Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2018:793

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
07-02-2018
Datum publicatie
20-02-2018
Zaaknummer
6170554
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

artikel 47 Fw, actio pauliana, kosten van advocaat failliet

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
INS-Updates.nl 2018-0148
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Kanton - locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 6170554 \ CV EXPL 17-6503

Uitspraakdatum: 7 februari 2018

Vonnis in de zaak van:

mr. [curator], handelend in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de vennootschap onder firma [naam v.o.f.]

domicilie kiezende te [woonplaats]

eiser

verder te noemen:de curator

gemachtigde: mr. W.Ph. Steenhuisen

tegen

de besloten vennootschap Gaming Legal Advocaten B.V.

gevestigd te Amsterdam

gedaagde

verder te noemen: GLA

procesgemachtigde: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer

advocaat: mr. B. Jongmans

1 Het procesverloop

1.1.

De curator heeft bij dagvaarding van 10 juli 2017 een vordering tegen GLA ingesteld. GLA heeft schriftelijk geantwoord.

1.2.

Op 10 januari 2018 heeft een zitting plaatsgevonden. Beide partijen hebben daarbij gebuikt gemaakt van pleitaantekeningen en deze zijn aan het procesdossier toegevoegd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen verder ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Vervolgens is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

In de periode november 2015 tot en met januari 2017 is [de v.o.f.] in diverse procedures juridisch bijgestaan door GLA. GLA beschikt over een stichting derdengelden, genaamd Stichting beheer derdengelden Gaming Legal Advocaten (hierna te noemen: Stichting derdengelden GLA).

2.2.

Op 20 december 2016 heeft [aanvrager] het faillissement aangevraagd van [de v.o.f.] namens de schuldeisers [schuldeiser 1], [schuldeiser 2] en
[schuldeiser 3].

2.3.

Op de bankrekening van de Stichting derdengelden GLA is op 16 januari 2017 een bedrag ontvangen van € 17.514,18. Dit bedrag is overgemaakt door een gerechtsdeurwaarder met de melding: inzake [de v.o.f.] vof / [naam derde], LI vonnis 28.09.2016.

2.4.

Op 17 januari 2017 is de faillissementsaanvraag behandeld op zitting. Daarbij is [de v.o.f.] bijgestaan door GLA.

2.5.

Mr. Jongmans heeft namens GLA op 7 februari 2017 een declaratie met kenmerk 0217128 – 280280827 van € 19.631,48 ingediend bij [de v.o.f.] ter attentie van

[derde], welke declaratie werkzaamheden betrof van mrs. Jongmans en [naam] waaronder de faillissementszitting van 17 januari 2017.

2.6.

Mr. Jongmans heeft namens GLA op 7 februari 2017 ook een declaratie met kenmerk 0217126 – 280280827 van € 16.740,60 ingediend bij [de v.o.f.] ter attentie van
[derde], welke declaratie zag op diverse verschotten ten aanzien van griffierechten en kosten van koeriers, deurwaarders, rolwaarnemer, vertalingen en fiscaal advies met betrekking tot de periode 23 augustus 2016 tot 6 januari 2017.

2.7.

De Stichting derdengelden GLA heeft op 7 februari 2017 een bedrag van € 16.740,60 met omschrijving “[de v.o.f.] – verrekening 02017126 280280827” en een bedrag van
€ 773,58 met omschrijving “[de v.o.f.] – verrekening kosten conform akkoord 7 februari 2017” overgemaakt van haar derdengeldrekening naar de bankrekening van GLA.

2.8.

Het faillissement van [de v.o.f.] VOF is op 14 februari 2017 uitgesproken.

2.9.

De curator heeft op 24 maart 2017 de betalingen ad € 16.740,60 en € 773,58 buitengerechtelijk vernietigd met een beroep op de toepasselijkheid van artikel 47 Faillissementswet (Fw).

2.10.

GLA heeft diezelfde dag aan de curator een overzicht verstrekt van de inkomende en uitgaande betalingen inzake [de v.o.f.] via haar derdengeldenrekening.

2.11.

GLA heeft de curator bij brief van 6 april 2017 aangeboden de lopende procedures aangaande [de v.o.f.] kosteloos voort te zetten.

3 De vordering

3.1.

De curator vordert, uitvoerbaar bij voorraad, voor recht te verklaren dat de betalingen van € 773,58 en € 16.740,60 op 7 februari 2017 aan GLA buitengerechtelijk door hem zijn vernietigd, subsidiair de gerechtelijke vernietiging hiervan uit te spreken en GLA te veroordelen tot betaling van € 17.514,18 aan de curator, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 7 februari 2017, € 968,00 aan buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten.
3.2. De curator legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat er sprake is van voldoening van een opeisbare schuld terwijl hij die de betaling ontving wist dat het faillissement van de schuldenaar reeds was aangevraagd als bedoeld in artikel 47 Fw. Op basis van artikel 51 Fw dient teruggave van de betaalde bedragen plaats te vinden aan de curator. De betaalde bedragen hebben geen betrekking op werkzaamheden in verband met het faillissementsverzoek of de faillissementszitting. GLA kwalificeert als gewone handelscrediteur en heeft ter zake geen uitzonderingspositie. Ook is er geen sprake van onaanvaardbaarheid naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid die maken dat de curator geen beroep zou mogen doen op artikel 47 Fw. Gelet op de terugwerkende kracht van de vernietiging krachtens 47 Fw is vertragingsrente verschuldigd vanaf 7 februari 2017. Conform Rapport Voorwerk II dient GLA de door de curator gemaakte kosten voor incassowerkzaamheden te betalen tot een bedrag van € 968,00.

4 Het verweer

4.1.

GLA betwist de vordering en de nevenvorderingen.

4.2.

Zij voert aan – samengevat – dat de curator niet ontvankelijk is in zijn vordering omdat de grondslag van die vordering niet onverschuldigde betaling kan zijn. Daarbij is er wel sprake van een uitzondering op de hoofdregel van artikel 47 Fw omdat de betreffende betalingen noodzakelijk waren en deze voorgeschoten kosten van derden betroffen ten behoeve van de (voortgang van de) procedures tussen de gefailleerde en haar schuldeiser(s), welke tot substantiële betalingen konden leiden en hebben geleid. Dit alles (uiteindelijk) in het belang van de schuldeisers en daarmee in het belang van de boedel. Daarom dienen de betrokken betalingen naar maatstaven redelijkheid en billijkheid buiten de toepassing van artikel 47 Fw te blijven. Voor zover geoordeeld mocht worden dat de betalingen wel binnen het bereik van artikel 47 Fw liggen, dan is er geen sprake geweest van benadeling.

5 De beoordeling

5.1.

De curator heeft zijn vordering gestoeld op artikel 47 Fw: “De voldoening door de schuldenaar aan een opeisbare schuld kan alleen dan worden vernietigd, wanneer wordt aangetoond, hetzij dat hij die de betaling ontving, wist dat het faillissement van de schuldenaar reeds aangevraagd was, hetzij dat de betaling het gevolg was van overleg tussen de schuldenaar en de schuldeiser, dat ten doel had laatstgenoemde door die betaling boven andere schuldeisers te begunstigen.”. Daarbij is tussen partijen niet in geschil dat GLA ten tijde van de ontvangst van de betaling op de hoogte was van de aanvraag van het faillissement van [de v.o.f.].
Ten aanzien van het laatste zinsdeel van het artikel verschillen partijen van mening.
GLA heeft aangevoerd dat de betreffende betalingen niet tot doel hadden haar te bevoordelen boven de andere schuldeisers van [de v.o.f.] doch dat de andere schuldeisers juist baat hadden bij de betaling en het daarmee voortzetten van de lopende juridische procedures door [de v.o.f.].

5.2.

De kantonrechter volgt GLA niet in haar standpunt. Voor elke schuldeiser geldt immers dat hij met zijn leveringen of diensten bijdraagt aan de mogelijkheid om opbrengsten voor de onderneming te genereren. Dat geldt niet alleen voor de werkzaamheden van een advocaat. Nu op de specificatie van de facturen betreffende de betalingen geen werkzaamheden zijn opgenomen die zien op juridische bijstand rondom de faillissementsaanvraag is er, anders dan GLA aanvoert, geen sprake van de uitzonderingssituatie met betrekking tot de verlening van juridische bijstand door een advocaat rondom de aanvraag van een faillissement.

5.3.

Het verweer van GLA dat de curator niet alleen de betalingen aan GLA had dienen te vernietigen maar ook de onderliggende titels, kan niet slagen omdat de curator krachtens artikel 51 lid 1 Fw reeds op grond van onverschuldigde betaling recht heeft op terugbetaling van de aan GLA betaalde bedragen.

5.4.

Het beroep door GLA op de onaanvaardbaarheid van het beroep van de curator op artikel 47 Fw ten aanzien van de betalingen in kwestie volgt de kantonrechter niet. In de eerste plaats niet omdat spaarzaam dient te worden omgegaan met het maken van een uitzondering op artikel 47 Fw gelet op de bedoeling van die bepaling. Ook uit de aard van de dienstverlening door mr. Jongmans, zoals GLA heeft aangevoerd, volgt dit niet. De onaanvaardbaarheid volgt ook niet uit het weigeren van de curator om op het aanbod van
mr. Jongmans tot kosteloze voortzetting van de procedure in te gaan, te meer daar de rechter-commissaris daarmee niet heeft ingestemd. Dat de verdeling van de opbrengst van de procedures waarin GLA [de v.o.f.] bijstond tot aan haar faillissement er niet toe leidt dat er uitkeringen aan de concurrent schuldeisers kunnen plaatsvinden, maakt dit niet anders.

5.5.

De curator maakt aanspraak op een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten op basis van het rapport Voorwerk II. GLA heeft daartegen verweer gevoerd. Gelet op het verweer van GLA heeft de curator onvoldoende onderbouwd gesteld dat hij werkzaamheden heeft verricht die kwalificeren als incassowerkzaamheden anders dan werkzaamheden die betrekking hebben op de voorbereiding van onderhavige procedure. De vordering is dan ook niet toewijsbaar.

5.6.

De gevorderde wettelijke rente over de hoofdsom zal worden toegewezen vanaf
24 maart 2017, het moment van inroepen van de actio pauliana.

5.7.

De conclusie is dat de kantonrechter de vordering van de curator zal toewijzen zoals hierna vermeld.

5.8.

De proceskosten komen voor rekening van GLA, omdat zij ongelijk krijgt.

6 De beslissing

De kantonrechter:

6.1.

verklaart voor recht dat de betalingen van € 773,58 en € 16.740,60 op 7 februari 2017 aan GLA buitengerechtelijk zijn vernietigd door de curator;

6.2.

veroordeelt GLA tot betaling aan de curator van € 17.514,18, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 24 maart 2017 tot aan de dag van de gehele betaling;

6.3.

veroordeelt GLA tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van curator tot en met vandaag vaststelt op:

dagvaarding € 80,42

griffierecht € 470,00

salaris gemachtigde € 600,00

vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis;

6.4.

veroordeelt GLA tot betaling van € 100,00 aan nasalaris voor zover daadwerkelijk nakosten door de curator worden gemaakt;

6.5.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

6.6.

wijst de vordering voor het overige af.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter, en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter