Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2018:7806

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
12-09-2018
Datum publicatie
15-10-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 1824
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

IB/PVV. In geschil is het antwoord op de vraag of de informatiebeschikking terecht is vastgesteld. Het geschil spitst zich toe op het antwoord op de vraag of (i) een heffingsbelang aanwezig is en of (ii) eiseres voldaan heeft aan de informatieplicht.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 52a
Algemene wet inzake rijksbelastingen 47
Algemene wet inzake rijksbelastingen 49
Algemene wet inzake rijksbelastingen 27e
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 15-10-2018
V-N Vandaag 2018/2219
FutD 2018-2767
NTFR 2018/2471
NLF 2018/2262 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 17/1824

uitspraak van de meervoudige kamer van 12 september 2018 in de zaak tussen

[X] , wonende te [Z] , eiseres

(gemachtigde: mr. G.J.M.E. de Bont),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft bij beschikking van 12 oktober 2016 ten name van eiseres een informatiebeschikking in de zin van artikel 52a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de Awr) vastgesteld. De beschikking heeft betrekking op de heffing van inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor de jaren 2008 tot en met 2015.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 28 februari 2017 de informatiebeschikking gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juni 2018 te Haarlem.

Eiseres is verschenen, bijgestaan door mr. [A] en mr. [B] . Ook is tot bijstand verschenen de (niet beëdigde) Oekraïense tolk [C] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. V.M.J. Ygosse en mr. J.P. Hendriks.

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres heeft de Oekraïense nationaliteit en woont vanaf [# 1] 2008 in Nederland. Zij heeft in Nederland gestudeerd vanaf februari 2008 tot en met februari 2012 (opleiding [D] ). In het jaar 2011 heeft zij in het kader van een [E] -uitwisselingsproject voor vier maanden in Madrid gestudeerd. Het collegegeld bedroeg ongeveer € 3.800 per jaar. Eiseres is na afronding van haar studie (in het jaar 2012) in Nederland gebleven om te werken. Zij heeft thans een verblijfsvergunning als kennismigrant.

2. Verweerder heeft in het kader van een onderzoek naar de heffing van inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor de jaren 2011 en 2012 met eiseres een gesprek gehad op 20 juni 2016. Door verweerder is een verslag van dit gesprek gemaakt, dat na reactie van eiseres definitief is vastgesteld. Een afschrift van dit verslag behoort tot de gedingstukken.

3. Eiseres heeft in de jaren 2011, 2012, 2013 en 2014 periodiek gelden ontvangen van de heer [F] en/of [G] S.A. (hierna: [G] ) middels storting op haar bankrekening en op een PayPal account. Deze gelden heeft eiseres niet in haar aangiftebiljetten van desbetreffende jaren aangegeven. Voor het jaar 2011 is aan eiseres geen aangiftebiljet uitgereikt en heeft zij ook geen aangifte gedaan.

4. Eiseres heeft vanaf het jaar 2009 de beschikking over de PayPal account ‘ [H] ’. Op deze account heeft zij gelden van [F] en [G] ontvangen. Ook heeft zij de beschikking over de PayPal account [I] .

5. Uit bankoverzichten van de (studenten)bankrekening bij [J] met nummer [# 2] van eiseres blijkt dat in de jaren 2011 tot en met 2014 diverse contante stortingen op de rekening hebben plaatsgevonden. Over de contante stortingen heeft eiseres verklaard dat zij de gelden van haar ouders heeft gekregen, dat haar ouders stortingen deden op haar Oekraïense creditcard, waarna zij de gelden pinde en op haar Nederlandse bankrekening stortte.

6. Hierna volgt een overzicht van de ontvangsten (bedragen in euro’s):

Ontvangsten

2011

2012

2013

2014

Bank

[F] / [G]

1.910

10.025

10.950

350

Paypal

[F] / [G]

3.350

4.813,18

Contante stortingen

7.305

2.365

350

5.880

7. Ook in het jaar 2015 heeft eiseres gelden ontvangen van [G] en ook in dat jaar zijn deze gelden niet aangegeven. Eiseres heeft in het gesprek van 20 juni 2016 verklaard dat [G] een onderneming is van [F] en dat zij de gelden vanwege de vriendschap met de heer [F] heeft ontvangen.

8. Op het LinkedIn-profiel van eiseres is vermeld dat zij van november 2008 tot en met december 2012 parttime als ‘personal assistant’ bij [G] heeft gewerkt. Volgens informatie op LinkedIn heeft zij haar opleiding met deze functie kunnen financieren. Op LinkedIn is hierover – voor zover hier van belang – het volgende vermeld:

“Throughout all my studies and jobs today, I have held a part-time position in [G] where I manage the online sales process for the procurement of specific domain names. My duties involve pricing, buying and selling domain names to customers throughout the world. My contribution to this small but profitable business has allowed for capital growth and the company now turns over in excess of $2 million per annum. My continued success in this role has allowed me to independently fund my international studies in the Netherlands throughout the duration of my degree.”

9. In het jaar 2015 is eiseres als ‘Sales Representative’ voor [G] naar een beurs in [R] geweest ( [S] Event). In het verslag van 20 juni 2016 is hierover – voor zover hier van belang – het volgende vermeld:

“Mevrouw [X] deelt mede in januari 2015 naar [R] te zijn geweest voor [L] voor een online marketing-event. Dit event was kort na de [S] Conferentie. Mevrouw [X] deelt mede vrije dagen opgenomen te hebben om voorafgaand aan het online marketing-event naar het [S] event te gaan. Mevrouw [X] deelt mede op verzoek van de heer [F] , namens [G] aan de [S] event te hebben deelgenomen. Volgens mevrouw [X] heeft zij drie dagen deelgenomen aan de [S] Conferentie.(…). Mevrouw [X] deelt mede op het [S] Event aantekeningen te hebben gemaakt van de presentaties en deelname aan workshops. Verder deelt mevrouw [X] mede visitekaartjes uitgedeeld te hebben en visitekaartjes in ontvangst te hebben genomen. Mevrouw [X] deelt mede zowel haar eigen visitekaartjes namens [G] te hebben uitgedeeld, alsmede het visitekaartje van de heer [F] .

Volgens mevrouw [X] heeft zij haar visitekaartjes van [G] speciaal voor dit event gemaakt. Mevrouw [X] deelt mede niet meer te weten wie voor de visitekaartjes heeft betaald. (…) Mevrouw [X] deelt mede geen vergoeding van de heer [F] of [G] te hebben ontvangen voor het bezoek aan de conferentie.”

10. Eiseres heeft verklaard tijdens haar studie uitsluitend over de hiervoor vermelde studentenbankrekening [# 2] te beschikken. Daarna heeft zij de volgende bankrekeningen geopend: [# 3] , [# 4] en [# 5] .

11. Eiseres heeft in het jaar 2015 gelden ontvangen van onder andere [M] (Hong Kong) en [N ] LLC.

12. Verweerder heeft eiseres naar aanleiding van het gesprek van 20 juni 2016 bij diverse gelegenheden schriftelijk een aantal vragen (achttien) gesteld. Bij brief van 12 oktober 2016 stelt verweerder bij informatiebeschikking vast dat eiseres niet heeft voldaan aan de wettelijke verplichting van artikel 47 van de Awr in samenhang met artikel 49 van de Awr omdat zij de verzochte informatie niet binnen de gestelde termijn heeft verstrekt. In de informatiebeschikking is – voor zover hier van belang – het volgende vermeld:

“(…) Op basis van deze feiten lijken de door mevrouw [X] ontvangen gelden van de heer [F] en/of [G] S.A. in relatie te staan tot door mevrouw [X] verrichte diensten/werkzaamheden voor de heer [F] en/of [G] S.A.. Deze ontvangen gelden zouden daarmee als inkomen belastbaar zijn.

Ik heb reeds meermaals verzocht hieromtrent onderstaande vragen te beantwoorden:

1. Heeft mevrouw [X] werkzaamheden, handelingen of diensten – in welke vorm dan ook – verricht voor [G] S.A.?

 Zo ja, dan verzoek ik mevrouw [X] de werkzaamheden, handelingen of diensten te specificeren.

2. Heeft mevrouw [X] werkzaamheden, handelingen of diensten – in welke vorm dan ook – verricht voor de heer [F] ?

 Zo ja, dan verzoek ik mevrouw [X] de werkzaamheden, handelingen of diensten te specificeren.

3. Wie is de eigenaar van [G] S.A.?

4. Wie is de directie van [G] S.A.?

5. Wat was haar relatie met [G] S.A.?

6. Welke werkzaamheden/activiteiten heeft mevrouw [X] verricht ten aanzien van de aankoop en verkoop van domeinnamen (anders dan de domeinnaam voor uw eigen onderneming)?

(…)

Tijdens het gesprek van 20 juni 2016 heeft mevrouw [X] medegedeeld na 2012 meerdere bankrekeningen te hebben geopend. Aangezien op haar LinkedIn vermeld is dat mevrouw [X] na 2012 nog voor [G] S.A. werkzaam is geweest, alsmede dat mevrouw [X] na 2012 nog gelden van [A] en/of [G] S.A. op rekening [# 2] heeft ontvangen, wil ik vaststellen of mevrouw [X] nog meer en/of andere gelden heeft ontvangen. Ik heb mevrouw [X] verzocht mij de navolgende documentatie te doen toekomen:

7. Kopieën van bankafschriften van overige rekeningen (niet zijnde rekeningnummer [# 2] ) van opening tot en met 2015.

(…)

Tijdens onze bespreking op 20 juni heeft mevrouw [X] medegedeeld dat zij in februari 2008 naar Nederland is gekomen. Volgens haar LinkedIn-profiel heeft zij sinds 2008 werkzaamheden verricht voor [G] S.A. en heeft zij met de functie als Personal Assistant bij [G] S.A. haar opleiding kunnen financieren. Indien zij vanaf 2008 vergoedingen heeft ontvangen voor haar werkzaamheden, welke zij van de heer [F] en/of [G] S.A. heeft verkregen voor de verrichte werkzaamheden, zouden voor deze inkomsten de verlengde navorderingstermijn van 12 jaar van toepassing kunnen zijn. Voor de jaren 2008 tot en met 2010 is dus eveneens sprake van een mogelijk fiscaal belang.

In dit kader heb ik mevrouw [X] meermaals verzocht mij de navolgende documentatie te doen toekomen:

8. Kopieën van bankrekening [# 2] over de periode 2008 tot en met 2010.

9. Voor de volledigheid heb ik eveneens verzocht om kopieën van eventuele overige binnenlandse of buitenlandse bankrekeningen over de periode 2008 tot en met 2015. Indien mevrouw [X] geen andere binnenlandse of buitenlandse rekeningen heeft gehouden in de periode 2008 tot en met 2015, dan verzoek ik u te bevestigen dat zij niet over andere rekeningen kon beschikken in die periode.

In het kader van vraag 9 moet ik ook constateren dat mij niet duidelijk is geworden ten laste van welke bankrekening de Oekraïense creditcard wordt gebracht, op wiens naam deze rekening staat en of mevrouw [X] tot deze rekening gemachtigd is/was, anders dan door middel van de gekoppelde creditcard.

(…)

Mevrouw [X] heeft medegedeeld in 2009 voor het eerst een paypal account te hebben geopend. Uit de transacties op haar paypal account ‘ [H] ’ blijkt dat zij gelden van de heer [F] en/of [G] S.A. op deze paypal account heeft ontvangen. Om vast te kunnen stellen of zij nog meer en/of andere gelden heeft ontvangen, heb ik mevrouw [X] verzocht antwoord te geven op de navolgende vraag en indien van toepassing de mutatie-overzichten van de ander accounts over de periode 2009 tot en met 2015 toe te zenden:

10. Is de paypal-account ‘ [H] ’, waarvan mevrouw [X] de mutatie-overzichten heeft vertrekt, het enige paypal-account waarover zij kon beschikken (/toegang toe had in de periode 1 januari 2009 tot en met heden)? (Indien nee, dan ook graag de mutatie-overzichten van deze paypal-accounts meezenden).

In de door u toegezonden informatie heb ik een gecomprimeerd bestand aangetroffen met de naam ‘paypal [I] ’. Ik ga ervan uit dat dit de tweede paypal-account betreft waarover mevrouw [X] kon beschikken. Helaas betreffen de mutatie-overzichten in het gecomprimeerde bestand dezelfde mutatie-overzichten als het paypal-account ‘paypal [H] ’. Ik merk derhalve op dat u mij niet de mutatie-overzichten heeft verstrekt van de overige paypal-accounts waarover mevrouw [X] kon beschikken.

(…)

11. Mutatie-overzichten van paypal account ‘ [H] ’ van 1 januari 2015 tot en met 1 januari 2016.

Ik acht deze vraag afdoende beantwoord. Ik merk op dat mevrouw [X] ten minste tot eind 2015 nog gelden van [G] S.A. ontvangt.

Mevrouw [X] heeft medegedeeld dat zij de beurs in [R] voor [G] S.A. heeft bezocht op verzoek van de heer [F] . De afspraken rondom en afhandeling van dit evenement tussen mevrouw [X] en de heer [F] / [G] S.A. bieden mogelijk inzicht in de relatie tussen mevrouw [X] en de heer [F] / [G] S.A.. In dat kader heb ik meermaals verzocht de navolgende informatie toe te zenden:

12. De (e-mail)correspondentie inzake het [S] event met de organisatie.

13. Communicatie met de heer [F] voorafgaand, tijdens en na afloop van het [S] event (afspraken over de te volgen presentaties, te leggen contacten, overdracht van visitekaartjes, aantekeningen etc.).

14. Communicatie met en betaling aan de drukker van haar visitekaartjes, alsmede een kopie van haar visitekaartjes van [G] .

(…)

In mijn brief van 6 september 2009 heb ik opgemerkt dat uit de factuur van “ [O] ” blijkt dat deze afgerekend is bij de Front desk met een [P] . In de overzichten is geen melding gemaakt dat mevrouw [X] kon beschikken over een [P] . Ik heb verzocht om de navolgende vragen te beantwoorden:

15. Heeft mevrouw [X] tussen 2011 en 2016 de beschikking gehad over meer creditcard dan de [T] gekoppeld aan de bankrekening [# 2] ( [Q] [# 6] )en een Oekraïense creditcard op contractnummer [# 7] ?

16. Indien de [P] niet van mevrouw [X] was, wie heeft de factuur van “ [O] ” betaald?

17. Indien de [P] niet van [X] was, zijn er andere kosten voor haar betaald of heeft zij andere vergoedingen, in welke vorm dan ook, ontvangen in relatie tot het [S] event.

(…)

Uit bankoverzichten van rekening [# 2] blijkt dat er over 2011, 2012, 2013 en 2014 diverse constante stortingen op de rekening hebben plaats hebben gevonden. Ten aanzien van deze constante stortingen heeft mevrouw [X] verklaard, dat haar ouders geld stortten op de Oekraïense creditcard, welke zij met deze buitenlandse kaart pinde en contant op haar Nederlandse rekening stortte.

Op basis van de door u aangeleverde overzichten van de Oekraïense creditcard zie ik geen onderbouwing voor de door u gegeven verklaring voor de contante stortingen.

Op basis van de informatie die ik tot mijn beschikking heb, lijken de contante stortingen betrekking te hebben op door mevrouw [X] ontvangen vergoedingen voor de door haar uitgevoerde werkzaamheden. Ik heb verzocht de navolgende documenten toe te zenden:

18. Documentatie waaruit blijkt waar de contante stortingen betrekking op hebben.”

13. Eiseres heeft tegen de informatiebeschikking bezwaar gemaakt en heeft daarbij van haar recht om te worden gehoord afgezien.

14. Door eiseres zijn de bankafschriften van de hierna vermelde rekeningen digitaal aan verweerder overgelegd.

rekeningnummer

[J]

[# 3]

28-02-2013

31-08-2016

[J]

[# 4]

10-06-2013

31.08-2016

[J]

[# 5]

31-05-2016

31-08-2016

[J]

[# 2]

10-01-2011

31-08-2016

[T]

[# 8]

27-08-2014

27-08-2016

Russische Creditcard

[# 7]

30-07-2014

28-08-2015

Russische Creditcard

[# 9]

20-11-2013

27-01-2014

Russische Creditcard

[# 10]

19-11-2013

Paypal

[H]

01-01-2009

01-01-2016

Geschil
15.In geschil is het antwoord op de vraag of de informatiebeschikking terecht is vastgesteld. Het geschil spitst zich toe op het antwoord op de vraag of (i) een heffingsbelang aanwezig is en of (ii) eiseres voldaan heeft aan de informatieplicht.

16. Eiseres stelt dat de informatiebeschikking niet rechtmatig is en geheel dan wel gedeeltelijk moet vervallen omdat het heffingsbelang bij de vragen ontbreekt dan wel de vragen afdoende zijn beantwoord. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep.

Verweerder heeft de standpunten gemotiveerd bestreden en concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

Beoordeling van het geschil

Mogelijk heffingsbelang?

17. Op grond van artikel 47, eerste lid, van de Awr is ieder gehouden desgevraagd aan de inspecteur gegevens en inlichtingen te verstrekken welke voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang kunnen zijn. Ingevolge artikel 49, eerste lid, van de Awr dienen de gegevens en inlichtingen duidelijk, stellig en zonder voorbehoud te worden verstrekt en wel binnen een door de inspecteur te stellen termijn. Op grond van het bepaalde in artikel 52a van de Awr kan de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking vaststellen dat niet of niet volledig aan de verplichtingen van artikel 47 van de Awr is voldaan. Bij een eventueel bezwaar tegen een belastingaanslag wordt deze op grond van artikel 25, derde lid, van de Awr gehandhaafd als de daarop betrekking hebbende informatiebeschikking onherroepelijk is geworden, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de aanslag onjuist is.

18. Voor het bestaan van de ingevolge artikel 47 van de Awr op iemand rustende verplichting is voldoende dat de inspecteur zich op basis van de hem ter beschikking staande informatie in redelijkheid op het standpunt kan stellen dat de gevraagde gegevens en bescheiden van belang zouden kunnen zijn voor de belastingheffing (Hoge Raad 18 april 2003, nr. 38.122, ECLI:NL:HR:2003:AF7498). Het ligt op de weg van de inspecteur om de feiten en omstandigheden te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken die de conclusie rechtvaardigen dat hij zich in redelijkheid op bedoeld standpunt kan stellen.

19. De rechtbank is van oordeel dat verweerder aan de op hem rustende bewijslast heeft voldaan en aannemelijk heeft gemaakt dat de vragen vermeld in informatiebeschikking – met uitzondering van vraag 4 – van belang zouden kunnen zijn voor de belastingheffing van eiseres. De rechtbank overweegt dat uit de vaststaande feiten blijkt dat eiseres over de jaren 2010 tot en met 2015 gelden heeft ontvangen van [G] en de heer [F] die – zoals door eiseres te kennen is gegeven – bij de onderneming van [G] betrokken is. Voorts heeft eiseres in haar LinkedIn profiel staan dat zij vanaf 2008 tot en met het jaar 2012 voor [G] werkzaamheden heeft verricht met betrekking tot de koop en verkoop van ‘domainnames’. Uit de vaststaande feiten blijkt dat zij in het jaar 2015 als ‘sales representative’ voor [G] naar een beurs is geweest in [R] . Deze feiten en omstandigheden wijzen in de richting dat eiseres reeds vanaf het jaar 2008 werkzaamheden heeft verricht voor [G] . De verkregen gelden hebben dan ook mogelijkerwijs betrekking op deze werkzaamheden. De rechtbank is van oordeel dat verweerder gelet op deze feiten en omstandigheden zich in redelijkheid op het standpunt kan stellen dat de door hem gevraagde gegevens en bescheiden van belang kunnen zijn voor de belastingheffing van eiseres. Met betrekking tot de informatie over de jaren 2008 tot en met 2010 – en de toepassing van de verlengde navorderingstermijn van artikel 16, vierde lid, van de Awr – overweegt de rechtbank dat de vraagstelling gaat over (mogelijke) inkomstenbestanddelen waarvan de verwerving en de ontvangst aanknopingspunten hebben met het buitenland, en dat het dus mogelijk is dat zij zijn opgekomen in het buitenland. [G] is immers een naar buitenlands recht opgericht lichaam. Ook blijkt uit de vaststaande feiten dat eiseres voor werkzaamheden van andere buitenlandse entiteiten gelden heeft ontvangen. In zoverre acht de rechtbank dan ook een heffingsbelang aanwezig. Met betrekking tot vraag 4 (Wie is de directie van [G] ?) acht de rechtbank geen heffingsbelang voor eiseres aanwezig, omdat aannemelijk is dat eiseres niet wist wie de directie van [G] vormde. Bovendien hoefde ze dat ook niet te weten. In zoverre is het gelijk aan eiseres. Hierna zal de rechtbank beoordelen of eiseres met betrekking tot de overige vragen al dan niet heeft voldaan aan de informatieverplichting. De rechtbank overweegt hierbij dat tussen partijen niet in geschil is dat vraag 11 afdoende is beantwoord.

Is aan de informatieverplichting voldaan?

20. Met betrekking tot de vragen 1, 2, 5, 6, 12, 13, 14, 17 en 18 oordeelt de rechtbank dat eiseres niet heeft voldaan aan de informatieverplichting.

20.1.

Eiseres heeft over de vragen 1, 2, 5 en 6 aangevoerd dat het verhaal op LinkedIn verzonnen is en dat zij niet gewerkt heeft voor [G] . Het gaat om de volgende vragen:

1. Heeft mevrouw [X] werkzaamheden, handelingen of diensten – in welke vorm dan ook – verricht voor [G] S.A.?

- Zo ja, dan verzoek ik mevrouw [X] de werkzaamheden, handelingen of diensten te specificeren.

2. Heeft mevrouw [X] werkzaamheden, handelingen of diensten – in welke vorm dan ook – verricht voor de heer [F] ?

- Zo ja, dan verzoek ik mevrouw [X] de werkzaamheden, handelingen of diensten te specificeren.

5. Wat was haar relatie met [G] S.A.?

6. Welke werkzaamheden/activiteiten heeft mevrouw [X] verricht ten aanzien van de aankoop en verkoop van domeinnamen (anders dan de domeinnaam voor uw eigen onderneming)?

De rechtbank overweegt dat eiseres met haar LinkedIn profiel de schijn heeft gewekt dat zij voor [G] heeft gewerkt en daarvoor inkomsten heeft genoten hetgeen wordt versterkt door haar deelname aan het ‘ [S] Event’ ten behoeve van [G] en haar verklaring daarover (zie onderdeel 9 van deze uitspraak). Het ligt dan op haar weg om de door haar zelf gewekte schijn weg te nemen (vgl. Hoge Raad van 28 mei 1986, nr. 23.784, ECLI:NL:HR:1986:AW8017). Eiseres heeft aangevoerd dat het verhaal op LinkedIn is verzonnen en dat zij van de heer [F] geld heeft gekregen vanwege hun vriendschappelijke relatie. De rechtbank acht deze verklaring niet voldoende. Daarmee zijn de stortingen op haar rekening afkomstig van de (zakelijke) rekening van [G] ook niet verklaard.

20.2.

Met betrekking tot de vragen 12, 13 en 14 betoogt eiseres dat zij geen administratieplicht heeft op basis van artikel 52 van de Awr. Het gaat hierbij om de volgende vragen:

12. De (e-mail)correspondentie inzake het [S] event met de organisatie.

13. Communicatie met de heer [F] voorafgaand, tijdens en na afloop van het [S] event (afspraken over de te volgen presentaties, te leggen contacten, overdracht van visitekaartjes, aantekeningen etc.).

14. Communicatie met en betaling aan de drukker van haar visitekaartjes, alsmede een kopie van haar visitekaartjes van [G] .

De strekking van dit betoog ontgaat de rechtbank nu de vragen die door verweerder zijn gesteld geen verband hebben met de in artikel 52 Awr gestelde regels voor de administratie van de vermogenstoestand van belastingplichtigen. De vragen van verweerder zijn gegrond op artikel 47 van de Awr. Eiseres heeft met haar deelname aan het ‘ [S] Event’ en haar antwoord op de vragen hierover de schijn gewekt dat zij voor [G] werkzaamheden heeft verricht. Ook in dit geval geldt dat het op haar weg ligt om deze schijn weg te nemen. Over deze vragen heeft zij geen informatie verstrekt. De rechtbank oordeelt dat gesteld noch gebleken is dat het gaat om informatie waarover eiseres niet beschikt of niet kan beschikken. Van eiseres kan derhalve enige inspanning worden verlangd om de verzochte informatie te achterhalen.

20.3.

Vraag 17 heeft ook betrekking op het ‘ [S] Event’. Deze vraag luidt als volgt:

17. Indien de [P] niet van [X] was, zijn er andere kosten voor haar betaald of heeft zij andere vergoedingen, in welke vorm dan ook, ontvangen in relatie tot het [S] event?

Met betrekking tot deze vraag betoogt eiseres dat zij aan haar inspanningsverplichting heeft voldaan en dat zij niet meer informatie kan geven dan de informatie die zij al heeft overgelegd. Verweerder stelt dat deze vraag in het geheel niet is beantwoord. De rechtbank komt tot dezelfde conclusie als verweerder. De rechtbank merkt hierbij op dat het niet aannemelijk is dat eiseres niet meer informatie kan overleggen. De rechtbank neemt in aanmerking dat eiseres ter zitting heeft verklaard nog steeds contact te hebben met de heer [F] , die haar heeft gevraagd om deze conferentie in [R] bij te wonen. Bovendien kan niet gezegd worden dat de conferentie zodanig lang geleden heeft plaatsgevonden dat de gevraagde informatie redelijkerwijs niet meer te achterhalen was.

21. De vragen 7, 8, 9 en 18 zijn gedeeltelijk onbeantwoord gebleven. Ook met betrekking tot deze vagen heeft eiseres daarom niet voldaan aan de informatieverplichting. Met betrekking tot vraag 7 stelt de rechtbank vast dat eiseres enkel nog moet overleggen de mutaties van de maand december 2015 van de bankrekening met nummer [# 2] , hetgeen door eiseres overigens ook wordt erkend. De vragen 8 en 9 hebben betrekking op de jaren 2008 tot en met 2010. De rechtbank heeft hiervoor reeds geoordeeld dat de informatie over deze periode van belang kan zijn voor de belastingheffing van eiseres. Eiseres heeft in haar pleitnota erkend dat ook deze vragen slechts gedeeltelijk zijn beantwoord. Eiseres heeft over vraag 18 aangevoerd dat haar ouders haar hebben gesponsord en dat de op haar Nederlandse rekening gestorte bedragen van haar ouders afkomstig zijn (zie onderdelen 5 en 6 van deze uitspraak). Als bewijs hiervan heeft eiseres een brief van haar vader overgelegd (bijlage 4 van het nader stuk van 8 juni 2018). Daarin verklaart de vader van eiseres dat zij (de ouders van eiseres) haar in verband met haar studie vanaf het jaar 2008 voor ongeveer 5 jaar hebben gesponsord. De rechtbank overweegt dat hiermee de vraag voor de jaren na de afronding van de studie van eiseres (2013 en 2014) niet is beantwoord. Volgens de vaststaande feiten heeft eiseres in deze jaren respectievelijk € 350 en € 5.880 contant op de rekening gestort. Wel is de vraag voor wat betreft de jaren 2008 tot en met 2012 met hetgeen eiseres heeft ingebracht, voldoende beantwoord.

22. De rechtbank oordeelt dat eiseres met betrekking tot de vragen 3, 10, 15 en 16 wel aan de informatieverplichting heeft voldaan. Op deze punten is het gelijk derhalve aan eiseres.

Op vraag 3 heeft eiseres te kennen gegeven dat de heer [F] de eigenaar is van [G] . Met betrekking tot vraag 10 heeft eiseres aangevoerd dat zij beschikt over de paypal-account [I] . Over deze rekening heeft zij voorts onbetwist aangevoerd dat het in het jaar 2016 is geopend. Ze heeft ter staving hiervan een screenprint overgelegd (als bijlage van het nader stuk van 8 juni 2018) waarop staat dat de rekening in het jaar 2016 is geopend. De rechtbank merkt op dat informatie over deze rekening daarom ook buiten het bereik van de informatiebeschikking valt. Vraag 15 heeft eiseres ontkennend beantwoord. Het antwoord van eiseres op vraag 16 is dat de [P] eigendom van haar voormalige werkgever ( [L] ) is en dat het hotel daarmee is betaald. Ter staving hiervan heeft eiseres een registratieformulier van het ‘ [U] ’ in [R] ( [..] januari 2015) overgelegd en een brief van haar voormalige werkgever waarin staat dat eiseres haar werkgever op dat event zal vertegenwoordigen en dat de kosten daarvan voor rekening van haar werkgever komen. De rechtbank kan verweerder daarom niet volgen in zijn betoog dat de vragen 15 en 16 niet zijn beantwoord.

Strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur?

23. De rechtbank stelt voorop dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat verweerder met de informatiebeschikking in strijd handelt met enig beginsel van behoorlijk bestuur. Daartoe is de klacht van eiseres over de repeterende wijze van vragen stellen door verweerder niet voldoende, nu eiseres – zoals uit deze uitspraak volgt – niet volledig aan haar informatieplicht heeft voldaan. Voor zover eiseres specifiek ten aanzien van de vragen 3 en 4 in de informatiebeschikking stelt dat verweerder in strijd met het evenredigheidsbeginsel heeft gehandeld, is de rechtbank van oordeel dat in het midden kan blijven of eiseres dit terecht naar voren heeft gebracht. Eiseres heeft het gelijk met betrekking tot deze vragen al aan haar zijde en eiseres heeft niet kenbaar gemaakt welke verdere gevolgen – anders dan hierna zal wordt beslist – verbonden dienen te worden aan de eventuele vaststelling van enig handelen in strijd met de algemene beginselen in zoverre.

24. Het voorgaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat de informatiebeschikking voor een deel terecht is vastgesteld. De informatiebeschikking dient met betrekking tot de vragen 3, 4, 10, 15 en 16 te worden vernietigd. De rechtbank zal eiseres op grond van artikel 27e, tweede lid, van de Awr een nieuwe termijn stellen om de overige vragen te beantwoorden.

25. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep gegrond te worden verklaard.

Proceskosten

26. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.251 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, met een waarde per punt van € 249, 1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 501 en een wegingsfactor 1).

27. Op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht

worden kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar

redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek

van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens een aan

het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. De informatiebeschikking wordt voor een deel vernietigd, derhalve vindt voor dat deel herroeping plaats. De rechtbank overweegt voorts dat vernietiging plaatsvindt wegens onrechtmatigheid van verweerder. Immers de informatiebeschikking is met betrekking tot de vragen 4 (geen heffingsbelang aanwezig) en de vragen 3, 10, 15 en 16 (vragen zijn afdoende beantwoord) onterecht vastgesteld.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar;

  • -

    vernietigt de informatiebeschikking doch uitsluitend voor zover deze ziet op de vragen 3, 4, 10, 15 en 16;

  • -

    stelt eiseres een termijn van acht weken gerekend vanaf de dag na die waarop deze uitspraak onherroepelijk is geworden, waarbinnen zij alsnog aan verweerder de in de informatiebeschikking gevraagde informatie kan verstrekken;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.251;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46 aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J. Jansen, voorzitter, en mr. A.A. Fase en

mr. S.K.A. Efstratiades, leden, in aanwezigheid van mr. S.A. Carter, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 september 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.