de aangiften IB/PVV zijn vermeld als ‘overige kosten’, in het geheel hun grondslag vinden in de persoonlijke verhouding tussen eiser en Stichting X, zodat de uitgaven niet als (zakelijke) ondernemingskosten in aanmerking kunnen worden genomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 04-10-2018
V-N Vandaag 2018/2110
FutD 2018-2642
V-N 2019/7.2.1
NTFR 2018/2385
NLF 2018/2140 met annotatie van
NLF 2018/2140 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: HAA 16/5044 tot en met 16/5047

uitspraak van de meervoudige kamer van 18 september 2018 in de zaken tussen

[X] , wonende te [Z] , eiser

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Hoorn, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser met dagtekening 17 oktober 2015 voor het jaar 2010 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 81.388 alsmede bij beschikking een boete van € 12.023.

Verweerder heeft met dagtekening 10 oktober 2015 een navorderingsaanslag Zorgverzekeringswet (Zvw) opgelegd.

Verweerder heeft aan eiser met dagtekening 17 oktober 2015 voor het jaar 2011 een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 104.111 alsmede bij beschikking een boete van € 12.729.

Verweerder heeft aan eiser met dagtekening 24 oktober 2015 voor het jaar 2012 een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 117.028 alsmede bij beschikking een boete van € 12.953.

Verweerder heeft met dagtekening 17 oktober 2015 een navorderingsaanslag Zvw opgelegd.

Verweerder heeft aan eiser met dagtekening 24 oktober 2015 voor het jaar 2013 een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 82.493 alsmede bij beschikking een boete van € 12.295.

Verweerder heeft met dagtekening 17 oktober 2015 een navorderingsaanslag Zvw opgelegd.

Verweerder heeft op 30 oktober 2015 bezwaarschriften tegen deze navorderingsaanslagen en boetebeschikkingen ontvangen.

Op 12 mei 2016 heeft een hoorgesprek plaatsgevonden.

Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 29 september 2016 de navorderingsaanslagen en de boetebeschikkingen gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft verweerschriften ingediend.

De rechtbank heeft op 14 juni 2018 een nader stuk van verweerder ontvangen en in kopie doorgezonden naar eiser.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 juni 2018 te Haarlem.

Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door P.A. Bosman,

mr. O.C.W. Pos en mr. K.T. Kruijdenhof.

Overwegingen

Feiten

1. Eiser drijft voor eigen rekening een eenmanszaak genaamd ‘ [A BEDRIJF] ’. Hij is medio 2008 als interimmanager gestart en is werkzaam voor onder andere lokale en regionale overheden (non-profitsector).

2. Op LinkedIn heeft eiser de volgende werkzaamheden en opdrachtgevers vermeld:

- van oktober 2008 tot en met juli 2010 als kwartiermaker Planning en Control voor de gemeente Loon op Zand;

- van november 2010 tot en met april 2013 als interimmanager en organisatieadviseur voor de provincie Zuid-Holland-Gemeente Schiedam;

- vanaf juni 2013 als senior controller/adviseur bedrijfsvoering en financiën voor de provincie Zuid-Holland, gemeente Schiedam, Dienst Groenservice.

3. Verweerder heeft op 26 september 2014 bij eiser een boekenonderzoek ingesteld naar de aanvaardbaarheid van de aangiften IB/PVV en omzetbelasting over het jaar 2012. Het onderzoek is uitgebreid naar de aangiften IB/PVV voor de jaren 2009, 2010, 2011, en 2013. De bevindingen zijn neergelegd in een rapport van 24 augustus 2015.

Naar aanleiding van deze bevindingen zijn voor de jaren 2009 tot en met 2013 navorderingsaanslagen IB/PVV opgelegd. De navorderingsaanslag IB/PVV 2009 is vernietigd nadat was gebleken dat deze buiten de termijn van artikel 16, lid 3, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) was vastgesteld.

4. Bij het boekenonderzoek is geconstateerd dat eiser vanaf 1 juni 2009 een pand huurde van Stichting [A STICHTING] (hierna ook: [A STICHTING] ). Het huurcontract is gedagtekend 22 mei 2009 en ondertekend door eiser, handelende onder de naam [A BEDRIJF] en door [A] ., vader van eiser, namens de stichting. De aanvangshuurprijs bedraagt op jaarbasis € 90.000 per jaar en wordt jaarlijks per 1 januari aangepast.

5. Volgens een uittreksel van de Kamer van Koophandel houdt [A STICHTING] zich

bezig met de auto- en motorsport (motorsportvereniging). Als bestuurders van [A STICHTING] staan sinds 27 juli 2007 ingeschreven [A] . als voorzitter/secretaris en penningmeester en belanghebbende als 2e voorzitter/2e secretaris en 2e penningmeester. De stichting is niet belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting. Eiser heeft verklaard dat [A STICHTING] een hobby is.

6. Het pand betreft een loods gelegen aan de [A ADRES] .

Volgens een verklaring van eiser is de grond door de gemeente Amsterdam in huur aangeboden en uitgegeven aan de Stichting [B STICHTING] (hierna ook: [B STICHTING] ). Het bestuur van deze stichting wordt gevormd door de vader en moeder van eiser; [A] . en [B] . [B STICHTING] heeft, hoewel formeel mede-eigenaar van de opstal, de huurovereenkomst niet medeondertekend.

7. Eiser heeft verklaard dat het pand gezamenlijk eigendom is van de [A STICHTING] en [B STICHTING] . De WOZ-aanslag 2010 werd opgelegd aan [B STICHTING] (als gebruiker). Het pand bevindt zich op het bedrijventerrein [A NAAM] , waar in de directe omgeving van nr. [A NUMMER] bijna uitsluitend autobedrijfjes en autosloperijen zijn gevestigd. Het pand beslaat een oppervlakte van 600 m2 op een terrein van 800 m2 en betreft een loods met drie overheaddeuren met een (klein) kantoortje/kantine.

8. Eiser heeft in de aangiften IB/PVV over de jaren 2009 tot en met 2013 de huurbetalingen als ‘overige kosten’ verantwoord. De huur over de maanden oktober tot en met december 2010 werd op 27 januari 2011 betaald.

9. In het rapport 24 augustus 2015 van het boekenonderzoek is onder meer opgenomen:

“(…)

Onderzoek pand [A ADRES].

Volgens de gegevens van de WOZ over de jaren 2010 tot en met 2013 is als gebruiker van [A ADRES] bekend de stichting [B STICHTING] . Zowel deze stichting als de stichting Stichting [A STICHTING] houdt zich bezig met de auto- en motorsport. Dat de loods aan de [A ADRES] voor deze activiteiten in gebruik is komt mij meer realistisch voor.

De stichting [B STICHTING] is niet bekend als eigenaar.

De waarde van de loods/gehuurde ruimte bedroeg volgens de WOZ: 2010: 278.000;

2011: 142.500; 2012: 143.000 en 2013: 139.000.

Volgens het Uittreksel van de Kamer van Koophandel ten name van Stichting [B STICHTING] zijn [C] , geboren [A GEBOORTEDATUM] en [A] , geboren [B GEBOORTEDATUM] vanaf 7-8-2007 de voorzitter / secretaris en penningmeester. Genoemde personen zijn de ouders van belastingplichtige. Vanaf 13-8-2007 is de Stichting [A STICHTING] tevens bestuurslid.

Als activiteit staat vermeld: Auto- en motorsport / Motorsportverenigingen

Volgens het Uittreksel van de Kamer van Koophandel ten name van Stichting [A STICHTING] is [A] , geboren [B GEBOORTEDATUM] vanaf 27 juli 2007 de voorzitter / secretaris en penningmeester en is [X] , geboren [C GEBOORTEDATUM] vanaf 27 juli 2007 de 2e voorzitter / 2e secretaris en 2e penningmeester.

Als activiteit staat vermeld: Auto- en motorsport / Motorsportverenigingen

In de brief d.d. 11 december 2014 zijn naast een aantal ander onderwerpen aan belastingplichtige de volgende vragen gesteld:

-1. Wie is de eigenaar (met adres) van het bedrijfspand [A ADRES] ?

-2. Voor welke activiteiten werd het bedrijfspand [A ADRES] (ong. 600 m2) gebruikt?

Op die vragen werd door belastingplichtige niet gereageerd.

In de brief d.d. 23 februari 2015 zijn aan belastingplichtige nogmaals die vragen gesteld en aangezien voor de WOZ alleen st. [B STICHTING] als gebruiker van het pand bekend was, zou er ook een huurovereenkomst moeten zijn opgemaakt tussen stichting [B STICHTING] en Stichting [A STICHTING] . Gevraagd werd om een kopie van die huurovereenkomst met de huurprijzen.

Tevens werd gevraagd om de volgens de huurovereenkomst bijgevoegde tekening van de nader aangegeven bedrijfsruimte enz. zoals vermeld in artikel 1.1 van de huurovereenkomst tussen [A STICHTING] -racing en [A BEDRIJF] .

Per brief d.d. 23 februari 2015 werd middels een derdenonderzoek bij [A] . gevraagd om kopieën van de volgende huurovereenkomsten met de te betalen huurbedragen:

-tussen de Stichting [A STICHTING] (st. [A STICHTING] ) en de Stichting [B STICHTING] (st. [B STICHTING] ) en

-tussen st. [B STICHTING] en de eigenaar van het bedrijfspand [A ADRES] .

Tevens werd gevraagd om de volgens de huurovereenkomst bijgevoegde tekening van de nader aangegeven bedrijfsruimte enz. zoals vermeld in artikel 1.1 van de huurovereenkomst tussen [A STICHTING] -racing en [A BEDRIJF] .

Per brief d.d. 7 maart 2015 reageerde belastingplichtige als volgt:

Op vraag 1: “De grond is door de gemeente Amsterdam in huur aangeboden en uitgegeven aan de Stichting [B STICHTING] . Betreffende het bedrijfspand; deze is in gezamenlijk eigendom van Stichting [A STICHTING] en de Stichting [B STICHTING] . De onderlinge samenwerking wordt bevestigd door de inschrijving in het register van de kamer van Koophandel. E.e.a. wordt bevestigd in het uittreksel van de Stichting [B STICHTING] , KvK nummer [B NUMMER] .

Op vraag 2: “Het bedrijfspand is door mij als [A BEDRIJF] als kantoorpand gebruikt. Indien ik niet op een opdracht zit kan ik daar mijn administratie voeren en het kantoor tevens gebruiken als archief en opslag.”

Toezending kopie van de huurovereenkomst st. [B STICHTING] en St. [A STICHTING] : “Er is geen overeenkomst tussen Stichting [A STICHTING] en Stichting [B STICHTING] , inzake huur/verhuur van de [A ADRES] .”

Toezending tekening van de bedrijfsruimte: “Er is geen tekening gemaakt van de situatie. Enkel de schriftelijke huurovereenkomst.

De antwoorden van de heer [A] senior waren gelijkluidend aan c.q. terug te vinden in de antwoorden van belastingplichtige.

De reactie d.d. 7 maart 2015 van belastingplichtige was aanleiding voor het stellen van aanvullende vragen.

Door belastingplichtige was geantwoord dat het bedrijfspand gezamenlijk eigendom is van de beide stichtingen en de grond in eigendom van de gemeente.

Per brief d.d. 27 maart 2015 zijn aan belastingplichtige de volgende vragen gesteld:

1. Waarom is er dan geen huurovereenkomst tussen beide stichtingen en [A BEDRIJF] ?

2. Kunt u aangeven wanneer, tot welk bedrag en in welke verhouding er door beide stichtingen in het pand is geïnvesteerd?

3. Kunt u aangeven hoe de huursom, zoals vermeld in de huurovereenkomst d.d. 22 mei 2009, is bepaald en kunt u aangeven op welke wijze rekening is gehouden met de eigendomsverhouding van en investering door de beide stichtingen?

Per brief d.d. 11 april 2015 reageerde belastingplichtige als volgt:

“.... Ik heb u aangegeven dat door brand de administratie verloren is gegaan. Daarnaast heeft u een aantal gegevens opgevraagd voor de vaststelling van de IKB 2072 en 2073.

Ik heb u het huurcontract overhandigd en tevens alle betalingsbewijzen van de diverse jaren overhandigd. Daarnaast is tevens aangegeven dat de samenwerking is vastgelegd bij de kamer van koophandel.”

Een antwoord op de vragen 2 en 3 werd niet gegeven.

(…)”

10. Eiser heeft aangegeven dat hij kantoorruimte ter beschikking heeft bij zijn opdrachtgevers en dat de archiefstukken worden opgeslagen bij de opdrachtgevers. Ook in de algemene voorwaarden die van toepassing zijn in de contractuele relatie met zijn opdrachtgevers, zijn bepalingen daaromtrent opgenomen.

11. Het pand is in de vroege ochtend van [A DATUM] door brand verwoest. Eiser stelt dat daarbij ook zijn volledige administratie is verbrand.

In zijn aangifte IB/PVV 2014 heeft eiser ter zake van huisvesting geen kosten meer opgenomen.

12. Eiser heeft over het jaar 2010 aangifte IB/PVV gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 5.706 In deze aangifte is onder meer een belastbare winst aangegeven van € 8.885.

Verweerder heeft de aanslag conform de aangifte opgelegd.

Middels een navorderingsaanslag heeft verweerder de belastbare winst gecorrigeerd naar een bedrag van € 84.567.

13. Eiser heeft over het jaar 2011 aangifte IB/PVV gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 23.983. In deze aangifte is onder meer een belastbare winst aangegeven van € 34.564.

Verweerder heeft de aanslag conform de aangifte opgelegd.

Middels een navorderingsaanslag heeft verweerder de belastbare winst gecorrigeerd naar een bedrag van € 114.692.

14. Eiser heeft over het jaar 2012 aangifte IB/PVV gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 35.492. In deze aangifte is onder meer een belastbare winst aangegeven van € 39.098.

Verweerder heeft de aanslag conform de aangifte opgelegd.

Middels een navorderingsaanslag heeft verweerder de belastbare winst gecorrigeerd naar een bedrag van € 120.635.

15. Eiser heeft over het jaar 2013 aangifte IB/PVV gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 5.098. In deze aangifte is onder meer een belastbare winst aangegeven van € 8.638.

Verweerder heeft de aanslag conform de aangifte opgelegd.

Middels een navorderingsaanslag heeft verweerder de belastbare winst gecorrigeerd naar een bedrag van € 86.033.

Geschil
16. In geschil is of verweerder gerechtigd was tot het opleggen van navorderingsaanslagen en zo ja, of verweerder terecht de aftrek van de huurkosten betreffende het pand [A ADRES] heeft gecorrigeerd. Voorts zijn de boetes in geschil.

17. Eiser stelt primair dat de huurkosten waren opgenomen in de jaarstukken en in het boekenonderzoek geen nieuwe feiten aan het licht zijn gekomen, zodat het voor navordering vereiste van een nieuw feit ontbreekt. Voorts meent eiser dat de huurkosten ter zake van de huur van het pand ten laste van het resultaat moeten worden gebracht. Hij wilde het volledige pand gebruiken als kantoorruimte en er is sprake van een marktconforme huur. Eiser verwijst naar een overzicht van [B BEDRIJF] makelaars van in Amsterdam en omgeving te huur staande kantoorpanden waaruit blijkt dat de huurprijzen in 2009 varieerden van € 100 per m2 tot € 375 per m2. De voor het pand overeengekomen huurprijs van € 150 per m2 is dus in overeenstemming met de marktprijzen.

Eiser stelt dat van verwevenheid tussen hem / [A BEDRIJF] en [A STICHTING] geen sprake is.

Ten aanzien van de boetes ontkent eiser elke vorm van opzet. Er is een NVM huurovereenkomst, tot aan de brand is het pand gebruikt als kantoorpand voor [A BEDRIJF] en de huurkosten zijn opgenomen op de resultatenrekening. Voorts is het totale bedrag van de boetes van € 50.000 disproportioneel.

Eiser concludeert tot vernietiging van de navorderingsaanslagen en de vergrijpboetes.

18. Verweerder stelt dat de aard van de kosten pas duidelijk zijn geworden tijdens het boekenonderzoek, hetgeen navordering op basis van een nieuw feit rechtvaardigt. Bovendien is eiser te kwader trouw, door willens en wetens een onzakelijke huurprijs, overeengekomen met een gelieerde partij, ten laste van de winst te brengen.

Er is sprake van opzet. Gelet op de onderlinge verwevenheid tussen [A STICHTING] en eiser, de verhouding tussen de WOZ-waarden en de huurprijzen, het feit dat eiser over de gelden van de [A STICHTING] kon beschikken en de hoogte van de kosten die nagenoeg gelijk zijn aan de omzet, kan niet worden gezegd dat de huurkosten het zakelijke belang van de onderneming dienden noch dat deze kosten uit het vermogen van eiser zijn gevloeid. Eiser wist, mede gelet op zijn opleiding en functie, dat de kosten niet zakelijk waren.

Dat rechtvaardigt boetes van 50 percent, hetgeen zou leiden tot een bedrag van totaal ongeveer € 90.000. De boetes zijn gematigd tot totaal € 50.000 en pondspondsgewijs verdeeld over de jaren 2010 tot en met 2013.

Subsidiair neemt verweerder het standpunt in dat sprake is van grove schuld hetgeen zou leiden tot vermindering van de boetes tot 25% van de verschuldigde belasting.

Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen.

19. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

Navordering

20.1.

Artikel 16, eerste lid, eerste volzin, van de AWR bevat de hoofdregel dat indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag ten onrechte achterwege is gelaten of tot een te laag bedrag is vastgesteld, dan wel dat een in de belastingwet voorziene vermindering, ontheffing, teruggaaf of heffingskorting ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, de inspecteur de te weinig geheven belasting dan wel de ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende heffingskorting kan navorderen. De tweede volzin van dit artikellid bevat een uitzondering op die hoofdregel: een feit dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is.

20.2.

De rechtbank stelt voorop dat de inspecteur in beginsel erop mag vertrouwen dat het voorwerp van belastingheffing in de aangifte op een juiste wijze is verantwoord. Pas bij gerechtvaardigde twijfel dient verweerder een nader onderzoek in te stellen naar de juistheid van de aangifte. Dit uitgangspunt geldt in het bijzonder met betrekking tot aangiften die op het eerste gezicht een verzorgde indruk maken. Aan deze voorwaarde beantwoorden de door eiser gedane aangiften over de jaren 2010 tot en met 2013. Niettemin kan ook een op het eerste gezicht verzorgde aangifte informatie bevatten die de inspecteur bij een behoorlijke vervulling van zijn aanslagregelende taak redelijkerwijs ertoe zou hebben moeten brengen daarover vragen te stellen. Als de inspecteur over informatie beschikt die er op kan duiden dat de aangifte onjuist is, pleegt hij geen ambtelijk verzuim door toch de aanslag conform de aangifte te regelen, als die informatie ook de niet-onwaarschijnlijke mogelijkheid openlaat dat de aangifte toch juist is. De informatie moet dus tamelijk eenduidig op onjuistheid van de aangifte wijzen wil de inspecteur tot een nader onderzoek gehouden zijn. In de onderhavige situatie dient beoordeeld te worden of verweerder een ambtelijk verzuim beging door geen onderzoek in te stellen naar de in de aangiften vermelde aftrekpost ‘overige kosten’. Naar het oordeel van de rechtbank is zulks niet het geval. Er is geen grond voor het oordeel dat verweerder in redelijkheid aan de aangiften inkomstenbelasting van eiser behoorde te twijfelen. Door bij de aanslagregeling inkomstenbelasting naar de in aftrek gebrachte kosten geen onderzoek in te stellen heeft verweerder dan ook geen ambtelijk verzuim begaan. De informatie die tijdens het boekenonderzoek naar voren is gekomen betreffende de huur van pand [A ADRES] , waarbij verweerder bekend werd met de aanwezigheid en de inhoud van de huurovereenkomst, vormde voor verweerder het nieuwe feit dat de navordering rechtvaardigde. Nu sprake is van een nieuw feit, kan buiten beschouwing blijven of er sprake was van kwade trouw van de zijde van eiser.

Huisvestingskosten

21. De rechtbank stelt voorop dat op eiser de last rust de aard, omvang en het zakelijk karakter van de door hem geclaimde kostenaftrek aannemelijk te maken.

Eiser heeft ter onderbouwing van de zakelijkheid weinig aangevoerd. Hij volstaat met de blote stelling dat hij de loods vanaf het begin van de huur tot aan de verwoesting door de brand als kantoorruimte heeft gebruikt. Eiser heeft deze stelling niet onderbouwd. De verklaring van eiser dat hij in de loods vijf of zes bureaus met computers heeft geplaatst voor gebruik door ZZP-ers acht de rechtbank onwaarschijnlijk, nu uit de aangiften over de betreffende jaren niets is opgenomen ten aanzien van kosten dan wel opbrengsten ter zake van de inhuur van ZZP-ers. Voorts kan niet worden aangenomen dat loods geschikt is gemaakt als kantoorruimte. Eiser heeft hieromtrent geen nadere informatie verschaft, laat staan stukken overgelegd van bijvoorbeeld nota’s van verbouwingswerkzaamheden.

Verweerder heeft de zakelijkheid van de kosten gemotiveerd betwist.

De rechtbank acht van belang dat de huurovereenkomst is gesloten tussen gelieerde partijen, te weten [A BEDRIJF] (zijnde eiser) en [A STICHTING] , waarvan eiser en zijn vader de bestuursleden zijn. Eiser heeft verklaard dat de activiteit van [A STICHTING] - actief in de motorsport - een hobby van hem is.

Voorts wijst de rechtbank erop dat volgens de gegevens van de WOZ als gebruiker van [A ADRES] [B STICHTING] staat vermeld. Deze stichting houdt zich bezig met de motor- en autosport en heeft als bestuursleden de ouders van eiser.

Verweerder heeft - onbetwist - gesteld dat de loods tot aan de brand bij de stichtingen in gebruik is geweest als werkplaats voor auto’s en motoren in verband met race-activiteiten. Verweerder heeft een foto uit september 2010 overgelegd waarop te zien is dat een auto in de loods is geparkeerd. De loods bevindt zich ook op een bedrijventerrein waar voornamelijk autobedrijfjes en sloperijen zijn gevestigd.

Gelet op de omvang van de loods (600 m2) en de omstandigheid dat eiser een dienstverlenende (en niet een producerende) eenmansonderneming drijft en de omstandigheid dat de huurovereenkomst is gesloten met een stichting waarvan eiser en zijn vader bestuursleden zijn en waarin de activiteiten bestaan uit de hobby van eiser en zijn vader, is dan ook veeleer waarschijnlijk dat eiser de loods voor hobbymatige activiteiten heeft gebruikt dan ten behoeve van de onderneming.

Tot slot overweegt de rechtbank in dit verband dat ook het feit dat eiser de in geding zijnde kosten niet als huisvestingskosten heeft geboekt maar als ‘overige kosten’, vragen oproept aangaande de realiteit van huisvestingskosten. De uitleg die eiser in dit verband ter zitting heeft gegeven, namelijk dat het aantal kolommen een andere boeking niet toestond, is hiervoor geen afdoende verklaring.

22. Ook de hoogte van de kosten doet twijfel rijzen omtrent de zakelijkheid ervan. De huurprijs staat in geen enkele reële verhouding tot de WOZ-waarde van het pand (in 2010 bedraagt de huurprijs een derde van de waarde, in de daaropvolgende jaren meer dan twee derde van de waarde tot uiteindelijk bijna 70%). Niet aannemelijk is dat een dergelijke huurprijs tussen niet-gelieerde partijen tot stand zou zijn gekomen.

Ten aanzien van het door eiser overgelegde overzicht van [B BEDRIJF] geldt dat dit hoogwaardige, goed geoutilleerde kantoorruimtes betreft, gelegen op toplocaties, terwijl het in casu om een loods gaat gelegen op het bedrijventerrein [A NAAM] , een terrein zonder kantoren maar met vooral autosloperijen. Van vergelijkbare ruimtes is derhalve geenszins sprake, zodat dit overzicht niet kan dienen ter onderbouwing van de zakelijkheid van de huurprijs.

23. Al het voorgaande in aanmerking genomen, acht de rechtbank aannemelijk geworden dat de door eiser gedane uitgaven die in de aangiften IB/PVV zijn vermeld als ‘overige kosten’, in het geheel hun grondslag vinden in de persoonlijke verhouding tussen eiser en Stichting [A STICHTING] , zodat de uitgaven niet als (zakelijke) ondernemingskosten in aanmerking kunnen worden genomen. Verweerder heeft de in geding zijnde kostenaftrek terecht niet geaccepteerd.

Boetes

24.1.

Ingevolge artikel 67e, eerste en tweede lid, van de AWR kan de inspecteur een boete van ten hoogste 100 percent van het bedrag van de navorderingsaanslag opleggen indien het aan opzet of grove schuld van de belastingschuldige te wijten is dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld.

Volgens paragraaf 25, derde lid, Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (BBBB) legt de inspecteur in het geval van opzet een vergrijpboete op van 50 percent. De grondslag van de boete wordt, gezien het bepaalde in artikel 67e, tweede lid, van de AWR, in verband met paragraaf 26, tweede lid van het BBBB, gevormd door het belastingbedrag dat aan het opzettelijk te weinig aangegeven inkomen is toe te rekenen.

24.2.

Verweerder heeft vergrijpboetes opgelegd wegens opzet. Uitgaande van boetes van 50 percent van de nagevorderde belasting zou dit leiden tot boetes ten bedrage van in totaal€ 90.000. Verweerder heeft dit bedrag gematigd tot € 50.000 en dit bedrag verdeeld over de navorderingsaanslagen 2010 tot en met 2013.

De rechtbank overweegt dat eiser door de wijze van presentatie van de kosten heeft getracht de werkelijkheid te verhullen. Eiser heeft opzettelijk kosten voor de huur van een loods die hij nodig had voor de uitoefening van zijn hobby, geboekt als ondernemingskosten, en een kostenaftrek gecreëerd door het opstellen van een huurcontract met een stichting waarvan eiser zelf een van de bestuurders is en het doen betalen van de huurpenningen door de onderneming. Eiser wist dat hij hierdoor ten onrechte aanzienlijk bedragen aan (huisvestings)kosten in mindering op het resultaat bracht, met als gevolg dat de belastingaanslagen over deze jaren tot zeer aanzienlijk te lage bedragen zouden worden vastgesteld. De rechtbank neemt daarbij nog in aanmerking dat eiser zichzelf presenteert als cpc (certified public controller).

De rechtbank is van oordeel dat de opgelegde (en reeds gematigde) boetes lager zijn dan de rechtbank, gelet op de ernst van het feit, passend en geboden acht. Een verdere matiging wegens undue delay behoeft dan ook niet worden toegepast.

25. Gelet op het vorenoverwogene dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

26. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Gooijer, voorzitter, mr. A.A. Fase en mr. B. van Walderveen, leden, in aanwezigheid van mr. M.C. Anema, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 september 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.